Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:342

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
29-04-2016
Datum publicatie
12-07-2016
Zaaknummer
15/00560
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:1438, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Goederenrecht, burenrecht. Is sprake van een onzekere grens als bedoeld in art. 5:47 BW (van Sint Maarten) als partijen twisten over de eigendom van een perceel? Beroep op verkrijgende verjaring en passeren bewijsaanbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

15/00560

Mr. R.H. de Bock
Zitting: 29 april 2016

conclusie inzake

de erfgenamen van [betrokkene 1],
wonende te Sint Maarten
(hierna: de erven [betrokkene 1])

tegen

de erfgenamen van [betrokkene 2] en [betrokkene 3],
wonende te Sint Maarten
(hierna: de erven [betrokkene 2 en 3])

Deze zaak ziet op de vaststelling van de erfgrens op grond van art. 5:47 BW tussen de erven [betrokkene 1] en de erven [betrokkene 2 en 3]. In cassatie hebben de erven [betrokkene 1] voorts klachten voorgedragen omtrent de verkrijgende verjaring van onroerend goed (grond).

1 Feiten

Noch het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Hof), noch het Gerecht in Eerste Aanleg te Sint Maarten heeft in de gewezen vonnissen feiten vastgesteld. In cassatie kan worden aangenomen dat aan de vonnissen (onder meer) de volgende feiten ten grondslag hebben gelegen:

1.1

De gronden van de erven [betrokkene 1] en de erven [betrokkene 2 en 3], gelegen op Marigot Hill te Sint Maarten, grenzen aan elkaar. [betrokkene 1] heeft de gronden aangekocht in 1936 en 1937.

1.2

Tussen partijen is in geschil of een perceel, beschreven door het Kadaster in een meetbrief met no. 457/1996, eigendom is van de erven [betrokkene 1] dan wel van de erven [betrokkene 2 en 3].

1.3

Aan de noordzijde van dit perceel is door [betrokkene 1], althans door de erven [betrokkene 1], reeds lang geleden (hoe lang precies is niet bekend) een woning gebouwd. Deze woning is nog altijd bewoond. Het stukje land rond deze woning is beschreven in een meetbrief met no. 76/2001.

1.4

Het onder 1.2 bedoelde perceel, althans een deel daarvan, hebben de erven [betrokkene 2 en 3] nodig voor een door hen gewenste ontwikkeling van hun gronden.

1.5

Uit een meetbrief van het Kadaster met no. 409/1990 is af te leiden dat het perceel bedoeld onder 1.2. niet behoort tot de gronden van de erven [betrokkene 2 en 3].

1.6

In een meetbrief van het Kadaster met no. 457/1996 is het volgende geschreven over het perceel bedoeld onder 1.2:

“This parcel of land is situated on the Island of St. Maarten, Netherlands Antilles, in the disctrict of Cul de sac at the Marigot hill road and forms the parcel of land of the Heirs of [betrokkene 1].
It is bounded by the parcel of land of the Heirs of [betrokkene 4], the lands of [betrokkene 5], by lands in the French division of the Island and by the public road (namely Marigot hill road), as shown on the attached plan.

Aard van het terrein en de bebouwing house and yard.

Grensverzekering rockwalls and iron rods
Oppervlakte 8993 m² (…)

Zakelijk gerechtigde(n) The Heirs of [betrokkene 1]

1.7

In een brief van het Kadaster van 7 mei 2008, gericht aan onder meer de erven [betrokkene 1] en de erven [betrokkene 2 en 3], is het volgende vermeld:

“Recently Kadaster put some effort in researching the ownership situation on Marigot Hill, Cul-de-Sac. The research focused mainly on the lands that are registered in two scabinal deed dated 14/8/1866 (#18 en #19). The lands that are transferred in this deed belong to [betrokkene 2 en 3] (#18, 10.5 acres) and [betrokkene 4] (#19, 2 acres).

Two issues are important and therefore we inform you on this:

(1) Of said property meetbrief 457/1996 (2 acres) was created, in which [betrokkene 1] (deed C17-4) was mentioned as the title holder. This is not correct. The lands of [betrokkene 1] are located a little more in western direction. This meetbrief has no deed, therefore changes are relatively easy to make.

The heirs of [betrokkene 1] are adviced to return their meetbrief and have it rectified.

(2) Another meetbrief was created from [betrokkene 2 en 3] property: meetbrief 409/1990 and later this meetbrief was divided. This meetbrief has a deed of prescriptive rights. Since we know of plans of (part of) the heirs to come to a division of the lands of [betrokkene 2 en 3], Kadaster is of the opinion that before it can make new meetbrieven in this area, further approval of a majority of the heirs is needed.”

1.8

Door het Kadaster is een nader onderzoek uitgevoerd naar de ligging van de grens tussen de gronden van de erven [betrokkene 1] en de erven [betrokkene 2 en 3]. In een hiervan op 1 juli 2009 opgemaakt rapport is het volgende vermeld:

“A research was carried out into the cadastral situation of the western part of the former plantation Golden Rock Retraeat on Marigot Hill.

In this report an overview is given of subsequent deeds that changed the juridical situation. (…)

Conclusion

The results of this research have been put on a map. Keep in mind that some information is not 100% clear and that deeds (especially from before 1869) could be missing.
Furthermore it is unclear what area the lands have that a.o. [betrokkene 1] has a share in. Originally it were 2 acres, later the deed referred to 3 acres.
It is important to determine what should be right, because [betrokkene 1]/Buntin bounds to the west by Arrow.”

2 Procesverloop

2.1

Bij inleidend verzoekschrift, ingediend ter griffie van het Gerecht in Eerste Aanleg te Sint Maarten (hierna: het GEA) op 13 januari 2010, hebben de erven [betrokkene 2 en 3] in conventie gevorderd (i) voor recht te verklaren dat de vaststelling van de grenzen van de landerijen toebehorende aan de erven [betrokkene 2 en 3], zoals vervat in de rapporten van het Kadaster, juist en correct is, althans (ii) over te gaan tot gerechtelijke vaststelling van de grenzen van de landerijen toebehorende aan de erven [betrokkene 2 en 3].

De erven [betrokkene 1] hebben in reconventie voorwaardelijk gevorderd dat het GEA een gerechtelijke grensbepaling zoals is bedoeld in art. 5:47 BW zal gelasten en dat het GEA vervolgens de grens tussen de ieder van de erven [betrokkene 1] en de erven [betrokkene 2 en 3] toekomende gronden, gelegen te Marigot Hill, zal bepalen conform de al zeer oude en feitelijke grensafscheidingen middels de rockwalls of de resten daarvan, een en ander zoals nader aangegeven in de meetbrief 1996, no. 457.

2.2

Het GEA heeft, na een tussenvonnis van 21 september 2010, in zijn eindvonnis van 28 juni 2011 in conventie [betrokkene 2 en 3] in zijn vordering niet ontvankelijk verklaard. Nu het GEA niet is toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de vordering in conventie, is ook een beoordeling van de voorwaardelijke eis in reconventie niet aan de orde. Met betrekking tot zijn beslissing in conventie heeft het GEA overwogen dat de gevorderde verklaring voor recht dient te worden afgewezen reeds op de grond dat in de stukken van het kadaster – waarnaar [betrokkene 2 en 3] verwijst – de grenzen van de landerijen van [betrokkene 2 en 3] niet worden vastgesteld en/of in deze stukken is vervat hoe de grens van de landerijen van [betrokkene 2 en 3] “loopt” (rov. 4.2). Voorts overweegt het GEA in conventie en in voorwaardelijke reconventie:

“4.3 Hoewel beide partijen stellen dat zij weten hoe de grens tussen de percelen loopt vorderen zij, al dan niet subsidiair, dat het Gerecht de grens dient te bepalen. Een gerechtelijke grensbepaling kan eerst met succes worden gevorderd, wanneer de loop van de grens onzeker is. Partijen hadden zulks dan ook dienen te stellen. Als partijen echter stellen dat die grens niet onzeker is, maar vastgesteld dient te worden op grond van een bepaald rapport van het kadaster of een bepaalde akte (vergelijk sub 1.9 en/of sub 1.10 van de conclusie van repliek in conventie van [betrokkene 2 en 3]) of op grond van de ligging van rockwalls of de inhoud van een bepaalde meetbrief (vergelijk conclusie van antwoord in conventie tevens voorwaardelijke conclusie van eis in reconventie van [betrokkene 1]) kan niet de vaststelling van de loop van de grens worden gevorderd, omdat partijen dan juist stellen dat de loop van de grens tussen de percelen niet onzeker is.

4.4

Reeds op grond van het voorgaande dient [betrokkene 2 en 3] in zijn vordering in conventie niet ontvankelijk te worden verklaard. Hieraan voegt het Gerecht nog het volgende toe. De gevorderde grensvaststelling hangt uitsluitend samen met een geschil tussen partijen over goederenrechtelijke aanspraak van partijen op percelen/landerijen die aan elkaar grenzen. Uit de stellingen van [betrokkene 2 en 3] kan immers geen enkel ander belang worden afgeleid. Door een grensvaststelling door het Gerecht kan [betrokkene 2 en 3] evenwel geen goederenrechtelijke aanspraak gehonoreerd zien: een grensvaststelling door het Gerecht kan niet leiden tot eigendomsverkrijging van (delen van) percelen of landerijen. Hieruit volgt dan ook dat [betrokkene 2 en 3] geen rechtens te respecteren belang heeft bij zijn vordering. Ook op deze grond kan [betrokkene 2 en 3] niet in zijn vordering worden ontvangen.”

2.3

De erven [betrokkene 2 en 3] zijn van het vonnis van 28 juni 2011 in hoger beroep gekomen. Zij hebben drie grieven aangevoerd en hun eis gewijzigd. De erven [betrokkene 2 en 3] vorderen in hoger beroep dat het Hof (1) de grenzen van de landerijen toebehorende aan beide partijen zal vaststellen met inachtneming van de rapportages van het Kadaster d.d. 7 mei 2008 en 1 juli 2009, althans een zodanige beslissing zal nemen dat de grenzen in het register van het Kadaster op deugdelijke wijze kunnen worden geregistreerd; (2) voor recht zal verklaren dat de onroerende zaken bekend onder de meetbrieven nrs. 76/2001 en 457/1996 deel uitmaken van de onroerende zaak toebehorend aan de erven [betrokkene 2 en 3], althans dat de vermelding in de registers van het Kadaster dat de erven [betrokkene 1] de rechthebbende titelhouders zijn, incorrect is; (3) de meetbrieven nrs. 76/2001 en 457/1996 zal vernietigen, althans de erven [betrokkene 2 en 3] zal machtigen door middel van inschrijving van het vonnis in deze zich als rechthebbende titelhouders met betrekking tot deze onroerende zaken in de registers te doen inschrijven; (4) de erven [betrokkene 1] zal veroordelen in de proceskosten.1

De erven [betrokkene 1] hebben voorwaardelijk incidenteel appel van het vonnis van 28 juni 2011 ingesteld. Zij hebben één grief aangevoerd en gevorderd (kort gezegd) dat het Hof de reconventionele vorderingen van de erven [betrokkene 1] zal toewijzen.

2.4

Het Hof heeft na een vonnis van 8 maart 2013 en een comparitie ter plaatse op 13 december 2013, in zijn eindvonnis van 7 november 2014 het vonnis waarvan beroep vernietigd. Het heeft de grens tussen de landerijen van partijen zodanig vastgesteld dat deze loopt langs de westelijke perceelgrens van het perceel beschreven in meetbrief no. 457 van 1996. Het heeft voor recht verklaard dat de onroerende zaken beschreven in de meetbrieven no. 772 van 2001 en no. 457 van 1996 deel uitmaken van de onroerende zaak toebehorend aan de erven [betrokkene 2 en 3]. Het Hof heeft daartoe het volgende overwogen:

“2.4 In appel wordt allereerst opgekomen tegen het oordeel van het GEA dat er geen sprake is van een onzekere grens en er daarom geen plaats is voor een vordering tot grensbepaling.

2.5

Op basis van de waarnemingen van het Hof bij de comparitie ter plaatse, de mededelingen van partijen aldaar en de uitleg van de medewerkers van het Kadaster aldaar blijkt dat het geschil wordt bepaald door de vraag of de grens tussen de gronden van partijen loopt langs de westelijke perceelgrens (standpunt erven [betrokkene 2 en 3]) of langs de oostelijke perceelgrens (standpunt erven [betrokkene 1]) van het perceel beschreven in meetbrief no. 457 van 1996 (productie 1 conclusie van antwoord). Volgens de erven [betrokkene 2 en 3] maakt dat perceel – een langwerpige, schuin gelegen strook grond lopend van de bovenkant van de heuvel tevens de grens met de Franse kant (de noordelijke perceelgrens) tot de Marigot Hill Road bij de onderkant van de heuvel (de zuidelijke perceelgrens) – deel uit van hun ten oosten gelegen gronden en volgens de erven [betrokkene 1] maakt deze deel uit van de aan hen toebehorende ten westen gelegen gronden (zie ook de aan het proces-verbaal van comparitie gehechte afschriften van de kaarten waarvan de medewerkers van het Kadaster zich bij de comparitie hebben bediend). Anders gezegd is de vraag of deze strook grond verder naar het westen geprojecteerd had moeten worden, en wel een breedte van die strook verder. Het gaat immers om de grens tussen de gronden verkregen bij de scabinale akte van 8 mei 1867 (erven [betrokkene 1]) en de gronden verkregen bij scabinale akten van 14 augustus 1866 nrs. 18 en 19 (erven [betrokkene 2 en 3]).

2.6

Weliswaar blijkt uit het voorgaande dat sprake is van twee vaststaande, in de meetbrief no. 457 van 1996 nader omschreven lijnen, maar omdat het er twee zijn waarbij de ene partij uitgaat van de ene en de andere partij uitgaat van de andere lijn, en het perceel waarop die meetbrief betrekking heeft deel uitmaakt volgens de erven [betrokkene 1] van hun gronden en volgens de ervan [erven – a-g] [betrokkene 2 en 3] van hun gronden, is er sprake van een onzekere grens.

2.7

Aldus zal worden overgegaan tot gerechtelijke grensbepaling. Uit de rapporten c.q. brief van het Kadaster van 7 mei 2008, 1 juli 2009 en 7 februari 2011 (producties 2 en 3 inleidend verzoekschrift en productie 2 conclusie van repliek), alsmede de nadere toelichting van de medewerkers van het Kadaster bij de comparitie ter plaatse, blijkt helder dat meetbrief no. 457 van 1996 destijds verkeerd is opgemaakt en westelijker geprojecteerd had moeten worden, en wel zodanig dat de oostelijke perceelgrens had moeten lopen waar in die meetbrief de westelijke perceelgrens is geprojecteerd. Aldus kan worden geconstateerd dat het perceel met meetbrief no. 457 van 1996 deel uitmaakt van de onroerende zaak toebehorend aan de erven [betrokkene 2 en 3]. Nu het perceel met meetbrief no. 76 van 2001, waarop de woning van “de oude dame” staat, deel uitmaakt van het perceel met meetbrief no. 457 van 1996 kan eveneens worden vastgesteld dat die woning is gebouwd op de onroerende zaak toebehorend aan de erven [betrokkene 2 en 3].

2.8

Het door de erven [betrokkene 1] gedane beroep op verjaring gaat niet op, alleen al niet omdat ingevolge artikel 5:47 lid 2 BW het wettelijke vermoeden dat de bezitter de eigenaar is niet geldt in het onderhavige geval. De vraag waaruit de bezitsdaden hebben bestaan voor het overgrote gedeelte van het perceel met meetbrief no. 457 van 1996 – naar de waarneming van het Hof een vol begroeid stuk natuur dat niet wordt gebruikt (het gehele perceel behalve het perceel waarop de woning van de oude dame staat (meetbrief no. 76 van 2001)) – behoeft dus niet meer te worden beantwoord.

2.9

De verwijzing door de erven [betrokkene 1] naar de verkrijgende titels van de aan hen op Marigot Hill toebehorende gronden (producties 2 en 3 conclusie van antwoord) treft geen doel, nu daaruit niets blijkt omtrent de ligging en de afgrenzing van het litigieuze perceel omschreven in meetbrief no. 457 van 1996.”

2.5

De erven [betrokkene 1] zijn van het eindvonnis van het Hof van 7 november 2014 tijdig in cassatie gekomen. De erven [betrokkene 2 en 3] hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De erven [betrokkene 1] hebben hun standpunt schriftelijk toegelicht, waarna de erven [betrokkene 2 en 3] nog hebben gedupliceerd.

3 Bespreking van het cassatiemiddel

Inleiding

3.1

In cassatie hebben de erven [betrokkene 1] één middel van cassatie naar voren gebracht, bestaande uit een inleiding en drie middelonderdelen. In onderdeel 1 zijn klachten gericht tegen rov. 2.5-2.7 en 2.9 van het vonnis van 7 november 2014 van het Hof. De klachten zien op de toepassing die het Hof heeft gegeven aan art. 5:47 BW (van Sint Maarten). Onderdeel 2 bevat klachten die betrekking hebben op rov. 2.8 en het daar gegeven oordeel van het Hof inzake verkrijgende verjaring. Onderdeel 3 bevat een veegklacht.

Vooropstelling

3.2

Vanaf 10 oktober 2010 zijn de Nederlandse Antillen opgehouden als land te bestaan en is Sint Maarten een zelfstandig land binnen het Koninkrijk geworden (art. 1 Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden). Het Burgerlijk Wetboek van de Nederlandse Antillen is overgenomen door het land Sint Maarten.3

3.3

Het Burgerlijk Wetboek van Sint Maarten (hierna afgekort: BW Sint Maarten) bepaalt in art. 5:47:

Artikel 5:47 BW Sint Maarten

1. Indien de loop van de grens tussen twee erven onzeker is, kan ieder van de eigenaren te allen tijde vorderen dat de rechter de grens bepaalt.

2. In geval van onzekerheid waar de grens tussen twee erven ligt, geldt niet het wettelijk vermoeden dat de bezitter eigenaar is.

3. Bij het bepalen van de grens kan de rechter naar gelang van de omstandigheden het gebied waarover onzekerheid bestaat, in gelijkwaardige of ongelijkwaardige delen verdelen dan wel het in zijn geheel aan een van de partijen toewijzen, al dan niet met toekenning van een schadevergoeding aan een van de partijen.

De tekst is in overeenstemming met de tekst van het Nederlandse Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).

Art. 5:47 BW maakt deel uit van titel 5.4 van het Burgerlijk Wetboek dat de bevoegdheden en verplichtingen van eigenaars van naburige erven regelt. Het gaat dus om regels van burenrecht. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de artt.. 5:46-47 BW in de plaats zijn gekomen van art. 678 BW (oud). De vordering tot afpaling als bedoeld in art. 5:46 BW kan slechts worden toegewezen indien de grens zeker is; de vordering tot grensbepaling als bedoeld in art. 5:47 BW veronderstelt juist dat de grens onzeker is. Art. 5:47 BW is dus (pas) toepasselijk, indien geen van beide partijen in staat is te bewijzen waar de grens loopt.4 In de parlementaire geschiedenis is hierover het volgende opgemerkt:

“Volgens dit artikel kan de rechter alleen dan tot een grensbepaling overgaan, als hem blijkt, dat de grens onzeker is. De stelling van een der partijen, dat de grens zeker is, doet dus een prealabele vraag rijzen, waarover de rechter uitspraak moet doen voordat hij een grensbepaling als in dit artikel bedoeld, kan geven. Deze prealabele vraag rijst, wanneer de eiser primair vordert, dat de rechter zal verstaan, dat de grens langs een door eiser aangegeven lijn ligt, en subsidiair, dan [dat – a-g] de rechter met toepassing van het onderhavige artikel de grensonzekerheid zal opheffen. Dezelfde vraag rijst ook, wanneer de gedaagde als verweer tegen een vordering tot grensbepaling aanvoert, dat hij zekerheid omtrent de grens kan verschaffen; slaagt hij er in de juiste grens aan te wijzen, dan moet de vordering worden afgewezen.

In geval van grensgeschil zal de feitelijke situatie veelal zo zijn, dat beide partijen op de grensstrook even veel of even weinig bezitsdaden verrichten, zodat geen van hen zich als bezitter kan beschouwen. Het is echter ook mogelijk, dat het grensgeschil juist is ontstaan doordat een van de buren de grensstrook, tezamen met de grond die onbetwist zijn eigendom is, in exploitatie heeft genomen en door het aanbrengen van een omheining zijn buurman van deze strook heeft geweerd. Kan hij dan stellen, dat hij door zijn bezit van de bewuste strook het bewijs van zijn eigendom heeft geleverd en dat er dus, behoudens tegenbewijs, geen onzekerheid over de grens bestaat? Bij het opstellen van het ontwerp is er van uitgegaan, dat in de verhouding tussen buren een daad van eigenrichting als de bovenvermelde een zo grote betekenis niet mag hebben. Om te voorkomen, dat het wettelijk vermoeden van art. 3.5.135 ook bij de berechting van grensgeschillen zou worden toegepast, is het tweede lid opgenomen. Dit tweede lid verbiedt de rechter niet, bij de beantwoording van de vraag of de grens zeker dan wel onzeker is, aan de bezitstoestand een vermoeden te ontlenen; het beoogt slechts om aan de rechter over te laten welke bewijskracht in een gegeven geval aan het bezit moet worden toegekend voor de vraag waar de grens van de eigendom loopt.

Een prealabel geschil over de eigendom van de grensstrook rijst ook, wanneer de gedaagde zijn eigendomsrecht op de grensstrook wil staven met een beroep op een afzonderlijke titel. Men denke aan het geval dat de grensstrook niet valt onder de omschrijving van het door gedaagde gekochte perceel maar naderhand door verjaring daaraan is toegevoegd, alsmede aan het geval, dat gedaagde zijn recht op de grensstrook en zijn recht op de rest van het terrein door afzonderlijke koopovereenkomsten heeft verworven. Voert gedaagde een verweer van deze aard, dan moet de rechter daarover uitspraak doen alvorens hij het onderhavige artikel kan toepassen.”6

3.4

Met betrekking tot de rechtspraak inzake art. 5:47 BW Sint Maarten geldt dat de bepaling van art. 1 lid 1 van de Rijkswet cassatierechtspraak meebrengt dat de Hoge Raad de burgerlijke zaken van (onder meer) Sint Maarten in overeenkomstige gevallen, op overeenkomstige wijze en met overeenkomstige rechtsgevolgen als burgerlijke zaken in Nederland behandelt en beslist voor zover in de Rijkswet cassatierechtspraak niet anders is bepaald.7 Op grond daarvan heeft rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot art. 5:47 BW ook betekenis voor de uitleg en toepassing van art. 5:47 BW Sint Maarten.

Er is overigens weinig rechtspraak met betrekking tot art. 5:47 BW. In de regel staat hieraan in de weg dat de voorwaarde dat de loop van de grens onzeker is, niet is vervuld.8 In een door de Hoge Raad met art. 81 RO verworpen cassatieberoep, gaat advocaat-generaal Rank-Berenschot in op de motiveringsklacht tegen het oordeel dat geen van partijen een vordering tot grensbepaling heeft ingesteld op de voet van art. 5:47 lid 1 BW. Zij merkt in haar conclusie (onder punt 13) hierover op dat deze klacht faalt, omdat volgens het hof ieder van partijen heeft gevorderd voor recht te verklaren dat de erfgrens loopt zoals weergegeven op de door ieder van hen als productie aangeleverde schets dan wel tekening. De omstandigheid dat partijen het niet eens waren over de grens en dat eiser een tekening heeft aangeleverd op basis waarvan volgens hem de grens kon worden vastgesteld, kwalificeert de vorderingen niet als een vordering ex art. 5:47 BW.9

3.5

De literatuur is in overeenstemming met parlementaire geschiedenis en rechtspraak. De rechter kan alleen dan tot grensbepaling in de zin van art. 5:47 BW overgaan, indien de grens onzeker is. Als de grens vastgesteld kan worden, ook al is het na een langdurige en gecompliceerde bewijslevering, dan kan niet gezegd worden dat de grens onzeker is.10 De vordering tot grensbepaling kan volgens art. 5:47 BW ‘te allen tijde’ worden ingesteld, hetgeen betekent dat zij niet kan verjaren.

Op grond van art. 5:47 lid 2 BW geldt de regel van art. 3:119 BW niet. In art. 3:119 BW is bepaald dat de bezitter van een goed wordt vermoed rechthebbende te zijn. Het is derhalve voor de toewijzing van de vordering tot grensbepaling niet noodzakelijk dat beide partijen met betrekking tot de grensstrook bezitsdaden hebben verricht. Indien een van beide buren de grensstrook in bezit heeft genomen, dan is het aan de rechter om te beslissen welke bewijskracht in dat geval aan het bezit moet worden toegekend voor de vraag waar de grens loopt.11 Het in bezit hebben genomen van de onzekere grensstrook door daden van exploitatie of door het plaatsen van een omheining is hier dus voor iemands bewijspositie niet van belang. Wel blijft het van betekenis voor een eventueel beroep op verkrijgende verjaring.12

Voorts wordt in de literatuur opgemerkt dat er verschil is tussen de vordering tot grensbepaling en de vordering tot revindicatie. Dat komt onder meer naar voren bij het gegeven dat bij een vordering tot grensbepaling de grens tussen de erven onzeker moet zijn. Vordert iemand dus ontruiming van een stuk grond met een volgens hem duidelijke grens, dan is er sprake van een actie tot revindicatie en niet van een vordering tot grensbepaling. Het verdient aanbeveling om de actie tot grensbepaling en de actie tot revindicatie te combineren. Toewijzing van de vordering tot grensbepaling doet immers wel de grens vaststaan, maar verschaft eiser nog niet het bezit. Wordt de vordering tot grensbepaling toegewezen, dan kan de strook worden gerevindiceerd.13

Middelonderdeel 1

3.6

In middelonderdeel 1 worden klachten gericht tegen rov. 2.5-2.7 en 2.9 van het eindvonnis. Het Hof is daarin uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat in gevallen als het onderhavige – waarin wordt getwist over de eigendom van een perceel waarvan de grenzen vaststaan – art. 5:47 BW moet worden toegepast, althans het heeft zijn beslissing op dit punt onvoldoende gemotiveerd. Bij zijn overweging dat sprake is van een onzekere grens en dat de grens aldus moet worden bepaald dat het perceel toebehoort aan de erven [betrokkene 2 en 3], heeft het Hof bovendien een tweetal essentiële stellingen niet in zijn beoordeling betrokken: (i) uit een in 1990 opgestelde meetbrief blijkt (ook) dat het perceel niet aan de erven [betrokkene 2 en 3] toebehoort; (ii) ter plaatse zijn reeds meer dan 70 jaar rockwalls aanwezig die het perceel op een heldere wijze afbakenen van de ten oosten gelegen gronden van de erven [betrokkene 2 en 3]. Ook op dit punt is het Hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, althans heeft het zijn oordeel op dit punt onvoldoende gemotiveerd. Ten slotte is het oordeel van het Hof onvoldoende gemotiveerd omdat zonder nadere motivering en/of uitleg van de inhoud van akten, uit de stukken van het Kadaster niet blijkt dat meetbrief no. 457 van 1996 destijds verkeerd is opgemaakt.

3.7

De rechtsklacht in onderdeel 1.1 dat de grens tussen het perceel van de erven [betrokkene 1] en het perceel van de erven [betrokkene 2 en 3] onzeker is, althans dat het oordeel van het Hof op dit punt onvoldoende is gemotiveerd, slaagt. Het Hof heeft bij zijn beoordeling in rov. 2.6 ten onrechte tot uitgangspunt genomen dat sprake is van een onzekere grens, nu - kort gezegd - de ene partij uitgaat van de ene en de andere partij uitgaat van de andere lijn op meetbrief 457/1996. Zoals hiervoor is besproken (punt 3.5.) is de enkele omstandigheid dat partijen verdeeld zijn over de vraag waar de erfgrens loopt, onvoldoende motivering voor het oordeel dat daarmee sprake is van een onzekere grens. Daartoe is noodzakelijk dat partijen niet de juiste grens kunnen aanwijzen, waartoe zo nodig bewijslevering dient plaats te vinden. Het Hof heeft de beantwoording van deze ‘prealabele vraag’ – of het na bewijslevering mogelijk is de juiste grens aan te wijzen – ten onrechte overgeslagen en is daarmee van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan. Dat het hof eerst de vraag diende te beantwoorden of het na bewijslevering mogelijk is de juiste grens aan te wijzen, is zeker het geval nu een van partijen (de erven [betrokkene 1]) zich (a) op verkrijgende verjaring beroept en (b) aanvoert dat de grens wordt bepaald door ligging van de rockwalls, terwijl met het oog op deze stellingen ook een bewijsaanbod is gedaan. Pas bij een ontkennende beantwoording van die vraag, kan worden vastgesteld dat sprake is van een onzekere grens.
Voor zover het Hof gemeend heeft dat in het licht van meetbrief 457/1996 de argumenten van de erven [betrokkene 1] hoe dan ook niet tot vaststelling van de erfgrens kunnen leiden zodat de prealabele vraag niet hoeft te worden beantwoord, berust ook dat op een onjuiste rechtsopvatting. Met de ligging van de kadastrale grens is immers de eigendomsgrens nog niet gegeven.14

3.8

De onderdelen 1.2 en 1.3 behoeven in het licht van het slagen van de klachten van onderdeel 1.1 geen beoordeling meer. Ten overvloede is daarover nog het volgende op te merken.

3.9

De erven [betrokkene 1] klagen er in de onderdelen 1.2 en 1.3 over dat het Hof een tweetal essentiële stellingen niet in zijn beoordeling heeft betrokken en daarmee is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting dan wel zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd. Het gaat om het argument (i) dat uit een in 1990 opgestelde meetbrief blijkt dat het perceel niet aan de erven [betrokkene 2 en 3] toebehoort; en (ii) dat ter plaatse reeds meer dan 70 jaar rockwalls aanwezig zijn die het perceel op een heldere wijze afbakenen van de ten oosten gelegen gronden van de erven [betrokkene 2 en 3]. Ook wordt betoogd dat uit de informatie van het Kadaster geen heldere conclusie is af te leiden en dat zonder nadere toelichting door het Kadaster partij wordt gekozen voor de erven [betrokkene 2 en 3].

3.10

De motiveringsklachten zijn terecht voorgesteld. Het Hof heeft de door de erven [betrokkene 1] aangehaalde argumenten niet kenbaar in zijn beoordeling betrokken, terwijl de argumenten wel van belang zijn in het licht van het beroep van de erven [betrokkene 1] op verjaring.

Middelonderdeel 2

3.11

In middelonderdeel 2 wordt opgekomen tegen de door het Hof gegeven overwegingen in rov. 2.8. Het Hof heeft daar, volgens het middel, het beroep op verkrijgende verjaring afgewezen op de (enkele) grond dat ingevolge art. 5:47 lid 2 BW het wettelijke vermoeden dat de bezitter de eigenaar is, niet geldt in het onderhavige geval. Dit oordeel is rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk. Voor zover rov. 2.8, laatste volzin, een oordeel bevat inzake het bezit van het perceel is dat onbegrijpelijk, dan wel is het Hof buiten het partijdebat getreden, dan wel had het Hof dit oordeel niet mogen geven zonder de erven [betrokkene 1] eerst in de gelegenheid te stellen conform hun bewijsaanbod getuigen te horen.

3.12

Dit onderdeel slaagt eveneens. Art. 5:47 lid 2 BW heeft betrekking op de situatie waarin onzekerheid bestaat over de ligging van de grens tussen twee erven. Art. 5:47 BW beoogt daarmee niet een beroep op verkrijgende verjaring af te snijden (zie hiervoor bij punt 3.3 en 3.5). Voor de vraag of sprake is van verkrijgende verjaring van een strook grond, kan wel degelijk van belang zijn in hoeverre de erven [betrokkene 1] hebben gehandeld als bezitter. Het Hof is in zoverre uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, althans is zijn oordeel onbegrijpelijk.

Overigens ligt in rov. 2.8, tweede volzin, geen oordeel besloten over de vraag of ten aanzien van de betwiste strook grond sprake is geweest van bezitsdaden van de erven [betrokkene 1]. Het Hof overweegt immers dat de vraag waaruit de bezitsdaden hebben bestaan niet meer behoeft te worden beantwoord.

Middelonderdeel 3

3.13

Middelonderdeel 3 bevat een veegklacht en strekt ertoe dat indien het tweede onderdeel slaagt, ook het oordeel van het Hof dat sprake is van een onzekere grens (rov. 2.5-2.6 en 2.9) geen stand kan houden. Het slagen van één van beide onderdelen leidt er ook toe dat de daarop voortbouwende overwegingen (waaronder rov. 2.10-2.12) en het dictum geen stand kunnen houden. In het licht van het slagen van de middelonderdelen 1 en 2, moeten ook de klachten uit middelonderdeel 3 slagen.

Slotsom

3.14

Het voorgaande brengt mee dat het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 7 november 2014 niet in stand kan blijven en dat terugwijzing dient te volgen.

Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 7 november 2014 en tot terugwijzing.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie rov. 2.1 van het vonnis van het Hof van 8 maart 2013. Het Hof vermeldt daar nog dat het gaat om meetbrief 457/1994. Zoals het terecht overweegt in zijn eindvonnis van 7 november 2014 (rov. 2.1) moet dit zijn meetbrief 457/1996.

2 Bedoeld wordt: no. 76.

3 Zie voor de overgangswetgeving op dit punt: J.P. de Haan, De overgangswetgeving en de geldende wetgeving van Curaçao, Sint Maarten en de BES-eilanden in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen, WPNR 2011 (6898), p. 694-700. Daarin wordt voor de overgangswetgeving gewezen naar art. 1 lid 1 en lid 2 en art. 2 onderdeel a en onderdeel b van de Overgangsregeling Sint Maarten (A.B. Sint Maarten 2010, GT no. 30), gelezen in samenhang met additioneel art. I, eerste lid, van de Staatsregeling van Sint Maarten (A.B. Sint Maarten 2010, GT no. 1).

4 T.M., Parl. Gesch. Boek 5 BW, p. 195-196.

5 Dat is nu art. 3:119 BW.

6 T.M., Parl. Gesch. Boek 5 BW, p. 197 (noten weggelaten).

7 Vaste rechtspraak sinds HR 14 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2280, NJ 1999/409 m.nt. S.C.J.J. Kortmann. Zie over concordantie van rechtspraak nader G.C.C. Lewin, Het hoger beroep en het cassatieberoep in burgerlijke zaken in de Nederlandse Antillen en Aruba, 2009, p. 234-246.

8 Zie bijv. Hof Den Haag 8 juli 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:2225, NJF 2014/348 en Hof ’s-Hertogenbosch 10 mei 2000, ECLI:NL:GHSHE:2000:AC1459, NJ 2001/169.

9 HR 27 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9546, RvdW 2012/680.

10 A.C. Wibbens-de Jong, Burenrecht (Monografieën BW B26), 2009, nr. 25; Asser/Mijnssen, Van Velten & Bartels 5* 2008/138; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp, 2012, Goederenrecht, nr. 569; K.F.M. Berger, Burenrecht, mandeligheid, erfdienstbaarheden, 2001, p. 60; Groene Serie Zakelijke rechten (S.D. Lindenbergh), art. 5:47 BW, aant. 1-2

11 Asser/Mijnssen, Van Velten & Bartels 5* 2008/138; T&C art. 5:47 BW (Stolker), aant. 2.

12 Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, Goederenrecht, nr. 569.

13 Asser/Mijnssen, Van Velten & Bartels 5* 2008/138; A.C. Wibbens-de Jong, Burenrecht (Monografieën BW B26), 2009, nr. 25; T&C art. 5:47 BW (Stolker), aant. 1. Vgl. voorts reeds de noot van P. Scholten bij HR 16 april 1926, NJ 1926, p. 657-659.

14 HR 3 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8161, NJ 2001/222.