Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:340

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
25-03-2016
Datum publicatie
13-05-2016
Zaaknummer
16/00438
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:853, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. BOPZ. Machtiging tot voortzetting inbewaringstelling, art. 29 Wet Bopz. Verzoek betrokkene om bijstand van andere advocaat niet gehonoreerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

16/00438

Mr. F.F. Langemeijer

25 maart 2016

Conclusie inzake:

[betrokkene]

tegen

Officier van Justitie Oost-Brabant

In deze Bopz-zaak wordt hoofdzakelijk geklaagd over het feit dat niet de door betrokkene gewenste advocaat aan haar is toegevoegd, omdat die advocaat niet gecertificeerd is voor de behandeling van Bopz-zaken.

1 De feiten en het procesverloop

1.1.

Op 26 november 2015 heeft de waarnemend burgemeester van Eindhoven ten aanzien van verzoekster tot cassatie (hierna: betrokkene) een last tot inbewaringstelling gegeven als bedoeld in art. 20 lid 1 Wet Bopz. De officier van justitie heeft aan de rechtbank Oost-Brabant verzocht een machtiging te verlenen tot voortzetting van de inbewaringstelling. Dit verzoek is bij de rechtbank ingekomen op maandag 30 november 20151.

1.2.

De rechtbank heeft het verzoek mondeling behandeld op 3 december 2015. Voor de rechter verschenen: betrokkene, de advocaat F.P.M. Sanders2 en een verpleegkundig specialist. Het proces-verbaal vermeldt als verklaring van betrokkene onder meer:

“Ik heb een eigen advocaat en dat heb ik mr. Sanders ook gezegd. Ik wil mr. Sanders niet als mijn advocaat in deze zaak. Mr. N.A.P. Heesterbeek is mijn advocaat van het kantoor Bouwmans c.s. Ik wil wel worden bijgestaan door een advocaat. Zonder advocaat wil ik niet nu gehoord worden. Toen ik net aangehouden werd, is mr. Heesterbeek naar mij toegekomen. Zij weet van de hoed en de rand. Ik heb getekend voor een voorwaardelijk sepot.” (blz. 1 p.-v.)

Niettemin heeft betrokkene, evenals de gehoorde verpleegkundige, nog het een en ander verklaard omtrent het gevaar dat betrokkene wel of niet voor anderen zou vormen als gevolg van een stoornis van haar geestvermogens (p.-v. blz. 1 – 2). De rechter heeft ter zitting medegedeeld te zullen nagaan of de door betrokkene voorgestelde advocaat Heesterbeek een erkende BOPZ-advocaat is. De rechter heeft de beslissing (ook die op het verzoek om een andere advocaat) aangehouden tot de namiddag.

1.3.

De rechtbank heeft op 3 december 2015 de verzochte machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling verleend. In de beschikking is onder meer overwogen:

“Betrokkene heeft te kennen gegeven niet te willen worden bijgestaan door mr. F.P.M. Sanders, maar uitsluitend door mr. N.A.P. Heesterbeek, die haar in het strafpiket heeft bezocht. Gebleken is dat laatstgenoemde advocaat niet BOPZ-gecertificeerd is. […]”

1.4.

Namens betrokkene is – tijdig – beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.

2 De ontvankelijkheid van het cassatieberoep

2.1.

Art. 29 lid 5 Wet Bopz bepaalt dat tegen een beschikking op een verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling geen gewoon rechtsmiddel openstaat. Nu het middel, althans de onderdelen I - III daarvan, klaagt over het niet in acht nemen van een essentiële waarborg voor het grondrecht op vrijheid, namelijk het recht op rechtsbijstand, bestaat grond voor doorbreking van dit rechtsmiddelenverbod3. Betrokkene is ontvankelijk te achten in haar cassatieberoep.

3 Bespreking van het cassatiemiddel

3.1.

Onderdeel I klaagt dat betrokkene, gelet op art. 29 lid 1 in verbinding met art. 8 lid 3 Wet Bopz en mede gelet op art. 45 leden 2, 3 en 4 Sv en art. 6 in verbinding met art. 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie4, recht heeft op een andere advocaat wanneer zij de rechtsbijstand van de haar toegewezen advocaat niet wenst en voorkeur heeft voor een andere. Volgens de klacht had de rechtbank niet van belang mogen achten of die andere advocaat Bopz-“gecertificeerd” is en had zij moeten onderzoeken of het mogelijk was de door betrokkene gewenste advocaat in te schakelen, althans had zij behoren te motiveren waarom dat onderzoek niet is gedaan.

3.2.

Op grond van art. 22 lid 1 Wet Bopz draagt de burgemeester ervoor zorg dat binnen 24 uur na het tijdstip waarop de last tot inbewaringstelling is afgegeven betrokkene wordt bijgestaan door een raadsman. Art. 29 lid 1 bepaalt in verbinding met 8 lid 3 Wet Bopz dat de rechter, voordat hij het verzoek om een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling behandelt, het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand last geeft tot toevoeging van een raadsman aan de betrokkene, tenzij deze daartegen bedenkingen heeft. Onder meer de artikelen 38 en 45 Sv zijn van overeenkomstige toepassing verklaard. Op grond van art. 38 lid 1 Sv heeft de verdachte (in Bopz-zaken: de betrokken patiënt) het recht om zich bij de behandeling van zijn zaak te laten bijstaan door een advocaat van eigen keuze. Dit betekent niet dat de verdachte (c.q. de patiënt) recht heeft op toevoeging van een advocaat naar eigen keuze: men krijgt een advocaat toegewezen, die van overheidswege wordt betaald5. Ook in de rechtspraak van het EHRM over art. 6 lid 3 EVRM wordt niet een recht op toevoeging van een advocaat naar eigen keuze aangenomen6. In de praktijk wordt bij de toevoegingsbeslissing wel rekening gehouden met een eventuele voorkeur van de betrokken rechtzoekende voor een bepaalde advocaat, aangenomen dat ook de aangezochte advocaat met de toevoeging instemt: het wordt van belang geacht dat tussen de raadsman en de verdachte een vertrouwensrelatie kan bestaan. Met name bij internationale tribunalen met een procesvoering naar angel-saksisch model blijft een strijdpunt of het opdringen aan de verdachte van een door deze niet gewenste raadsman en vervolgens het optreden ten processe door zulk een raadsman toelaatbaar is7.

3.3.

Op grond van art. 45 lid 2 Sv kan de verdachte of de raadsman zelf verzoeken om toevoeging van een andere raadsman. Aanleiding hiervoor kan onder meer zijn dat de vertrouwensrelatie tussen de raadsman en de verdachte is verbroken. In zaken van vrijheidsbeneming krachtens de Wet Bopz heeft de Hoge Raad op 19 december 2014 uitgemaakt dat wanneer de raadsman terugtreedt omdat zijn cliënt bij gelegenheid van de mondelinge behandeling te kennen geeft niet meer door hem te willen worden bijgestaan, een met de kwetsbare positie van de betrokkene strokende uitleg van art. 8 lid 3 Wet Bopz in verbinding met art. 45 lid 4 Sv medebrengt dat de rechter dient te onderzoeken of de betrokkene toevoeging van een andere raadsman wenst. De rechter dient in zijn beschikking van het resultaat van dit onderzoek te doen blijken.

3.4.

De zo-even genoemde regel geldt ook bij de behandeling van een verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling, met dien verstande dat de rechter gebonden is aan de wettelijke beslistermijn van art. 29 lid 5 Wet Bopz. Indien de rechter van oordeel is dat toevoeging van een nieuwe raadsman niet meer mogelijk is binnen de wettelijke beslistermijn, behoort de rechter hiervan mededeling te doen aan de betrokkene en betrokkene erop te wijzen dat zijn weigering om zich te laten bijstaan door de aanvankelijk toegevoegde raadsman, ertoe kan leiden dat hij bij de behandeling van het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling in het geheel niet door een raadsman wordt bijgestaan8.

3.5.

In de onderhavige zaak heeft betrokkene bij de mondelinge behandeling te kennen gegeven dat zij niet door mr. Sanders wilde worden bijgestaan, maar door mr. Heesterbeek, die haar blijkbaar eerder had bijgestaan in het kader van een strafrechtelijk onderzoek. Van een gekozen (door betrokkene zelf te betalen) advocaat is in deze zaak geen sprake geweest. Art. 38 lid 1 Sv komt daarom, ook in het middel, niet aan de orde. Voor zover betrokkene aan art. 45 Sv een recht meent te kunnen ontlenen op het vrij kiezen van de door de Raad voor de Rechtsbijstand toe te voegen advocaat, faalt de klacht om de bovengenoemde redenen.

3.6.

De rechtbank was in dit geval gehouden te onderzoeken of het mogelijk was binnen de wettelijke beslistermijn een andere raadsman te doen toevoegen. Blijkens de beschikking heeft de rechtbank dit onderzoek nog dezelfde dag uitgevoerd, doch met een negatief resultaat waarvan de rechtbank in haar beschikking heeft doen blijken. Onderdeel I treft om deze reden geen doel.

3.7.

Onderdeel II klaagt dat de rechtbank ten onrechte ervan is uitgegaan dat uitsluitend een Bopz-gecertificeerde advocaat betrokkene zou kunnen bijstaan in de procedure: gelet op het recht van vrije advocaatkeuze, is volgens de klacht slechts van belang of de door betrokkene gewenste rechtsbijstandverlener als advocaat is ingeschreven.

3.8.

De Bopz-rechter geeft aan het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand de last tot toevoeging van ‘een’ raadsman. De Raad voor Rechtsbijstand ontleent aan art. 15 van de Wet op de rechtsbijstand de bevoegdheid tot het stellen van regels, onder meer, op het gebied van deskundigheidseisen9. De wetgever heeft de Raad een ruime mate van bevoegdheid willen laten om de inschrijvingsvoorwaarden te formuleren10. De inschrijvingsvoorwaarden worden opgevat als algemeen verbindende voorschriften11. Art. 6c van de Inschrijvingsvoorwaarden 201512 bevat de vereisten voor toevoegingen op het rechtsgebied van het psychiatrisch patiëntenrecht en de extra vereisten voor deelname aan het psychiatrisch patiënten-piket (dat wil zeggen: de spoedeisende rechtsbijstand in IBS-zaken)13. Art. 16 van de Wet op de rechtsbijstand geeft het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand de mogelijkheid in bijzondere gevallen een niet-ingeschreven advocaat toe te voegen. Als bijzonder geval kan worden aangemerkt: de uitdrukkelijke en gemotiveerde wens van een rechtszoekende, door een bepaalde advocaat te worden bijgestaan, of de behoefte aan bijstand door een advocaat die over specifieke deskundigheid op een bepaald rechtsgebied beschikt. Artikel 16 ziet op het geval dat een advocaat in het geheel niet is ingeschreven bij de Raad voor Rechtsbijstand en laat m.i. onverlet dat de Raad eisen kan stellen aan de deskundigheid van de toe te voegen advocaat14.

3.9.

Art. 8 lid 3 Wet Bopz bepaalt dat de rechter aan het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand last geeft tot toevoeging van een raadsman aan de betrokkene. Uit art. 43 van de Wet op de rechtsbijstand volgt dat indien de rechter (op grond van art. 8 lid 3 Wet Bopz) last tot toevoeging geeft, de rechtsbijstand voor de betrokkene kosteloos is. Zo vindt geen toetsing plaats van de financiële draagkracht van de betrokkene; ook wordt geen eigen bijdrage in rekening gebracht15. Uit de parlementaire geschiedenis bij de Wet op de rechtsbijstand volgt dat de inschrijvingsvoorwaarden, bedoeld in art. 14 en 15 van de Wet op de rechtsbijstand, ook van toepassing kunnen zijn in het geval dat op last van de rechter een raadsman wordt toegevoegd16. Dit betekent volgens aantekening 4 bij artikel 44 Wrb in het Handboek Toevoegen 200717 dat, ook na een last tot toevoeging, geen toevoeging wordt verleend indien de advocaat niet aan de in de voorwaarden gestelde deskundigheidseisen voldoet of heeft voldaan.

3.10.

Dijkers heeft het standpunt verdedigd dat de rechter de mogelijkheid heeft op grond van art. 8 lid 3 Wet Bopz een last te geven tot toevoeging van een niet op het gebied van psychiatrisch patiëntenrecht geregistreerde raadsman18 en dat de Raad voor Rechtsbijstand die last dan dient uit te voeren. De ABRvS heeft in een uitspraak van 19 augustus 2009, reeds aangehaald, echter anders geoordeeld19.

3.11.

Subsidiair, zelfs als zou worden aangenomen dat de rechtbank (met uitsluiting van de Raad voor de Rechtsbijstand) toevoeging van een niet Bopz-geregistreerde advocaat zou mogen bevelen: uit de bestreden beschikking volgt dat de rechtbank ook zelf geen aanleiding heeft gevonden om toevoeging van de advocaat Heesterbeek te gelasten, nu aan de rechtbank is gebleken dat zij niet voor de specialisatie ‘psychiatrisch patiëntenrecht’ staat geregistreerd. De rechtbank mocht een dergelijke afweging maken. De klacht faalt.

3.12.

Onderdeel III klaagt dat de rechtbank heeft nagelaten betrokkene te wijzen op de gevolgen van haar weigering zich te laten bijstaan door de toegevoegde raadsman. De maatstaf in rov. 3.6 van HR 19 december 2014, reeds aangehaald, houdt in:

“Indien de rechter van oordeel is dat de toevoeging van een nieuwe raadsman binnen de wettelijke beslistermijn niet mogelijk is, is hij gehouden hiervan mededeling te doen aan de betrokkene. In dat geval dient de rechter de betrokkene erop te wijzen dat zijn weigering om zich te laten bijstaan door de aanvankelijk toegevoegde raadsman ertoe kan leiden dat hij bij de behandeling van het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling niet door een raadsman wordt bijgestaan.

De rechter is gehouden om in zijn beschikking te doen blijken van het resultaat van vorenstaand onderzoek en, in voorkomend geval, van het standpunt van de betrokkene ten aanzien van de onmogelijkheid om tijdig een andere raadsman aan hem toe te voegen.”

3.13.

De mondelinge behandeling vond plaats op de dag waarop de beslistermijn voor de rechtbank zou verstrijken. Uit het proces-verbaal en uit de beschikking blijkt inderdaad niet dat de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling of ’s middags (na het onderzoek, maar vóór het afgeven van de beschikking houdende de machtiging) betrokkene erop heeft gewezen dat haar weigering zich te laten bijstaan door de haar toegevoegde advocaat Sanders, ertoe kon leiden dat zij bij de behandeling van het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling vóór het verstrijken van de wettelijke beslistermijn niet door een raadsman zou worden bijgestaan. De vraag is evenwel, of in dit geval nietigheid van de bestreden beschikking daarvan het rechtsgevolg moet zijn. Blijkens het proces-verbaal is betrokkene slechts kort verschenen en uit eigen beweging weer vertrokken vóórdat de mondelinge behandeling was voltooid. Uit niets blijkt dat de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling praktisch de gelegenheid heeft gehad om de in het middelonderdeel bedoelde waarschuwing (voor de gevolgen van het weigeren van de toegevoegde advocaat) te geven en betrokkenes reactie daarop te noteren. Nadat nader onderzoek de rechtbank duidelijk had gemaakt dat de door betrokkene verlangde advocaat niet Bopz-gecertificeerd was, bleef er weinig te bespreken over: betrokkene had tegen de bijstand door mr. Sanders geen ander bezwaar gemaakt dan dat haar voorkeur uitging naar mr. Heesterbeek. Evenmin was sprake van enig (voorwaardelijk) verzoek tot heropening van de door betrokkene verlaten mondelinge behandeling. Onder deze omstandigheden kan m.i. niet staande worden gehouden dat betrokkene zodanig is geschaad in een verdedigingsbelang dat deze klacht grond zou moeten zijn voor vernietiging.

3.14.

Onderdeel IV behelst de klacht dat de rechtbank ervoor had moeten zorgen dat, na de weigering door betrokkene om zich te laten bijstaan door de toegevoegde advocaat Sanders, deze advocaat niet langer aanwezig was bij de mondelinge behandeling.

3.15.

De klacht voldoet niet aan de eisen van art. 426a lid 2 Rv, nu het middel niet aangeeft welke rechtsregel de rechtbank zou hebben geschonden door de advocaat Sanders ter zitting aanwezig te laten zijn. Bovendien lees ik in dit middelonderdeel geen klacht over het niet in acht nemen van een essentiële waarborg voor het grondrecht op vrijheid20, zodat het cassatieberoep op dit punt niet-ontvankelijk zou zijn. Een handelingsbekwame persoon kan ervoor kiezen de bijstand van een haar toegevoegde advocaat te weigeren. De gedragsregels voor advocaten brengen mee dat de advocaat zich dan behoort terug te trekken21. Dat betekent niet dat de advocaat fysiek de zittingszaal dient te verlaten. Op grond van art. 24 lid 4 Wet op de rechtsbijstand en art. 13 lid 5 Advocatenwet kan de toegevoegde advocaat zelfs verplicht zijn om, zolang er geen sprake is van een gekozen raadsman of van een wijziging van de toevoeging, aanwezig te blijven bij de zitting 22. Ook inhoudelijk treft de klacht daarom geen doel.

4 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

a.-g.

1 Dit brengt mee dat de beslistermijn voor de rechtbank verstreek op 3 december 2015; zie art. 29 lid 3 Wet Bopz.

2 Deze advocaat was blijkbaar op grond van art. 22 lid 1 Wet Bopz aan betrokkene toegevoegd.

3 Vgl. HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3663, JVggz 2015/1 m.nt. W. Dijkers, rov. 3.4 – 3.6.

4 De in het cassatierekest niet uitgewerkte verwijzing naar art. 6 en 47 Handvest van de grondrechten van de EU laat ik verder onbesproken, gelet op hetgeen in artikel 51 van dat Handvest is bepaald over het toepassingsgebied van het Handvest.

5 HR 20 oktober 1987, NJ 1988/446.

6 EHRM 14 januari 2003, appl.no. 26891/95, par. 54 en 55 (Lagerblom/Zweden); EHRM 21 april 2015, appl.no. 4211/12 en 5850/12, par. 41 (Bezek/Duitsland).

7 Tekst & Commentaar Strafvordering, art. 45, aantek. 1.c. (Dieben/Spronken); Corstens/Borgers, Het Nederlandse Strafprocesrecht, 2014, blz. 99; Wet Bopz, Artikelsgewijs Commentaar, 2009, art. 8, aantek. 3.2 (W. Dijkers). Zie ook: T. Prakken en T. Spronken (red.), Handboek Verdediging, 2009, blz. 959 en volgende; B.E.P. Myjer, De onvrijwillige keuze voor een advocaat van onvermogen, in: Mens en Recht, 1996, blz. 70 en volgende; T. Spronken, Verdediging, 2001, blz. 221 – 223; T. Spronken, Over efficiency en dwangverdediging, in: P.D. Duyx en P.D.J. van Zeben (red.), Via Straatsburg (Liber Amicorum Egbert Myjer), 2004, blz. 113 – 115.

8 HR 19 december 2014, reeds aangehaald, rov. 3.6.

9 Zie ook: Module Rechtsbijstand en Schuldhulpverlening (Wolters Kluwer), artikel 15 WRB, aant. 1.4 (M. Westerveld).

10 MvT, Kamerstukken II 1991-1992, 22 609, nr. 3, blz. 8; MvA, Kamerstukken II 1992-1993, 22 609, nr. 6, blz. 23 - 24; ABRvS 10 maart 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AO5216, rov. 2.2.1.

11 ABRvS 21 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:133, rov. 4.1.

12 Besluit van het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand van 27 februari 2015, Stcrt. 2015/8156.

13 In de praktijk wordt, in bepaalde regio’s, in plaats van de op die datum dienstdoende piket-advocaat soms een voor betrokkene (uit rechtsbijstand tijdens vorige dwangopnamen) bekende advocaat toegevoegd; zie: L. Bos, De stamadvocaat, Journaal GGZ en recht 2015/6.

14 Vgl. ABRvS 25 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:568, rov. 5.2; ABRvS 20 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2067. Zie ook: Rb. Breda 7 januari 2009, BJ 2009/13 m.nt. W. Dijkers; MvT, Kamerstukken II 1991-1992, 22 609, nr. 3, blz. 19; Module Rechtsbijstand en Schuldhulpverlening, artikel 16 WRB, aant. 1.4.

15 De verhaalsmogelijkheid van art. 49 Sv blijft in deze zaak buiten beschouwing.

16 MvT, Kamerstukken II 1991-1992, 22 609, nr. 3, blz. 27; MvT, Kamerstukken II 1993-1994, 23 464, nr. 3, blz. 2; ABRvS 19 augustus 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ5554.

17 Te raadplegen via: kenniswijzer.rvr.org, rubriek wet- en regelgeving.

18 Zie de noot van Dijkers bij voornoemde uitspraak van de Rechtbank Breda en De Wet Bopz Artikelsgewijs Commentaar, art. 8, aant. 3.2.

19 RvS 19 augustus 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ5554. Zie ook: ABRvS 21 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:133, rov. 4.1.

20 Spronken stelt dat het in strijd is met het recht op een eerlijk proces en het recht op zelfbeschikking om aan een verdachte tegen zijn wil een advocaat toe te voegen: T. Spronken, A place of greater safety, 2003, blz. 30; T. Spronken, Over efficiency en dwangverdediging, in: Via Straatsburg (Liber Amicorum Egbert Myjer), 2004, blz. 112-115. Vgl. E. Myjer, In en rond de rechtsbijstand, NbSR 2003/12. Hierover wordt echter niet geklaagd: er is slechts, zonder nadere toelichting, gesteld dat de advocaat de zittingsruimte had moeten verlaten.

21 Zie regel 9 van de Gedragsregels voor advocaten 1992; T. Spronken, Verdediging, 2001, blz. 526 en volgende; T. Spronken, A place of greater safety, 2003, blz. 30;

22 Zie bovengenoemd redactioneel van E. Myjer en HvD 20 maart 1989, Advocatenblad 1989/548.