Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:357

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-03-2016
Datum publicatie
17-05-2016
Zaaknummer
15/00785
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:863, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Dadelijke uitvoerbaarheid bijzondere voorwaarden, art. 14e.1 Sr. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2015:537 m.b.t. motiveringsverplichting dadelijke uitvoerbaarheid bijzondere voorwaarden. ’s Hofs strafmotivering voldoet niet aan deze motiveringsverplichting. HR doet zaak om doelmatigheidsredenen zelf af en vernietigt bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid. Daarbij bestaat geen aanleiding om de proeftijd te bekorten. Samenhang met nr. 15/00779 P en nr. 15/00782.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/00785

Zitting: 8 maart 2016

Mr. Hofstee

Conclusie inzake:

[verzoeker = verdachte]

1. Verzoeker is bij arrest van 4 februari 2015 door het Gerechtshof Den Haag wegens het onder parketnummer 10-660294-12 “oplichting, meermalen gepleegd” en “valsheid in geschrift, meermalen gepleegd” en het onder parketnummer 10-662093-13 “in strijd met een hem bij wettelijke voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf, en terwijl hij weet dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn recht op die verstrekking danwel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, waarvan twee jaren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en met bijzondere voorwaarden (waarover aanstonds meer). Voorts heeft het Hof bevolen dat de bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

2. Bij akte van 14 oktober 2015 is het cassatieberoep partieel ingetrokken “behoudens voor zover het is gericht tegen de dadelijk uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en de duur van de proeftijd”.

3. Ik denk dat het cassatieberoep na partiële intrekking aldus moet worden verstaan, dat het zich – breder - keert tegen de strafoplegging, omdat de bijzondere voorwaarden en de duur van de proeftijd daarmee in zodanig verband staan dat bij terugwijzing een opdracht die alleen betrekking heeft op de bijzondere voorwaarden en de duur van de proeftijd het Hof niet in staat zou stellen naar behoren opnieuw recht te doen op het bestaande hoger beroep.1

4. Namens verzoeker heeft mr. J.M. Lintz, advocaat te Den Haag, een middel van cassatie voorgesteld.

5. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden heeft bevolen, nu zich hier niet voordoet het geval dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verzoeker wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

6. Art. 14e, eerste lid, Sr luidt:

“De rechter kan bij zijn uitspraak, ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie, bevelen dat de op grond van artikel 14c gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn, indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.”

7. De memorie van toelichting bij het wetsontwerp dat heeft geleid tot ‘Wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met wijzigingen van de regeling van de voorwaardelijke veroordeling en de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling’ (Stb. 2011,545) zegt daarover het volgende:

"Het Wetboek van Strafvordering kent als algemene regel dat een rechterlijke uitspraak pas ten uitvoer wordt gelegd als zij onherroepelijk is. Dit betekent dat zolang niet op een ingesteld hoger beroep of cassatieberoep is beslist, niet met de tenuitvoerlegging kan worden begonnen. Dit is vastgelegd in artikel 557 van het Wetboek van Strafvordering. Het wetboek kent op deze hoofdregel een aantal uitzonderingen, waarvan de bevelen betreffende de voorlopige hechtenis de bekendste zijn. Die bevelen zijn dadelijk uitvoerbaar. Voorgesteld wordt ook voor het naleven van voorwaarden en het daarbij behorende (reclasserings)toezicht in het kader van een voorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf de mogelijkheid te creëren dat deze dadelijk uitvoerbaar zijn. Omdat dit voor de veroordeelde verstrekkende gevolgen heeft, is in een aantal waarborgen voorzien. In de eerste plaats kan een bevel strekkende tot dadelijke uitvoerbaarheid alleen worden gegeven indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dit criterium is thans ook al opgenomen in artikel 14b van het Wetboek van Strafrecht2 in verband met het vaststellen van een proeftijd van ten hoogste tien jaren. De bescherming van de veiligheid en lichamelijke integriteit van personen rechtvaardigt dat de mogelijkheid wordt gecreëerd om in individuele gevallen af te wijken van het uitgangspunt dat de tenuitvoerlegging eerst een aanvang neemt na het onherroepelijk worden van de veroordeling. In de tweede plaats wordt de keuze of in het concrete geval de onmiddellijke uitvoering van de voorwaarden en het toezicht genoodzaakt is, in handen gelegd van de rechter. Het gaat dus om een modaliteit die uitsluitend door de rechter kan worden toegewezen, waardoor zij op de meest zorgvuldige wijze in het strafproces is ingebed. De rechter kan daarbij alle omstandigheden van het geval meewegen. Van belang hierbij is dat de voorwaarden zoveel mogelijk zijn toegesneden op de persoon en de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het opleggen van de voorwaardelijke straf, zodat dit voor de veroordeelde niet onnodig beperkend hoeft te zijn, terwijl de maatschappij in het algemeen en slachtoffers in het bijzonder wel zoveel mogelijk direct worden beschermd. Ten derde, kan het bevel strekkende tot dadelijke uitvoerbaarheid door de rechter waarbij het hoger beroep tegen de veroordeling aanhangig is, worden opgeheven. Dit is bijvoorbeeld aan de orde in de gevallen dat het gerechtshof al snel tot een ander oordeel komt dan de rechtbank, waardoor de voorwaardelijke vrijheidsstraf niet in stand kan blijven.

Voor de behandeling in hoger beroep blijft overigens uiteraard vooropstaan dat de in eerste aanleg veroordeelde voor onschuldig wordt gehouden totdat het gerechtshof over die schuld zijn eigen oordeel heeft gevormd. De door de rechtbank bevolen dadelijke uitvoerbaarheid doet daar niet aan af."3

8. Het Hof heeft onder het hoofd “Strafmotivering” het volgende overwogen:

“Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft in de functie als financieel manager bij zijn werkgever Teco zijn werkgever verschillende malen opgelicht. Hij heeft door middel van een verzonnen constructie zijn werkgever bewogen geld over te boeken naar wat later bleek zijn privérekening.

Om deze overboekingen daadwerkelijk gedaan te krijgen heeft de verdachte betalingsopdrachtformulieren valselijk opgemaakt. De verdachte heeft door zijn handelen zijn positie ernstig misbruikt en het vertrouwen dat door zijn werkgever in hem gesteld was ernstig beschaamd. Bovendien heeft de verdachte door zijn handelwijze het vertrouwen in het economisch systeem en het financiële handelsverkeer ondermijnd. Daarnaast heeft de verdachte, terwijl hij een uitkering ontving, aan de Dienst Sociale Zaken niet gemeld dat hij in dienst was bij Teco en dientengevolge een salaris ontving, terwijl hij wist dat die melding noodzakelijk was voor de vaststelling van zijn recht op die uitkering alsmede de hoogte en duur ervan. Het wordt de verdachte aangerekend dat hij aldus handelend misbruik heeft gemaakt van het sociale stelsel, hij schade heeft toegebracht aan het vertrouwen dat de maatschappij in dit stelsel stelt en hij de gemeente en daarmee samenhangend de maatschappij heeft benadeeld, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor het plegen van gelijksoortige feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Voorts heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het reclasseringsadvies van 21 november 2014. Daaruit is in het bijzonder naar voren gekomen, hetgeen de verdachte ter terechtzitting heeft bevestigd, dat zijn handelen door zijn gokverslaving is ingegeven.

Daarnaast heeft de verdachte ter terechtzitting blijk gegeven inzicht te hebben in de laakbaarheid van zijn handelen.

Tenslotte stelt het hof vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is geschonden, niettegenstaande het feit dat de verdachte thans niet meer gedetineerd is, nu tussen het instellen van het hoger beroep op 20 maart 2013 en de datum van het arrest meer dan 16 maanden zijn verstreken. Het hof zal volstaan met het constateren van deze schending.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

(…).”

9. Het dictum luidt, voor zover hier van belang:

BESLISSING

Het hof:

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren;

(…)

bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 2 (twee) jaren, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarden:

- dat de veroordeelde zich zal melden bij Reclassering Nederland regio Rotterdam, Marconistraat 2, zolang en frequent als de reclassering dit noodzakelijk acht;

- dat de veroordeelde zich onder ambulante behandeling zal stellen voor zijn (gokverslavings)problematiek bij de forensisch-psychiatrische polikliniek De Waag Rijnmond en/of Bouman GGZ Verslavingszorg of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

- dat het de veroordeelde gedurende de volledige proeftijd verboden is zich te bevinden in een speelcasino, een voor het publiek opengestelde of bedrijfsmatig gedreven inrichting waar door middel van (gemeenschappelijk beoefende) kansspelen aan de deelnemers de gelegenheid wordt gegeven om mede te dingen naar prijzen of premies, indien de aanwijzing der winnaars geschiedt door enige kansbepaling, waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed kunnen uitoefenen;

beveelt dat voormelde bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.”

10. Met verwijzing naar de hierboven aangehaalde memorie van toelichting heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 10 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:537 onder meer geoordeeld:

“3.4

Vooropgesteld moet worden dat een rechterlijke uitspraak in de regel pas tenuitvoergelegd mag worden nadat zij onherroepelijk is geworden en dat de in art. 14e Sr voorziene uitzondering op deze regel met betrekking tot de dadelijke uitvoerbaarheid van de op grond van art. 14c Sr gestelde bijzondere voorwaarden dan wel het op grond van art. 14d Sr uit te oefenen toezicht - ook volgens voormelde wetsgeschiedenis - voor de veroordeelde verstrekkende gevolgen kan hebben. Mede gelet daarop zal de rechter in de motivering van zijn bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid ervan blijk dienen te geven zich ervan te hebben vergewist dat aan de in art. 14e Sr gestelde voorwaarden is voldaan. Meer in het bijzonder zal hij in een uitspraak waarin ten laste van de verdachte een misdrijf is bewezenverklaard dat is gericht tegen of gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, als zijn oordeel tot uitdrukking dienen te brengen dat en waarom ernstig rekening ermee moet worden gehouden dat de verdachte wederom zo een misdrijf zal begaan.”

11. In het bestreden arrest ontbreekt een motivering voor het dadelijk uitvoerbaar verklaren van de bijzondere voorwaarden. Niet vastgesteld kan worden dat het Hof zich ervan heeft vergewist dat aan de in art. 14e Sr gestelde voorwaarden is voldaan. Meer in het bijzonder kan uit de strafmotivering van het Hof (en het dictum) niet worden afgeleid dat en waarom hier sprake is van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, noch waarom er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verzoeker een dergelijk misdrijf wederom zal begaan.

12. Het middel slaagt.

13. In de toelichting op het middel wordt de mogelijkheid geopperd dat de Hoge Raad de zaak zelf afdoet, met dien verstande dat dan daarbij rekening wordt gehouden met het feit dat verzoeker (uit voorzichtigheid) gedurende de periode tussen het arrest van het Hof en de uitspraak van de Hoge Raad zich aan de bijzondere voorwaarden heeft gehouden en dat deze periode in de uitspraak van de Hoge Raad wordt verrekend.

14. Wellicht vormt hetgeen ik hierboven onder 3 heb opgemerkt voor Uw Raad geen beletsel om de zaak om redenen van doelmatigheid zelf af te doen. Het lijkt mij dat zulks dan in lijn zou kunnen geschieden met HR 25 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3379, waarin Uw Raad over een vergelijkbaar geval oordeelde en de beslissing het volgende inhield:

“De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, doch uitsluitend ten aanzien van de vastgestelde proeftijd van drie jaren en ten aanzien van het bevel dat de in de bestreden uitspraak vermelde algemene en bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn;

bepaalt dat de door het Hof opgelegde gevangenisstraf van vier maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op de grond dat de verdachte vóór het einde van de proeftijd van twee jaren de hiervoor in 2.3.1 weergegeven algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

verwerpt het beroep voor het overige.”

15. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

16. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch uitsluitend wat betreft de strafoplegging, meer in het bijzonder ten aanzien van het bevel dat de in de bestreden uitspraak vermelde bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn, en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, achtste druk, 2015, p. 78 en het aldaar genoemde arrest van HR 13 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1610.

2 Vgl. ook art. 11 Grondwet en art. 38e, eerste lid, Sr.

3 Kamerstukken II 2009/10, 32 319, nr. 3, p. 12-13.