Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:334

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-03-2016
Datum publicatie
12-05-2016
Zaaknummer
15/01530
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:825, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Onderzoek “Jasmijn”. HR: art. 81.1 RO. Conclusie AG o.m. over de afwijzing van het verzoek om een medeverdachte die gedetineerd is in het buitenland als getuige te (doen) horen. Ondervragingsrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/01530

Zitting: 8 maart 2016

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 21 november 2014 door het gerechtshof Den Haag wegens “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld tot zes jaren gevangenisstraf.

  2. Er bestaat samenhang tussen de zaken 14/05898, 14/06312, 15/00042, 15/00045 en 15/01530. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.

  3. Namens de verdachte heeft mr. H.M.W. Daamen, advocaat te Maastricht, drie middelen van cassatie voorgesteld.

  4. Inleidend schets ik in het kort de feitelijke gang van zaken zoals door het hof is vastgesteld:

Degenen die in de onderhavige zaak Asperge, die deel uitmaakt van het onderzoek 'Jasmijn', in beeld komen, zijn onder meer de hoofdverdachten [medeverdachte 5] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en de verdachte ( [verdachte] ). [medeverdachte 1] is kennelijk bevriend met zowel [medeverdachte 5] als met [medeverdachte 2] . De verdachte is een neef van [medeverdachte 5] . [medeverdachte 5] zou de grote organisator zijn van een transport van ongeveer 1650 kilo cocaïne in ronde blikken paprika en platte blikken asperges, in drie containers verscheept vanuit Peru, waar [medeverdachte 5] zijn bedrijf [A] heeft, naar de Rotterdamse haven. Tussen 20 en 22 oktober 2005 verblijft de verdachte in Nederland, en in november in een woning van een kennis van [medeverdachte 2] . [medeverdachte 1] had [medeverdachte 2] een paar maanden voor november 2005 gevraagd of hij iemand kende die huizen verhuurde; [medeverdachte 2] heeft toen contact opgenomen met een kennis en diens telefoonnummer aan [medeverdachte 1] gegeven.

Op 7 november 2005 gaat [medeverdachte 1] naar Nederland en voor of omstreeks 11 november 2005 komt de verdachte vanuit Spanje in Nederland aan. In de ochtend van 8 november 2005 heeft de verdachte telefonisch contact met [medeverdachte 1] . Op 1 november 2005 komt het motorschip ' [B] ' de haven van Rotterdam binnen. De douane ontdekt de contrabande op 8 en 9 november. De cocaïne wordt vervolgens in beslag genomen, met uitzondering van een blik met 303 gram cocaïne; dit blik wordt teruggeplaatst en onder controle gehouden. Op 10 november vliegen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] op verzoek van de verdachte naar Nederland om te helpen uitpakken. Op 11 november arriveert [medeverdachte 5] in Nederland. Op dezelfde dag worden de containers overgebracht naar een loods in Zwanenburg. Op 12 november rijdt [medeverdachte 2] samen met enkele anderen naar die loods om de blikken cocaïne te scheiden van de andere blikken. [medeverdachte 2] had op de heenweg vreemd rijgedrag vertoond; richting aangeven naar links, en dan plotseling hard rechtdoor rijden, en soms hard, dan weer zacht rijden. In de loods keert [medeverdachte 2] zijn auto direct zodanig dat hij gelijk weer weg kan rijden. Met behulp van een briefje met kruisjes wordt gezocht naar bepaalde blikken, die daarna apart worden gezet. Op een bepaald moment zegt een zekere [betrokkene 3] , die een ruitjespapiertje met getekende lijnen en vakjes bij zich heeft, dat er iets niet klopt. Er wordt gebeld. Even later geeft [medeverdachte 2] het sein dat er gestopt moet worden. Allen verlaten de loods.

[betrokkene 3] en [medeverdachte 4] zetten [betrokkene 1] en [betrokkene 2] af en praten samen na. Dan komt ter sprake dat het over cocaïne gaat, waarbij [betrokkene 3] zich hevig teleurgesteld toont. Later op de dag begeven de verdachte, [medeverdachte 5] , [betrokkene 5] , [medeverdachte 1] en [betrokkene 6] zich naar de loods. [medeverdachte 1] heeft onderweg telefonisch contact met [medeverdachte 2] en zegt tegen [medeverdachte 2] dat hij naar de loods gaat en dat [medeverdachte 2] opnieuw naar de loods moet komen. [medeverdachte 2] belt [betrokkene 3] en zegt dat de baas naar de loods komt. [medeverdachte 2] haalt [betrokkene 3] op en samen rijden ze naar de loods. [medeverdachte 2] beschikt over de sleutel en maakt de loods open. Vooral [medeverdachte 5] en de verdachte voeren in de loods een discussie en vragen aan elkaar: 'Hoe kan dat nou?, dit kan niet'. Men raakt geïrriteerd en er wordt druk getelefoneerd; de sfeer is gespannen. Er wordt gesproken over codes die niet kloppen. Op dat moment vindt een inval plaats en worden de betrokkenen aangehouden.

5. Het eerste middel keert zich tegen de motivering van ’s hofs afwijzing van het verzoek tot het horen van de getuige [medeverdachte 5] . Die afwijzing getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en is niet (zonder meer) begrijpelijk, aldus de steller van het middel, nu het hof daarbij het voor de verdediging strengere criterium “thans in redelijkheid niet te verwachten is dat [medeverdachte 5] binnen aanvaardbare termijn als getuige ter terechtzitting dan wel anderszins kan worden gehoord” heeft toegepast in plaats van de wettelijke maatstaf ‘onaannemelijk’ als bedoeld in art. 288, eerste lid aanhef en onder a, Sv.

6. Alvorens op het middel in te gaan, stel ik voorop dat [medeverdachte 5] , een getuige à decharge, al op 11 juli 2006 door de rechter-commissaris was gehoord in aanwezigheid van de raadslieden. Dat neemt niet weg dat het hof aanvankelijk het verzoek van de verdediging om [medeverdachte 5] als getuige te horen had toegewezen, met de bedoeling dat hij op de terechtzitting van het hof zou worden gehoord. Terwijl [medeverdachte 5] op 23 november 2013 op het punt stond vanuit Peru naar Nederland te vertrekken om de terechtzitting bij te wonen, werd hij in Peru aangehouden. Het hof gaf bij tussenbeslissing van 6 december 2013 een (herhaald) bevel tot oproeping van deze getuige op de terechtzitting in oktober 2014, zij het tevergeefs omdat Peru [medeverdachte 5] niet in vrijheid stelde. Uiteindelijk heeft het hof het genoemde verzoek alsnog afgewezen. De motivering van ’s hofs beslissing luidt als volgt:

“1. Het horen als getuige van medeverdachte [medeverdachte 5] . Het hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. a. [medeverdachte 5] is op 23 november 2013 aangehouden en hij is sedertdien gedetineerd in Peru. Ter zitting van 25 november 2013 heeft de raadsman van [medeverdachte 5] verklaard (blz. 16 proces-verbaal): "Mijn cliënt wenst niet verhoord te worden via videoconferentie of middels een rogatoire commissie. ... Mijn cliënt zal geen woord verklaren, zolang hij in Peru is gedetineerd." Het hof heeft deze verklaring opgevat als een ondubbelzinnige weigering om als getuige te verklaren vanuit detentie in Peru.

b. Bij brief van 18 maart 2014 is door het hof aan de raadsman van [medeverdachte 5] onder meer bevestigd dat de inhoudelijke behandeling in oktober 2014 plaats zou vinden. Bij brief van 24 maart 2014 heeft de advocaat-generaal de raadsman van [medeverdachte 5] bericht geen uitleveringsverzoek aan Peru te zullen doen ten behoeve van [medeverdachte 5] .

c. Op 15 oktober 2014 heeft het hof een emailbericht d.d. 25 februari 2014 van de Peruviaanse autoriteiten ontvangen (vertaald vanuit het Spaans), inhoudend het bericht dat het mogelijk is [medeverdachte 5] via een videoverbinding in de Peruviaanse gevangenis te horen. d. Bij fax van donderdag 16 oktober 2014 heeft de raadsman van [medeverdachte 5] de advocaat-generaal en het hof onder meer bericht dat zijn cliënt bereid is om als getuige een verklaring af te leggen middels videoverbinding. Op maandag 20 oktober 2014 heeft de raadsman van de verdachte [medeverdachte 1] , mr. Taekema, verzocht [medeverdachte 5] als getuige te doen horen. Alle raadslieden hebben zich aangesloten bij dit verzoek. Op 21 oktober 2014 heeft het hof geoordeeld dat in redelijkheid niet te verwachten is dat [medeverdachte 5] binnen aanvaardbare termijn als getuige ter terechtzitting dan wel anderszins kan worden gehoord. e. In aanwezigheid van diverse raadslieden heeft op 18 november 2013 een verhoor van de getuige [betrokkene 2] plaatsgevonden vanuit de videoconferentieruimte in de rechtbank Rotterdam.Uit de interne administratie van het kabinet raadsheer-commissaris blijkt dat eerder tevergeefs gepoogd is deze getuige te horen op 13 september 2013 en 24 oktober 2013. Op beide data is de getuige wel verschenen, maar kon het verhoor geen doorgang vinden wegens technische problemen aan Nederlandse zijde. Tijdens genoemd verhoor, dat dus uiteindelijk met succes heeft plaatsgevonden op 18 november 2013, viel een aantal malen beeld en/of geluid weg. Uit deze omstandigheid leidt het hof af dat alle raadslieden ervan op de hoogte waren dat het horen van een persoon als getuige in Peru via videoverbinding bewerkelijk is en dat het de nodige voorbereidingshandelingen - en daarmee tijd - vergt om een en ander plaats te doen vinden. f. In deze zaak is geen sprake van een uitstaand rechtshulpverzoek van de Nederlandse autoriteiten aan Peru op basis waarvan [medeverdachte 5] als getuige gehoord kan worden. De eerdere verzoeken van Nederland aan Peru zien niet op het horen van [medeverdachte 5] als getuige, aangezien het aanvankelijk de bedoeling was hem als getuige ter terechtzitting te doen horen en daaraan op dat moment niets in de weg stond. g. [medeverdachte 5] is als getuige gehoord door de rechter-commissaris op 11 juli 2006 in aanwezigheid van de raadslieden. Uit het voorgaande leidt het hof af dat het voor alle procesdeelnemers in dit stadium van het geding duidelijk is dat het horen van [medeverdachte 5] als getuige zou leiden tot heropening van het onderzoek en aanhouding van de behandeling van de zaak gedurende tenminste een maand of zes. Ook wanneer enige bepaling in het Verdrag van de Verenigde Naties tegen sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen gekozen wordt als grondslag voor een verzoek tot het horen van [medeverdachte 5] als getuige door middel van een video-conferentie zal eerst een daartoe strekkend verzoek moeten worden gedaan door de Nederlandse autoriteiten aan de Peruviaanse autoriteiten. Gelet op het voorafgaande en alle belangen afwegend, blijft het hof bij zijn oordeel dat thans in redelijkheid niet te verwachten is dat [medeverdachte 5] binnen aanvaardbare termijn als getuige ter terechtzitting dan wel anderszins kan worden gehoord. Het verzoek wordt daarom afgewezen.”

7. Deze motivering geeft al met al geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting, hoewel de steller van het middel hier wel een punt heeft. Tot cassatie hoeft dat echter niet te leiden. Het oordeel van het hof dat in redelijkheid niet te verwachten is dat [medeverdachte 5] binnen een aanvaardbare termijn als getuige ter terechtzitting dan wel anderszins kan worden gehoord, laat zich mijns inziens materieel begrijpen als 'onaannemelijk', zulks gelet op de door het hof genoemde omstandigheden die toen aan de orde waren. Aldus verstaan heeft het hof de juiste, in art. 288, eerste lid aanhef en onder a, Sv voorziene maatstaf toegepast en is het oordeel van het hof toereikend gemotiveerd. Daarbij heb ik mede in aanmerking genomen dat, naar het hof heeft vastgesteld, er geen rechtshulpverzoek naar Peru uitstond en dat het horen door middel van een videoverbinding met Peru bewerkelijk en tijdrovend was.1 Verder wijs ik erop dat het hof in zijn inleiding (onder 5.1, p. 5-6) in algemene zin heeft overwogen dat (i) het bij de beoordeling van de getuigenverzoeken gaat om de vraag of het verzochte noodzakelijk is voor enige te nemen beslissing, dan wel of overigens de noodzaak van het verzochte is gebleken, (ii) in deze samenhangende zaken al sprake is van een groot tijdsverloop, (iii) onder meer als gevolg van voor het hof onverwachte ontwikkelingen, te weten de aanhouding op 23 november 2013 in Peru van de medeverdachte en getuige [medeverdachte 5] (die dus in de onderhavige strafzaak al eens eerder in aanwezigheid van de raadslieden als getuige was gehoord), de inhoudelijke behandeling van alle zaken, die gepland was in de periode van 25 november 2013 tot en met 6 december 2013, geen doorgang heeft kunnen vinden, en (iv) gelet op het tijdsverloop de belangen van een doeltreffende en spoedige berechting, afgezet tegen alle andere belangen die een rol spelen in het kader van de voorliggende beslispunten, op dat moment verhoudingsgewijs zwaarder is gaan wegen dan aan het begin van de behandeling in hoger beroep.2

8. Het eerste middel faalt.

9. Het tweede middel klaagt dat het hof ten onrechte de verzoeken van de verdediging tot het horen van de getuigen aangeduid met de nummers 4 t/m 6, 10 t/m 16, 20 en 21 heeft afgewezen, althans dat de motivering van de afwijzingen van deze verzoeken niet zonder meer begrijpelijk is.

10. De motivering waarop wordt gedoeld, luidt als volgt:

“In algemene zin wijst het hof op het volgende.

Bij de beoordeling van de getuigenverzoeken gaat het om de vraag of het verzochte noodzakelijk is voor enige te nemen beslissing, dan wel of overigens de noodzaak van het verzochte aan het hof is gebleken.

In deze zaken is sprake van een zeer groot tijdsverloop. In november 2005 is een groot aantal verdachten aangehouden. De vonnissen van de rechtbank in alle zaken dateren van maart 2008. Na een regiezitting in hoger beroep in 2008 is de zaak verwezen naar de rechter-commissaris bij de rechtbank. Gedurende ongeveer drie jaar zijn slechts beperkt onderzoeksresultaten geboekt.

Na een nieuwe regiezitting op 3 oktober 2011 hebben vervolgens zittingen plaatsgevonden op 16 april 2012 en 3 mei 2012, 20 september 2012, 6 en 20 juni 2013, 25 november en 6 december 2013. Onder meer als gevolg van voor het hof onverwachte ontwikkelingen (te weten de aanhouding van (mede-)verdachte en getuige [medeverdachte 5] in Peru op 23 november 2013) heeft de inhoudelijke behandeling, die gepland was in de periode van 25 november 2013 tot en met 6 december 2013 geen doorgang gevonden. Medio maart 2014 is in overleg getreden met de raadslieden van de verdachten over de data waarop de voortzetting van de inhoudelijke behandeling zou kunnen plaatsvinden. Blijkens de interne administratie van het hof zijn de voorgenomen zittingsdata vanaf 20 oktober 2014 voor de voortgezette inhoudelijke behandeling op 18 maart 2014 bericht aan alle raadslieden. Vanaf 20 oktober 2014 heeft de inhoudelijke behandeling ter zitting plaatsgevonden. Arrest is bepaald op 21 november 2014. Gelet op dit tijdsverloop zijn de belangen van een doeltreffende en spoedige berechting, afgezet tegen alle andere belangen die een rol spelen in het kader van de voorliggende beslispunten, thans verhoudingsgewijs zwaarder gaan wegen dan aan het begin van de behandeling in hoger beroep.

(…)

4. Het horen als getuige van [betrokkene 29] , officier van justitie, ter toetsing van de startinformatie in Jasmijn.

Het heeft er volgens de verdediging alle schijn van dat de belangrijkste informatie afkomstig was van de Britse autoriteiten, maar met tussenkomst van de Spaanse aan de Nederlandse autoriteiten werd verstrekt. Het gaat de verdediging om de vraag wat de Nederlandse autoriteiten wisten, en of in deze strafzaak welbewust werd samengewerkt met een (aanvankelijk) van vervolging vrijgestelde co-conspirator/betrokkene/niet verdachte, aldus de verdediging.

Het hof overweegt als volgt. Naar de kern genomen brengt de stelling van de verdediging mee dat wordt onderzocht of sprake is van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Naar het oordeel van het hof voldoet hetgeen door de verdediging is aangevoerd niet aan hetgeen de Hoge Raad in rechtsoverweging 2.7 van het arrest van 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:1496 heeft uiteengezet. Het hof acht het verzoek onvoldoende concreet en onderbouwd. Het verzoek dient reeds op deze grond te worden afgewezen. De teamleiders van het Nederlandse, Spaanse en Britse politieonderzoek zijn door de raadsheer-commissaris in aanwezigheid van de advocaten gehoord. Ook [betrokkene 28] , die bij diverse overleggen aanwezig is geweest, is op deze wijze gehoord. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting verantwoording afgelegd. Gelet hierop en alles afwegend acht het hof het horen van [betrokkene 29] als getuige niet noodzakelijk voor enige te nemen beslissing in deze zaak. Het verzoek wordt derhalve afgewezen.

5. Het horen als getuige van [betrokkene 32] , indertijd unithoofd nationale recherche, over de start van het onderzoek.

Het gaat de verdediging om de vraag welke informatie er precies binnenkwam en wanneer, derhalve dat wordt onderzocht of sprake is van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Naar het oordeel van het hof voldoet hetgeen door de verdediging is aangevoerd niet aan hetgeen de Hoge Raad in rechtsoverweging 2.7 van het arrest van 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:1496 heeft uiteengezet. Het hof stelt vast dat [getuige 6] , projectleider politie, als getuige twee keer is gehoord in eerste aanleg, in november 2013 een aanvullend proces-verbaal heeft opgemaakt, en op 29 januari 2014 is gehoord door de raadsheer-commissaris in aanwezigheid van de verdediging. De getuige [getuige 6] is onder meer bevraagd over de start van het onderzoek in Nederland. De advocaat-generaal heeft verantwoording afgelegd ter terechtzitting.

Het hof acht het verzoek in het licht van deze verhoren onvoldoende concreet en onderbouwd. Reeds op deze grond dient het verzoek te worden afgewezen. Gelet op het voorafgaande en alles afwegend acht het hof het horen van [betrokkene 32] als getuige bovendien niet noodzakelijk voor enige te nemen beslissing in deze zaak.

6. Het horen als getuige van de toenmalige Nederlandse douane liaison officer in Engeland.

De verdediging wil de douane liaison officer rechtstreeks vragen stellen over de internationale informatie-uitwisseling, teneinde te onderzoeken of sprake is van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Naar het oordeel van het hof voldoet hetgeen door de verdediging is aangevoerd niet aan hetgeen de Hoge Raad in rechtsoverweging 2.7 van het arrest van 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:1496 heeft uiteengezet. Reeds op deze grond dient het verzoek als onvoldoende concreet en onderbouwd te worden afgewezen.

Blijkens de verklaring van [betrokkene 33] , afgelegd op 10 oktober 2013 tegenover de raadsheer-commissaris in aanwezigheid van de verdediging, ziet het onderzoek door de Engelse douane op witwassen door [betrokkene 34] in de periode omstreeks februari, maart 2005 in Engeland. De verdachte [medeverdachte 1] wordt - kort gezegd - cocaïne-invoer in Nederland in de periode tussen 1 oktober 2005 en 12 november 2005 verweten. Geen van de aan de verdachte [medeverdachte 1] of zijn medeverdachten verweten gedragingen hebben in het Verenigd Koninkrijk plaatsgevonden. [betrokkene 34] is niet aangehouden in de onderhavige Nederlandse zaak en daarvoor ook niet vervolgd.

Het horen van [betrokkene 30] als getuige is, afgaande op de onderbouwing van het verzoek, niet dienstig ter beantwoording van de vraag wat de Nederlandse autoriteiten wisten, en of in deze Nederlandse strafzaak door hen welbewust werd samengewerkt met een (aanvankelijk) van vervolging vrijgestelde co- conspirator/betrokkene/niet verdachte.

Geen van de verdachten heeft gesteld te zijn uitgelokt door [betrokkene 30] tot handelingen waarop zijn opzet niet was gericht. Beoordeling aan de hand van het Tallon-criterium van de aan de verdachten verweten gedragingen is derhalve niet aan de orde.

Het hof stelt vast dat [getuige 6] , projectleider politie, als getuige twee keer is gehoord in eerste aanleg, in november 2013 een aanvullend proces-verbaal heeft opgemaakt, en op 29 januari 2014 is gehoord door de raadsheer-commissaris in aanwezigheid van de raadsman en andere advocaten. De getuige [getuige 6] is onder meer bevraagd over de start van het onderzoek in Nederland. De advocaat-generaal heeft verantwoording afgelegd ter terechtzitting.

Gelet op het voorafgaande en alles afwegend acht het hof het horen van de toenmalige Nederlandse douane liaison officer in Engeland als getuige evenmin noodzakelijk voor enige te nemen beslissing in deze zaak.

(…)

10. Het horen als getuige van [betrokkene 30] , alias [betrokkene 30] .

Naar het hof begrijpt gaat het de verdediging erom vast te stellen of deze persoon een (aanvankelijk) van vervolging vrijgestelde co-conspirator/betrokkene/niet verdachte is, alsmede of sprake is van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Naar het oordeel van het hof voldoet hetgeen door de verdediging is aangevoerd niet aan hetgeen de Hoge Raad in rechtsoverweging 2.7 van het arrest van 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:1496 heeft uiteengezet. Naar het oordeel van het hof is het verzoek onvoldoende onderbouwd. Reeds op deze grond dient het verzoek te worden afgewezen.

Het horen van [betrokkene 30] als getuige is, afgaande op de onderbouwing van het verzoek, niet dienstig ter beantwoording van de vraag wat de Nederlandse autoriteiten wisten, en of in deze strafzaak door hen welbewust werd samengewerkt met een (aanvankelijk) van vervolging vrijgestelde co-conspirator/betrokkene/niet verdachte.

De leiders van het .Nederlandse, Spaanse en Britse politieonderzoek zijn door de raadsheer-commissaris gehoord. De advocaat-generaal heeft verantwoording afgelegd ter zitting.

Geen van de verdachten heeft gesteld te zijn uitgelokt door [betrokkene 30] tot handelingen waarop zijn opzet niet was gericht. Beoordeling aan de hand van het Tallon-criterium van de aan de verdachten verweten gedragingen is derhalve niet aan de orde. Deze beide gronden brengen mee dat het horen van deze persoon als getuige niet noodzakelijk is voor enige te nemen beslissing in deze zaak.

Dat het hof in een eerder stadium van de procedure het toenmalige verzoek tot het horen van deze getuige heeft toegewezen, maar deze getuige geen enkele verklaring wenste en wenst af te leggen, doet overigens niet af aan het vorenstaande. Het hof zal geen verklaringen van [betrokkene 30] gebruiken voor het bewijs.

11. Het horen als getuige van [betrokkene 34] .

De verdediging wenst van deze persoon te vernemen welke contacten hij heeft onderhouden met [betrokkene 30] en waarop deze contacten inhoudelijk betrekking hadden.

Naar het hof begrijpt gaat het de verdediging erom vast te stellen of mogelijk sprake is van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Naar het oordeel van het hof voldoet hetgeen door de verdediging is aangevoerd niet aan hetgeen de Hoge Raad in rechtsoverweging 2.7 van het arrest van 1 juli 2014, ECLI: NL:HR:1496 is uiteengezet. Het verzoek is onvoldoende onderbouwd. Reeds op deze grond dient het verzoek te worden afgewezen.

Het horen van [betrokkene 34] als getuige is, afgaande op de onderbouwing van het verzoek, niet dienstig ter beantwoording van de vraag wat de Nederlandse autoriteiten wisten, en of in deze strafzaak door hen welbewust werd samengewerkt met een (aanvankelijk) van vervolging vrijgestelde co-conspirator/betrokkene/niet verdachte.

Blijkens de verklaring van [betrokkene 33] , afgelegd op 10 oktober 2013 tegenover de raadsheer-commissaris in aanwezigheid van de verdediging, ziet het onderzoek door de Engelse douane op witwassen door [betrokkene 34] in de periode omstreeks februari, maart 2005 in Engeland. De verdachte [medeverdachte 1] wordt - kort gezegd - cocaïne-invoer in Nederland in de periode tussen 1 oktober 2005 en 12 november 2005 verweten. Geen van de aan de verdachte [medeverdachte 1] of zijn medeverdachten verweten gedragingen hebben in het Verenigd Koninkrijk plaatsgevonden. [betrokkene 34] is niet aangehouden in de onderhavige Nederlandse zaak en daarvoor niet vervolgd. Ook de leider van het Nederlandse politieonderzoek is diverse malen gehoord in aanwezigheid van de raadslieden. De advocaat-generaal heeft verantwoording afgelegd ter zitting. Alles afwegend acht het hof het horen van [betrokkene 34] als getuige evenmin noodzakelijk voor enige te nemen beslissing in deze zaak.

12. Het horen als getuige van [betrokkene 40] .

De verdediging wenst van deze persoon te vernemen welke contacten hij heeft onderhouden met [betrokkene 30] en waarop deze contacten inhoudelijk betrekking hadden. Naar het hof begrijpt gaat het de verdediging erom vast te stellen of mogelijk sprake is van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Naar het oordeel van het hof voldoet hetgeen door de verdediging is aangevoerd niet aan hetgeen de Hoge Raad in rechtsoverweging 2.7 van het arrest van 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:1496 heeft uiteengezet. Het verzoek is onvoldoende onderbouwd. Reeds op deze grond dient het verzoek te worden afgewezen. Daarnaast geldt het volgende. Het horen van deze persoon als getuige is, afgaande op de onderbouwing van het verzoek, niet dienstig ter beantwoording van de vraag wat de Nederlandse autoriteiten wisten, en of in deze strafzaak door hen welbewust werd samengewerkt met een (aanvankelijk) van vervolging vrijgestelde co-conspirator/betrokkene/niet verdachte. De leiders van het Nederlandse, Spaanse en Britse politieonderzoek zijn door de raadsheer-commissaris gehoord en de advocaat-generaal heeft verantwoording afgelegd ter zitting.

Alles afwegend acht het hof het horen van deze persoon als getuige evenmin noodzakelijk voor enige te nemen beslissing in deze zaak.

13. Het horen als getuige van [betrokkene 28] , informatierechercheur.

De verdediging wenst [betrokkene 28] nogmaals te horen. Zij wil hem horen over de contacten op de Nederlandse ambassade in Spanje, en hem te vragen of hij over informatie beschikte die aan het Britse onderzoek was ontleend en met wie hij dit heeft gedeeld, alsmede hem te bevragen over zijn rol in Peru. Van belang is of daar op enig moment de rol van [betrokkene 30] is besproken, aldus de verdediging.

Naar het hof begrijpt gaat het de verdediging erom dat wordt onderzocht of sprake is van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Naar het oordeel van het hof voldoet hetgeen door de verdediging is aangevoerd niet aan hetgeen de Hoge Raad in rechtsoverweging 2.7 van het arrest van 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:1496 heeft uiteengezet. Reeds op deze grond dient het verzoek als onvoldoende concreet en onderbouwd te worden afgewezen. Het hof stelt vast dat [betrokkene 28] eerder als getuige is gehoord op 24 december 2012 door de raadsheer-commissaris in aanwezigheid van de verdediging.

Het hof stelt voorts vast dat door [betrokkene 21] , hoofdinspecteur van het nationale politiecorps te Spanje op 9 maart 2013 tegenover de raadsheer-commissaris in aanwezigheid van de verdediging een buitengewoon lucide verklaring is afgelegd over het verloop van het onderzoek in Spanje en de wijze waarop en de omvang waarin de Nederlandse politie geïnformeerd is. Ook de leiders van het Britse en Nederlandse politieonderzoek zijn door de raadsheer-commissaris gehoord. De advocaat-generaal heeft verantwoording afgelegd ter terechtzitting.

Geen van de verdachten heeft gesteld te zijn uitgelokt door [betrokkene 30] tot handelingen waarop zijn opzet niet was gericht. Beoordeling aan de hand van het Tallon-criterium van de aan de verdachten verweten gedragingen is derhalve niet aan de orde. Alles afwegend brengt het voorafgaande mee dat het nogmaals horen van [betrokkene 28] als getuige niet noodzakelijk is voor enige te nemen beslissing in deze zaak.

14. Het horen als getuige van [betrokkene 39] , nationale recherche.

De verdediging wenst deze persoon nogmaals te horen over de contacten van het Nederlandse onderzoeksteam met de Britse autoriteiten.

Naar het hof begrijpt gaat het de verdediging erom dat wordt onderzocht of sprake is van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Naar het oordeel van het hof voldoet hetgeen door de verdediging is aangevoerd niet aan hetgeen de Hoge Raad in rechtsoverweging 2.7 van het arrest van 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:1496 heeft uiteengezet. Reeds op deze grond dient het verzoek als onvoldoende concreet en onderbouwd te worden afgewezen.

Het hof stelt vast dat deze persoon op 1 augustus 2006 in aanwezigheid van de verdediging door de rechter-commissaris is gehoord. Ook de leiders van het Nederlandse, Britse en Spaanse politieonderzoek zijn door de raadsheer-commissaris in aanwezigheid van de advocaten gehoord. De advocaat-generaal heeft verantwoording afgelegd ter zitting. Geen van de verdachten heeft gesteld te zijn uitgelokt door [betrokkene 30] tot handelingen waarop zijn opzet niet was gericht. Beoordeling aan de hand van het Tallon-criterium van de aan de verdachten verweten gedragingen is derhalve niet aan de orde. Gelet op het voorafgaande en alles afwegend acht het hof het nogmaals horen van deze persoon als getuige niet noodzakelijk voor enige te nemen beslissing in deze zaak.

15. Het horen als getuige van [betrokkene 37] , politie Rotterdam.

De verdediging wenst deze persoon aanvullende vragen te stellen over de samenwerking met de Britse autoriteiten. Het gaat de verdediging om de start van het onderzoek en de rechtmatigheid daarvan. Het hof overweegt als volgt. Naar de kern genomen brengt de stelling van de verdediging mee dat wordt onderzocht of sprake is van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Naar het oordeel van het hof voldoet hetgeen door de verdediging is aangevoerd niet aan hetgeen.de Hoge Raad in rechtsoverweging 2.7 van het arrest van 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:1496 heeft uiteengezet. Het hof acht het verzoek onvoldoende concreet en onderbouwd. Het verzoek dient reeds op deze grond te worden afgewezen.

Het hof stelt vast dat deze persoon op 15 december 2006 als getuige is gehoord door de rechter-commissaris in aanwezigheid van de verdediging. Ook de leiders van het Nederlandse, Britse en Spaanse politieonderzoek zijn door de raadsheer-commissaris in aanwezigheid van de advocaten gehoord. De advocaat-generaal heeft verantwoording afgelegd ter zitting.

Gezien de getuigen die reeds gehoord zijn en alles afwegend acht het hof het nogmaals horen van [betrokkene 37] als getuige niet noodzakelijk voor enige te nemen beslissing in deze zaak.

16. Het horen als getuige van [betrokkene 36] , politie Rotterdam.

De verdediging wenst deze persoon aanvullende vragen te stellen over de samenwerking met de Britse autoriteiten. Hij is samen met [betrokkene 37] bij de Merseyside Police in Liverpool geweest. Het gaat de verdediging om de start van het onderzoek en de rechtmatigheid daarvan.

Het verzoek wordt afgewezen op de onder 15 weergegeven gronden.

(…)

20. Het horen als getuige van [betrokkene 35] - vermoedelijk gedetineerd- in het Verenigd Koninkrijk.

De verdediging wenst deze persoon vragen te stellen over zijn contacten met [betrokkene 30] .

Naar het hof begrijpt gaat het de verdediging erom vast te stellen of [betrokkene 30] een (aanvankelijk) van vervolging vrijgestelde co-conspirator/betrokkene/niet verdachte is, alsmede of sprake is van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Naar het oordeel van het hof voldoet hetgeen door de verdediging is aangevoerd niet aan hetgeen de Hoge Raad in rechtsoverweging 2.7 van het arrest van 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:1496 heeft uiteengezet. Naar het oordeel van het hof is het verzoek onvoldoende onderbouwd. Reeds op deze grond dient het verzoek te worden afgewezen.

Het horen van [betrokkene 35] als getuige over zijn contacten met en wetenschap over [betrokkene 30] is, afgaande op de onderbouwing van het verzoek, niet dienstig, ter beantwoording van de vraag wat de Nederlandse autoriteiten wisten, en of in deze strafzaak door hen welbewust werd samengewerkt met een (aanvankelijk) van vervolging vrijgestelde co- conspirator/betrokkene/niet verdachte. Gesteld noch anderszins gebleken is dat [betrokkene 35] enige wetenschap of ondervinding terzake heeft.

Voorts: geen van de verdachten heeft gesteld te zijn uitgelokt door [betrokkene 30] tot handelingen waarop zijn opzet niet was gericht. Beoordeling aan de hand van het Tallon-criterium van de aan de verdachten verweten gedragingen is derhalve niet aan de orde.

De leiders van het Nederlandse, Spaanse en Britse politieonderzoek zijn door de raadsheer-commissaris gehoord en de advocaat-generaal heeft verantwoording afgelegd ter zitting.

Gelet hierop en alles afwegend acht het hof het horen, van deze persoon als getuige evenmin noodzakelijk voor enige te nemen beslissing in deze zaak.

21. Het horen als getuige van [betrokkene 38] , waarschijnlijk nog gedetineerd in het Verenigd Koninkrijk.

De verdediging wenst deze persoon vragen te stellen over zijn contacten met [betrokkene 30] . Dit verzoek wordt afgewezen op de onder 20 weergegeven gronden.

De slotsom van het voorafgaande is dat alle verzoeken als geformuleerd in de zaak [medeverdachte 1] (mr. Taekema) tot het doen horen van getuigen worden afgewezen.”

11. De afwijzing van de verzoeken om de voormelde personen als getuigen te (doen) horen, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, nu het hof de juiste maatstaf heeft gehanteerd. Voorts acht ik de afwijzingen, ook in het licht van het arrest van de Hoge Raad van 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:1496, NJ 2014/441 m.nt. Borgers, telkens voldoende begrijpelijk gemotiveerd.

12. Het tweede middel faalt eveneens.

13. Het derde middel klaagt dat het hof aan de in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende termen "binnen het grondgebied van Nederland brengen" en/of "tezamen en in vereniging met" een onjuiste en met de wet strijdige betekenis heeft toegekend en het ten gevolge daarvan niet heeft beraadslaagd en beslist op de grondslag van de tenlastelegging, althans dat het bewezenverklaarde, in het bijzonder het tezamen en in vereniging met anderen binnen het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 1650 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, niet zonder meer uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, zodat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.

14. Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezenverklaard dat:

“hij, in de periode van 1 oktober 2005 tot en met 12 november 2005, te Rotterdam en/of Amsterdam en of Zwanenburg (gemeente Haarlemmermeer) althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 1650 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende Lijst I.”

15. De bewezenverklaring steunt ten aanzien van verzoeker in het bijzonder op de volgende bewijsvoering3:

6.4 Opzet

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte opzet heeft gehad op de (verlengde) invoer van cocaïne.

Bij de beoordeling van dit verweer gaat het hof uit van de volgende uit het dossier blijkende feiten en omstandigheden.

In juni 2005 zijn de verdachte [medeverdachte 1] en de verdachte [medeverdachte 2] in Peru geweest.

In oktober 2005 hebben de verdachten [medeverdachte 5] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] elkaar op de Anugabeurs in Keulen ontmoet. Volgens [betrokkene 7] hebben [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] elkaar eerder al ontmoet; ze hebben elkaar leren kennen in Amsterdam.

Op 7 november 2005 is waargenomen door de Spaanse politie, dat [betrokkene 30] (hof: [betrokkene 30] ) samen met [betrokkene 31] (hof: [betrokkene 31] ) at in een Argentijns restaurant in de stad Majadahonda, vlak bij Madrid. Een uit Liverpool afkomstige Brit, die later [betrokkene 8] bleek te heten en de zoon is van [betrokkene 9] , at daar ook.

[medeverdachte 1] heeft [betrokkene 10] in het vooruitzicht gesteld dat zij diverse handelsartikelen in commissie zouden kunnen ontvangen van bevriende handelspartners.

[medeverdachte 1] heeft aan [betrokkene 10] meegedeeld dat er tien containers naar [betrokkene 10] onderweg waren. [betrokkene 10] wilde met slechts drie containers beginnen. Begin/midden oktober 2005 deelde [medeverdachte 1] [betrokkene 10] mee dat er drie containers waren aangekondigd. [betrokkene 10] meent dat het zou gaan om conserven met voedingsmiddelen. [betrokkene 10] heeft afschriften van de bescheiden inzake deze drie containers aan onder meer [medeverdachte 1] gestuurd. Volgens [betrokkene 10] zouden de containers niet lang in de haven blijven maar, om de kosten te beperken, naar een opslagloods worden gebracht. De kosten voor de opslagloods waren niet voor rekening van de ontvanger, [betrokkene 10] , maar voor de leveranciers uit Zuid-Amerika. [betrokkene 10] heeft nooit het origineel van de Bill of Lading gehad.

Op 7 november 2005 is [medeverdachte 1] naar Nederland gekomen.

Voor, althans omstreeks 11 november 2005 is de verdachte [verdachte] (hierna: [verdachte] ) vanuit Spanje naar Nederland gekomen. Tussen 20 en 22 oktober 2005 heeft hij eveneens in Nederland verbleven. In de ochtend van 8 november 2005 heeft [verdachte] telefonisch contact gehad met [medeverdachte 1] . In november 2005 verbleef [verdachte] in een woning van een kennis van [medeverdachte 2] . [medeverdachte 1] had [medeverdachte 2] een paar maanden voor november 2005 gevraagd of hij iemand kende die huizen verhuurde. [medeverdachte 2] heeft toen contact opgenomen met een kennis. Toen bleek dat die kennis nog een woning te huur had, heeft [medeverdachte 2] het telefoonnummer van die kennis aan [medeverdachte 1] gegeven.

Op 8 en 9 november 2005 zijn in Rotterdam de zeecontainers MLCU en de CAXU aangetroffen. De containers waren verzonden door het bedrijf [C] S.A.C. te Peru. De geadresseerde van de containers was de firma [betrokkene 10] in Duitsland. [betrokkene 10] heeft in het kader van de transporten van deze containers samengewerkt met [medeverdachte 1] . [medeverdachte 5] had zowel vriendschappelijk als zakelijk contact met [medeverdachte 1] . In de woning van [medeverdachte 5] in [plaats] (Frankrijk) is op 13 december 2005 een dossiermap genaamd 'Clientes [betrokkene 10] ' aangetroffen, met daarin een originele handgeschreven lijst (lijst 1) die qua inhoud (nagenoeg) overeenkomt met de inhoud van de packing list van [C] S.A.C. behorende bij de CAXU-container.

De containers moesten worden afgeleverd bij de loods aan de [a-straat 1] te Zwanenburg. Die loods was vanaf augustus 2005 gehuurd op naam van [betrokkene 11] via [D] Makelaars. Het faxnummer van [D] Makelaars is aangetroffen in Berlijn (Duitsland) op de werkplek van [medeverdachte 1] . Het huren van de loods is geschied via bemiddeling van [betrokkene 12] . [betrokkene 12] is een vriend van [medeverdachte 2] . Zij zijn samen een aantal keer in de door [betrokkene 11] gehuurde loods geweest. Op 25 augustus 2005 heeft [medeverdachte 2] het bedrijf [E] B.V. bezocht. Hij zocht een vorkheftruck voor de firma [betrokkene 11] . Op 29 augustus 2005 heeft [betrokkene 11] een offerte aangevraagd bij genoemd bedrijf. [medeverdachte 2] staat op de offerte vermeld als contactpersoon. Uiteindelijk is een huurovereenkomst afgesloten. Kort na het contact tussen het bedrijf en [betrokkene 11] heeft [medeverdachte 2] weer naar het bedrijf gebeld met de vraag of een en ander met betrekking tot het contract met [betrokkene 11] gelukt was. De vorkheftruck is op 21 oktober 2005 afgeleverd bij het adres [a-straat 1] te Zwanenburg.

Op 11 november 2005 is [medeverdachte 5] naar Nederland gekomen. [medeverdachte 5] heeft ter zake van het transport van de drie containers tevoren, vanuit Frankrijk, al op donderdagmiddag 10 november 2005 telefonisch contact gehad met [betrokkene 13] . Hij informeerde bij [betrokkene 13] of die iemand wist die deze containers van Rotterdam naar Zwanenburg kon brengen. De partij was volgens [medeverdachte 5] bestemd voor [betrokkene 11] en hij heeft diens telefoonnummer aan [betrokkene 13] gegeven.

In de middag van 11 november 2005 zijn de containers aangekomen bij de loods in Zwanenburg. Bij het uitladen van de containers waren [betrokkene 11] en [betrokkene 14] aanwezig. [medeverdachte 2] heeft op 11 november 2005 meerdere malen telefonisch contact gehad met [betrokkene 14] . [medeverdachte 1] heeft op 11 november 2005 meerdere malen telefonisch contact gehad met [betrokkene 11] . De vrachtbrief behorende bij de containers had [betrokkene 11] van [medeverdachte 1] gekregen. Na het lossen van de pallets is [betrokkene 11] opgehaald door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , in de door [medeverdachte 2] op 7 november 2005 gehuurde auto.

Op 11 november 2005, omstreeks 17.00 uur, werd de verdachte [betrokkene 3] gebeld door ene [betrokkene 15] . [betrokkene 15] vroeg [betrokkene 3] of hij een busje wilde huren om een vriend van hem te helpen en zei tegen [betrokkene 3] dat [betrokkene 3] nog zou worden gebeld door iemand. Die avond werd [betrokkene 3] gebeld door een man. Deze vroeg [betrokkene 3] of hij hem kon helpen de volgende dag. Er moesten groenten in blik worden gesorteerd in een loods. [betrokkene 3] moest de volgende dag om 10.00 uur bij het Intell Hotel in Amsterdam zijn.

Op verzoek van [betrokkene 3] heeft de verdachte [medeverdachte 4] een bus gehuurd, waarmee zij in de ochtend van 12 november 2005 samen naar het Intell Hotel zijn gereden. Vóór aankomst bij het hotel heeft [betrokkene 3] die ochtend meerdere keren met [medeverdachte 5] gebeld. [medeverdachte 4] is in de auto gebleven. Hij heeft gewacht bij een parkeergarage. [betrokkene 3] is uitgestapt. Bij het hotel stond een grote groep mensen. Twee Spaans sprekende personen, [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2] ), zijn bij [betrokkene 3] en [medeverdachte 4] in de bus gestapt. Zij zijn vervolgens achter [medeverdachte 2] aangereden, naar de loods in Zwanenburg. [medeverdachte 2] vertoonde heel raar rijgedrag. Hij gaf bijvoorbeeld richting aan naar links en reed dan plotseling rechtdoor. Dan reed hij weer hard en dan weer zacht. Hij reed als een dwaas. [medeverdachte 4] had het idee dat [medeverdachte 2] mogelijk dacht dat hij werd gevolgd.

[betrokkene 1] moest van [verdachte] naar Nederland komen om te komen helpen met het in- of uitpakken van blikken die in dozen gedaan moesten worden. [verdachte] heeft zijn ticket betaald. Op 10 november 2005 is [betrokkene 1] samen met [betrokkene 2] naar Nederland gevlogen. In Nederland heeft [verdachte] kleding en een telefoon voor [betrokkene 1] gekocht. [betrokkene 2] is ook op verzoek van [verdachte] naar Nederland gekomen en hij is, eveneens op verzoek van [verdachte] , naar de loods gegaan.

Op 12 november 2005 zijn [betrokkene 16] en [betrokkene 31] (hof: [betrokkene 31] ) naar Amsterdam gereisd.

In de ochtend van 12 november 2005 waren in de loods aanwezig onder andere [betrokkene 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] , [betrokkene 2] en [betrokkene 1] . De auto's werden naar binnen gereden. [medeverdachte 2] keerde direct zijn auto, zodat hij eventueel gelijk kon wegrijden. Binnen in de loods stonden heel veel pallets met blikken. [betrokkene 3] en [medeverdachte 2] bespraken iets met elkaar. [medeverdachte 2] was aan het bellen en sprak in gebroken Engels. Tegelijkertijd schreef hij iets op. Nadat hij het telefoongesprek beëindigde, zei hij dat er niet meer mocht worden gebeld. Hij wees toen pallets aan die opengemaakt moesten worden. Dit deed hij naar aanleiding van wat hij had opgeschreven. Duidelijk was dat werd gezocht naar bepaalde blikken. Er werd aan blikken geschud. [betrokkene 3] had een klein briefje met daarop kruisjes in zijn handen. Aan de hand van dat briefje hebben [medeverdachte 2] en [betrokkene 3] blikken geselecteerd en gescheiden van de andere blikken. [medeverdachte 2] en [betrokkene 3] gaven aan welke blikken moesten worden gepakt. Zij zetten de blikken apart en zeiden welke in dozen moesten worden gedaan en welke op een nieuwe pallet moesten worden gestapeld. Ondertussen zei [medeverdachte 2] dat er lege dozen moesten worden gevouwen. Deze dozen zijn door één van de anderen voor een raam in de loods gezet. Toen [medeverdachte 4] vroeg waarom de dozen voor het raam werden gezet, zei [medeverdachte 2] dat dat voor pottenkijkers was. [betrokkene 3] zei op een gegeven moment dat het niet klopte. Het was duidelijk dat ze iets niet konden vinden. [betrokkene 3] bekeek de pallets goed. Hij had een klein papiertje bij zich met daarop lijntjes en vakjes. Het was ruitjespapier en daarop waren met balpen met horizontale en verticale lijnen vakjes getekend. In deze vakjes stonden cijfers geschreven. [betrokkene 3] stond met dit papiertje bij de pallets met de blikken. Er moesten één of twee lagen van een pallet worden weggehaald. Toen bleek dat er blikken ontbraken zei [betrokkene 2] dat ze bestolen waren en dat het ongelofelijk was. [betrokkene 3] was veel aan het bellen. Uit onderzoek blijkt dat hij vanuit de loods drie keer naar [medeverdachte 5] heeft gebeld. Op een gegeven moment gaf [medeverdachte 2] het sein dat er gestopt ging worden. [betrokkene 2] en [betrokkene 3] zeiden dat ze weg gingen. Iedereen heeft de loods toen verlaten.

[betrokkene 3] en [medeverdachte 4] hebben in de auto, nadat zij [betrokkene 1] en [betrokkene 2] hadden afgezet, nog samen gepraat. Volgens [medeverdachte 4] was [betrokkene 3] hevig teleurgesteld. Toen is ook ter sprake gekomen dat het over cocaïne ging. [medeverdachte 4] was nieuwsgierig en vroeg naar de lege gaten in de pallets. [betrokkene 3] bevestigde toen dat het ging om een lading cocaïne, die waarschijnlijk was gestolen. [medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij wel wist dat er iets niet goed was met de blikken.

[medeverdachte 5] , [medeverdachte 1] en [verdachte] waren ook aanwezig bij het Intell Hotel, maar die zijn die ochtend niet meegegaan naar de loods. In het begin van de middag had [medeverdachte 5] een bespreking met [betrokkene 17] en [betrokkene 18] in een hotel in Nuland, bij Den Bosch. [medeverdachte 1] , [verdachte] , [betrokkene 5] en [betrokkene 6] (hierna: [betrokkene 6] ) zijn met [medeverdachte 5] meegegaan naar Nuland. Tijdens de bespreking was [medeverdachte 5] nerveus, schichtig, opgejaagd en onrustig. Hij was de hele tijd aan het bellen en op een gegeven moment, na ongeveer een uur, besloot hij om tijdens de bespreking weg te gaan. Hij zei dat hij problemen had en dingen moest regelen. [medeverdachte 5] is vervolgens met [medeverdachte 1] , [verdachte] , [betrokkene 5] en [betrokkene 6] naar de loods in Zwanenburg gereden. Gedurende deze autorit heeft [medeverdachte 1] telefonisch contact gehad met [medeverdachte 2] . [medeverdachte 1] zei tegen [medeverdachte 2] dat hij naar de loods kwam en [medeverdachte 2] moest opnieuw naar de loods komen. Op de achtergrond vroeg iemand die bij [medeverdachte 1] was of [medeverdachte 2] [betrokkene 3] kon bereiken. [medeverdachte 2] heeft [betrokkene 3] toen gebeld en gezegd dat de baas naar de loods zou komen. [medeverdachte 2] heeft [betrokkene 3] vervolgens opgehaald en samen zijn zij weer naar de loods gereden. Op verzoek van [verdachte] zijn ook [betrokkene 1] en [betrokkene 2] 's middags teruggegaan naar de loods.

In de middag van 12 november 2005 waren in de loods in Zwanenburg dus onder meer aanwezig [medeverdachte 5] , [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 2] , [betrokkene 3] , [betrokkene 1] , [betrokkene 6] en [betrokkene 2] . [medeverdachte 2] beschikte over de sleutel van de loods en heeft de loods geopend. Met name [medeverdachte 5] en [verdachte] voerden in de loods een discussie. Ze vroegen steeds aan elkaar: "Hoe kan dat nou, dit kan niet, etc.". [betrokkene 1] hoort [verdachte] zeggen dat ze bestolen waren. Hierna zei [medeverdachte 5] dat hij rustig moest doen en dat ze goed moesten zoeken. [medeverdachte 1] was steeds met de drie broers en twee neven in discussie. [verdachte] liep rond de pallets en keek ernaar, en zocht bij de blikken. In de loods werd geïrriteerd gesproken en er werd druk getelefoneerd. Er was ruzie alsof er iets niet klopte en men was nerveus. [medeverdachte 5] liep tussen de pallets met blikken. In zijn handen had hij een geel/beige enveloppe van A4-formaat met daarop papieren, die kennelijk betrekking hadden op de problemen. Er ontbraken blikken. Er werd gesproken over codes die niet klopten. [medeverdachte 5] zei dat moest worden geholpen met het zoeken naar een code. De sfeer was gespannen.

Tijdens de op 12 november 2005 in de loods verrichte doorzoeking is de enveloppe, die [medeverdachte 5] 's middags in de loods in zijn handen had gehad, aangetroffen en in beslag genomen. In de enveloppe zaten onder meer (de kopieën van) de packing lists van [C] S.A.C. behorende bij de containers MLCU en CAXU95, een kopie van de handgeschreven lijst 1 die in de woning van [medeverdachte 5] in [plaats] is aangetroffen en een kopie van een handgeschreven lijst (lijst 7) die qua inhoud (nagenoeg) overeenkomt inhoud van de packing list van [C] S.A.C. behorende bij de MLCU-container.

Enkele blikken met asperges afkomstig van de container CAXU 235096-9 toonden het opschrift ' [A] '. [A] is een bedrijf van [medeverdachte 5] .

Op grond van het voorafgaande, bezien in onderling verband en samenhang met de overige bewijsmiddelen, is het hof van oordeel dat [verdachte] zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan de invoer in Nederland van ongeveer 1650 kilogram cocaïne en daarbij een belangrijke rol heeft gespeeld. Voor of omstreeks 11 november 2005 is de verdachte vanuit Spanje naar Nederland gekomen. Tussen 20 en 22 oktober 2005 heeft hij eveneens in Nederland verbleven. In de ochtend van 8 november 2005 heeft [verdachte] telefonisch contact gehad met [medeverdachte 1] . In november 2005 verbleef [verdachte] in een woning van een kennis van [medeverdachte 2] . [betrokkene 1] moest van [verdachte] naar Nederland komen om te komen helpen met het in- of uitpakken van blikken die in dozen gedaan moesten worden. [verdachte] heeft zijn ticket betaald. Op 10 november 2005 is [betrokkene 1] samen met [betrokkene 2] naar Nederland gevlogen. In Nederland heeft [verdachte] kleding en een telefoon voor [betrokkene 1] gekocht. [verdachte] bevindt zich op de ochtend van 12 november 2005 net als de anderen bij het Intell Hotel in Amsterdam. Met [medeverdachte 5] en [betrokkene 5] , [medeverdachte 1] en [betrokkene 6] gaat hij naar hotel Nuland. Vanuit Nuland gaat dit gezelschap naar de loods. De sfeer in de loods was gespannen en geïrriteerd. Met name [medeverdachte 5] en [verdachte] voerden in de loods een discussie. Ze vroegen steeds aan elkaar: "Hoe kan dat nou, dit kan niet, etc.". [betrokkene 1] hoort [verdachte] zeggen dat ze bestolen waren. Hierna zei [medeverdachte 5] dat hij rustig moest doen en dat ze goed moesten zoeken. Er werd gesproken over codes die niet klopten. [medeverdachte 5] zei dat moest worden geholpen met het zoeken naar een code.

Uit deze feiten en omstandigheden, bezien in onderling verband en samenhang, leidt het hof af [verdachte] wetenschap had van de komst van de partij blikken met cocaïne naar de loods in Zwanenburg en dat zijn handelen blijk geeft van een nauwe en bewuste samenwerking met anderen om die cocaïne in Nederland in te voeren. Dat de handelingen van [verdachte] zien op het opzetten van een bedrijf, zoals de raadsvrouw heeft aangevoerd, is niet aannemelijk geworden.”

16. Uit de bewijsvoering van het hof kan naar mijn inzicht - mede gelet op het ruime bereik van het bestanddeel ‘binnen het Nederlands grondgebied brengen’ als bedoeld in art. 2 onder A Opiumwet en het overzichtsarrest over medeplegen van HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 m.nt. Mevis - zonder meer worden afgeleid dat de verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de invoer van de partij cocaïne. Ik hoef hier niet nog eens samen te vatten waaruit de wezenlijke bijdrage van de verdachte met betrekking tot het feitencomplex heeft bestaan. Dat heeft het hof immers al nauwkeurig gedaan aan het slot van de hiervoor aangehaalde bewijsconstructie. Aan die samenvatting voeg ik slechts toe dat ook [betrokkene 2] van de verdachte naar Nederland moest komen en op verzoek van de verdachte naar de loods is gegaan. Zijn bijdrage heeft de verdachte blijkens de bewijsconstructie geleverd in de vorm van gedragingen gedurende een periode rondom het binnenbrengen van de cocaïne, en is van voldoende gewicht om de kwalificatie medeplegen te kunnen rechtvaardigen. Ik teken nog aan dat uit de toelichting op het middel (onder 3.3.) valt op te maken dat in cassatie niet wordt weersproken het oordeel van het hof dat uit de feiten en omstandigheden die voor het bewijs redengevend worden geacht wetenschap bij de verdachte van de komst van blikken met cocaïne kan worden afgeleid. Voor zover in de toelichting op het middel een beroep wordt gedaan op de zogenoemde kokosnoot-rechtspraak van de Hoge Raad4, faalt ook deze klacht omdat een zodanig geval zich hier niet voordoet.

17. Ik meen dat het bestreden oordeel van het hof dat te dezen sprake is van medeplegen van het binnen het Nederlands grondgebied brengen van de bedoelde partij cocaïne niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigt en toereikend is gemotiveerd.

18. Ook het derde middel faalt.

19. Alle middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging.

20. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

21. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 16 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:247.

2 Vgl. HR 15 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN9173, NJ 2011/92 en de daaraan voorafgaande conclusie van mijn ambtgenoot Vegter. Zie voorts G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, Wolters Kluwer: Deventer 2015, bewerkt door M.J. Borgers, p. 680.

3 Ten behoeve van de leesbaarheid laat ik de noten achterwege.

4 HR 15 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1300, NJ 1999/207. Zie voorts HR 17 maart 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0975, NJ 1998/515.