Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:364

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
12-04-2016
Datum publicatie
18-05-2016
Zaaknummer
15/03859
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:875, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

9 middelen t.a.v. veroordeling t.z.v. verkrachting en feitelijke aanranding van de eerbaarheid in het centrum van Utrecht. HR: art. 80a RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/03859

Zitting: 12 april 2016

Mr. W.H. Vellinga

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Bij arrest van 11 augustus 2015 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep ter zake van dat deel van het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingslocatie Utrecht, d.d. 24 februari 2015, waarbij hij terzake van het onder de feiten 4 en 5 tenlastegelegde werd vrijgesproken, en heeft het hof bevestigd het vonnis waarvan beroep, waarbij de verdachte wegens feit 1 en 2: telkens: “verkrachting” en feit 3: “feitelijke aanranding van de eerbaarheid” is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, met uitzondering van de beslissingen1 ten aanzien van het beslag en de benadeelde partij [slachtoffer 1]. Voorts heeft het hof een voorwerp aan het verkeer onttrokken verklaard en de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toegewezen tot een bedrag van € 1.670,76. Voor dat bedrag is tevens een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

2. Namens de verdachte heeft mr. E.D. van Elst, advocaat te Veenendaal, 9 middelen van cassatie voorgesteld.

3 Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:

“1. op 14 juni 2013 te Utrecht, door bedreiging met geweld [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die hebben bestaan uit of mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij verdachte, zijn penis in de mond van [slachtoffer 2] geduwd en/of gebracht en/of gehouden en vervolgens heen en weer bewogen en bestaande die bedreiging met geweld en/of die ander feitelijkheden hierin dat hij, verdachte,

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft gericht en gericht heeft gehouden op en getoond aan [slachtoffer 2]

en

- (vervolgens) tegen [slachtoffer 2] heeft gezegd dat ze mee moest lopen en dat ze stil moest zijn en vervolgens dat ze hem, verdachte, moest pijpen.

2. op 14 november 2013 te Utrecht, door bedreiging met geweld [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die hebben bestaan uit of mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij verdachte, zijn penis in de mond van [slachtoffer 3] geduwd en/of gebracht en/of gehouden en vervolgens heen en weer bewogen en bestaande die bedreiging met geweld hierin dat hij, verdachte,

- een mes heeft gericht en gericht heeft gehouden op en getoond aan [slachtoffer 3] en

- vervolgens [slachtoffer 3] heeft gevraagd of ze geld had en

- vervolgens [slachtoffer 3] heeft gezegd dat ze mee moest lopen en dat ze op haar knieën moest gaan zitten en vervolgens heeft gezegd dat ze hem moest pijpen en vervolgens dat ze het sperma door moest slikken.

3. op 19 juni 2014 te Utrecht, door een feitelijkheid [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot dulden van ontuchtige handelingen, immers heeft hij [slachtoffer 1] door onverhoeds vlak nabij [slachtoffer 1] te gaan staan, gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen bestaande uit het onverhoeds brengen/houden van zijn, verdachtes, ontblote penis nabij het gezicht van [slachtoffer 1] en vervolgens het brengen van zijn, verdachtes, sperma op het gezicht van [slachtoffer 1].”

4. Het eerste middel klaagt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat, zoals onder 1 is bewezenverklaard, de verdachte een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft gericht en gericht heeft gehouden op en getoond aan [slachtoffer 2].

5. Met betrekking tot dit onderdeel van de bewezenverklaring is als bewijsmiddel gebezigd2 de verklaring van [slachtoffer 2], dat zij onder bedreiging van een al dan niet echt vuurwapen is gedwongen tot orale seks.

6. Volgens de toelichting op het middel kan uit de voor het bewijs gebezigde verklaring van aangeefster wel worden afgeleid dat de verdachte een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft gericht en gericht heeft gehouden op en getoond aan [slachtoffer 2] maar is dat niet voldoende. Deze opvatting vindt echter geen steun in het recht.

7. Het middel faalt.

8. Het tweede en het derde middel klagen dat een onderdeel van het onder 2 respectievelijk onder 3 bewezenverklaarde slechts kan worden afgeleid uit de verklaringen van de aangeefsters. De opvatting dat dit niet voldoende zou zijn vindt geen steun in het recht.

9. De middelen falen.

10. Het vierde middel klaagt dat het hof verzuimd heeft te motiveren waarom het is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, dat verdachte moet worden vrijgesproken van het gebruik van wapens omdat hij niets weet van het gebruik van wapens.

11. Het middel miskent dat uit de voor het bewijs gebezigde verklaringen van aangeefsters blijkt dat de verdachte verschillende wapens heeft gebruikt om de aangeefsters te dwingen de bewezenverklaarde misdragingen van de verdachte te ondergaan.

12. Het middel faalt.

13. Het vijfde middel berust op de opvatting dat het hof ten onrechte, althans op ontoereikende gronden heeft geoordeeld dat de verklaring van de verdachte dat hij zich niets meer herinnert van de hem tenlastegelegde zedenzaken, ongeloofwaardig is.

14. Het hof heeft te dien aanzien overwogen:

“De noodzaak om gedragsdeskundigen alsnog nader onderzoek te laten ontbreekt. Meer in het bijzonder overweegt het hof dat verdachte geen openheid van zaken heeft gegeven en hij daardoor op geen enkele wijze steun biedt aan voormeld verzoek. Verdachte heeft verklaard dat hij zich door het roken van verkeerde wiet niets kan herinneren van de hem tenlastegelegde zedenzaken. Het hof acht deze verklaring niet geloofwaardig. Dit oordeel van het hof vindt steun in hetgeen C.A.M. van der Meijs, psychiater, daaromtrent heeft gerapporteerd. Van der Meijs acht het vanuit zijn expertise niet waarschijnlijk dat verdachte zich helemaal niets meer van de zedenfeiten kan herinneren. Daar komt bij, aldus Van der Meijs, dat het niet kunnen herinneren niet valt te rijmen met het feit dat verdachte ten tijde van het plegen van de feiten bij herhaling wel in staat is geweest om doelgerichte en complexe handelingen uit te voeren. Het hof wijst het verzoek dan ook af.”

15. Het oordeel van het hof dat verdachtes verklaring dat hij zich niets meer herinnert van de hem tenlastegelegde zedenzaken, ongeloofwaardig is, is niet onbegrijpelijk. Voorts is het toereikend gemotiveerd.

16. Het middel faalt.

17. Het zesde middel berust op de opvatting dat de verdachte zich niets meer herinnert van de hem tenlastegelegde zedenzaken. Gelet op hetgeen ik heb uiteengezet bij de bespreking van het vijfde middel mist het middel feitelijke grondslag.

18. Het middel faalt.

19 Het zevende middelstelt een eis die het recht niet kent en faalt dus.

20. Het achtste middel miskent dat in het door het Hof in zoverre bevestigde vonnis uitgebreid, onder meer onder verwijzing naar een daartoe strekkend advies van de reclassering, uiteen wordt gezet waarom aan de verdachte een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf dient te worden opgelegd.

21. Het middel faalt.

22. Het negende middel klaagt dat het hof de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij ontoereikend heeft gemotiveerd omdat ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd:

“Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] stel ik mij op het standpunt dat er onvoldoende causaal verband is om de verzochte vergoeding van het collegegeld voor de duur van zes maanden, toe te wijzen. Subsidiair verzoek ik u de vordering tot schadevergoeding te matigen.”

23. De rechtbank heeft ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij overwogen:

“De rechtbank is van oordeel dat de door de benadeelde gevorderde immateriële schade billijk is en zal dat bedrag toewijzen. Bij gebreke van betwisting wijst de rechtbank de schadeposten met betrekking tot de reiskosten en gederfde inkomsten eveneens toe. Met betrekking tot de kosten voor collegegeld stelt de rechtbank vast dat de benadeelde door hetgeen bewezen is verklaard studievertraging heeft opgelopen. Omdat het gebeurde in de tentamenweek plaatsvond, heeft zij daardoor een verslag niet tijdig kunnen inleveren. Hoe groot de schade door hetgeen haar is overkomen doorwerkt in het verlengen van haar schoolperiode heeft de rechtbank niet precies kunnen vaststellen. De rechtbank schat de extra collegekosten op een bedrag van € 600,-.Voor het overige levert de behandeling van deze schadepost een onevenredige belasting van het strafproces op.

De rechtbank acht, gelet op het vorenstaande, een bedrag van € 1.316,76,- toewijsbaar. De vordering zal dan ook tot dat bedrag worden toegewezen, met dien verstande dat dit bedrag vermeerderd dient te worden met de wettelijke rente over de immateriële schade berekend van 19 juni 2014 tot de dag der algehele voldoening en over de materiële schade vanaf de dat datum dat de vordering is ingediend, te weten 9 februari 2015 (niet gemotiveerd is namelijk per welke datum over de verschillende gestelde materiële posten de rente is gaan lopen respectievelijk wordt gevorderd). De vordering zal voor het overige deel niet- ontvankelijk verklaard worden. De benadeelde partij kan dat deel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.”

24. Het hof heeft de gehele vordering toegewezen, daartoe overwegende:

“De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1670,76. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1316,76.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de verzochte schadevergoeding in zijn geheel zal worden toegewezen. Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.”

25. In het licht van hetgeen de rechtbank reeds had overwogen over de toewijsbaarheid van de vordering heeft de benadeelde partij in hoger beroep zo summier verweer gevoerd tegen toewijsbaarheid van deze vordering dat het hof op het aangevoerde niet nader hoefde in te gaan.

26. Het middel faalt.

27. Zoals de bespreking van de middelen laat zien, kunnen deze klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden. Afdoening op de voet van het bepaalde in art. 80a RO acht ik daarom aangewezen.

28. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het hof heeft deze beslissingen niet vernietigd maar wel opnieuw beslist over het beslag en de vordering van de benadeelde partij. In cassatie wordt daarover niet geklaagd.

2 Vonnis, 4.3.1.1.