Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:344

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
29-04-2016
Datum publicatie
12-08-2016
Zaaknummer
12/02816
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:1926
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Verzet tegen heffing griffierecht. Is opvolgend advocaat medeaansprakelijk voor voldoening van griffierecht dat is vastgesteld op basis van proceshandeling die door de voorgaande advocaat is verricht? Art. 10 en 28 Wgbz.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2013/533
Verrijkte uitspraak

Conclusie

12/02816

mr. Keus

Zitting van 29 april 2016

Conclusie inzake:

N.J.M. Beelaerts van Blokland

opposant

tegen

de griffier van de Hoge Raad der Nederlanden

verweerder

Deze zaak betreft een verzet op de voet van art. 29 Wet griffierechten burgerlijke zaken (hierna: Wgbz).

1 Procesverloop

1.1

Bij dagvaarding van 7 mei 2012 heeft de vennootschap naar buitenlands recht Framroad Ltd. cassatieberoep tegen een arrest van het hof Amsterdam ingesteld. Bij die dagvaarding heeft Framroad Ltd. mr. F-N. Grooss aangewezen als de advocaat bij de Hoge Raad die haar in het geding zal vertegenwoordigen. De zaak is tijdig ter griffie van de Hoge Raad aangebracht en heeft (onder rolnummer 12/02816) ter rolzitting van 8 juni 2012 voor de eerste maal gediend.

1.2

Op basis van de toen voorhanden zijnde stukken heeft de griffier van de Hoge Raad de hoogte van het door Framroad verschuldigde griffierecht bepaald op € 728,-. Bij brief van 11 juni 2012 aan mr. Grooss heeft de griffier van de Hoge Raad de hoogte van het griffierecht als volgt toegelicht:

“Hierbij deel ik u mede dat ik het op grond van artikel 3 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) door uw cliënt(en) verschuldigde vastrecht aan de hand van de gedingstukken waarover ik thans beschik, slechts voorlopig kan vaststellen. Het voorlopig griffierecht heb ik vastgesteld op € 728,--.

(…)

Het griffierecht wordt definitief vastgesteld uiterlijk op het moment waarop ik over het volledig procesdossier beschik. Dit zal zijn wanneer de Procureur-Generaal, na zijn conclusie te hebben genomen, het dossier aan de Hoge Raad zendt, gewoonlijk 6 à 8 weken voor de uitspraak van de Hoge Raad. Op dat moment, in ieder geval zo tijdig dat u voor de uitspraak van de Hoge Raad op het cassatieberoep gebruik kan maken van de verzetmogelijkheid van artikel 29 Wgbz, zal ik u ook mijn beslissing terzake toesturen.”

Het genoemde bedrag van € 728,- is tijdig door mr. Grooss voldaan.

1.3

Op 15 april 2013 is aan de praktijkvennootschap van mr. Grooss, Mr. F-N. Grooss Praktijk B.V., handelend onder de naam Grooss Advocaten, surseance van betaling verleend. Op 23 mei 2013 heeft mr. Grooss zich als advocaat van Framroad aan de zaak onttrokken en is de zaak, die op 7 juni 2013 voor conclusie P.G. stond, geschorst. Mr. F-N. Grooss Praktijk B.V. is op 17 juni 2013 failliet verklaard. Op 27 juni 2013 heeft opposant, die tot 30 april 2013 werkzaam was bij Grooss Advocaten, zich als advocaat voor Framroad gesteld en is de zaak weer op de rol geplaatst. Op 20 september 2013 is de conclusie genomen.

1.4

Na ontvangst van het procesdossier heeft de griffier van de Hoge Raad het griffierecht definitief vastgesteld op € 6.047,-, gebaseerd op een financieel belang van de zaak van € 120.534,46. Bij brief van 16 oktober 2013 heeft de griffier opposant daarvan in kennis gesteld en medegedeeld dat het verschil tussen het voorlopige griffierecht en het definitieve griffierecht (welk verschil € 5.319,- bedraagt) nog dient te worden voldaan.

1.5

Bij per telefax verzonden brief van 4 november 2013 heeft opposant zich als advocaat van Framroad aan de zaak onttrokken. De Hoge Raad heeft op 8 november 2013 arrest gewezen.

1.6

Bij brief van 20 november 2013 is een eerste aanmaning verzonden. Die dag heeft opposant telefonisch contact met de Hoge Raad opgenomen. Naar aanleiding van dit telefoongesprek heeft de Hoge Raad, eveneens op 20 november 2013, een brief met - voor zover van belang - de volgende inhoud aan opposant gezonden:

“In bovengenoemde zaak heeft u telefonisch contact opgenomen met de griffie in verband met een ontvangen nota (tot bijheffing van) € 5.391,- (lees: € 5.319,-; LK). U gaf aan niet gehouden te zijn tot betaling van de nota, omdat u zich bij brief van 4 november 2013 heeft onttrokken als advocaat in deze zaak.

Ik heb de kwestie voorgelegd aan onze gerechtssecretaris mw. Versteeg, zij heeft mij als volgt bericht. Op 16 oktober 2013 is een brief definitief griffierecht aan u verzonden waarin tot bijheffing van € 5.391,- (lees: € 5.319,-; LK) is besloten in bovengenoemde zaak. Bij brief van 4 november 2013 heeft u de griffie laten weten dat u zich onttrekt als advocaat in bovengenoemde zaak. Nu u ten tijde van verzending van de brief definitief griffierecht nog advocaat van Framroad was, maakt dat u verantwoordelijk bent voor betaling van de ontvangen nota.

(…)”

1.7

Op 4 december 2013 is opposant opnieuw aangemaand. Bij brief van 17 december 2013 heeft opposant om een betalingsregeling verzocht. In verband daarmee heeft de griffier van de Hoge Raad hem bij brief van 6 januari 2014 verwezen naar het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR). Op 17 november 2015 heeft het LDCR opposant een laatste aanmaning gezonden. Opposant heeft het openstaande bedrag op 30 november 2015 betaald.

1.8

Opposant heeft op 24 december 2015 een verzetschrift als bedoeld in art. 29 Wgbz ingediend. Art. 29 Wgbz bepaalt dat degene die de griffierechten heeft betaald, gedurende een maand na die betaling tegen de beslissing van de griffier in verzet kan komen bij het gerecht waaraan het griffierecht werd betaald. Opposant heeft het griffierecht betaald op 30 november 2015 en is op 24 december 2015 tegen de beslissing van de griffier van de Hoge Raad in verzet gekomen. Het verzetschrift is dus tijdig ingediend.

1.9

De griffier van de Hoge Raad heeft bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van de Hoge Raad op 19 januari 2016, geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het verzet.

2 Beoordeling van het verzet

2.1

Opposant heeft aan zijn verzet het navolgende ten grondslag gelegd.

In de eerste plaats heeft hij gesteld dat hij, toen hij zich voor Framroad stelde, erop mocht vertrouwen dat het (volledige) griffierecht reeds was voldaan, temeer nu van een eisvermeerdering zoals bedoeld in art. 12 Wgbz geen sprake was.

In de tweede plaats heeft hij aangevoerd niet aansprakelijk te zijn voor de betaling van het griffierecht, omdat hij niet de advocaat van Framroad was op het moment van verschuldigdheid van het griffierecht op grond van art. 3 Wgbz (“De eiser is het griffierecht verschuldigd vanaf de eerste uitroeping van de zaak ter terechtzitting of bij gebreke daarvan vanaf de eerste roldatum en zorgt dat het griffierecht binnen vier weken nadien is bijgeschreven op de rekening van het gerecht waar de zaak dient dan wel ter griffie is gestort.”). In dat verband voert hij aan dat hij zich bovendien reeds voor het einde van de procedure aan de zaak had onttrokken.

In de derde plaats heeft hij zich erop beroepen dat Framroad statutair is gevestigd op de Britse Maagdeneilanden, waardoor het voor hem zo goed als onmogelijk zal zijn het betaalde griffierecht op Framroad te verhalen.

Ten slotte heeft opposant aangevoerd dat het niet redelijk en billijk zou zijn het griffierecht voor zijn rekening te laten komen, mede gelet op de hoogte daarvan en zijn behulpzaamheid bij het beperken van de schadelijke gevolgen van het faillissement van zijn voormalige werkgever, temeer nu het LDCR gedurende bijna twee jaren na de tweede aanmaning heeft stilgezeten en opposant daardoor ervan is uitgegaan dat Framroad zelf het verschuldigde griffierecht had voldaan. Door die gang van zaken is opposant, naar hij stelt, bovendien beperkt in zijn mogelijkheden het griffierecht op Framroad te verhalen.

2.2

De griffier van de Hoge Raad heeft als verweer gevoerd dat in juni 2012 slechts een voorlopig griffierecht is vastgesteld, hetgeen ook aan de toenmalige advocaat van Framroad is medegedeeld. Volgens de griffier mag worden aangenomen dat bij een overname van de zaak ook overdracht van zaaksinformatie plaatsvindt, in welk verband de griffier overigens heeft gesignaleerd dat opposant kennelijk in het bezit was van de hiervóór (onder 1.2) genoemde brief van 11 juni 2012.

Voorts heeft de griffier erop gewezen dat opposant van het definitieve griffierecht in kennis is gesteld, voordat hij zich als advocaat aan de zaak onttrok. Dat opposant zich nadien aan de zaak heeft onttrokken, doet niet eraan af dat hij op grond van art. 28 Wgbz voor de voldoening van het griffierecht medeaansprakelijk is.

Volgens de griffier doet de hoogte van het verschuldigde griffierecht aan het voorgaande niet af. Daarbij komt dat opposant op de mogelijkheid van een betalingsregeling is gewezen.

Ten slotte heeft de griffier het standpunt ingenomen dat aan de medeaansprakelijkheid van opposant voor de voldoening van het verschuldigde griffierecht niet afdoet dat het LDCR na de tweede aanmaning bijna twee jaar zou hebben stilgezeten. Opposant had, nog steeds volgens de griffier en mede gelet op de hem eerder gezonden aanmaningen, zich van stonde af aan van zijn betalingsverplichting bewust moeten zijn en had niet zonder meer mogen aannemen dat Framroad zelf het verschuldigde griffierecht zou hebben voldaan.

2.3

Opposant heeft als grond voor zijn verzet onder meer aangevoerd dat hij voor de betaling van het griffierecht niet aansprakelijk is, omdat hij ten tijde van de verschuldigdheid van het griffierecht op grond van art. 3 Wgbz niet de advocaat van Framroad was. Ik zie aanleiding deze grond voor het verzet als eerste te behandelen.

2.4

Volgens art. 28 Wgbz zijn “(v)oor de voldoening van het griffierecht en de verschotten (…) medeaansprakelijk de advocaten of gemachtigden van de desbetreffende partijen of van de desbetreffende belanghebbenden.” Op grond van art. 3 lid 3 Wgbz is “(d)e eiser (…) het griffierecht verschuldigd vanaf de eerste uitroeping van de zaak ter terechtzitting of bij gebreke daarvan vanaf de eerste roldatum en zorgt (hij) dat het griffierecht binnen vier weken nadien is bijgeschreven op de rekening van het gerecht waar de zaak dient dan wel ter griffie is gestort.” Waar de wet de verschuldigdheid van het griffierecht door de eisende partij koppelt aan de eerste uitroeping van de zaak ter terechtzitting c.q. de eerste roldatum, rijst de vraag wie in een zaak als de onderhavige met betrekking tot het nageheven griffierecht als de advocaat in zin van art. 28 Wgbz heeft te gelden: is dat de advocaat van de eisende partij ten tijde van die eerste uitroeping c.q. roldatum, dan wel de opvolgende advocaat in de cassatieprocedure ten tijde van de definitieve vaststelling van het griffierecht?

2.5

De tekst van art. 28 Wgbz biedt geen uitsluitsel, evenmin als de toelichting op die bepaling1:

“In artikel 28 is bepaald dat advocaten of gemachtigden medeaansprakelijk zijn voor de voldoening van het griffierecht en de verschotten. De griffierechten en verschotten kunnen daardoor mede op hen verhaald worden. Artikel 28 komt inhoudelijk overeen met artikel 16 Wtbz.”

2.6

Het in het voorgaande citaat genoemde art. 16 Wtbz (Wet tarieven in burgerlijke zaken)2 luidde als volgt:

“1. Betaling der rechten en verschotten geschiedt hetzij contant, hetzij uit voorschot.

2. Voor de voldoening daarvan zijn mede-aansprakelijk de advocaten of gemachtigden van partijen of van belanghebbenden, en in geval van faillissement de curator.”

2.7

De bepaling van art. 16 Wtbz had een lange geschiedenis. Ik trof haar (als art. 19) reeds aan in het “Ontwerp van wet tot wijziging van den eersten en den tweeden titel van het tarief van justitiekosten en salarissen in burgerlijke zaken”3:

“Tenzij nadrukkelijk anders is bepaald, worden de griffierechten voldaan door hem die de zaak vervolgt of te wiens verzoeke of behoeve de verrichting plaats heeft.

Voor de voldoening zijn mede-aansprakelijk de advocaten of procureurs en de gemachtigden van partijen of belanghebbenden; in geval van faillissement, de curator.”

Ook die bepaling was slechts summier toegelicht4:

“Artikel 19 bepaalt, wie aansprakelijk is voor de betaling van het griffierecht.”

2.8

Blijkens het voorlopig verslag riep de bepaling echter wel vragen op, in het bijzonder voor het geval dat een procureur zich heeft laten “afschrijven” en na zijn vertrek nog verschuldigde rechten ter kennis van de griffier komen5:

“Art. 19. Gevraagd werd, of indien een procureur zich heeft laten afschrijven en na diens vertrek nog verschuldigde rechten ter kennis van de griffier komen, deze de partijen daarvoor zal moeten aanspreken.”

De minister antwoordde6:

“(…) Vordert de griffier een onbetaald bedrag, zoo zal ten slotte de rechter moeten uitmaken of hij zich tegen den juisten persoon heeft gericht. Wel kan de ondergeteekende als zijne mening te kennen geven, dat een vertrekkende procureur, die als zoodanig in eene zaak heeft geoccupeerd, aansprakelijk blijft voor de rechten, verschuldigd voor verrichtingen tijdens hij procureur in de zaak was.”

2.9

In het antwoord van de minister ligt besloten dat een procureur die niet meer als zodanig in een zaak optreedt, niettemin medeaansprakelijk blijft voor het griffierecht, ook als de verschuldigdheid daarvan eerst achteraf wordt (en kan worden) vastgesteld. Ik acht dat antwoord juist. Het is niet aannemelijk dat een advocaat of gemachtigde die op grond van de wet medeaansprakelijk is voor de voldoening van het griffierecht en de verschotten, in het geval dat het griffierecht en de verschotten niet aanstonds definitief (kunnen) worden vastgesteld, aan die medeaansprakelijkheid zou kunnen ontsnappen door zich vóór die definitieve vaststelling aan de zaak te onttrekken en dat hij, aldus handelende, een opvolgende advocaat of gemachtigde medeaansprakelijk zou (kunnen) maken voor betaling van het bedrag dat hijzelf en de cliënt, naar achteraf blijkt, te weinig hebben voldaan.

2.10

In de onderhavige zaak werd het griffierecht op 8 juni 2012 verschuldigd. Advocaat van Framroad was toen mr. Grooss. Op grond van art. 28 Wgbz was mr. Grooss voor de voldoening van dat griffierecht medeaansprakelijk. Dat hij zich op 23 mei 2013 aan de zaak heeft onttrokken, heeft daarin naar mijn mening geen verandering gebracht.

Aan het vorenstaande doet evenmin af dat het griffierecht eerst op 16 oktober 2013 (overigens op een substantieel hoger bedrag dan het voorlopige griffierecht) definitief werd vastgesteld. De wet bevat geen voorziening voor het geval dat de griffier niet aanstonds in staat is het griffierecht definitief te bepalen, en biedt mijns inziens geen grond voor de veronderstelling dat de betrokken partij en haar advocaat het bedrag waarmee het definitieve griffierecht het voorlopige griffierecht overtreft, eerst op het moment van die definitieve vaststelling verschuldigd worden.

Een dergelijke voorziening is in art. 12 Wgbz overigens wél opgenomen voor het geval dat de betrokken partij haar eis vermeerdert. Die partij (en dus ook haar advocaat) is (zijn) in dat geval volgens het vierde lid van die bepaling het verhoogde griffierecht eerst vanaf het tijdstip van de vermeerdering van de eis verschuldigd. Weliswaar zou in dat laatste geval, indien de betrokken partij tussentijds van advocaat is gewisseld, in mijn visie niet de eerste maar de opvolgende advocaat medeaansprakelijk zijn voor het bedrag waarmee het aanvankelijke griffierecht is verhoogd, maar art. 12 lid 4 Wgbz leent zich niet voor een analoge toepassing. In dat verband acht ik reeds beslissend dat de verhoging van het griffierecht in dat geval samenhangt met een proceshandeling (de vermeerdering van eis) die niet door de eerste, maar door de opvolgende advocaat is verricht en medeaansprakelijkheid van de eerste advocaat voor (de financiële consequenties van) processuele verrichtingen van de opvolgende advocaat niet voor de hand ligt.

2.11

Ik acht het verzet gegrond, voor zover het erop berust dat de griffier opposant als opvolgend advocaat ten onrechte medeaansprakelijk voor het door Framroad verschuldigde griffierecht heeft gehouden.

2.12

Voor het geval dat de Hoge Raad over het voorgaande anders zou oordelen, merk ik met betrekking tot de overige gronden van het verzet het volgende op.

2.13

Op grond van art. 10 Wgbz wordt de hoogte van het griffierecht bepaald aan de hand van de vordering in de dagvaarding. Indien de hoogte van de vordering niet uit de cassatiedagvaarding kan worden afgeleid, wordt een voorlopig griffierecht vastgesteld op grond van het in cassatie voor onbepaalde vorderingen geldende tarief, zoals weergegeven in de tabel in de bijlage bij de Wgbz. Ten tijde van het aanbrengen van de dagvaarding bedroeg dit tarief, geldend voor rechtspersonen, € 728,-. Bij brief van 11 juni 2012 aan mr. Grooss is medegedeeld dat het om een voorlopige vaststelling ging. Ook is medegedeeld dat het griffierecht eerst na de conclusie van de Procureur-Generaal definitief zou worden vastgesteld7. Uit het dossier blijkt dat opposant over deze brief beschikte8. De stelling van de opposant dat hij erop mocht vertrouwen dat het volledige griffierecht was betaald, omdat geen vermeerdering van eis als bedoeld in art. 12 Wgbz had plaatsgevonden, gaat dan ook niet op.

2.14

Dat opposant zich op 4 november 2013 aan de zaak heeft onttrokken, doet aan (eventuele) verschuldigdheid van het griffierecht niet af, reeds omdat opposant, toen het resterende griffierecht op 16 oktober 2013 werd vastgesteld, nog advocaat van Framroad was. Zoals hiervóór (onder 2.9) al aan de orde kwam, meen ik overigens dat een advocaat niet aan zijn medeaansprakelijkheid voor reeds (in verband met zijn eigen verrichtingen) verschuldigde griffierechten kan ontsnappen door zich aan de zaak te onttrekken, óók niet als die griffierechten nog definitief moeten worden vastgesteld.

2.15

Opposant heeft verder gesteld dat het in strijd met de redelijkheid en billijkheid is om zijn behulpzaamheid bij het beperken van de schadelijke gevolgen van het faillissement van zijn voormalige werkgever met het uiteindelijk vastgestelde (hoge) bedrag aan griffierecht te belasten, waarbij hij erop wijst dat verhaal op zijn voormalige cliënte, die op de Maagdeneilanden is gevestigd en waarmee hij geen contact meer heeft, moeilijk, zo niet onmogelijk, zal zijn. Wat dit laatste betreft, merk ik op dat de wetgever het incassorisico bij de advocaat en niet bij de gerechtelijke instantie heeft gelegd. Dat de advocaat die als medeaansprakelijke tot betaling van het griffierecht en de verschotten is aangesproken, de door hem betaalde bedragen mogelijk niet op de cliënt zal kunnen verhalen, doet aan zijn medeaansprakelijkheid daarom niet af. Daarbij komt dat, zoals hiervóór (onder 2.13) al aan de orde kwam, opposant ermee bekend was dat het griffierecht nog slechts voorlopig was bepaald en dat het risico bestond dat een hoger griffierecht zou worden vastgesteld. Aan de hand van het dossier en de bijlage bij de Wgbz had opposant bovendien zelf het uiteindelijke griffierecht kunnen berekenen. Dat opposant zich in deze zaak heeft gesteld om de schade als gevolg van het faillissement van mr. Grooss te beperken, leidt in het systeem van de Wgbz niet ertoe dat hij geheel of ten dele van (eventuele) medeaansprakelijkheid voor de griffierechten en de verschotten wordt bevrijd.

2.16

Opposant merkt ten slotte op dat hij in de periode tussen de tweede aanmaning van 4 december 2013 en de laatste aanmaning van 17 november 2015 nooit een aanmaning heeft ontvangen. Volgens opposant ging hij ervan uit dat Framroad het griffierecht zelf had betaald.

2.17

Voor zover de stellingen van opposant een beroep op rechtsverwerking omvatten, moet dit beroep worden verworpen. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is het enkele tijdsverloop voor een beroep op rechtsverwerking immers niet voldoende. Vereist is de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij de wederpartij het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de gerechtigde zijn aanspraak niet meer geldend zal maken, hetzij de wederpartij in zijn positie onredelijk zou worden benadeeld in geval de gerechtigde zijn aanspraak alsnog geldend zou maken9.

Nu Framroad blijkens de brief van opposant aan de Hoge Raad van 17 december 201310 uitdrukkelijk aan opposant te kennen had gegeven het nader vastgestelde griffierecht niet te willen betalen, kon opposant aan het enkele tijdsverloop niet het gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen dat Framroad het verschuldigde griffierecht inmiddels had voldaan, nog daargelaten dat verweerder en het LDCR niet aan dat vertrouwen zouden hebben bijgedragen. Dat opposant om andere redenen gerechtvaardigd erop mocht vertrouwen dat het griffierecht niet meer in rekening zou worden gebracht, is gesteld noch gebleken.

Uit het verzetschrift blijkt wel dat opposant van mening is dat hij door het alsnog in rekening brengen van het griffierecht onredelijk wordt benadeeld, omdat er geen verhaalsmogelijkheden in Nederland bekend zijn, terwijl dit voorheen wel het geval leek te zijn. Nog daargelaten dat dit laatste niet is onderbouwd, rechtvaardigt de bedoelde omstandigheid naar mijn mening geen beroep op rechtsverwerking. Opposant was immers vanaf 16 oktober 2013 ermee bekend dat Framroad tot betaling van het nageheven griffierecht was gehouden en had, gelet op de weigerachtige houding van Framroad, toen reeds tot incassomaatregelen kunnen overgaan. Juist vanwege het feit dat het om een buitenlandse vennootschap ging, had dit ook voor de hand gelegen.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot gegrondverklaring van het verzet, doch slechts voor zover de griffier opposant als opvolgend advocaat medeaansprakelijk heeft gehouden voor de naheffing van het griffierecht, en tot vernietiging van het besluit van de griffier van 16 oktober 2013 dat opposant het bedrag waarmee het definitief vastgestelde griffierecht het voorlopige griffierecht overtreft, als opvolgend advocaat dient te voldoen.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Kamerstukken II 2008/09, 31 758, nr. 3, p. 15.

2 De bepaling is per 1 november 2010 vervallen (Stb. 210, 726; zie voor de inwerkingtreding Stb. 2010, 726).

3 Kamerstukken II 1922/23, 408.2, p. 5.

4 Kamerstukken II 1922/23, 408.3, p. 8.

5 Kamerstukken II 1922/23, 408.4, p. 10.

6 Kamerstukken II 1923/24, 54.1, p. 3.

7 Reeds onder vigeur van de inmiddels ingetrokken Wet tarieven in burgerlijke zaken heeft de Hoge Raad aanvaard dat de griffier in beginsel tot een naheffing van griffierecht bevoegd is, indien hij voor een juiste berekening van het griffierecht afhankelijk is van gegevens welke pas in een laat stadium van de procedure tot zijn beschikking komen. Een van de eisen die de Hoge Raad in dat verband heeft geformuleerd, houdt in dat de eerste vaststelling van het griffierecht uitdrukkelijk als voorlopig wordt aangemerkt. Zie voor dit een en ander HR 26 februari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0892, NJ 1993/346 m.nt. HJS.

8 Zie de bij de brief van opposant aan de Hoge Raad van 17 december 2013 behorende e-mail van 28 november 2013 van mr. O.W.C. Mertens, werkzaam bij het kantoor van opposant, aan [betrokkene] van Framroad (bijlage III bij het verweerschrift).

9 HR 26 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC3206, NJ 1999/445; HR 29 september 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1827, NJ 1996/89; HR 24 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2635, NJ 1998/621.

10 Prod. III bij het verweerschrift.