Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:361

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-03-2016
Datum publicatie
18-05-2016
Zaaknummer
15/02206
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:867, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Dadelijke uitvoerbaarheid bijzondere voorwaarden en reclasseringstoezicht, art. 14e.1 Sr. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2015:537 m.b.t. motiveringsverplichting dadelijke uitvoerbaarheid bijzondere voorwaarden en reclasseringstoezicht. ’s Hofs arrest voldoet niet aan deze motiveringsverplichting. HR doet zaak om doelmatigheidsredenen zelf af en vernietigt bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid. CAG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2016/138 met annotatie van C.J.A. de Bruijn
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/02206

Zitting: 8 maart 2016

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 23 april 2015 het vonnis van de rechtbank Amsterdam met uitzondering van de strafoplegging bevestigd waarbij verdachte wegens 2. “mishandeling” en 3. “diefstal” is veroordeeld. Het hof heeft aan verdachte zes maanden gevangenisstraf opgelegd waarvan twee maanden voorwaardelijk en het hof heeft daarbij bepaald dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar zijn. Het hof heeft verder in verband met de bevestiging van de gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

  2. Namens de verdachte heeft mr. H. Bakker, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

  3. In het middel wordt erover geklaagd dat het hof ambtshalve de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht heeft gelast, terwijl die beslissing onvoldoende met redenen is omkleed dan wel onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd.

  4. Het bestreden arrest houdt, voor zover van belang, het volgende in:

“Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de strafoplegging. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd. Het hof is ambtshalve van oordeel dat de door de rechtbank opgelegde bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar dienen te worden verklaard. Aan de in artikel 14e Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden voor toepassing van de dadelijke uitvoerbaarheid is in dit geval voldaan, aangezien de verdachte blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 26 maart 2015 eerder voor (huiselijk) geweld onherroepelijk is veroordeeld en er aanwijzingen bestaan dat hij sinds de veroordeling door de rechtbank opnieuw contact heeft gezocht met de aangeefster.”

5. Art. 14e lid 1 Sr luidt:

"De rechter kan bij zijn uitspraak, ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie, bevelen dat de op grond van artikel 14c gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn, indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen."

6. De in art. 14e lid 1 Sr voorziene uitzondering op de regel dat een rechterlijke uitspraak pas tenuitvoergelegd mag worden nadat zij onherroepelijk is geworden kan verstrekkende gevolgen hebben voor de veroordeelde. Daarmee worden de gevolgen van de tenuitvoerlegging immers onomkeerbaar en kunnen zij niet worden teruggedraaid als de beslissing uiteindelijk in hoger beroep of cassatie geen stand houdt.1 Mede gelet daarop zal volgens de Hoge Raad de rechter in de motivering van zijn bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid ervan blijk dienen te geven zich ervan te hebben vergewist dat aan de in art. 14e Sr gestelde voorwaarden is voldaan. Meer in het bijzonder zal hij in een uitspraak waarin ten laste van de verdachte een misdrijf is bewezenverklaard dat is gericht tegen of gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, als zijn oordeel tot uitdrukking dienen te brengen dat en waarom ernstig rekening ermee moet worden gehouden dat de verdachte wederom zo een misdrijf zal begaan.2 Zo was de enkele overweging dat de verdachte behoefte aan begeleiding had bijvoorbeeld niet voldoende.3

7. In het onderhavige geval is de verdachte onder meer veroordeeld wegens mishandeling van [betrokkene], hetgeen een misdrijf is dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam. De vraag is of het hof voldoende tot uitdrukking heeft gebracht dat en waarom er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Het hof heeft zijn beslissing gemotiveerd door te overwegen dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld wegens (huiselijk) geweld en dat er aanwijzingen bestaan dat de verdachte sinds de veroordeling door de rechtbank opnieuw contact heeft gezocht met de aangeefster.

8. Voor zover in het middel wordt geklaagd over de overweging van het hof dat er aanwijzingen bestaan dat de verdachte sinds de veroordeling door de rechtbank opnieuw contact heeft gezocht met de aangeefster, is het middel terecht voorgesteld. Zoals de steller van het middel opmerkt heeft het hof die ‘aanwijzingen’ niet nader geduid terwijl uit het proces-verbaal van de terechtzitting ook niet blijkt dat het hof het bestaan en de inhoud van die aanwijzingen daar aan de orde heeft gesteld. Ik kan bovendien in het dossier geen steun vinden voor het bestaan van dergelijke aanwijzingen. Het enige aanknopingspunt hiervoor is dat de advocaat van de verdachte blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft aangegeven dat verdachte na het vonnis van de rechtbank is aangehouden omdat hij de bijzondere voorwaarden zou hebben overtreden. De rechtbank heeft naast een contactverbod echter ook een locatieverbod als bijzondere voorwaarde opgelegd en uit de opmerking van de advocaat blijkt niet of verdachte beide voorwaarden of één van beide zou hebben overtreden. Gelet op het voorgaande acht ik de overweging dat ‘er aanwijzingen bestaan dat hij sinds de veroordeling door de rechtbank opnieuw contact heeft gezocht met de aangeefster’ onvoldoende gemotiveerd.

9. Dat hoeft echter niet tot cassatie te leiden als de andere omstandigheid die het hof aan zijn beslissing tot dadelijke uitvoerbaarheid ten grondslag heeft gelegd, te weten dat de verdachter eerder onherroepelijk is veroordeeld wegens (huiselijk) geweld, die beslissing zelfstandig kan dragen.

10. De vraag is of die eerdere onherroepelijke veroordelingen voldoende zijn voor de motivering van de beslissing tot dadelijke uitvoerbaarheid zoals bedoeld in art. 14e lid 1 Sv. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat de Hoge Raad in twee arresten heeft geoordeeld dat een dergelijke onherroepelijk veroordeling ter zake van een soortgelijk feit daartoe niet toereikend is.

11. Helemaal eenduidig is de jurisprudentie van de Hoge Raad wat dat betreft niet.

12. In het ene in de toelichting op het middel genoemde arrest van 10 maart 20154 gaat het om een zaak waarbij sprake was van verkrachting en mishandeling en waarin het hof de dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden had bevolen omdat het slachtoffer belang had bij een contact- en locatieverbod en de samenleving belang had bij behandeling uit het oogpunt van het terugdringen van het recidivegevaar. Daarnaast overwoog het hof dat de onherroepelijke veroordeling van de verdachte onder meer ter zake van mishandeling in het nadeel van de verdachte woog. De Hoge Raad oordeelde dat met name de eerste twee aspecten, het belang van het slachtoffer en het belang van de samenleving, ontoereikend waren voor een motivering van de dadelijke uitvoerbaarheid. Als het gaat om een bewezenverklaring van een misdrijf tegen de onaantastbaarheid van het lichaam, zo lees ik dit arrest, dan moet de motivering erop zijn toegespitst waarom er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte weer een dergelijk misdrijf zal begaan. Over de eerdere veroordeling wegens mishandeling rept de Hoge Raad in dit arrest niet, mogelijk omdat dit aspect slechts een ondergeschikt onderdeel van de motivering vormde.

13. In het andere in de schriftuur genoemde arrest van 25 november 20145 ging het om een veroordeling wegens belaging en had het hof ter motivering van de dadelijke uitvoerbaarheid gewezen op een eerdere veroordeling ter zake van een soortgelijk delict, naast het feit dat het recidiverisico als hoog gemiddeld was ingeschat en dat de verdachte geen blijk had gegeven het laakbare van zijn handelingen in te zien. Die motivering werd door de Hoge Raad ontoereikend geacht. De Hoge Raad overwoog dat het misdrijf ‘belaging’ niet zonder meer kan worden gekarakteriseerd als een misdrijf ‘dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen’. In deze zaak ging het dus niet zozeer om de vraag of een eerdere veroordeling mag meewegen bij de beoordeling van het ‘gevaar vereiste’ van art. 14e lid 1 Sr, maar om de omstandigheid dat het misdrijf waar het om ging – en dat gold in gelijke zin voor de eerdere veroordeling voor een soortgelijk misdrijf – niet aan dit ‘gevaar vereiste’ voldoet. Geen van beide genoemde arresten dwingt daarom tot de conclusie dat een (enkele) eerdere onherroepelijke veroor-deling daartoe per definitie onvoldoende is.

14. Uit een ander arrest van de Hoge Raad en de daaraan voorafgaande conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Wortel kan een aanknopingspunt worden gevonden voor de opvatting dat zo’n enkele veroordeling wél toereikend kan zijn als motivering. In die zaak had het hof zijn bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden in het geheel niet gemotiveerd. Volgens Wortel hoefde dat niet tot cassatie te leiden omdat het hof had kunnen volstaan met verwijzing naar de strafmotivering. Daaruit bleek dat de verdachte zich op willekeurige wijze te buiten was gegaan aan grove gewelddadigheden tegen een persoon en een eerdere veroordeling hem daarvan niet had kunnen weerhouden. Daaruit volgde volgens Wortel rechtstreeks dat er aanleiding was om het blijkens het opleggen van de bijzondere voorwaarde noodzakelijk geachte toezicht op het gedrag van de veroordeeld, onmiddellijk effectief te laten worden. De Hoge Raad deed de zaak af op de voet van art. 81 lid 1 RO.6 In dit geval was dus kennelijk de ernst en aard van het bewezenverklaarde feit, dat zonder meer was gericht tegen of gevaar veroorzaakte voor de onaantastbaarheid van het lichaam van het slachtoffer, samen met een eerdere veroordeling voor onder meer een geweldsdelict, voldoende ter motivering van de bevolen dadelijke uitvoerbaarheid.

15. Verder wijs ik nog op HR 15 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:910. In deze zaak was de verdachte veroordeeld voor het gooien van vuurwerk naar politie-ambtenaren waarbij dat vuurwerk in de nabijheid van die politie-ambtenaren was ontploft. Als bijzondere voorwaarden had het hof bepaald dat verdachte zich in de avond en nacht van de eerstvolgende jaarwisseling (een maand na de uitspraak) tussen 18.00 ’s avonds en 8.00 uur de volgende ochtend niet buiten de woning mocht begeven en dat hij van 28 december tot en met 1 januari geen vuurwerk voorhanden mocht hebben. Het hof had die voorwaarden ‘gelet op de inhoud en het beoogde doel van de bijzondere voorwaarden’ dadelijk uitvoerbaar verklaard. De Hoge Raad overwoog ten aanzien van de motivering van de dadelijke uitvoerbaarheid:

“De strafmotivering van het Hof houdt (…) in dat de verdachte samen met anderen tijdens de nieuwjaarsnacht vuurwerk heeft afgestoken en/of gegooid in de richting van twee wijkagenten, die zich zeer onveilig en bedreigd hebben gevoeld en vreesden dat zij door het vuurwerk dat in hun richting werd geschoten/gegooid, gewond zouden raken en dat het handelen van de verdachte en zijn mededaders ook bij omstanders gevoelens van angst en onveiligheid heeft veroorzaakt, en de verdachte aldus ervan blijk heeft gegeven niet op de daartoe geëigende manier met vuurwerk om te kunnen gaan. Daarin ligt besloten dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte "wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen", zoals bedoeld in art. 14e, eerste lid, Sr zodat het Hof de beslissing in dit opzicht toereikend heeft gemotiveerd.”

Uit die overweging van de Hoge Raad leid ik af dat hier reeds voldoende was dat uit de strafmotivering kon worden afgeleid dat de verdachte met het bewezenverklaarde delict ervan blijk had gegeven de onaantastbaarheid van het lichaam niet te respecteren, nu daarin volgens de Hoge Raad besloten lag dat er ernstig rekening mee moest worden gehouden dat verdachte wederom een dergelijk misdrijf zou begaan.

16. Anders oordeelde de Hoge Raad in een zaak waarin het hof de dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden niet afzonderlijk had gemotiveerd, maar de strafmotivering wel inhield dat de verdachte met het bewezenverklaarde seksueel misbruik, inbreuk had gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van de slachtoffers en dat uit de proceshouding van de verdachte bleek dat hij geen enkele verantwoordelijkheid nam voor zijn handelen.7 In deze strafmotivering las de Hoge Raad niet, dat er ernstig rekening mee moest worden gehouden dat verdachte wederom een dergelijk misdrijf zou plegen. Wellicht was in dit geval bepalend dat het hof geen enkele specifieke overweging aan de dadelijke uitvoerbaarheid had gewijd, zodat het de vraag was of het hof wel had getoetst of aan de in art. 14e lid 1 Sr gestelde voorwaarden was voldaan.

17. Uit genoemde arresten maak ik voorzichtig op dat zowel een verwijzing naar een eerdere onherroepelijke veroordelingen als een verwijzing naar de aard van het feit dat aan de veroordeling ten grondslag ligt voldoende kan zijn voor een bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van een bijzondere voorwaarde. Van belang is of het hof in zijn arrest tot uitdrukking heeft laten komen dat uit de justitiële documentatie dan wel het strafbare feit waarvoor de verdachte terecht staat kan worden afgeleid dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal plegen.

18. In onderhavige zaak blijkt uit een zich in het dossier bevindend uittreksel justitiële documentatie van 19 augustus 20148 van 26 pagina’s dat de verdachte, naast verschillende vermogens- en verkeersdelicten, reeds verschillende malen onherroe-pelijk is veroordeeld voor het plegen van huiselijk geweld en mishandeling. Gewezen kan worden op een onherroepelijk veroordeling wegens verschillende gevallen van huiselijk geweld op 28 mei, 28 juni, 21 oktober, 25 oktober en 9 november 2012 (p. 3) en op twee onherroepelijke veroordelingen wegens huiselijk geweld in de periode 15 juli 2009 tot en met 27 augustus 2009 en 4 augustus tot en met 18 september 2008 (p. 7-8).

19. Omdat in onderhavige zaak sprake is van een herhaalde veroordeling wegens een ernstig delict dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onschendbaarheid van het lichaam, meen ik dat de motivering van de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht ook zonder de mede door het hof in aanmerking genomen aanwijzingen dat verdachte sinds de veroordeling door de rechtbank opnieuw contact heeft gezocht met de aangeefster, toereikend is.

20. De bewezenverklaring heeft immers betrekking op een delict dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam. Verdachte heeft zijn ex-vriendin in haar woning mishandeld wat bij haar pijn en blijvend letsel heeft veroorzaakt. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd, specifiek met het oog op de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarde en daartoe overwogen dat de verdachte eerder voor (huiselijk) geweld onherroepelijk is veroordeeld. Hoewel het hof naar mijn smaak de dadelijke uitvoerbaarheid wat uitgebreider had kunnen motiveren, kan in onderhavige zaak worden aangenomen dat in de motivering van het hof besloten ligt dat het hof heeft bedoeld dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan.

21. Ik kom al met al tot de conclusie dat het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en het reclasseringsoverzicht voldoende is gemotiveerd.

22. Het middel slaagt deels maar leidt niet tot cassatie.

23. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

24. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie bijvoorbeeld S. Meijer, ‘De dadelijke uitvoerbaarheid van rechterlijke beslissingen’, DD 2013, 8 en F.W. Bleichrodt en P.C. Vegter, Sanctierecht, Kluwer: 2013, p. 58-59.

2 Vgl. HR 6 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2981 en HR 10 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:537.

3 HR 10 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:531.

4 Het hiervoor in noot 2 genoemde arrest met nummer ECLI:NL:HR:2015:537.

5 ECLI:NL:HR:2014:3379.

6 HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:185 met de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Wortel van 26 november 2013, ECLI:NL:PHR:2013:2340.

7 HR 6 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2981.

8 De justitiële documentatie d.d. 26 maart 2015 waarnaar het hof in zijn arrest verwijst bevindt zich niet in het dossier van de Hoge Raad, maar ik ga ervan uit dat de onherroepelijke veroordelingen die in het overzicht van 19 augustus 2014 (dat zich wel bij de stukken die aan de Hoge Raad zijn toegezonden bevindt) staan, daarin ook zijn vermeld.