Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:333

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-03-2016
Datum publicatie
10-05-2016
Zaaknummer
15/00045
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:824, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Onderzoek “Jasmijn”. HR: art. 81.1 RO en ambtshalve vermindering van de opgelegde straf i.v.m. overschrijding van de redelijke termijn. Conclusie AG o.m. over de afwijzing van het verzoek om een medeverdachte die gedetineerd is in het buitenland als getuige te (doen) horen. Ondervragingsrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/00045

Zitting: 8 maart 2016

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 21 november 2014 door het gerechtshof Den Haag wegens “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld tot vijf jaren gevangenisstraf.

  2. Er bestaat samenhang tussen de zaken 14/05898, 14/06312, 15/00042, 15/00045 en 15/01530. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.

  3. Namens de verdachte heeft mr. B. Th. Nooitgedagt, advocaat te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.

  4. Inleidend schets ik in het kort de feitelijke gang van zaken zoals door het hof is vastgesteld:

Degenen die in de onderhavige zaak Asperge, die deel uitmaakt van het onderzoek 'Jasmijn', in beeld komen, zijn de hoofdverdachten [medeverdachte 5] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en de verdachte. [medeverdachte 1] is kennelijk bevriend met zowel [medeverdachte 5] als met de verdachte. [medeverdachte 3] is een neef van [medeverdachte 5] . [medeverdachte 5] zou de grote organisator zijn van een transport van ongeveer 1650 kilo cocaïne in ronde blikken paprika en platte blikken asperges, in drie containers verscheept vanuit Peru, waar [medeverdachte 5] zijn bedrijf [A] heeft, naar de Rotterdamse haven.

In juni 2005 gaan [medeverdachte 1] en de verdachte naar Peru, en in oktober 2005 hebben zij een ontmoeting met [medeverdachte 5] in Keulen. De verdachte is betrokken bij de huur van de loods waar later de inval zou plaatsvinden. Op 25 augustus 2005 regelt de verdachte een vorkheftruck, die op 21 oktober bij de loods in Zwanenburg wordt afgeleverd. [medeverdachte 3] verblijft in een woning van een kennis van de verdachte, en [medeverdachte 1] heeft een telefoonnummer van de verdachte gekregen voor een huurwoning van een kennis van de verdachte. In de periode dat de containers aankomen, huurt de verdachte een auto.

Op 1 november 2005 komt het motorschip ' [B] ' de haven van Rotterdam binnen. De douane ontdekt de contrabande op 8 en 9 november. De cocaïne wordt vervolgens in beslag genomen, met uitzondering van een blik met 303 gram cocaïne; dit blik wordt teruggeplaatst en onder controle gehouden. Op 10 november vliegen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] op verzoek van [medeverdachte 3] naar Nederland om te helpen uitpakken. Op 11 november arriveert [medeverdachte 5] in Nederland. Op dezelfde dag worden de containers overgebracht naar een loods in Zwanenburg.

Op 12 november rijdt de verdachte samen met enkele anderen naar die loods om de blikken cocaïne te scheiden van de andere blikken. De verdachte had op de heenweg vreemd rijgedrag vertoond, alsof hij dacht dat hij gevolgd werd; richting aangeven naar links, en dan plotseling hard rechtdoor rijden, en soms hard, dan weer zacht rijden. In de loods keert de verdachte zijn auto direct zodanig dat hij gelijk weer weg kan rijden. De verdachte wijst de pallets aan die opengemaakt moeten worden. De verdachte en een zekere [betrokkene 3] , die een ruitjespapiertje met getekende lijnen en vakjes bij zich heeft, geven aan welke blikken moeten worden gepakt. Op een bepaald moment zegt [betrokkene 3] dat er iets niet klopt. Er wordt gebeld. Even later geeft de verdachte het sein dat er gestopt moet worden. Allen verlaten de loods.

[betrokkene 3] en [medeverdachte 4] zetten [betrokkene 1] en [betrokkene 2] af en praten samen na. Dan komt ter sprake dat het over cocaïne gaat, waarbij [betrokkene 3] zich hevig teleurgesteld toont. Later op de dag begeven [medeverdachte 1] , [medeverdachte 5] , [betrokkene 5] , [medeverdachte 3] en [betrokkene 6] zich naar de loods. De verdachte heeft onderweg telefonisch contact met de verdachte en zegt tegen hem dat hij naar de loods gaat en dat de verdachte opnieuw naar de loods moet komen. De verdachte belt [betrokkene 3] en zegt dat de baas naar de loods komt. De verdachte haalt [betrokkene 3] op en samen rijden ze naar de loods. De verdachte beschikt over de sleutel en maakt de loods open. Vooral [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] voeren in de loods een discussie en vragen aan elkaar: 'Hoe kan dat nou?, dit kan niet'. Men raakt geïrriteerd en er wordt druk getelefoneerd; de sfeer is gespannen. Er wordt gesproken over codes die niet kloppen. Op dat moment vindt een inval plaats en worden de betrokkenen aangehouden.

5. Het eerste middel en het tweede middel keren zich met motiveringsklachten tegen de bewezenverklaring van het opzet bij de verdachte alsook van het medeplegen aangaande het binnen het Nederlands grondgebied brengen van ongeveer 1650 kilogram cocaïne. Geklaagd wordt, mede met een beroep op het zogenoemde kokosnoot-arrest van de Hoge Raad1, dat de bewijsconstructie hier niet (voldoende) redengevend is, ook omdat a. daarin plaatsen in het buitenland worden genoemd die niet in de bewezenverklaring zijn terug te vinden en b. de belastende verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 4] niet bruikbaar zijn, terwijl voorts het hof niet (in voldoende mate) heeft gerespondeerd op de desbetreffende uitdrukkelijk onderbouwde standpunten van de verdediging.

6. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij, in de periode van 1 oktober 2005 tot en met 12 november 2005, te Rotterdam en/of Zwanenburg (gemeente Haarlemmermeer) althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 1650 kilogram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.”

7. Het hof heeft omtrent de rol van de verdachte het volgende overwogen (arrest, p. 38 e.v.)2:

6.3.7 Terugplaatsen van een blikje op een pallet in de MLCU

Het hof verwerpt het verweer dat niet bewezen kan worden dat zich op 12 november 2005 een blikje met cocaïne in de loods in Zwanenburg bevonden heeft. Voor zover door de verdediging daarbij een beroep is gedaan op de zogenoemde 'kokosnootjurisprudentie' (HR 15 december 1998, ECLI: NL:HR:1998 :ZD1300) stuit dat verweer af op feitelijke gronden en wordt het verweer verworpen.

Op grond van de genoemde bewijsmiddelen staat vast dat in opdracht van de officier van justitie 1 rond blik werd teruggeplaatst op de 6e slag van pallet 17 en dat dit blik op 18 november 2005 weer is aangetroffen. Al in het proces-verbaal van 11 november 2005 is melding gemaakt van het plaatsen van het 'betreffende blik. Er zijn geen concrete aanknopingspunten voor de opvatting dat getwijfeld moet worden aan deze bevindingen.

Het argument dat in dat blik mogelijk geen cocaïne heeft gezeten, wordt verworpen, nu uit het proces-verbaal van zowel de douane als verbalisant [verbalisant 2] zoals opgenomen in de bewijsmiddelen, blijkt dat de blikken met cocaïne goed waren te onderscheiden' van de blikken met paprika. In genoemd proces-verbaal van 11 november 2005 staat vermeld: "De in beslag'genomen blikken waren afwijkend van kleur ten opzichte van de overige blikken. Beiden waren aluminiumkleurig echter hebben de in beslag genomen blikken een donkerder kleur". Ook verbalisant [verbalisant 3] heeft gerelateerd dat hij blikken heeft gezien van een andere kleur. Voorts hoorde hij een bonkend geluid toen hij schudde met het blikje waarin cocaïne bleek te zitten. Uit deze omstandigheden leidt het hof af dat ook in het blikje dat is teruggeplaatst op de zesde slag van pallet 17, cocaïne heeft gezeten. De bewijsmiddelen omtrent de andere blikjes van die lading waarin cocaïne is aangetroffen, zijn daartoe mede redengevend.

(…)

Het hof gaat in de paragraaf over het opzet verder in op de zogenoemde ‘kokosnootjurisprudentie.'

6.4 Opzet

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte opzet heeft gehad op de (verlengde) invoer van cocaïne.

Bij de beoordeling van dit verweer gaat het hof uit van de volgende uit het dossier blijkende feiten en omstandigheden.

In juni 2005 zijn de verdachte [medeverdachte 1] en de verdachte [verdachte] in Peru geweest.

In oktober 2005 hebben de verdachten [medeverdachte 5] , [medeverdachte 1] en [verdachte] elkaar op de Anugabeurs in Keulen ontmoet. Volgens [betrokkene 7] hebben [verdachte] en [medeverdachte 5] elkaar eerder al ontmoet; ze hebben elkaar leren kennen in Amsterdam.

Op 7 november 2005 is waargenomen door de Spaanse politie dat [betrokkene 30] (hof: [betrokkene 30] ) samen met [betrokkene 31] (hof: [betrokkene 31] ) at in een Argentijns restaurant in de stad Majadahonda, vlak bij Madrid. Een uit Liverpool afkomstige Brit, die later [betrokkene 8] bleek te heten en de zoon is van [betrokkene 9] , at daar ook.

[medeverdachte 1] heeft [betrokkene 10] in het vooruitzicht gesteld dat zij diverse handelsartikelen in commissie zouden kunnen ontvangen van bevriende handelspartners.

[medeverdachte 1] heeft aan [betrokkene 10] meegedeeld dat er tien containers naar [betrokkene 10] onderweg waren. [betrokkene 10] wilde met slechts drie containers beginnen. Begin/midden oktober 2005 deelde [medeverdachte 1] [betrokkene 10] mee dat er drie containers warén aangekondigd. [betrokkene 10] meent dat het zou gaan om conserven met voedingsmiddelen. [betrokkene 10] heeft afschriften van de bescheiden inzake deze drie containers aan onder meer [medeverdachte 1] gestuurd. Volgens [betrokkene 10] zouden de containers niet lang in de haven blijven maar, om de kosten te beperken, naar een opslagloods worden gebracht. De kosten voor de opslagloods waren niet voor rekening van de ontvanger, [betrokkene 10] , maar voor de leveranciers uit Zuid-Amerika. [betrokkene 10] heeft nooit het origineel van de Bill of Lading gehad. Op 7 november 2005 is [medeverdachte 1] naar Nederland gekomen.

Voor, althans omstreeks 11 november 2005 is de verdachte [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ) vanuit Spanje naar Nederland gekomen. Tussen 20 en 22 oktober 2005 heeft hij eveneens, in Nederland verbleven. In de ochtend van 8 november 2005 heeft [medeverdachte 3] telefonisch contact gehad met [medeverdachte 1] . In november 2005 verbleef [medeverdachte 3] in een woning van een kennis van [verdachte] . [medeverdachte 1] had [verdachte] een paar maanden voor november 2005 gevraagd of hij iemand kende die huizen verhuurde. [verdachte] heeft toen contact opgenomen met een kennis. Toen bleek dat die kennis nog een woning te huur had, heeft [verdachte] het telefoonnummer van die kennis aan [medeverdachte 1] gegeven.

Op 8 en 9 november 2005 zijn in Rotterdam de zeecontainers MLCU en de CAXU aangetroffen. De containers waren verzonden door het bedrijf [C] S.A.C. te Peru. De geadresseerde van de containers was de firma [betrokkene 10] in Duitsland. [betrokkene 10] heeft in het kader van de transporten van deze containers samengewerkt met [medeverdachte 1] . [medeverdachte 5] had zowel vriendschappelijk als zakelijk contact met [medeverdachte 1] . In de woning van [medeverdachte 5] in [plaats] (Frankrijk) is op 13 december 2005 een dossiermap genaamd ‘Clientes [betrokkene 10] ' aangetroffen, met daarin een originele handgeschreven lijst (lijst 1) die qua inhoud (nagenoeg) overeenkomt met de inhoud van de packing list van [C] S.A.C. behorende bij de CAXU-container.

De containers moesten worden afgeleverd bij de loods aan de [a-straat 1] te Zwanenburg. Die loods was vanaf augustus 2005 gehuurd op naam van [betrokkene 11] via [D] Makelaars. Het faxnummer van [D] Makelaars is aangetroffen in Berlijn (Duitsland) op de werkplek van [medeverdachte 1] . Het huren van de loods is geschied via bemiddeling van [betrokkene 12] . [betrokkene 12] is een vriend van [verdachte] . Zij zijn samen een aantal keer in de door [betrokkene 11] gehuurde loods geweest. Op 25 augustus 2005 heeft [verdachte] het bedrijf [E] B.V. bezocht. Hij zocht een vorkheftruck voor de firma [betrokkene 11] . Op 29 augustus 2005 heeft [betrokkene 11] een offerte aangevraagd bij genoemd bedrijf. [verdachte] staat op de offerte vermeld als contactpersoon. Uiteindelijk is een huurovereenkomst afgesloten. Kort na het contact tussen het bedrijf en [betrokkene 11] heeft [verdachte] weer naar het bedrijf gebeld met de vraag of een en ander met betrekking tot het contract met [betrokkene 11] gelukt was. De vorkheftruck is op 21 oktober 2005 afgeleverd bij het adres [a-straat 1] te Zwanenburg.

Op 11 november 2005 is [medeverdachte 5] naar Nederland gekomen. [medeverdachte 5] heeft ter zake van het transport van de drie containers tevoren, vanuit Frankrijk, al op donderdagmiddag 10 november 2005 telefonisch contact gehad met [betrokkene 13] . Hij informeerde bij [betrokkene 13] of die iemand wist die deze containers van Rotterdam naar Zwanenburg kon brengen. De partij was volgens [medeverdachte 5] bestemd voor [betrokkene 11] en hij heeft diens telefoonnummer aan [betrokkene 13] gegeven.

In de middag van 11 november 2005 zijn de containers aangekomen bij de loods in Zwanenburg. Bij het uitladen van de containers waren [betrokkene 11] en [betrokkene 14] aanwezig. [verdachte] heeft op 11 november 2005 meerdere malen telefonisch contact gehad met [betrokkene 14] . [medeverdachte 1] heeft op 11 november 2005 meerdere malen telefonisch contact gehad met [betrokkene 11] . De vrachtbrief behorende bij de containers had [betrokkene 11] van [medeverdachte 1] gekregen. Na het lossen van de pallets is [betrokkene 11] opgehaald door [medeverdachte 1] en [verdachte] , in de door [verdachte] op 7 november 2005 gehuurde auto.

Op 11 november 2005, omstreeks 17.00 uur, werd de verdachte [betrokkene 3] gebeld door ene [betrokkene 15] . [betrokkene 15] vroeg [betrokkene 3] of hij een busje wilde huren om een vriend van hem te helpen en zei tegen [betrokkene 3] dat [betrokkene 3] nog zou worden gebeld door iemand. Die avond werd [betrokkene 3] gebeld door een man. Deze vroeg [betrokkene 3] of hij hem kon helpen de volgende dag. Er moesten groenten in blik worden gesorteerd in een loods. [betrokkene 3] moest de volgende dag om 10.00.uur bij het Intell Hotel in Amsterdam zijn.

Op verzoek van [betrokkene 3] heeft de verdachte [medeverdachte 4] een bus gehuurd, waarmee zij in de ochtend van 12 november 2005 samen naar het Intell Hotel zijn gereden. Vóór aankomst bij het hotel heeft [betrokkene 3] die ochtend meerdere keren met [medeverdachte 5] gebeld. [medeverdachte 4] is in de auto gebleven. Hij heeft gewacht bij een parkeergarage. [betrokkene 3] is uitgestapt. Bij het hotel stond een grote groep mensen. Twee Spaans sprekende personen, [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2] ), zijn bij [betrokkene 3] en [medeverdachte 4] in de bus gestapt. Zij zijn vervolgens achter [verdachte] aangereden, naar de loods in Zwanenburg. [verdachte] vertoonde heel raar rijgedrag. Hij gaf bijvoorbeeld richting aan naar links en reed dan plotseling rechtdoor. Dan reed hij weer hard en dan weer zacht. Hij reed als een dwaas. [medeverdachte 4] had het idee dat [verdachte] mogelijk dacht dat hij werd gevolgd.

[betrokkene 1] moest van [medeverdachte 3] naar Nederland komen om te komen helpen met het in- of uitpakken van blikken die in dozen gedaan moesten worden. [medeverdachte 3] heeft zijn ticket betaald. Op 10 november 2005 is [betrokkene 1] samen met [betrokkene 2] naar Nederland gevlogen. In Nederland heeft [medeverdachte 3] kleding en een telefoon voor [betrokkene 1] gekocht. [betrokkene 2] is ook op verzoek van [medeverdachte 3] naar Nederland gekomen en hij is, eveneens op verzoek van [medeverdachte 3] , naar de loods gegaan.

Op 12 november 2005 zijn [betrokkene 16] en [betrokkene 31] (hof: [betrokkene 31] ) naar Amsterdam gereisd.

In de ochtend van 12 november 2005 waren in de loods aanwezig onder andere [betrokkene 3] , [medeverdachte 4] , [verdachte] , [betrokkene 2] en [betrokkene 1] . De auto's werden naar binnen gereden. [verdachte] keerde direct zijn auto, zodat hij eventueel gelijk kon wegrijden. Binnen in de loods stonden heel veel pallets met blikken. [betrokkene 3] en [verdachte] bespraken iets met elkaar. [verdachte] was aan het bellen en sprak in gebroken Engels.

Tegelijkertijd schreef hij iets op. Nadat hij het telefoongesprek beëindigde, zei hij dat er niet meer mocht worden gebeld. Hij wees toen pallets aan die opengemaakt moesten worden. Dit deed hij naar aanleiding van wat hij had opgeschreven. Duidelijk was dat werd gezocht naar bepaalde blikken. Er werd aan blikken geschud. [betrokkene 3] had een klein briefje met daarop kruisjes in zijn handen. Aan de hand van dat briefje hebben [verdachte] en [betrokkene 3] blikken geselecteerd en gescheiden van de andere blikken. [verdachte] en [betrokkene 3] gaven aan welke blikken moesten worden gepakt. Zij zetten de blikken apart en zeiden welke in dozen moesten worden gedaan en welke op een nieuwe pallet moesten worden gestapeld. Ondertussen zei [verdachte] dat er lege dozen moesten worden gevouwen. Deze dozen zijn door één van de anderen voor een raam in de loods gezet. Toen [medeverdachte 4] vroeg waarom de dozen voor het raam werden gezet, zei [verdachte] dat dat voor pottenkijkers was. [betrokkene 3] zei op een gegeven moment dat het niet klopte. Het was duidelijk dat ze iets niet konden vinden. [betrokkene 3] bekeek de pallets goed. Hij had een klein papiertje bij zich met daarop lijntjes en vakjes. Het was ruitjespapier en daarop waren met balpen met horizontale en verticale lijnen vakjes getekend. In deze vakjes stonden cijfers geschreven. [betrokkene 3] stond met dit papiertje bij de pallets met de blikken. Er moesten één of twee lagen van een pallet worden weggehaald. Toen bleek dat er blikken ontbraken zei [betrokkene 2] dat ze bestolen waren en dat het ongelofelijk was. [betrokkene 3] was veel aan het bellen. Uit onderzoek blijkt dat hij vanuit de loods drie keer naar [medeverdachte 5] heeft gebeld. Op een gegeven moment gaf [verdachte] het sein dat er gestopt ging worden. [betrokkene 2] en [betrokkene 3] zeiden dat ze weg gingen. Iedereen heeft de loods toen verlaten.

[betrokkene 3] en [medeverdachte 4] hebben in de auto, nadat zij [betrokkene 1] en [betrokkene 2] hadden afgezet, nog samen gepraat. Volgens [medeverdachte 4] was [betrokkene 3] hevig teleurgesteld. Toen is ook ter sprake gekomen dat het over cocaïne ging. [medeverdachte 4] was nieuwsgierig en vroeg naar de lege gaten in de pallets. [betrokkene 3] bevestigde toen dat het ging om een lading cocaïne, die waarschijnlijk was gestolen. [medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij wel wist dat er iets niet goed was met de blikken.

[medeverdachte 5] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] waren ook aanwezig bij het Intell Hotel, maar die zijn die ochtend niet meegegaan naar de loods. In het begin van de middag had [medeverdachte 5] een bespreking met [betrokkene 17] en [betrokkene 18] in een hotel in Nuland, bij Den Bosch. [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [betrokkene 5] en [betrokkene 6] (hierna: [betrokkene 6] ) zijn met [medeverdachte 5] meegegaan naar Nuland. Tijdens de bespreking was [medeverdachte 5] nerveus, schichtig, opgejaagd en onrustig. Hij was de hele tijd aan het bellen en op een gegeven moment, na ongeveer een uur, besloot hij om tijdens de bespreking weg te gaan. Hij zei dat hij problemen had en dingen moest regelen. [medeverdachte 5] is vervolgens met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [betrokkene 5] en [betrokkene 6] naar de loods in Zwanenburg gereden. Gedurende deze autorit heeft [medeverdachte 1] telefonisch contact gehad met [verdachte] . [medeverdachte 1] zei tegen [verdachte] dat hij naar de loods kwam en [verdachte] moest opnieuw naar de loods komen. Op de achtergrond vroeg iemand die bij [medeverdachte 1] was of [verdachte] [betrokkene 3] kon bereiken. [verdachte] heeft [betrokkene 3] toen gebeld en gezegd dat de baas naar de loods zou komen. [verdachte] heeft [betrokkene 3] vervolgens opgehaald en samen zijn zij weer naar de loods gereden.

Op verzoek van [medeverdachte 3] zijn ook [betrokkene 1] en [betrokkene 2] 's middags teruggegaan naar de loods.

In de middag van 12 november 2005 waren in de loods in Zwanenburg dus onder meer aanwezig [medeverdachte 5] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [verdachte] , [betrokkene 3] , [betrokkene 1] , [betrokkene 6] en [betrokkene 2] . [verdachte] beschikte over de sleutel van de loods en heeft de loods geopend. Met name [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] voerden in de loods een discussie. Ze vroegen steeds aan elkaar: "Hoe kan dat nou, dit kan niet, etc.". [betrokkene 1] hoort [medeverdachte 3] zeggen dat ze bestolen waren. Hierna zei [medeverdachte 5] dat hij rustig moest doen en dat ze goed moesten zoeken. [medeverdachte 1] was steeds met de drie broers en twee neven in discussie. [medeverdachte 3] liep rond de pallets en keek ernaar, en zocht bij de blikken. In de loods werd geïrriteerd gesproken en er werd druk getelefoneerd. Er was ruzie alsof er iets niet klopte en men was nerveus. [medeverdachte 5] liep tussen de pallets met blikken. In zijn handen had hij een geel/beige enveloppe van A4-formaat met daarop papieren, die kennelijk betrekking hadden op de problemen. Er ontbraken blikken. Er werd gesproken over codes die niet klopten. [medeverdachte 5] zei dat moest worden geholpen met het zoeken naar een code. De sfeer was gespannen.

Tijdens de op 12 november 2005 in de loods verrichte doorzoeking is de enveloppe, die [medeverdachte 5] 's middags in de loods in zijn handen had gehad, aangetroffen en in beslag genomen. In de enveloppe zaten onder meer (de kopieën van) de packing lists van [C] S.A.C. behorende bij de containers MLCU en CAXU95, een kopie van de handgeschreven lijst 1 die in de woning van [medeverdachte 5] in [plaats] is aangetroffen en een kopie van een handgeschreven lijst (lijst 7) die qua inhoud (nagenoeg) overeenkomt inhoud van de packing list van [C] S.A.C. behorende bij de MLCU-container.

Enkele blikken met asperges afkomstig van de container CAXU 235096-9 toonden het opschrift ' [A] '. [A] is een bedrijf van [medeverdachte 5] .

Op grond van het voorafgaande, bezien in onderling verband en samenhang met de overige bewijsmiddelen, is het hof van oordeel dat [verdachte] zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan de invoer in Nederland van ongeveer 1650 kilogram cocaïne en daarbij een belangrijke rol heeft gespeeld. Voorafgaand aan de gebeurtenissen in november 2005 is [verdachte] samen met [medeverdachte 1] in juni 2005 in Peru geweest. In oktober 2005 hebben [medeverdachte 5] , [verdachte] en [medeverdachte 1] elkaar op de Anuga-beurs in Keulen ontmoet. [verdachte] is betrokken bij de huur van de loods in Zwanenburg en de huur van een vorkheftruck ten behoeve van het uitladen van de pallets met blikjes uit de containers. Hij heeft een auto gehuurd in de periode waarin de containers aankomen. Hij bemiddelt bij het verblijf in een huurappartement van diverse mededaders. Wanneer hij in de ochtend van 12 november 2005 [medeverdachte 4] , [betrokkene 3] , [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ophaalt bij het Intell hotel in Amsterdam om hen naar de loods in Zwanenburg te brengen, vertoont hij zeer vreemd rijgedrag. In de loods keerde hij direct, zodat hij meteen kon wegrijden. [verdachte] was aan het bellen en sprak in gebroken Engels. Tegelijkertijd schreef hij iets op. Nadat hij het telefoongesprek beëindigde, zei hij dat er niet meer mocht worden gebeld. Hij wees toen pallets aan die opengemaakt moesten worden. Dit deed hij naar aanleiding van wat hij had opgeschreven. [verdachte] en [betrokkene 3] gaven aan welke blikken moesten worden gepakt. Zij zetten de blikken apart en zeiden welke in dozen moesten worden gedaan en welke op een nieuwe pallet moesten worden gestapeld. [verdachte] zei dat er lege dozen moesten worden gevouwen. Deze dozen zijn door één van de anderen voor een raam in de loods gezet. Toen [medeverdachte 4] vroeg waarom de dozen voor het raam werden gezet, zei [verdachte] dat dat voor pottenkijkers was. Op een gegeven moment gaf [verdachte] het sein dat er gestopt ging worden. In de middag van 12 november 2005 waren in de loods in Zwanenburg onder meer aanwezig [medeverdachte 5] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [verdachte] , [betrokkene 3] , [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . [verdachte] beschikte over de sleutel van de loods en heeft de loods geopend.

Uit deze feiten en omstandigheden, bezien in onderling verband en samenhang, leidt het hof af [verdachte] wetenschap had van de komst van de partij blikken met cocaïne naar de loods in Zwanenburg en dat zijn handelen blijk geeft van een nauwe en bewuste samenwerking met anderen om die cocaïne in Nederland in te voeren.”

8. Vervolgens heeft het hof met betrekking tot de verklaring van [medeverdachte 4] overwogen:

6.5 Verklaring [medeverdachte 4]

De verdediging heeft zich - kort gezegd onder verwijzing naar het Vidgen-arrest van het EHRM - op het standpunt gesteld dat de door de medeverdachte [medeverdachte 4] tegenover de politie afgelegde verklaringen niet voor het bewijs mogen worden gebruikt. Het hof verwerpt dit verweer, nu de verklaringen van [medeverdachte 4] op meerdere punten worden ondersteund door andere bewijsmiddelen. Het hof zal de verklaringen van [medeverdachte 4] daarom gebruiken voor het bewijs.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de medeverdachte [medeverdachte 4] tegenover de politie afgelegde verklaring (het hof begrijpt van 21 maart 2006, blz. 2961 en volgende van het zaaksdossier Asperge) niet voor het bewijs mag worden gebruikt, omdat deze verklaring niet betrouwbaar zou zijn. Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende.

Het feit dat [medeverdachte 4] genoemde verklaring niet heeft ondertekend, doet naar het oordeel van het hof niet af aan de betrouwbaarheid van die verklaring. Uit het proces-verbaal waarin de verklaring is opgenomen blijkt dat [medeverdachte 4] zijn verklaring na afloop van het verhoor niet meer heeft doorgelezen wegens vermoeidheid. De volgende dag heeft hij de verklaring alsnog doorgelezen en verklaard dat daarin geen onwaarheden staan. Bij de rechter-commissaris heeft [medeverdachte 4] , die op dat moment werd bijgestaan door zijn toenmalig raadsman, evenmin aangegeven dat de weergave van zijn op 21 maart 2006 afgelegde verklaring onjuist is. Gelet hierop, alsmede op het feit dat zijn verklaring op meerdere punten worden ondersteund door andere bewijsmiddelen, gaat het hof ervan uit dat [medeverdachte 4] op 21 maart 2006 naar waarheid heeft verklaard. Dat hij nadien op onderdelen anders heeft verklaard doet daaraan naar het oordeel van het hof niet af. Het hof acht de verklaring van [medeverdachte 4] voldoende betrouwbaar om voor het bewijs te gebruiken en zal dat dan ook doen.

Het verweer wordt verworpen.”

9. Bij de beoordeling van de middelen moet worden vooropgesteld dat het is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat hem uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht zonder dat hij van zijn oordeel omtrent de keuze en de betrouwbaarheid van het door hem gekozen bewijsmateriaal in zijn uitspraak rekenschap behoeft af te leggen.3 Voorts moet worden vooropgesteld dat de rechter op grond van het bepaalde in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv op een responsie-plichtig bewijsverweer (een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt) dient te reageren.4

10. Aan de bewijsvoering van het hof kan ik geen van de gestelde motiveringsgebreken ontwaren. Ik meen dat uit de bewijsvoering zowel het opzet van de verdachte op de invoer van de partij cocaïne als het medeplegen kan worden afgeleid. Daarbij heb ik in aanmerking genomen: - het ruime bereik van het bestanddeel ‘binnen het Nederlands grondgebied brengen’ als bedoeld in art. 2 onder A Opiumwet; - de specifieke context waarbinnen het onderhavige feit is begaan, te weten de invoer van in drie containers verscheepte cocaïne in de Rotterdamse haven; - hetgeen het hof met betrekking tot de gebeurtenissen en, in het bijzonder, het geheel van gedragingen van de verdachte (zijn handelwijze, het patroon en zijn rol) heeft vastgesteld en heeft samengevat; - de aard van de gedragingen van de verdachte en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht, die gelet op haar uiterlijke verschijningsvorm duiden op opzet5; - het geval dat centraal stond in het eerder genoemde kokosnootarrest van de Hoge Raad zich hier niet voordoet; - de bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en anderen met betrekking tot het feit; - de wezenlijke bijdrage die de verdachte tezamen met anderen heeft geleverd, in de vorm van een samenstel van gedragingen die zich zowel voor als na de feitelijke invoer laten situeren, en die, mede in het licht van het overzichtsarrest over medeplegen van HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 m.nt. Mevis, van voldoende gewicht zijn om de kwalificatie medeplegen te kunnen rechtvaardigen.

11. De enkele omstandigheid dat het hof met betrekking tot een internationaal cocaïnetransport van deze omvang in de bewijsconstructie ook andere landen en buitenlandse plaatsen noemt, waar kennelijk handelingen ter voorbereiding zijn verricht, maakt het arrest niet innerlijk tegenstrijdig. Het is nu eenmaal inherent aan de handeling van het binnen het Nederlands grondgebied brengen van cocaïne, dat deze verdovende middelen van elders komen. Ook in relatie tot de strafmaatoverweging zie ik geen tegenstrijdigheid. Het strafrechtelijk verwijt dat aan de verdachte wordt gemaakt, is dat hij samen met anderen een partij van ongeveer 1650 kilogram cocaïne via Rotterdam ons land heeft binnengebracht.

12. Op hetgeen door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd, heeft het hof gerespondeerd op de wijze als hierboven is weergegeven. Voor zover de middelen bedoelen te klagen dat het hof zonder redengeving van de bedoelde uitdrukkelijk onderbouwde standpunten is afgeweken, mist het feitelijke grondslag. Voorts meen ik dat de verwerping van die standpunten toereikend is gemotiveerd en dat het hof, mede gezien hetgeen door de verdediging met betrekking tot de bruikbaarheid van de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 4] is aangevoerd, niet tot een nadere motivering gehouden was.6

13. Beide middelen falen.

14. Het derde middel klaagt dat het recht op een eerlijk proces en het ondervragingsrecht als bedoeld in art. 6 EVRM is geschonden doordat het verzoek van de verdediging om medeverdachte [medeverdachte 5] als getuige te (doen) horen ten onrechte is afgewezen, althans dat de afwijzing van dit verzoek op onbegrijpelijke of niet zonder meer begrijpelijke wijze is afgewezen.

15. Alvorens op het middel in te gaan, stel ik voorop dat [medeverdachte 5] , een getuige à decharge, al op 11 juli 2006 door de rechter-commissaris was gehoord in aanwezigheid van de raadslieden. Dat neemt niet weg dat het hof aanvankelijk het verzoek van de verdediging om [medeverdachte 5] als getuige te horen had toegewezen, met de bedoeling dat hij op de terechtzitting van het hof zou worden gehoord. Terwijl [medeverdachte 5] op 23 november 2013 op het punt stond vanuit Peru naar Nederland te vertrekken om de terechtzitting bij te wonen, werd hij in Peru aangehouden. Het hof gaf bij tussenbeslissing van 6 december 2013 een (herhaald) bevel tot oproeping van deze getuige op de terechtzitting in oktober 2014, zij het tevergeefs omdat Peru [medeverdachte 5] niet in vrijheid stelde. Uiteindelijk heeft het hof het genoemde verzoek alsnog afgewezen. De motivering van 's hofs beslissing luidt als volgt:

1. Het horen als getuige van medeverdachte [medeverdachte 5]

Het hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

a. [medeverdachte 5] is op 23 november 2013 aangehouden en hij is sedertdien gedetineerd in Peru.

Ter zitting van 25 november 2013 heeft de raadsman van [medeverdachte 5] verklaard (blz. 16 proces-verbaal): "Mijn cliënt wenst niet verhoord te worden via videoconferentie of middels een rogatoire commissie. ... Mijn cliënt zal geen woord verklaren, zolang hij in Peru is gedetineerd." Het hof heeft deze verklaring opgevat als een ondubbelzinnige weigering om als getuige te verklaren vanuit detentie in Peru.

b. Bij brief van 18 maart 2014 is door het hof aan de raadsman van [medeverdachte 5] onder meer bevestigd dat de inhoudelijke behandeling in oktober 2014 plaats zou vinden. Bij brief van 24 maart 2014 heeft de advocaat-generaal de raadsman van [medeverdachte 5] bericht geen uitleveringsverzoek aan Peru te zullen doen ten behoeve van [medeverdachte 5] .

c. Op 15 oktober 2014 heeft het hof een emailbericht d.d. 25 februari 2014 van de Peruviaanse autoriteiten ontvangen (vertaald vanuit het Spaans), inhoudend het bericht dat het mogelijk is [medeverdachte 5] via een videoverbinding in de Peruviaanse gevangenis te horen.

d. Bij fax van donderdag 16 oktober 2014 heeft de raadsman van [medeverdachte 5] de advocaat-generaal en het hof onder meer bericht dat zijn cliënt bereid is om als getuige een verklaring af te leggen middels videoverbinding. Op maandag 20 oktober 2014 heeft de raadsman van de verdachte [medeverdachte 1] , mr. Taekema, verzocht [medeverdachte 5] als getuige te doen horen. Alle raadslieden hebben zich aangesloten bij dit verzoek. Op 21 oktober 2014 heeft het hof geoordeeld dat in redelijkheid niet te verwachten is dat [medeverdachte 5] binnen aanvaardbare termijn als getuige ter terechtzitting dan wel anderszins kan worden gehoord.

e. In aanwezigheid van diverse raadslieden heeft op 18 november 2013 een verhoor van de getuige [betrokkene 2] plaatsgevonden vanuit de videoconferentieruimte in de rechtbank Rotterdam.

Uit de interne administratie van het kabinet raadsheer-commissaris blijkt dat eerder tevergeefs gepoogd is deze getuige te horen op 13 september 2013 en 24 oktober 2013. Op beide data is de getuige wel verschenen, maar kon het verhoor geen doorgang vinden wegens technische problemen aan Nederlandse zijde. Tijdens genoemd verhoor, dat dus uiteindelijk met succes heeft plaatsgevonden op 18 november 2013, viel een aantal malen beeld en/of geluid weg. Uit deze omstandigheid leidt het hof af dat alle raadslieden ervan op de hoogte waren dat het horen van een persoon als getuige in Peru via videoverbinding bewerkelijk is en dat het de nodige voorbereidingshandelingen - en daarmee tijd - vergt om een en ander plaats te doen vinden.

f. In deze zaak is geen sprake van een uitstaand rechtshulpverzoek van de Nederlandse autoriteiten aan Peru op basis waarvan [medeverdachte 5] als getuige gehoord kan worden. De eerdere verzoeken van Nederland aan Peru zien niet op het horen van [medeverdachte 5] als getuige, aangezien het aanvankelijk de bedoeling was hem als getuige ter terechtzitting te doen horen en daaraan op dat moment niets in de weg stond.

g. [medeverdachte 5] is als getuige gehoord door de rechter-commissaris op 11 juli 2006 in aanwezigheid van de raadslieden.

Uit het voorgaande leidt het hof af dat het voor alle procesdeelnemers in dit stadium van het geding duidelijk is dat het horen van [medeverdachte 5] als getuige zou leiden tot heropening van het onderzoek en aanhouding van de behandeling van de zaak gedurende tenminste een maand of zes.

Ook wanneer enige bepaling in het Verdrag van de Verenigde Naties tegen sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen gekozen wordt als grondslag voor een verzoek tot het horen van [medeverdachte 5] als getuige door middel van een video- conferentie zal eerst een daartoe strekkend verzoek moeten worden gedaan door de Nederlandse autoriteiten aan de Peruviaanse autoriteiten. Gelet op het voorafgaande en alle belangen afwegend, blijft het hof bij zijn oordeel dat thans in redelijkheid niet te verwachten is dat [medeverdachte 5] binnen aanvaardbare termijn als getuige ter terechtzitting dan wel anderszins kan worden gehoord. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

(…)

Het hof wijst af de voormelde (voorwaardelijke) verzoeken tot het horen van [medeverdachte 5] als getuige, op de hiervoor onder 1 weergegeven gronden. In redelijkheid is niet te verwachten dat [medeverdachte 5] binnen een aanvaardbare termijn als getuige ter terechtzitting dan wel anderszins kan worden gehoord.

Hetgeen de raadslieden in de zaken van de medeverdachten hebben aangevoerd inzake het horen van [medeverdachte 5] als getuige leidt het hof niet tot een andere beslissing dan onder 1 weergegeven.”

16. Deze motivering geeft geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting; het hof heeft materieel de juiste, in art. 288, eerste lid aanhef en onder a, Sv voorziene maatstaf toegepast. Ik merk overigens op dat het oordeel van het hof dat op dat moment niet in redelijkheid te verwachten was dat [medeverdachte 5] binnen aanvaardbare termijn als getuige ter terechtzitting dan wel anderszins kon worden gehoord, begrepen kan worden als 'onaannemelijk' (waarvan de wettekst rept) gelet op alle door het hof genoemde omstandigheden. Aldus verstaan is het oordeel van het hof tevens toereikend gemotiveerd. Daarbij heb ik in aanmerking genomen dat, naar het hof heeft vastgesteld, er geen rechtshulpverzoek naar Peru uitstond en dat het horen door middel van een videoverbinding met Peru bewerkelijk en tijdrovend was.7 Verder wijs ik erop dat het hof in zijn inleiding (onder 5.1, p. 4-5) in algemene zin heeft overwogen dat (i) het bij de beoordeling van de getuigenverzoeken gaat om de vraag of het verzochte noodzakelijk is voor enige te nemen beslissing, dan wel of overigens de noodzaak van het verzochte is gebleken, (ii) in deze samenhangende zaken al sprake was van een groot tijdsverloop, (iii) onder meer als gevolg van voor het hof onverwachte ontwikkelingen, te weten de aanhouding op 23 november 2013 in Peru van de medeverdachte en getuige [medeverdachte 5] (die dus in de onderhavige strafzaak al eens eerder in aanwezigheid van de raadslieden als getuige was gehoord), de inhoudelijke behandeling van alle zaken, die gepland was in de periode van 25 november 2013 tot en met 6 december 2013, geen doorgang heeft kunnen vinden, en (iv) gelet op het tijdsverloop de belangen van een doeltreffende en spoedige berechting, afgezet tegen alle andere belangen die een rol speelden in het kader van de voorliggende beslispunten, op dat moment verhoudingsgewijs zwaarder is gaan wegen dan aan het begin van de behandeling in hoger beroep.8

17. Ook het derde middel faalt.

18. Alle middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

19. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

20. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 15 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1300, NJ 1999/207. Zie voorts HR 17 maart 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0975, NJ 1998/515 m.nt. De Hullu..

2 Ten behoeve van de leesbaarheid laat ik de noten achterwege.

3 Zie HR 14 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AJ1420, NJ 2005/182 m.nt. Knigge en A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Wolters Kluwer: Deventer, 2015, p. 278.

4 HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma.

5 Vgl. HR 5 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ1668, NJ 2006/663 en HR 19 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ1658.

6 Vgl. HR 14 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AJ1420, NJ 2005/182 m.nt. Knigge en HR 19 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4477.

7 Vgl. HR 16 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:247.

8 Vgl. HR 15 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN9173, NJ 2011/92 en de daaraan voorafgaande conclusie van mijn ambtgenoot Vegter. Zie voorts G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, Wolters Kluwer: Deventer 2015, bewerkt door M.J. Borgers, p. 680.