Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:359

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
22-03-2016
Datum publicatie
17-05-2016
Zaaknummer
15/00788
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:865, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Na twee eerdere vernietigingen door HR niet beslist op verweer dat redelijke termijn in eerste cassatiefase is overschreden. Tardief verweer? Hetgeen naar voren is gebracht m.b.t. de overschrijding van de redelijke termijn kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie t.o.v. het Hof naar voren is gebracht. Hof heeft i.s.m. art. 359.2 Sv niet i.h.b. de redenen opgegeven die hebben geleid tot afwijking van dit uos HR doet zaak om doelmatigheidsredenen zelf af door vast te stellen dat de redelijke termijn is overschreden en de opgelegde gevangenisstraf te verminderen. Vervolg op ECLI:NL:HR:2014:1500 en ECLI:NL:HR:2012:BX8087.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/00788

Zitting: 22 maart 2016

Mr. G. Knigge

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad heeft het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, bij arrest van 20 oktober 2014 de verdachte wegens “doodslag” veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf jaren.

  2. Namens de verdachte heeft mr. M.C. van Linde, advocaat te Groningen, één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel

3.1. Het middel klaagt dat het hof niet heeft gereageerd op het verweer van de raadsman dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM is geschonden.

3.2. Voor de duidelijkheid schets ik eerst de procesgang die aan het bestreden arrest is voorafgegaan. De verdachte is op 11 oktober 2010 veroordeeld door de rechtbank Groningen (parketnummer 18/670128-10). Tegen dit vonnis is namens de verdachte op 15 oktober 2010 hoger beroep ingesteld. Op 4 mei 2011 heeft het hof Leeuwarden de verdachte veroordeeld (rolnummer 24-002475-10). Tegen dit arrest is namens de verdachte op 17 mei 2011 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft bij arrest van 9 oktober 2012 (nummer 11/03453) het bestreden arrest vernietigd en de zaak teruggewezen naar het hof Leeuwarden. Bij arrest van 28 februari 2013 heeft het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, de verdachte veroordeeld (rolnummer 24-002374-12). Ook tegen dit arrest is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld, te weten op 6 maart 2013. Bij arrest van 24 juni 2014 (nummer 13/01501) heeft de Hoge Raad laatstgenoemd arrest wederom vernietigd en de zaak teruggewezen naar het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem. Na deze tweede terugwijzing door de Hoge Raad heeft het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, bij arrest van 20 oktober 2014 de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf jaren. Tegen dit arrest is namens de verdachte op 24 oktober 2014 beroep in cassatie ingesteld.

3.3. Dan nu de klacht dat het hof niet heeft gereageerd op het verweer van de raadsman dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM is geschonden. Uit de toelichting volgt dat het middel ziet op het verweer dat is gevoerd op de terechtzitting van 6 oktober 2014. In de pleitnota is, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het navolgende opgenomen:

“Tot slot merk ik nog op dat ten tijde van de eerste behandeling van zijn zaak in cassatie de redelijke termijn van artikel 6 EVRM is geschonden doordat er meer dan 16 maanden zijn verstreken tussen het instellen van het cassatieberoep en de uitspraak van de Hoge Raad. Dit moet leiden tot strafvermindering.”

3.4. De steller van het middel baseert zijn klacht dus op de overschrijding van de redelijke termijn die ten tijde van de eerste behandeling (cursivering GK) van de zaak in cassatie zou hebben plaatsgevonden. Zoals hiervoor weergegeven, is het eerste cassatieberoep op 15 oktober 2010 ingesteld. Het hof heeft de stukken van het geding tijdig aan de Hoge Raad verzonden want de stukken zijn op 8 september 2011 bij de Hoge Raad binnengekomen. Op 9 oktober 2012 heeft de Hoge Raad arrest gewezen en de zaak teruggewezen naar het hof Leeuwarden. In de eerste cassatiefase heeft de Hoge Raad derhalve niet binnen 16 maanden na het instellen van het cassatieberoep uitspraak gedaan, waardoor de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden. De Hoge Raad heeft zich daarover destijds niet uitgelaten. Dat is in overeenstemming met zijn vaste jurisprudentie. Het tijdsverloop kan immers door de verdediging bij de nieuwe behandeling van de zaak door het gerechtshof aan de orde worden gesteld.1

3.5. De verdediging heeft het tijdsverloop niet aan de orde gesteld bij de nieuwe behandeling van de zaak die het gevolg was van de terugwijzing door de Hoge Raad op 9 oktober 2012. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 14 februari 2013 volgt dat de verdachte aldaar werd bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. L.S. Wachters, advocaat te Groningen. Voorts volgt uit voornoemd proces-verbaal dat de raadsvrouw het woord tot verdediging heeft gevoerd aan de hand van haar pleitnota die aan het proces-verbaal is gehecht. Noch uit het proces-verbaal noch uit de pleitnota blijkt dat door of namens de verdachte het verweer is gevoerd dat in de cassatiefase het recht op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM is geschonden.

3.6. De vraag die het middel aan de orde stelt, is of de klacht dat de redelijke termijn bij de eerste behandeling van de zaak in cassatie is geschonden, als tardief moet worden aangemerkt nu niet bij de appelbehandeling na de eerste terugwijzing over het tijdsverloop is geklaagd. Ik meen dat die vraag ontkennend moet worden beantwoord. In zijn standaardarrest van 17 juni 2008 merkt de Hoge Raad dat in cassatie niet met vrucht kan worden geklaagd over de overschrijding van de redelijke termijn die het gevolg is van tijdsverloop vóór de bestreden uitspraak wanneer “de zaak in laatste feitelijke aanleg in tegenwoordigheid van de verdachte en/of diens raadsman is behandeld en ter terechtzitting een dergelijk verweer niet is gevoerd”.2 Die situatie doet zich hier niet voor. In de laatste feitelijke aanleg is juist wél geklaagd over het tijdsverloop dat daaraan voorafging. Ik merk daarbij op dat geen rechtsregel inhoudt dat bij een latere appelbehandeling geen verweren mogen worden gevoerd die al bij een eerdere behandeling naar voren hadden kunnen worden gebracht. Hier geldt dat de nieuwe behandeling van de zaak door de verdachte mede mag worden benut om fouten te herstellen die zijn verdediging in de eerdere procesfase aankleefden.

3.7. Het middel is dus terecht voorgesteld. De Hoge Raad kan de gemaakte fout herstellen door de opgelegde straf te verminderen volgens de gebruikelijke maatstaf.

4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

5. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf en die straf zal verminderen met toepassing van de gebruikelijke maatstaf.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 rov. 3.5.3.

2 HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 rov. 3.9.