Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:316

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-03-2016
Datum publicatie
12-05-2016
Zaaknummer
15/00042
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:772, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Onderzoek “Jasmijn”. HR: 81.1 RO. Conclusie AG o.m. over schakelbewijs, (verlengde) invoer en medeplegen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/00042

Zitting: 8 maart 2016

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 21 november 2014 door het gerechtshof Den Haag wegens 1 en 2 primair ‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd’, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren en zes maanden.

  2. Er bestaat samenhang tussen de zaken 14/05898, 14/06312, 15/00042, 15/00045 en 15/01530. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.

  3. Namens de verdachte heeft mr. B. Th. Nooitgedagt, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur en aanvullende schriftuur vijf middelen van cassatie voorgesteld.

  4. Inleidend schets ik in het kort de feitelijke gang van zaken zoals door het hof is vastgesteld:

Feit 1 (zaak Asperge)

Degenen die in de onderhavige zaak Asperge, die deel uitmaakt van het onderzoek 'Jasmijn', in beeld komen, zijn de hoofverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en vooral ook de verdachte. [medeverdachte 1] is kennelijk bevriend met zowel de verdachte als met [medeverdachte 2] . [medeverdachte 3] is een neef van de verdachte. De verdachte (‘ [verdachte] ’) zou de grote organisator zijn van onder meer een transport van ongeveer 1650 kilo cocaïne in ronde blikken paprika en platte blikken asperges, in drie containers verscheept vanuit Peru, waar de verdachte zijn bedrijf [A] heeft, naar de Rotterdamse haven. Op 1 november 2005 komt het motorschip ' [B] ' de haven van Rotterdam binnen. De douane ontdekt de contrabande op 8 en 9 november. De cocaïne wordt vervolgens in beslag genomen, met uitzondering van een blik met 303 gram cocaïne; dit blik wordt teruggeplaatst en onder controle gehouden. Op 10 november vliegen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] op verzoek van [medeverdachte 3] naar Nederland om te helpen uitpakken. Op 11 november arriveert de verdachte in Nederland. Op dezelfde dag worden de containers overgebracht naar een loods in Zwanenburg. Op 12 november rijdt [medeverdachte 2] samen met enkele anderen naar die loods om de blikken cocaïne te scheiden van de andere blikken. [medeverdachte 2] had op de heenweg vreemd rijgedrag vertoond; richting aangeven naar links, en dan plotseling hard rechtdoor rijden, en soms hard, dan weer zacht rijden. In de loods keert [medeverdachte 2] zijn auto direct zodanig dat hij gelijk weer weg kan rijden. Met behulp van een briefje met kruisjes wordt gezocht naar bepaalde blikken, die daarna apart worden gezet. Op een bepaald moment zegt een zekere [betrokkene 3] , die een ruitjespapiertje met getekende lijnen en vakjes bij zich heeft, dat er iets niet klopt. Er wordt gebeld. Even later geeft [medeverdachte 2] het sein dat er gestopt moet worden. Allen verlaten de loods.

[betrokkene 3] en [medeverdachte 4] zetten [betrokkene 1] en [betrokkene 2] af en praten samen na. Dan komt ter sprake dat het over cocaïne gaat, waarbij [betrokkene 3] zich hevig teleurgesteld toont. Later op de dag begeven de verdachte, die daarvoor besprekingen elders afbreekt, [medeverdachte 1] , [betrokkene 5] , [medeverdachte 3] en [betrokkene 6] zich naar de loods. [medeverdachte 1] heeft onderweg telefonisch contact met [medeverdachte 2] en zegt tegen [medeverdachte 2] dat hij naar de loods gaat en dat [medeverdachte 2] opnieuw naar de loods moet komen. [medeverdachte 2] belt [betrokkene 3] en zegt dat de baas naar de loods komt. [medeverdachte 2] haalt [betrokkene 3] op en samen rijden ze naar de loods. [medeverdachte 2] beschikt over de sleutel en maakt de loods open. Vooral de verdachte en [medeverdachte 3] voeren in de loods een discussie en vragen aan elkaar: 'Hoe kan dat nou?, dit kan niet'. Men raakt geïrriteerd en er wordt druk getelefoneerd; de sfeer is gespannen. Er wordt gesproken over codes die niet kloppen. Op dat moment vindt een inval plaats en worden de betrokkenen aangehouden (zie uitvoeriger hierna onder 18).

Feit 2 (zaak Latas)

Nadat de verdachten zijn aangehouden, worden bij doorzoekingen diverse documenten en lijsten gevonden die zien op de huur van opslagplaatsen bij respectievelijk Shurgard en Devon. In die units, dan wel bij bedrijven die het vervoer zouden hebben geregeld, worden pallets aangetroffen met blikken asperges, paprika’s en sperziebonen. Er worden geen verdovende middelen gevonden. Wel kunnen verschillende pallets met groenten worden gelinkt aan drie transporten vanuit Peru. Sommige van de pallets zijn onaangetast, anderen zijn verpakt. De administratieve weg die de pallets zouden afleggen komt niet overeen met de werkelijkheid, de opslag en de lange duur tussen de binnenkomst van de pallets en het aantreffen daarvan. Dat tezamen met belangrijke overeenkomsten in modus operandi en de omstandigheid dat sommige pallets zijn weggegeven en rijp voor de vuilstort zijn, doet het vermoeden rijzen dat de groenten hebben gediend als dekmantel voor het binnen het Nederlands grondgebied (de Rotterdamse haven) brengen van eerdere transporten cocaïne vanuit Peru door de verdachte (zie uitvoerig hierna onder 21). Dit vermoeden wordt volgens het hof versterkt door de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 4] .

5. Het eerste middel klaagt over de berechting van de verdachte buiten zijn aanwezigheid. Het middel valt uiteen in twee klachten. De eerste klacht luidt dat het hof niet heeft gereageerd op ‘het uitdrukkelijk onderbouwde verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in het recht tot strafvervolging wegens schending van het aanwezigheidsrecht van de verdachte’. De tweede klacht houdt in dat het hof ‘ten onrechte althans ontoereikend heeft gemotiveerd dat het openbaar ministerie in redelijkheid tot de beslissing om niet de (al dan niet tijdelijke) uit- of overlevering van Peru naar Nederland te verzoeken heeft kunnen komen’.

6. Ik begin met een omstandigheid die niet geheel tot zijn recht komt in de schriftuur. De verdachte is op de terechtzitting van 10 november 2008 door het hof geschorst uit de voorlopige hechtenis (onder de bijzondere voorwaarden dat hij zijn paspoort bij het openbaar ministerie inleverde en zich niet buiten Nederland zou begeven). De zaak bevond zich toen nog in de pro-forma fase. Bij beslissing van 18 december 2009 werden de schorsingsvoorwaarden gewijzigd in die zin dat de verdachte zijn paspoort terugkreeg en zich buiten Nederland mocht begeven, zonder nadere beperkingen. Dit alles is door de voorzitter van de strafkamer op de terechtzitting van 25 november 2013 voorgehouden. Uit hetgeen verder op die terechtzitting is voorgevallen, blijkt ook dat de verdachte wist dat in Peru een aanhoudingsbevel tegen hem van kracht was. Omdat de verdachte naar Nederland wilde afreizen, kennelijk om zijn terechtzitting bij te wonen, had hij een ticket gekocht voor de vlucht van Guayaquil (Ecuador) naar Amsterdam. Bij de grenscontrole tussen Peru en Ecuador werd de verdachte echter gearresteerd op verdenking van witwassen. Aanvankelijk achtte het hof de aanwezigheid van de verdachte bij de behandeling van zijn eigen strafzaak en als getuige in de strafzaken tegen de medeverdachten gewenst. Peru stelde de verdachte echter niet in vrijheid. Uiteindelijk heeft het hof, alle voorliggende belangen tegen elkaar afwegende, geoordeeld niet langer op de komst van de verdachte te kunnen wachten. De motivering van deze beslissing luidt als volgt (arrest, p. 20-24, 27-29):

“5.3. Overige verzoeken

(…)

Mr. Nooitgedagt heeft een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen van [verdachte] als verdachte en mr. Mol als getuige. Aan de voorwaarde waaronder deze verzoeken zijn gedaan, is voldaan.

(…)

Wat betreft het horen van [verdachte] als verdachte maakt het hof onderscheid tussen enerzijds het aanwezigheidsrecht als verdachte ter zitting in Nederland en anderzijds het afleggen als verdachte van een verklaring via videoverhoor vanuit Peru.

Het hof gaat daarbij uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

• [verdachte] is op 12 november 2005 in Zwanenburg aangehouden en hij heeft zich tot 11 november 2008 in Nederland in voorlopige hechtenis bevonden. Met ingang van deze datum is hij onder voorwaarden geschorst uit de voorlopige hechtenis. Indertijd woonde hij met zijn gezin in Lyon, Frankrijk. Om hem moverende redenen is hij naar Peru gereisd, wetend dat er in Peru (mede) ten laste van hem aanzienlijke beslagen op vermogensbestanddelen waren gelegd en er een strafrechtelijk opsporingsonderzoek wegens witwassen naar hem liep, met alle risico's van arrestatie van dien. Bij de uitreis vanuit Peru op 23 november 2013 met als uiteindelijke bestemming Nederland ten behoeve van de zitting van 25 november 2013 is hij aangehouden. Sedertdien heeft hij zich in detentie in Peru bevonden.

• In de periode van 25 november 2013 tot en met 6 december 2013 was de inhoudelijke behandeling van de zaak gepland. Deze inhoudelijke behandeling heeft onder meer vanwege de op dat moment bestaande onduidelijkheid over de situatie en positie van [verdachte] geen doorgang gevonden op verzoek van de verdediging (blz. 6 genoemd proces-verbaal).

• Behalve [verdachte] staan nog zes andere personen terecht. De behandeling van die zaken heeft gelijktijdig, maar niet gevoegd plaatsgevonden. De omstandigheid dat de inhoudelijke behandeling van de zaak eind 2013 niet kon worden voortgezet, heeft ook vertraging in de inhoudelijke behandeling van de zaken van die medeverdachten teweeggebracht.

• Ter zitting van 25 november 2013 heeft de raadsman van [verdachte] verklaard (blz. 16 proces-verbaal): "Mijn cliënt wenst niet verhoord te worden via videoconferentie of middels een rogatoire commissie. ... Mijn cliënt zal geen woord verklaren, zolang hij in Peru is gedetineerd." Het hof heeft deze verklaring opgevat als een ondubbelzinnige weigering om als verdachte te verklaren vanuit detentie in Peru.

• Bij brief van 18 maart 2014 is door het hof aan de raadsman van [verdachte] onder meer bevestigd dat de inhoudelijke behandeling in oktober 2014 plaats zou vinden.

• Bij brief van 24 maart 2014 heeft de advocaat-generaal de raadsman van [verdachte] bericht geen uitleveringsverzoek aan Peru te zullen doen ten behoeve van [verdachte] .

• Op 15 oktober 2014 heeft het hof een e-mail d.d. 25 februari 2014 van de Peruviaanse autoriteiten ontvangen (vertaald vanuit het Spaans), inhoudend het bericht dat het mogelijk is [verdachte] via een video-verbinding in de Peruviaanse gevangenis te horen.

• Bij fax van donderdag 16 oktober 2014 heeft de raadsman van [verdachte] de advocaat-generaal en het hof onder meer bericht dat zijn cliënt bereid is om een verklaring af te leggen middels videoverbinding. Op maandag 20 oktober 2014 heeft de inhoudelijke behandeling van de zaak een aanvang genomen.

• Op dit moment staat er geen rechtshulpverzoek uit op basis waarvan [verdachte] als verdachte door middel van een videoverbinding gehoord kan worden in Peru.

• Het Openbaar Ministerie heeft een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar en 9 maanden plus een boete van € 50.000,= geëist tegen [verdachte] .

Het gegeven dat na de weigering een verklaring vanuit detentie in Peru af te leggen op 25 november 2013 eerst op 16 oktober 2014 bericht is dat [verdachte] zijn proceshouding gewijzigd had, brengt mee dat het niet mogelijk is om het aanwezigheidsrecht van [verdachte] effect te doen hebben zonder dat dit wederom leidt tot aanhouding van de behandeling van de zaak.

De omvang van de zaak is zodanig dat afsplitsing van de zaken van één of meer verdachten vanuit een oogpunt van consistente beoordeling van het geheel niet aan de orde is. De beslissing de behandeling van de zaak [verdachte] aan te houden heeft derhalve ook consequenties voor de behandeling van de zaak van de medeverdachten. Alle ter terechtzitting aanwezige medeverdachten hebben aangegeven te lijden onder de lange duur van de procedure. Op 25 november 2013 hebben zij al meegemaakt dat de geplande inhoudelijke behandeling geen doorgang vond onder meer als gevolg van de arrestatie van [verdachte] en de op dat moment bestaande onzekerheid over zijn positie en de eventuele duur van zijn detentie. Dit heeft geleid tot een uitstel van 11 maanden.

Bij de beslissing op een verzoek tot aanhouding van de behandeling ter terechtzitting dient een afweging gemaakt te worden tussen alle daarbij betrokken belangen, waaronder het aanwezigheidsrecht van de verdachte en het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting (HR 22 januari 2013, ECLI: NL:HR:BY5709) .

Wat betreft het aanwezigheidsrecht van [verdachte] als verdachte ter terechtzitting in Nederland wijst het hof erop dat de advocaat-generaal bij brief van 24 maart 2014 zeer duidelijk heeft bericht geen uitleveringsverzoek aan Peru te zullen doen, terwijl aan de raadsman namens het hof op 18 maart 2014 bericht is dat de inhoudelijke behandeling gepland was voor oktober 2014. In Nederland is de verdediging in de periode na 24 maart 2014 niet opgekomen tegen het niet doen van een uitleveringsverzoek. Het hof begrijpt dat in Peru wel gepoogd is om [verdachte] vrij, althans het land uit te krijgen.

Afwegend enerzijds het zwaarwegend belang van [verdachte] om als verdachte in zijn eigen zaak ter terechtzitting aanwezig te zijn, maar anderzijds het belang van de samenleving bij een doeltreffende en spoedige berechting, de belangen van de medeverdachten en de duur van de periode dat bekend is dat het Openbaar Ministerie geen uitlevering zal vragen, is het hof van oordeel dat het belang dat deze zaak uit 2005 thans zonder verder uitstel berecht wordt, voorrang heeft.

Wat betreft het belang dat [verdachte] als verdachte in zijn zaak vanuit detentie in Peru een verklaring via videoverbinding kan afleggen, overweegt het hof als volgt.

Vanaf 24 maart 2014 heeft de verdediging zich kunnen en moeten realiseren dat, uitgaande van de situatie in Nederland, de inhoudelijke behandeling in oktober 2014 zou plaatsvinden, terwijl [verdachte] nog in detentie in Peru verbleef. Evenzeer heeft de verdediging zich toen moeten realiseren dat een verhoor van [verdachte] als verdachte door middel van een videoverbinding tot de mogelijkheden behoorde, maar dat daar wel een rechtshulpverzoek en technische voorzieningen voor benodigd waren (zie hiervoor onder 1 e). Echter, zolang de verdediging niet kenbaar maakt dat [verdachte] bereid is om aldus een verklaring af te leggen, zal iedereen - met recht - uitgaan van de door de raadsman op 25 november 2013 ter zitting afgelegde verklaring dat [verdachte] niet verhoord wenst te worden via videoconferentie of een rogatoire commissie en niet zal verklaren zolang hij gedetineerd is.

Door eerst op 16 oktober 2014 kenbaar te maken dat de proceshouding van [verdachte] veranderd is, is het de autoriteiten onmogelijk gemaakt tijdig een rechtshulpverzoek te doen uitgaan ten behoeve van een videoverhoor in de periode rond 20 oktober 2014. Derhalve ligt de vraag thans voor of alsnog en wederom de behandeling van de zaak dient te worden aangehouden ten behoeve van een videoverhoor van [verdachte] als verdachte. Afwegend enerzijds het zwaarwegend belang van [verdachte] om als verdachte te kunnen verklaren en naar voren te brengen wat hij dienstig acht en anderzijds de omstandigheid dat de inhoudelijke behandeling in november 2013 op verzoek van de raadsman van [verdachte] vanwege diens detentie toen niet is voortgezet, alsmede het belang van de samenleving bij een doeltreffende en spoedige berechting en de belangen van de medeverdachten, is het hof van oordeel dat het belang dat deze zaak uit 2005 thans berecht wordt, voorrang heeft.

(…)

Mr. Nooitgedagt stelt dat in de zaak [verdachte] het vertrouwen is gewekt dat het Openbaar Ministerie een rechtshulpverzoek ter fine van uitlevering aan de Peruaanse autoriteiten zou richten.

Het hof stelt vast dat in maart 2014 door het Openbaar Ministerie is besloten om dit niet te doen, omdat geen medewerking vanuit Peru te verwachten viel. Gezien de motivering van dit besluit in de brief van 24 maart 2014 is het hof van oordeel dat het Openbaar Ministerie in redelijkheid tot dit besluit is kunnen komen nadat eerder op serieuze wijze de mogelijkheden tot uitlevering zijn onderzocht. Op meer kan [verdachte] als persoon met de Nederlandse nationaliteit geen aanspraak maken.

Hetgeen de raadsman aanvoert op de blz. 17 tot en met 23 van zijn pleitnota leidt niet tot een ander oordeel. Van enige schending van beginselen van behoorlijke procesorde door dit besluit te nemen is op zich zelf genomen geen sprake. Vraag is evenwel of dit anders wordt door de voorgeschiedenis.

Uit de door mr. Nooitgedacht overgelegde email-correspondentie, in het bijzonder de emails als weergegeven op blz. 14 tot en met 16 van de pleitnotities, blijkt dat de toenmalig advocaat-generaal de mogelijkheid van een uitlevering van [verdachte] aan Nederland in december 2013 en januari 2014 serieus onderzocht heeft en dat hij zich gezet heeft aan de voorbereiding van een rechtshulpverzoek. Hij hoopte dit, blijkens de email d.d. 27 januari 2014, zelf nog af te kunnen werken.

Hoewel de raadsman stelt dat bij hem door de email van 27 januari 2014 het vertrouwen is gewekt dat het Openbaar Ministerie de uitlevering van [verdachte] zou vragen aan Peru, heeft hij enige dagen daarvoor, te weten op 24 januari 2014, aan de toenmalig advocaat-generaal het volgende gemailed: ".. heb ik ... begrepen dat de Peruaanse autoriteiten zouden hebben bericht niet welwillend (te staan) tegenover het medewerken aan een uitlevering van [verdachte] naar Nederland. Zodra ik daarvan schriftelijke- bevestiging heb ontvangen zal ik u die toezenden."

Het hof leidt hieruit af dat het op 24 januari 2014 bij zowel de verdediging als het Openbaar Ministerie bekend was dat er ernstig rekening gehouden zou moeten worden met de mogelijkheid dat een verzoek om uitlevering niet tot het gewenste resultaat zou leiden.

Wat er ook zij van het door de verdediging gestelde vertrouwen in het doen uitgaan van een rechtshulpverzoek door het Openbaar Ministerie, van een gerechtvaardigd vertrouwen in een goede afloop is bij de verdediging op geen enkel moment sprake geweest. Onder deze omstandigheden en gezien de motivering van de beslissing van het Openbaar Ministerie in de brief van 24 maart 2014 om geen verzoek tot uitlevering te doen uitgaan, is geen sprake van een schending van eerder gewekt gerechtvaardigd vertrouwen bij [verdachte] door het Openbaar Ministerie. Het verweer kan dan ook niet leiden tot niet ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.”

7. Hoewel over het afdoen van een strafzaak buiten aanwezigheid van een (elders gedetineerde) verdachte en het aanwezigheidsrecht het een en ander valt te zeggen1, richt ik mij op de twee klachten zoals deze door de steller van het middel zijn geformuleerd en beperk ik mij hier tot een beoordeling daarvan binnen de cassatiegrenzen.

8. De eerste klacht, inhoudende dat het hof niet heeft gereageerd op ‘het uitdrukkelijk onderbouwde verweer’ strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging van de verdachte vanwege schending van het aanwezigheidsrecht, faalt om twee redenen. In de eerste plaats heb ik mij afgevraagd of de steller met zijn verwoording ‘uitdrukkelijk onderbouwd verweer’ het oog heeft op een uitdrukkelijk voorgedragen verweer in de zin van art. 358, derde lid, Sv (in verbinding met art. 359, tweede lid eerste volzin, Sv) of op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv. Uit de toelichting op het middel (schriftuur, p. 20 e.v.) leid ik af dat het betoog van de steller van het middel langs de lijn van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt gaat, zulks echter ten onrechte.2 In de tweede plaats heeft het hof (uitvoerig) op het niet-ontvankelijkheidsverweer gereageerd en te dien aanzien een met redenen omklede beslissing gegeven conform het bepaalde in art. 358, derde lid, Sv in verbinding met art. 359, tweede lid eerste volzin, Sv. Dat heeft het hof zelfs op twee plaatsen in het arrest gedaan, namelijk onder het kopje “6.2 Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie” (p. 25 e.v.) en, gezien het middel niet onbelangrijk, onder “5.3 Overige verzoeken”. Daarin is het hof ingegaan op het aanwezigheidsrecht van de verdachte en het zwaarwegende belang van de verdachte om in zijn eigen strafzaak ter terechtzitting aanwezig te zijn. Alles afwegende heeft het hof op de in het arrest genoemde gronden geoordeeld dat de uit 2005 daterende strafzaak zonder verder uitstel berecht diende te worden. Ik merk hier nogmaals op dat de verdachte vrijwillig, uit eigener beweging, naar Peru is teruggekeerd en daarmee feitelijk een risico nam omdat hij wist dat er daar voor hem een arrestatiebevel klaar lag. Die omstandigheid kan moeilijk aan het openbaar ministerie worden toegerekend. Bovendien weigerde de verdachte lange tijd een verklaring vanuit detentie in Peru af te leggen en gaf hij pas vier dagen voor aanvang van de inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak in Nederland, en alle daarmee samenhangende strafzaken, te kennen een verklaring te willen afleggen.

9. Terug naar de cassatiekaders: de klacht dat het hof heeft verzuimd te responderen op het bedoelde niet-ontvankelijkheidsverweer van de raadsman, mist feitelijke grondslag.

10. Voorts geldt dat een niet-ontvankelijkheidverklaring van het openbaar ministerie op grond van schending van de beginselen van een goede procesorde slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking komt. Van een zodanig geval is hier geen sprake. Dat het (in de visie van de verdediging) zou gaan om een ‘opzetje’ van het openbaar ministerie om verzoeker in Peru te laten aanhouden en dat er een ‘deal’ zou zijn gemaakt tussen de Nederlandse en Peruaanse justitiële autoriteiten omtrent de vervolging van de verdachte – ‘Peru het geldgedeelte en Nederland de drugs’ -, is niet aannemelijk gemaakt en evenmin anderszins gebleken (integendeel zelfs, er was inmiddels een ontnemingsvordering aanhangig gemaakt bij de rechtbank Rotterdam; arrest, p. 31). Ik kom hierop nader terug in mijn bespreking van het tweede en het vijfde middel.

11. Gelet op de feiten en omstandigheden die het hof heeft vastgesteld omtrent onder meer de inspanningen van het openbaar ministerie en de pogingen die het openbaar ministerie heeft ondernomen om de verdachte in die hoedanigheid in zijn eigen strafzaak te horen (en als getuige in de zaken tegen de medeverdachten), is het niet van een onjuiste rechtsopvatting blijk gevende oordeel van het hof dat het openbaar ministerie in redelijkheid uiteindelijk heeft kunnen afzien van pogingen om verzoeker uitgeleverd te krijgen niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.

12. Het eerste middel faalt in beide onderdelen.

13. Het tweede middel keert zich met motiveringsklachten tegen (i) de bewezenverklaringen van het (meermalen) medeplegen van het opzettelijk binnen het Nederlands grondgebied brengen van ongeveer 1650 kilogram cocaïne (feit 1; zaak Asperge) respectievelijk, door middel van schakelbewijs, van eerdere transporten (feit 2; zaak Latas) en tegen (ii) ’s hofs verwerpingen van zijdens de verdachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunten in dat verband. Ook wordt geklaagd dat het hof de verdachte niet heeft gehoord over de gang van zaken zoals deze feitelijk en in werkelijkheid heeft plaatsgevonden (het alternatieve scenario).

14. Ten laste van de verdachte is onder 1 en 2 primair bewezenverklaard dat:

"1. (zaak Asperge)

hij, in de periode van 1 oktober 2005 tot en met 12 november 2005, te Rotterdam en/of Amsterdam en/of Zwanenburg (gemeente Haarlemmermeer) althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (daaronder mede begrepen invoer als bedoeld in de zin van artikel 1 lid 4 van de Opiumwet), ongeveer 1650 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2 primair. (zaak Latas)

hij in of de periode van 1 juli 2004 tot 1 april 2005, te Rotterdam althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen meermalen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, te weten:

a. op of omstreeks 2 juli 2004 in (een) container(s) met conserven uit Peru en

b. op of omstreeks 28 september 2004 in (een) container (s) met conserven uit Peru en

c. op of omstreeks 24 februari 2005 in (een) container(s) met conserven uit Peru.”

15. Hier zij reeds opgemerkt dat het hof de bewijsmiddelen die aan feit 1 ten grondslag zijn gelegd, ook redengevend heeft geacht voor het bewijs van het onder 2 primair tenlastegelegde. Dit schakelbewijs heeft het hof gegrond op de context waarbinnen de feiten zich hebben afgespeeld en de belangrijke overeenkomsten in modus operandi (arrest, p. 76 onder II; zie nader hierna).

15. Over het opzet van verzoeker heeft het hof het volgende vastgesteld en overwogen (arrest, p. 47-58):

“6.4 Opzet

Ten aanzien van de zaak Asperge heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte opzet heeft gehad op de (verlengde) invoer van cocaïne.

Bij de beoordeling van dit verweer gaat het hof uit van de volgende uit het dossier blijkende feiten en omstandigheden.

In juni 2005 zijn de verdachte [medeverdachte 1] en de verdachte [medeverdachte 2] in Peru geweest.

In oktober 2005 hebben de verdachten [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] elkaar op de Anugabeurs in Keulen ontmoet. Volgens [betrokkene 7] hebben [medeverdachte 2] en [verdachte] elkaar eerder al ontmoet; ze hebben elkaar leren kennen in Amsterdam.

Op 7 november 2005 is waargenomen door de Spaanse politie dat [betrokkene 30] (hof:= [betrokkene 30] ) samen met [betrokkene 31] (hof:= [betrokkene 31] ) at in een Argentijns restaurant in de stad Majadahonda, vlak bij Madrid. Een uit Liverpool afkomstige Brit, die later [betrokkene 8] bleek te heten en de zoon is van [betrokkene 9] , at daar ook.

[medeverdachte 1] heeft [betrokkene 10] in het vooruitzicht gesteld dat zij diverse handelsartikelen in commissie zouden kunnen ontvangen van bevriende handelspartners.

[medeverdachte 1] heeft aan [betrokkene 10] meegedeeld dat er tien containers naar [betrokkene 10] onderweg waren. [betrokkene 10] wilde met slechts drie containers beginnen. Begin/midden oktober 2005 deelde [medeverdachte 1] [betrokkene 10] mee dat er drie containers waren aangekondigd. [betrokkene 10] meent dat het zou gaan om conserven met voedingsmiddelen. [betrokkene 10] heeft afschriften van de bescheiden inzake deze drie containers aan onder meer [medeverdachte 1] gestuurd. Volgens [betrokkene 10] zouden de containers niet lang in de haven blijven maar, om de kosten te beperken, naar een opslagloods worden gebracht. De kosten voor de opslagloods waren niet voor rekening van de ontvanger, [betrokkene 10] , maar voor de leveranciers uit Zuid-Amerika. [betrokkene 10] heeft nooit het origineel van de Bill of Lading gehad.

Op 7 november 2005 is [medeverdachte 1] naar Nederland gekomen.

Voor, althans omstreeks 11 november 2005 is de verdachte [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ) vanuit Spanje naar Nederland gekomen. Tussen 20 en 22 oktober 2005 heeft hij eveneens in Nederland verbleven. In de ochtend van 8 november 2005 heeft [medeverdachte 3] telefonisch contact gehad met [medeverdachte 1] . In november 2005 verbleef [medeverdachte 3] in een woning van een kennis van [medeverdachte 2] . [medeverdachte 1] had [medeverdachte 2] een paar maanden voor november 2005 gevraagd of hij iemand kende die huizen verhuurde. [medeverdachte 2] heeft toen contact opgenomen met een kennis. Toen bleek dat die kennis nog een woning te huur had, heeft [medeverdachte 2] het telefoonnummer van die kennis aan [medeverdachte 1] gegeven.

Op 8 en 9 november 2005 zijn in Rotterdam de zeecontainers MLCU en de CAXU aangetroffen. De containers waren verzonden door het bedrijf [C ] te Peru. De geadresseerde van de containers was de firma [betrokkene 10] in Duitsland. [betrokkene 10] heeft in het kader van de transporten van deze containers samengewerkt met [medeverdachte 1] . [verdachte] had zowel vriendschappelijk als zakelijk contact met [medeverdachte 1] . In de woning van [verdachte] in [plaats] (Frankrijk) is op 13 december 2005 een dossiermap genaamd "Clientes [betrokkene 10] " aangetroffen, met daarin een originele handgeschreven lijst (lijst 1) die qua inhoud (nagenoeg) overeenkomt met de inhoud van de packing list van [C ] behorende bij de CAXU container.

De containers moesten worden afgeleverd bij de loods aan de [a-straat] te Zwanenburg. Die loods was vanaf augustus 2005 gehuurd op naam van [betrokkene 11] via [D] makelaars. Het faxnummer van [D] makelaars is aangetroffen in Berlijn (Duitsland) op de werkplek van [medeverdachte 1] . Het huren van de loods is geschied via bemiddeling van [betrokkene 12] . [betrokkene 12] is een vriend van [medeverdachte 2] . Zij zijn samen een aantal keer in de door [betrokkene 11] gehuurde loods geweest. Op 25 augustus 2005 heeft [medeverdachte 2] het bedrijf [E] B.V. bezocht. Hij zocht een vorkheftruck voor de firma [betrokkene 11] . Op 29 augustus 2005 heeft [betrokkene 11] een offerte aangevraagd bij genoemd bedrijf. [medeverdachte 2] staat op de offerte vermeld als contactpersoon. Uiteindelijk is een huurovereenkomst afgesloten. Kort na het contact tussen het bedrijf en [betrokkene 11] heeft [medeverdachte 2] weer naar het bedrijf gebeld met de vraag of een en ander met betrekking tot het contract met [betrokkene 11] gelukt was. De vorkheftruck is op 21 oktober 2005 afgeleverd bij het adres [a-straat] te Zwanenburg.

Op 11 november 2005 is [verdachte] naar Nederland gekomen. [verdachte] heeft ter zake van het transport van de drie containers tevoren, vanuit Frankrijk, al op donderdagmiddag 10 november 2005 telefonisch contact gehad met [betrokkene 13] . Hij informeerde bij [betrokkene 13] of die iemand wist die deze containers van Rotterdam naar Zwanenburg kon brengen. De partij was volgens [verdachte] bestemd voor Hartmut [betrokkene 11] en hij heeft diens telefoonnummer aan [betrokkene 13] gegeven.

In de middag van 11 november 2005 zijn de containers aangekomen bij de loods in Zwanenburg. Bij het uitladen van de containers waren de heren [betrokkene 11] en [betrokkene 14] aanwezig. [medeverdachte 2] heeft op 11 november 2005 meerdere malen telefonisch contact gehad met [betrokkene 14] . [medeverdachte 1] heeft op 11 november 2005 meerdere malen telefonisch contact gehad met [betrokkene 11] . De vrachtbrief behorende bij de containers had [betrokkene 11] van [medeverdachte 1] gekregen. Na het lossen van de pallets is [betrokkene 11] opgehaald door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , in de door [medeverdachte 2] op 7 november 2005 gehuurde auto. Op 11 november 2005, omstreeks 17.00 uur, werd de verdachte [betrokkene 3] gebeld door ene [betrokkene 15] . [betrokkene 15] vroeg [betrokkene 3] of hij een busje wilde huren om een vriend van hem te helpen en zei tegen [betrokkene 3] dat [betrokkene 3] nog zou worden gebeld door iemand. Die avond werd [betrokkene 3] gebeld door een man. Deze vroeg [betrokkene 3] of hij hem kon helpen de volgende dag. Er moesten groenten in blik worden gesorteerd in een loods. [betrokkene 3] moest de volgende dag om 10.00 uur bij het Intell Hotel in Amsterdam zijn.

Op verzoek van [betrokkene 3] heeft de verdachte [medeverdachte 4] een bus gehuurd, waarmee zij in de ochtend van 12 november 2005 samen naar het Intell Hotel zijn gereden. Vóór aankomst bij het hotel heeft [betrokkene 3] die ochtend meerdere keren met [verdachte] gebeld. [medeverdachte 4] is in de auto gebleven. Hij heeft gewacht bij een parkeergarage. [betrokkene 3] is uitgestapt. Bij het hotel stond een grote groep mensen. Twee Spaans sprekende personen, [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2] ), zijn bij [betrokkene 3] en [medeverdachte 4] in de bus gestapt. Zij zijn vervolgens achter [medeverdachte 2] aangereden, naar de loods in Zwanenburg. [medeverdachte 2] vertoonde heel raar rijgedrag. Hij gaf bijvoorbeeld richting aan naar links en reed dan plotseling rechtdoor. Dan reed hij weer hard en dan weer zacht. Hij reed als een dwaas. [medeverdachte 4] had het idee dat [medeverdachte 2] mogelijk dacht dat hij werd gevolgd.

[betrokkene 1] moest van [medeverdachte 3] naar Nederland komen om te komen helpen met het in- of uitpakken van blikken die in dozen gedaan moesten worden. [medeverdachte 3] heeft zijn ticket betaald. Op 10 november 2005 is [betrokkene 1] samen met [betrokkene 2] naar Nederland gevlogen. In Nederland heeft [medeverdachte 3] kleding en een telefoon voor [betrokkene 1] gekocht. [betrokkene 2] is ook op verzoek van [medeverdachte 3] naar Nederland gekomen en hij is, eveneens op verzoek van [medeverdachte 3] , naar de loods gegaan.

Op 12 november 2005 zijn [betrokkene 16] en [betrokkene 31] (hof:= [betrokkene 31] ) naar Amsterdam gereisd.

In de ochtend van 12 november 2005 waren in de loods aanwezig onder andere [betrokkene 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] , [betrokkene 2] en [betrokkene 1] . De auto's werden naar binnen gereden. [medeverdachte 2] keerde direct zijn auto, zodat hij eventueel gelijk kon wegrijden. Binnen in de loods stonden heel veel pallets met blikken. [betrokkene 3] en [medeverdachte 2] bespraken iets met elkaar. [medeverdachte 2] was aan het bellen en sprak in gebroken Engels. Tegelijkertijd schreef hij iets op. Nadat hij het telefoongesprek beëindigde, zei hij dat er niet meer mocht worden gebeld. Hij wees toen pallets aan die opengemaakt moesten worden. Dit deed hij naar aanleiding van wat hij had opgeschreven. Duidelijk was dat werd gezocht naar bepaalde blikken. Er werd aan blikken geschud. [betrokkene 3] had een klein briefje met daarop kruisjes in zijn handen. Aan de hand van dat briefje hebben [medeverdachte 2] en [betrokkene 3] blikken geselecteerd en gescheiden van de andere blikken. [medeverdachte 2] en [betrokkene 3] gaven aan welke blikken moesten worden gepakt. Zij zetten de blikken apart en zeiden welke in dozen moesten worden gedaan en welke op een nieuwe pallet moesten worden gestapeld. Ondertussen zei [medeverdachte 2] dat er lege dozen moesten worden gevouwen. Deze dozen zijn door één van de anderen voor een raam in de loods gezet. Toen [medeverdachte 4] vroeg waarom de dozen voor het raam werden gezet, zei [medeverdachte 2] dat dat voor pottenkijkers was. [betrokkene 3] zei op een gegeven moment dat het niet klopte. Het was duidelijk dat ze iets niet konden vinden. [betrokkene 3] bekeek de pallets goed. Hij had een klein papiertje bij zich met daarop lijntjes en vakjes. Het was ruitjespapier en daarop waren met balpen met horizontale en verticale lijnen vakjes getekend. In deze vakjes stonden cijfers geschreven. [betrokkene 3] stond met dit papiertje bij de pallets met de blikken. Er moesten één of twee lagen van een pallet worden weggehaald. Toen bleek dat er blikken ontbraken zei [betrokkene 2] dat ze bestolen waren en dat het ongelofelijk was. [betrokkene 3] was veel aan het bellen. Uit onderzoek blijkt dat hij vanuit de loods drie keer naar [verdachte] heeft gebeld. Op een gegeven moment gaf [medeverdachte 2] het sein dat er gestopt ging worden. [betrokkene 2] en [betrokkene 3] zeiden dat ze weg gingen. Iedereen heeft de loods toen verlaten.

[betrokkene 3] en [medeverdachte 4] hebben in de auto, nadat zij [betrokkene 1] en [betrokkene 2] hadden afgezet, nog samen gepraat. Volgens [medeverdachte 4] was [betrokkene 3] hevig teleurgesteld. Toen is ook ter sprake gekomen dat het over cocaïne ging. [medeverdachte 4] was nieuwsgierig en vroeg naar de lege gaten in de pallets. [betrokkene 3] bevestigde toen dat het ging om een lading cocaïne, die waarschijnlijk was gestolen. [medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij wel wist dat er iets niet goed was met de blikken.

[verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] waren ook aanwezig bij het Intell Hotel, maar die zijn die ochtend niet meegegaan naar de loods. In het begin van de middag had [verdachte] een bespreking met [betrokkene 17] en [betrokkene 18] in een hotel in Nuland, bij Den Bosch. [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [betrokkene 5] en [betrokkene 6] (hierna: [betrokkene 6] ) zijn met [verdachte] meegegaan naar Nuland. Tijdens de bespreking was [verdachte] nerveus, schichtig, opgejaagd en onrustig. Hij was de hele tijd aan het bellen en op een gegeven moment, na ongeveer een uur, besloot hij om tijdens de bespreking weg te gaan. Hij zei dat hij problemen had en dingen moest regelen. [verdachte] is vervolgens met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [betrokkene 5] en [betrokkene 6] naar de loods in Zwanenburg gereden. Gedurende deze autorit heeft [medeverdachte 1] telefonisch contact gehad met [medeverdachte 2] . [medeverdachte 1] zei tegen [medeverdachte 2] dat hij naar de loods kwam en [medeverdachte 2] moest opnieuw naar de loods komen. Op de achtergrond vroeg iemand die bij [medeverdachte 1] was of [medeverdachte 2] [betrokkene 3] kon bereiken. [medeverdachte 2] heeft [betrokkene 3] toen gebeld en gezegd dat de baas naar de loods zou komen. [medeverdachte 2] heeft [betrokkene 3] vervolgens opgehaald en samen zijn zij weer naar de loods gereden. Op verzoek van [medeverdachte 3] zijn ook [betrokkene 1] en [betrokkene 2] 's middags teruggegaan naar de loods.

In de middag van 12 november 2005 waren in de loods in Zwanenburg dus onder meer aanwezig [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [betrokkene 3] , [betrokkene 1] , [betrokkene 6] en [betrokkene 2] . [medeverdachte 2] beschikte over de sleutel van de loods en heeft de loods geopend. Met name [verdachte] en [medeverdachte 3] voerden in de loods een discussie. Ze vroegen steeds aan elkaar: "Hoe kan dat nou, dit kan niet, etc.". [medeverdachte 1] was steeds met de drie broers en twee neven in discussie. [medeverdachte 3] liep rond de pallets en keek ernaar, en zocht bij de blikken. In de loods werd geïrriteerd gesproken en er werd druk getelefoneerd. Er was ruzie alsof er iets niet klopte en men was nerveus. [verdachte] liep tussen de pallets met blikken. In zijn handen had hij een geel/beige enveloppe van A4-formaat met daarop papieren, die kennelijk betrekking hadden op de problemen. Er ontbraken blikken. [medeverdachte 3] zei dat ze bestolen waren. [verdachte] zei toen tegen [medeverdachte 3] dat hij rustig moest doen en dat ze goed moesten zoeken. Er werd gesproken over codes die niet klopten. [verdachte] zei dat moest worden geholpen met het zoeken naar een code. De sfeer was gespannen.

Tijdens de op 12 november 2005 in de loods verrichte doorzoeking is de enveloppe, die [verdachte] 's middags in de loods in zijn handen had gehad, aangetroffen en in beslag genomen. In de enveloppe zaten onder meer (de kopieën van) de packing lists van [C ] behorende bij de containers MLCU 272215-6 en CAXU 235096-9 , een kopie van de handgeschreven lijst 1 die in de woning van [verdachte] in Lyon is aangetroffen en een kopie van een handgeschreven lijst (lijst 7) die qua inhoud (nagenoeg) overeenkomt inhoud van de packing list van [C ] behorende bij de MLCU container. Enkele blikken met asperges afkomstig van de container CAXU 235096-9 toonden het opschrift ' [A] '. [A] is een bedrijf van [verdachte] .

Op grond van het voorafgaande, bezien in onderling verband en samenhang met de overige bewijsmiddelen, is het hof van oordeel dat [verdachte] zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan de invoer in Nederland van ongeveer 1650 kilogram cocaïne en daarbij een bepalende rol heeft gespeeld: er valt een relatie te leggen tussen een bedrijf van [verdachte] in Peru, [verdachte] zelf en de blikjes waarin de cocaïne is aangetroffen. Hij beschikt - zelfs op zijn huisadres in Frankrijk - over relevante bescheiden met betrekking tot de containers en de locatie in de containers van de blikjes met cocaïne.

[verdachte] houdt zich al voor zijn aankomst in Nederland ook bezig met de containers: hij heeft op donderdag 10 november 2005 vanuit Frankrijk telefonisch contact met [betrokkene 13] over het transport van de drie containers vanuit Rotterdam naar de loods te Zwanenburg, en hij geeft aan [betrokkene 13] het telefoonnummer van [betrokkene 11] .

Tijdens het bezoek aan [betrokkene 17] in het hotel in Nuland op 12 november 2005, wanneer bekend wordt dat er die ochtend geen cocaïne in de pallets is aangetroffen, wordt hij diverse malen gebeld. Het hof leidt hieruit af dat aan hem verslag is gedaan van het resultaat van de werkzaamheden in de ochtend van 12 november 2005 in de loods in Zwanenburg. In de loods had zich een grote hoeveelheid cocaïne moeten bevinden, welke die ochtend niet is aangetroffen. De verdachte raakt hierdoor geïrriteerd en geagiteerd en hij besluit dat de bespreking met [betrokkene 17] wordt afgebroken, 's Middags in de loods in Zwanenburg loopt de verdachte rond tussen de pallets met blikken met in zijn hand papieren die betrekking hebben op die pallets met blikken. Er wordt geïrriteerd gesproken en veel gebeld. Er wordt gesproken over codes die niet kloppen. De verdachte zegt dat de anderen moeten helpen met het zoeken van codes op blikken.

Uit de uiterlijke verschijningsvorm van deze feiten en omstandigheden leidt het hof af dat de verdachte wetenschap had van de komst van de partij blikken met cocaïne naar de loods in Zwanenburg en dat zijn handelen blijk geeft van een nauwe en bewuste samenwerking met anderen om die cocaïne in Nederland in te voeren.

De betreffende bewijsmiddelen weerleggen een alternatief scenario als zou de verdachte die middag als levensmiddelendeskundige dan wel geïnteresseerd potentieel koper in de loods in Zwanenburg aanwezig zijn geweest. Ten overvloede wijst het hof op de emailbericht van [betrokkene 17] d.d. 14 juli 2004 aan de verdachte en [betrokkene 5] dat in Nederland geen markt is voor groene asperges in blik en dat het organiseren van etikettering te veel geld kost. Het hof leidt hieruit af dat het niet in de rede ligt dat een redelijk handelend zakenman uit zakelijk oogpunt interesse in deze partij zou hebben.”

17. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat het is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat hem uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht zonder dat hij van zijn oordeel omtrent de keuze en de betrouwbaarheid van het door hem gekozen bewijsmateriaal in zijn uitspraak rekenschap behoeft af te leggen.3 Voorts moet worden vooropgesteld dat de rechter op grond van het bepaalde in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv op een responsie-plichtig uitdrukkelijk onderbouwd bewijsstandpunt dient te reageren.4

18. Aan de bewijsvoering van het hof met betrekking tot feit 1 kan ik geen van de gestelde motiveringsgebreken ontwaren. Ik meen dienaangaande dat uit de bewijsvoering zowel het opzet van de verdachte op de (verlengde) invoer van de partij cocaïne als het medeplegen kan worden afgeleid. Daarbij heb ik in aanmerking genomen: - het ruime bereik van het bestanddeel ‘binnen het Nederlands grondgebied brengen’ als bedoeld in art. 2 onder A Opiumwet en het bepaalde in art. 1, vierde lid, Opiumwet; - de specifieke context waarbinnen feit 1 is begaan, te weten de (verlengde) invoer van in drie containers verscheepte cocaïne in de Rotterdamse haven; - hetgeen het hof met betrekking tot de gebeurtenissen en, in het bijzonder, het geheel van gedragingen van de verdachte - zijn handelwijze, het patroon en zijn rol - heeft vastgesteld en heeft samengevat; - de aard van de gedragingen van de verdachte en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht, die gelet op haar uiterlijke verschijningsvorm duiden op opzet5; - de bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en anderen met betrekking tot feit 1; - de wezenlijke bijdrage die de verdachte in dat verband tezamen met anderen heeft geleverd, in de vorm van een samenstel van gedragingen die zich zowel voor als na de feitelijke (verlengde) invoer van de drie containers laten situeren, en die, mede in het licht van het overzichtsarrest over medeplegen van HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 m.nt. Mevis, van voldoende gewicht zijn om de kwalificatie medeplegen te kunnen rechtvaardigen.

19. De bewijsvoering ten aanzien van feit 2 primair houdt meer in het bijzonder het volgende in:

“6.5 Invoer van blikken (zaak Latas)

Door de verdediging is aangevoerd dat vrijspraak dient te volgen voor de drie onder 2 ten laste gelegde transporten van cocaïne (verder: de latastransporten) omdat onvoldoende feiten en omstandigheden zijn gebleken die redengevend zijn voor het oordeel dat meermalen cocaïne is getransporteerd. De verdediging heeft bepleit dat schakelbewijs niet aan de orde kan zijn nu de modus operandi in de zaken Asperge en Latas niet vergelijkbaar is. De handelswijze en de kring van betrokken personen komen niet dan wel in onvoldoende mate overeen, aldus - zakelijk weergegeven - de verdediging.

Ten aanzien van die feitelijke gang van zaken, de context daaronder begrepen, wordt meer in het bijzonder het volgende overwogen.

Voor de bespreking van de latastransporten is van belang dat de recherche op verschillende plaatsen goederen en documenten heeft aangetroffen die betrekking hebben op deze transporten.

6.5.1

Shurgard Amsterdam

a) Op zaterdag 12 november 2005 verplaatste [verdachte] zich in een Volvo V50, voorzien van het kenteken [001] , waarin later op die dag een zwarte trolleykoffer, merk Brookstone, voorzien van een vluchtlabel op naam van [verdachte] door de politie is aangetroffen. De inhoud van die koffer is onderzocht. De gehele koffer was gevuld met documenten, notitiebriefjes, rekeningen etc. alsmede vier memoriesticks. De documenten zijn in onderwerpen verdeeld en tevens van een goednummer voorzien. Goednummer A00/005-10 betreft huurcontracten van Shurgard. De documenten met dat goednummer zijn:

- een overeenkomstnr. 50002209 , d.d. 05-07-2004 van Shurgard met [betrokkene 19] , voor de huur van unit 0021 bij Shurgard, Transformatorweg 24 te Amsterdam;

- een overeenkomstnr. 50002288 , d.d. 29-09-04 van Shurgard met [betrokkene 19] , voor de huur van unit 0045 bij Shurgard, Transformatorweg 24 te Amsterdam;

- een factuur van unit 21 voor de periode van 5 juli 2004, tot en met 31 juli 2004 voor een bedrag van € 825,61 op naam van [betrokkene 19] ;

- een factuur van unit 45 voor de periode van 29 september 2004 tot en met 31 oktober 2004 voor een bedrag van € 370,53 en een openstaand saldo van € 444,- totaal € 814,53, op naam van [betrokkene 19] ;

- een kwitantie van € 825,62 d.d. 5. juli 2004;

- een kwitantie van € 444,00 d.d. 8 september 2004;

- een kwitantie van € 814.53 d.d. 30 september 2004.

b) Op 1 december 2005 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in de opslagruimten nrs. 0021 en 0045 van Shurgard, Transformatorweg 24 te Amsterdam. In unit 0021 werden 10 pallets gestapeld met ronde en platte blikken zonder etiket aangetroffen. 4 pallets waren nog voorzien van de originele spanbanden. De andere 6 pallets waren omwikkeld met plastic en voorzien van nieuwe spanbanden. In unit 0045 werden 5 pallets aangetroffen, 1 pallet was gestapeld met doorzichtige potten gevuld met asperges en 4 pallets waren gestapeld met ronde blikken zonder etiket. De 5 pallets waren alle nog voorzien van de originele spanbanden. Op 5 december 2005 werden de 15 pallets voor verder onderzoek overgebracht naar een terminal van de ECT te Rotterdam alwaar zij op 6 december 2005 door de politie zijn onderzocht. De inhoud van de 15 pallets bestond uit asperges, paprika's en sperziebonen. Ten behoeve van het onderzoek werden diverse goederen veiliggesteld. Het restant van de inhoud van de 15 pallets werd afgevoerd en ter vernietiging aangeboden.

6.5.2.

Shurgard Diemen

c) Op 21 december 2005 heeft verdachte [medeverdachte 4] toen hem door de politie een foto van [verdachte] werd getoond, verklaard dat [betrokkene 3] ( [betrokkene 3] ) deze man ' [verdachte] ' noemde en dat hij hem wel eens gezien had op Schiphol. Voorts heeft hij verklaard dat hij in de zomer van 2005, toen [betrokkene 3] op vakantie was, werd gebeld door een man die hem vroeg om langs [betrokkene 20] te gaan om spullen op te halen, waaronder twee dozen die heel belangrijk waren, teneinde die spullen op te slaan. Later heeft hij van [betrokkene 3] gehoord dat de man die hem belde ' [verdachte] ' was die hij eerder op Schiphol had gezien. Toen [medeverdachte 4] bij die [betrokkene 20] kwam, bleken de spullen al bij Shurgard in Diemen te zijn opgeslagen. Aan [betrokkene 20] is 500 euro betaald voor achterstallige huur, welk geld hij na telefonische tussenkomst van [betrokkene 3] later terug heeft gekregen uit handen van weer een andere man. [medeverdachte 4] heeft de loods daarna overgenomen en kreeg de beschikking over de loods en de code. De twee dozen zijn door hem ingekeken, [medeverdachte 4] zag diverse papieren over conservenblikken en van verschillende bedrijven met de naam [verdachte] erop. Het betreft boxnummer 2849, aldus [medeverdachte 4] .

d) Op 21 december 2005 heeft naar aanleiding van de verklaring van [medeverdachte 4] een doorzoeking plaatsgevonden in boxnummer 2849 van Shurgard, Sniep 21 te Diemen. Bij deze doorzoeking werden twee dozen met ordners aangetroffen. Verbalisant [verbalisant] heeft de ordners onderzocht en kwam aan de hand van de vele aangetroffen e-mail berichten en bankgegevens die alle gericht zijn aan [verdachte] tot de conclusie dat de betreffende ordners kennelijk diens bedrijfsadministratie betrof. Het hof neemt die conclusie over, gelet op de aard van de documenten waarover nader is gerelateerd door middel van een schematische weergave van de aangetroffen documenten in samenhang met de hiervoor genoemde verklaring van [medeverdachte 4] .

6.5.3

Devon Amsterdam

e) Op zaterdag 12 november 2005 verplaatste [verdachte] zich in een Volvo V50, voorzien van het kenteken [001] , waarin later op die dag een zwarte trolleykoffer, merk Brookstone, voorzien van een vluchtlabel op naam van [verdachte] door de politie is aangetroffen. De inhoud van die koffer is onderzocht. De gehele koffer was gevuld met documenten, notitiebriefjes, rekeningen etc. alsmede vier memoriesticks. De documenten zijn in onderwerpen verdeeld en tevens van een goednummer voorzien. Goednummer A00/005-11 betreft een bon die betrekking heeft op de huur van twee opslagunits bij Devon opslagbedrijf, Van Marwijk Kooystraat 11 te Amsterdam. Het betreft de opslagunits 133 en 136. Op de bon staat vermeld dat voor de units 136 en 133 telkens € 343,- werd betaald.

f) Op woensdag 7 december 2005 is een onderzoek ingesteld bij Devon-Self storage aan de Marwijk Kooystraat 11 te Amsterdam waarbij de twee hiervoor genoemde opslagboxen, waarvan de sleutels onder [verdachte] in beslag waren genomen, zijn doorzocht. In totaal werden 14 pallets met blikken asperges, paprika en sperziebonen aangetroffen. De goederen zijn ter vernietiging aangeboden, behoudens enkele blikken ten behoeve van forensisch onderzoek. Naast de hiervoor genoemde pallets bevonden zich in de opslagruimten plastic kratjes waarvan 7 gevuld met diverse soorten blikken (zonder etiket).

6.5.4

Shurgard Rotterdam / [N] Rotterdam

g) Getuige [getuige 4] heeft verklaard dat hij op 1 maart 2005 een aantal van 14 pallets conservenblikken heeft getransporteerd naar een loods van Shurgard te Rotterdam. Deze getuige heeft voorts verklaard dat het twee boxen in de Shurgard loods achter het autobedrijf Van Dijk in Rotterdam betrof. De verhorend verbalisant heeft vervolgens op grond van de administratie van Shurgard achterhaald dat op de datum 1 maart 2005, twee boxen in verhuur waren aan dezelfde huurder, dat betroffen de boxen met de nummers 0211 en 0225.

h) Getuige [getuige 5] heeft verklaard dat hij ergens midden 2005, op verzoek van ene [betrokkene 21] , geregeld heeft dat een aantal pallets met levensmiddelen van [plaats] naar Shurgard in Rotterdam werd vervoerd en dat deze [betrokkene 21] hem ongeveer zes weken later heeft verzocht om een aantal pallets met conservenblikken weg te halen bij Shurgard Rotterdam. Het betrof pallets met conservenblikken asperges welke hij gratis mocht hebben. De blikken zijn bij [N] te Rotterdam opgeslagen zodat niet langer huur betaald hoefde te worden aan Shurgard.

i) Op 2 mei 2006 werd door de politie een aantal van 12 pallets met ronde en rechthoekige blikken aangetroffen in een hoek van het garagebedrijf [N] te Rotterdam. Een achttal van de pallets was voorzien van dik plastic met de originele spanbanden, een viertal van de pallets was voorzien van dun plastic zonder spanbanden. Tussen de pallets stond nog 1 lege pallet met dezelfde vorm en grootte als de andere 12 aangetroffen pallets.

6.5.5

Bolk transport Almelo

j) Naar aanleiding van de verklaring van [betrokkene 22] over pallets die zijn afgeleverd bij Bolk Transport te Almelo werd door de politie op 7 juni 2006 een onderzoek ingesteld naar de aldaar aangetroffen pallets met conserven.

6.5.6

Verband tussen bij Shurgard Amsterdam en Bolk Almelo aangetroffen blikken en de bij Shurgard Diemen aangetroffen Documenten van [verdachte]

k) Op 8 maart 2006 zijn door verbalisant [verbalisant] monsters van blikken die afkomstig zijn uit de genoemde opslagruimten van Shurgard Amsterdam, nader onderzocht. Uit een vergelijking van de productiecode met datum zoals vermeld op de opdruk op de blikken/potten en de packing lists, bleek dat een aantal blikken c.q. potten te relateren waren aan packing lists met facturen die zijn aangetroffen in de mappen ' [J] ' en 'Hibrobiologicos' welke zijn aangetroffen in de Shurgardloods aan de Sniep 21 te Diemen. Dit betrof een groot aantal blikken (vermeld in het schema - met correctie - zoals opgenomen in het proces-verbaal) afkomstig uit de volgende 4 containers:

- HLCU 226519-7 (verder de HLCU-22 );

- HLXU 201221-3 (verder de HLXU-2012 );

- KHLU 820311-0 (verder de KHLU-82 );

- KAMU 250660-7 (verder: de KAMU-25 ) .

l) De HLCU-22 bevatte volgens de packing list een lading van 20 pallets met potten en blikken groenten waarvan tenminste 11 geladen met blikken. De goederen werden verscheept met de [F] die was geladen te [plaats] , Peru. Als bestemmingshaven staat Rotterdam vermeld. Als verkoper staat vermeld: [G] te [plaats] , Peru en als koper: [H] te [plaats] , Nederland. De bij deze container horende factuur van 25 mei 2004 vermeldt een totaalbedrag van 15.850,86 USA Dollar. Van de bij Bolk in Almelo aangetroffen pallets met conserven zijn vijf pallets, waarvan vier geladen met ronde blikken, door vergelijking van dekselcodes te relateren aan deze packing list.

m) De HLXU-2012 bevatte volgens de packing list een lading van 20 pallets met potten en blikken groenten, waarvan tenminste 9 geladen met blikken.

De goederen werden verscheept met de [I] die was geladen te [plaats] , Peru. Als bestemmingshaven staat Rotterdam vermeld. Als verkoper staat vermeld: [G] te [plaats] , Peru en als koper: [J] , te [plaats] , Nederland. De bij deze container horende factuur van 20 augustus 2004 vermeldt een totaalbedrag van 17.272,38 USA Dollar.

n) De KHLU-82 bevatte volgens de packing list een lading van 20 pallets met potten en blikken asperges, waarvan tenminste 9 geladen met blikken.

De goederen werden verscheept met de [I] die was geladen te [plaats] , Peru. Als bestemmingshaven staat Rotterdam vermeld. Als verkoper staat vermeld: [G] te [plaats] , Peru en als koper: [J] te [plaats] , Nederland.

De bij deze container horende facturen van 20 augustus 2004 (één soortgelijk exemplaar gericht aan [H] met een streep door de adressering en één soortgelijk exemplaar gericht aan [J] ) vermelden een totaalbedrag van 19.340,41 USA Dollar.

o) De KAMU-25 bevatte volgens de packing list een lading van 20 pallets met potten en blikken groenten, waarvan tenminste 16 geladen met blikken. De goederen werden verscheept met de [I] die was geladen te [plaats] , Peru. Als bestemmingshaven staat Rotterdam vermeld. Als verkoper staat vermeld: [G] te [plaats] , Peru en als koper: [J] te [plaats] , Nederland. De bij deze container horende factuur van 20 augustus 2004 vermeldt een totaalbedrag van 13.207,25 USA Dollar.

6.5.7

Verband tussen andere aangetroffen blikken en packing lists

p) Vergelijking van stempels op blikken die bij Bolk-transport zijn aangetroffen met een packing list levert op dat een aantal van 8 pallets (in originele staat) gevuld met glazen potten met asperges en ronde blikken afkomstig is uit de volgende container.

- HLXU 229964-9 (verder: de HLXU-22).

q) De HLXU-22 bevatte volgens de packing list een lading van 20 pallets met potten en blikken groenten waarvan 4 met asperges in blik. De goederen werden verscheept met de [F] die was geladen te [plaats] , Peru. Als bestemmingshaven staat Rotterdam vermeld. Als verkoper staat vermeld: [G] te [plaats] en als koper: [H] te [plaats] , Nederland.

r) In de administratie van [K] zijn de packing lists aangetroffen met betrekking tot de volgende twee containers:

-HLXU 233971-5 (verder de HLXU-23);

-CRXU 241434-8 (verder: de CRXU-24).

Een viertal losse blikken dat was aangetroffen in de Shurgardloods te Amsterdam bleek na vergelijking van de stempels afkomstig te zijn uit de HLXU-23. Een vijftal blikken bleek afkomstig te zijn uit de CRXU- 24.

s) De HLXU-23 bevatte volgens de packing list een lading van 20 pallets met blikken asperges. De goederen werden verscheept met de [L] die was geladen te [plaats] , Peru. Als verkoper staat vermeld: [M] te [plaats] , Peru en als koper: [J] te [plaats] , Nederland. De bij de lading horende factuur van 20 januari 2005 vermeldt een totaalbedrg van 24.164,- USA Dollar.

t) De CRXU-24 bevatte volgens de packing list een lading van 20 pallets met blikken groente. De goederen werden verscheept met de [L] die was geladen te [plaats] , Peru. Als bestemmingshaven staat Rotterdam vermeld. Als verkoper staat vermeld: [M] te [plaats] , Peru en als koper: [J] te [plaats] , Nederland. De bij deze lading horende factuur van 20 januari 2005 vermeldt een totaalbedrag van 17.463,08 USA Dollar.

u) De CAXU-24 bevatte volgens de packing list een lading van 20 pallets met blikken groente: 17 pallets met asperges in blik en 3 pallets met paprika in blik. De goederen werden verscheept met de [L] die was geladen te [plaats] , Peru. Als bestemmingshaven staat Rotterdam vermeld. Als verkoper staat vermeld: [M] te [plaats] , Peru en als koper: [J] te [plaats] , Nederland.

v) Vergelijking van stempels op blikken die zijn aangetroffen op pallets bij het bedrijf [N] te Rotterdam met de packing lists leverde op:

- dat een aantal ronde blikken (geladen op 6 dichte pallets met originele spanbanden) afkomstig is uit de CAXU-50;

- dat een aantal rechthoekige blikken (waarvan een deel geladen op twee dichte pallets voorzien van de originele spanbanden) afkomstig is uit de HLXU-23;

- dat een aantal rechthoekige blikken (geladen op drie pallets zonder spanbanden en met dun plastic) afkomstig is uit de CRXU-24.

w) Vergelijking van stempels op bij Devon te Amsterdam aangetroffen blikken met de packing list van de CRXU-24 leverde op dat een aantal zilverkleurige ronde blikken afkomstig is uit de CRXU-24.

6.5.8

Export vanuit Peru naar Nederland

x) De [F] was het schip dat met de HLCU-22 en de HLXU-22 een lading van in totaal 40 pallets conserven vervoerde vanuit Peru. De twee containers zijn volgens de CMR vrachtbrieven op 2 juli 2004 door [H] ontvangen.

y) Voor de HLXU-2012 , de KHLU-82 en de KAMU-25 , zijn te [plaats] , Peru, op 23 augustus 2004 bills of lading afgegeven waarop telkens staat vermeld dat deze containers met inhoud op die dag aan boord van de [I] zijn ontvangen.

z) Voor de CAXU-24, HLXU-23 en de CRXU-24, zijn te [plaats] , Peru, op 24 januari 2005 bills of lading afgegeven waarop telkens staat vermeld dat deze containers met inhoud op die dag aan boord van de [L] zijn ontvangen. De bills of lading zijn op de plaats van aankomst gestempeld op 22 februari 2005.

aa) [verdachte] heeft erkend dat hij exportbedrijven uit Peru vertegenwoordigt en dat hij betrokken was bij de partijen die zijn aangetroffen bij Shurgard Amsterdam, Devon Amsterdam en de partij van Shurgard Rotterdam.

bb) In de agenda van [verdachte] staat op 16 februari m/v [L] vermeld met daarbij geschreven de nummers van containers die met dat schip zijn vervoerd. Dit betreft de lading die deels is teruggevonden bij [N] te Rotterdam.

cc) Getuige [betrokkene 17] heeft verklaard dat hij een bedrijf heeft genaamd [J] , gevestigd te [plaats] . Voorts heeft hij verklaard over de import van 20 containers van [verdachte] vanuit Peru met telkens 20 pallets conserven in de periode van 7 juli 2004 tot en met 20 mei 2005. Van de 400 pallets zouden er 62 (20+14+28) zijn geleverd aan [O] De overige pallets zouden zijn bestemd voor [betrokkene 23] te Spanje en grotendeels aan hem zijn geleverd. Deze kopers waren geregeld door [verdachte] . Het bedrijf van [verdachte] heet [A] .

6.5.9

De partij van 2 juli 2004; 20 pallets naar [O]

dd) [K] heeft bij [J] kosten in rekening gebracht in verband met de levering van de HLCU-22 en HLXU-22 op vrijdag 2 juli 2004.

ee) Getuige [betrokkene 17] heeft verklaard dat hij op 7 juli 2004 de eerste 2 containers van [verdachte] heeft binnengekregen. Dit waren asperges in blik en glas, paprika's in blik en artisjokken in glas. Deze goederen waren vanuit Peru in Rotterdam aangekomen en hij heeft ervoor gezorgd dat die goederen via [K] te Dordrecht getransporteerd werden vanuit Rotterdam naar een opslagloods op de [b-straat] te Horst. Hij is toen samen met [verdachte] naar de loods geweest waar de goederen opgeslagen waren. Van die partij waren in totaal 20 pallets voor firma [O] van [betrokkene 22] bestemd een ander deel was bestemd voor [betrokkene 23] . Op woensdagmiddag 7 juli 2004 werden gelijk 3 pallets met paprika in blik door het bedrijf [O] opgehaald bij de loods in Horst. Dat gebeurde op het moment dat [betrokkene 17] samen met [verdachte] in de loods waren. De andere 17 pallets werden op 17 september 2004 door het bedrijf [O] opgehaald, aldus getuige [betrokkene 17] . Over het inklaren van containers heeft [betrokkene 17] voorts verklaard dat hij op 14 mei 2004 [betrokkene 24] van het bedrijf [H] had benaderd voor het inklaren van de containers.

ff) [J] heeft in verband met deze zending een bedrag van € 1.730,82 bij [A] te Peru in rekening gebracht. De rekening vermeldt: "Commission 5% Sales Containers HLCU 226519-7 / HLXU 229964-9 Invoices: [betrokkene 23] en [O] .”

gg) Op 7 juli 2004 zijn drie pallets uit de HLCU-22 , genummerd 10, 11 en 12 geleverd aan [O] te [plaats] . Op 13 september 2004 zijn 17 pallets geleverd aan [O] te [plaats] . Dit betroffen de pallets 8, 9, 10, 16, 17, 18, 19 en 20 uit de HLXU- 22 en de pallets 1, 2, 5, 6, 7, 8, 9, 14 en 20 uit de HLCU-22 .

6.5.10

De partij van 28 september 2004, 14 pallets naar [O]

hh) [K] heeft op 28 september 2004 van Las Palmas te Peru 3 containers ontvangen, die afgeleverd zijn bij [P] in [plaats] . Dit betreffen de HLXU-2012 , KHLU-82 en KAMU-25 .

ii) Getuige [betrokkene 17] heeft verklaard dat hij op 28 september 2004 drie containers met asperges, artisjokken, hele bonen en paprika's, van [verdachte] binnen kreeg. Deze goederen waren allemaal verpakt in blik en glas en kwamen uit Peru. De containers waren in Rotterdam binnengekomen en [K] BV heeft ervoor gezorgd dat die goederen in Rotterdam werden opgehaald en in [plaats] werden afgeleverd. De goederen werden in een loods van het bedrijf [P] te [plaats] opgeslagen. Van die partij zijn toen weer 14 pallets naar [O] gegaan. Op 28 september 2004 werden er 7 pallets opgehaald. Op 1 oktober 2004 werden eveneens 7 pallets door [O] opgehaald.

jj) Op 28 september 2004 zijn 7 pallets geleverd aan [O] te [plaats] . Dit betroffen de pallets 6, 13 en 14 uit de HLXU-20 en de pallets 11, 12, 13 en 14 uit de KHLU-82 . Op 1 oktober 2004 zijn 7 pallets geleverd aan [O] te Almelo. Dit betroffen de pallets 1, 2, 3, 5, 11, 12 en 20 uit de KAMU-25 .

6.5.11

De partij van 24 februari 2005, 28 pallets naar [Q] ( [Q] )

kk) [K] heeft bij [J] kosten in rekening gebracht in verband met de levering van de containers :

-HLXU 208857-0 (verder: de HLXU-2088), CAXU-24, HLXU-23 en de CRXU-24. Deze 4 containers kwamen aan op 24 februari 2005 en hadden als bestemming [P] te [plaats] (opslag).

ll) Getuige [betrokkene 17] heeft verklaard dat op 24 februari 2005 containers van [verdachte] vanuit Peru in Rotterdam binnen zijn gekomen. Heel die partij werd bij [P] opgeslagen. Van die partij heeft [O] , maar nu onder de naam [Q] te Almelo, 16 pallets afgehaald. Op 1 maart 2005 werden nogmaals 12 pallets door [O] opgehaald.

mm) Op 25 februari 2005 zijn 14 pallets geleverd aan [Q] te Almelo. Dit betroffen de pallets 1, 2, 3, 4 en 5 uit de HLXU-23 en de pallets 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 12 en 13 uit de CRXU-24. Op 1 maart 2005 zijn 14 pallets geleverd aan [Q] te Almelo. Dit betroffen pallets 6 en 7 uit de HLXU-23 en de pallets 1 t/m 12 uit de CAXU-24.

Uit het voorgaande volgt dat in de periode van januari 2004 tot en met maart 2005 drie scheepsladingen groentenconserven met respectievelijk twee, drie en vier containers zijn vervoerd van [plaats] , Peru naar Rotterdam. Volgens getuige [betrokkene 17] zijn in totaal 62 pallets afkomstig uit deze 9 containers geleverd aan [O] / [Q] .

6.5.12

Zijn de pallets naar [O] of [Q] gegaan?

Onderzoek van de administratie van [J] Premium Foods, [P] , [K] , [O] , [Q] en de administratie die bij de Shurgard in Diemen en in het huis van [verdachte] in Frankrijk werd aangetroffen leverde op dat er op papier op diverse data (zoals hierboven vermeld) goederen waren geleverd aan de bedrijven [O] en [Q] . Tevens bleek dat er voor genoemde leveringen betaald was door de bedrijven [O] en [Q] .

Volgens verdachte [betrokkene 22] , die de dagelijkse leiding had van [O] , had dit bedrijf geen eigen opslagruimte en heeft hij voor [O] slechts één keer goederen van [J] opgeslagen. Dat was bij Bolk Transport te Almelo. In een volgend verhoor verklaarde hij dat de 17 pallets op 13 september 2004 zijn afgeleverd bij Bolk Transport te Almelo. Voorts erkende hij dat van de leveringen op 13 september 2004, 28 september 2004 en 1 oktober 2004 geen verkoopfacturen zijn terug te vinden in de administratie van [O] Ten aanzien van de ladingen van 25 februari 2005 en 1 maart 2005 heeft [betrokkene 22] verklaard dat [Q] die goederen niet geleverd heeft gekregen en niet weet waar de goederen naartoe zijn gegaan. [betrokkene 22] wist voorts niet af van de Devon loods in Amsterdam.

Uit de verklaringen van [betrokkene 22] kan de conclusie worden getrokken dat een administratieve verantwoording van de pallets afkomstig van de latastransporten ontbreekt. Voorts wordt geoordeeld dat de betreffende pallets feitelijk niet aan [O] of [Q] zijn geleverd. De pallets zijn, behalve de pallets die bij Bolk Transport te Almelo zijn opgeslagen, opgeslagen in loodsen die geen relatie hebben met [O] en [Q] .

6.5.13

Waar zijn de pallets heengegaan als ze niet naar [O] of [Q] gingen?

De verdachte [medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij samen met [betrokkene 3] betrokken is geweest bij het vervoer van pallets van Almelo ( [J] ) naar Shurgard in Amsterdam. Hij heeft een aantal keren een auto gehuurd. Ook heeft hij een aantal keren op verzoek van [betrokkene 3] de huur van de loods van Shurgard Amsterdam, gevestigd aan de Transformatorweg, betaald. De laatste keer dat er pallets zijn gehaald, is in februari/maart 2005 geweest. [medeverdachte 4] is toen met een chauffeur pallets wezen halen in Almelo, bij [J] . [medeverdachte 4] is met de chauffeur teruggereden. [betrokkene 3] belde dat ze naar een andere loods moesten gaan, dat betrof Devon in Amsterdam. Bij het bedrijf was [betrokkene 3] aanwezig. Dezelfde chauffeur had hiervoor pallets van [plaats] naar Shurgard in Amsterdam gereden. Toen zijn er zo'n 10 pallets met conservenblikken opgehaald bij een loods van [J] .

Bij Shurgard heeft [betrokkene 3] samen met de chauffeur de vrachtauto gelost.

De verdachte [betrokkene 3] heeft verklaard dat hij ongeveer anderhalf jaar voor zijn verhoor van 22 november 2005 voor een man genaamd [betrokkene 15] , samen met een maat van [betrokkene 15] blikken op pallets heeft gestapeld in een loods in Amsterdam. Ook heeft hij in de buurt van de metro in Amsterdam met drie andere personen blikken op pallets gestapeld. Er stonden veel dozen met blikken. De blikken waren soortgelijk aan die hij bij zijn aanhouding in de loods had gezien. Uiteindelijk stonden er 14 pallets in totaal toen ze klaar waren. Die hebben ze in folie gewikkeld. Ze hadden geen spanbanden. Bij een volgend verhoor heeft [betrokkene 3] bevestigd dat hij over de Shurgardloods aan de Transformatorweg te Amsterdam heeft verklaard en dat hij daar meerdere keren is geweest om blikken te stapelen. [betrokkene 3] heeft voorts bevestigd dat hij over de twee Devon loodsen heeft verklaard toen hij het had over de loodsen in de buurt van de metro. In de zomer van 2004 heeft hij geholpen bij Shurgard loodsen te Amsterdam. In één van de loodsen stonden drie pallets met blikken zonder etiket. In de andere loods stonden vol gestapelde pallets met blikken en allemaal vouwkratjes gevuld met conservenblikken. Daar heeft hij met ene [betrokkene 15] zeker 5 pallets gestapeld waarna zo'n 30 of 40 lege kratjes naar de woning van die [betrokkene 15] zijn gebracht.

Uit deze verklaringen van [medeverdachte 4] en [betrokkene 3] blijkt dat pallets rechtstreeks van [J] naar de loodsen gingen en dat de verdachte [betrokkene 3] daarbij betrokken was. In die loodsen zijn van de latastransporten afkomstige blikken teruggevonden. Uit het onderzoek is, zoals hiervoor uiteengezet, gebleken dat er bij Shurgard Amsterdam 15 pallets, bij Devon Amsterdam 14 pallets, bij [N] ' Rotterdam 11 pallets en bij Bolk Transport Almelo 13 pallets, dus in totaal 53 pallets en nog wat losse blikken (al dan niet in kratjes) met conserven zijn teruggevonden. Een deel van de pallets verkeerde nog in een onaangetaste staat. Een ander deel van de pallets was voorzien van dun plastic en/of zonder spanbanden.

Met betrekking tot de partij van 7 juli 2004 valt op dat er van de 20 aan [O] geleverde pallets, 14 pallets zijn teruggevonden bij Bolk-transport te Almelo. Van de drie pallets met blikken paprika die op de dag van levering volgens [betrokkene 17] direct zouden zijn opgehaald, zijn ook blikken van pallet 12 bij Shurgard in Amsterdam teruggevonden. Dit sluit aan bij de verklaring van [betrokkene 3] die in de zomer van 2004 in die loods drie pallets met blikken zonder etiket heeft gezien.

Een dergelijke gedetailleerde uitspraak kan niet gedaan worden met betrekking tot de drie containers van de partij van 28 september 2004 omdat door de wijze van verslaglegging en bemonstering van de betreffende aangetroffen blikken onduidelijk is gebleven hoeveel blikken/pallets er te herleiden zijn tot welke container.

Met betrekking tot de partij van 24 februari 2005 wordt overwogen dat van de 24 aan [Q] geleverde pallets 12 pallets bij [N] in Rotterdam zijn aangetroffen, waarvan 8 in de oorspronkelijke staat.

Een en ander leidt tot het oordeel dat de conclusie gerechtvaardigd is dat het overgrote deel van de in 2004 en 2005 verscheepte groenteconserven in november 2005 nog steeds was opgeslagen.

6.5.14

Bedrijfseconomisch doel of deklading?

De vraag is vervolgens aan de orde of uit deze feitelijke gang van zaken afgeleid dient te worden dat [verdachte] met deze handel een legaal bedrijfseconomisch doel diende of dat - zoals door de advocaat-generaal is gesteld - de conserven die zijn aangetroffen slechts deklading is die nodig is bij het smokkelen van cocaïne.

Door de verdediging is erop gewezen dat de bewijsmiddelen dienen te worden bezien in het licht van het feit dat uit het dossier onmiskenbaar volgt dat [verdachte] een exporteur is van conserven, dat een groot aantal feiten en omstandigheden in dat licht dienen te worden geplaatst en daarom niet redengevend zijn voor het bewijs van het tenlastegelegde. Zij dragen veeleer bij aan een alternatief scenario, aldus de verdediging.

Voor zover de verdediging met het noemen van een alternatief scenario bedoelt te betogen dat [verdachte] een legale handelsonderneming dreef zoals door hem is verklaard bij de politie en ter terechtzitting in eerste aanleg, kan het hof de verdediging niet volgen.

Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat de latastransporten bona fide transporten zijn nu niet valt in te zien dat er een valide bedrijfseconomische verklaring is voor de feitelijke gang van zaken. Daartoe is in het bijzonder het volgende overwogen.

- Uit de reeds genoemde bewijsmiddelen blijkt dat de pallets met conserven een relatief geringe waarde vertegenwoordigden. De kosten van opslag staan niet in verhouding tot de waarde van de opgeslagen goederen.

- Een administratieve verantwoording van de pallets ontbreekt bij [O] en [Q] . Een aantal van in ieder geval 12 van de aan [O] BV / [Q] geleverde pallets ontbreekt zelfs.

- De blikken vertegenwoordigen nauwelijks waarde. Een deel van de conserven - de pallets die bij [N] staan opgeslagen - is weggegeven. De pallets die bij Bolk Transport te Almelo staan opgeslagen zijn rijp voor de vuilstort.

- [J] heeft gefactureerd aan [O] (totaalbedrag van € 27.296,09) en [Q] (totaalbedrag € 30.292,87) en het geld na ontvangst overmaakt op bankrekeningen die direct of indirect in handen zijn van [verdachte] . [verdachte] heeft erkend dat hij opdracht heeft gegeven aan [betrokkene 25] om vanaf de bankrekening van [Q] in totaal € 30.292,87 over te maken naar [J] . [verdachte] heeft de partij van 24 februari 2005 dus (direct of indirect) aan zichzelf gefactureerd.

- Er is geen aanwijsbare bedrijfseconomische reden voor het uitpakken van verschillende pallets, het herverpakken daarvan en het ongemoeid laten van het andere deel van de pallets.

Voor zover door de verdediging nog is aangevoerd dat exportfraude als alternatief scenario een verklaring kan geven voor de bevindingen van de recherche omtrent de latastransporten beschouwt het hof dat standpunt van de verdediging niet als een standpunt waarop inhoudelijk dient te worden gerespondeerd. Het standpunt betreft immers een door de verdediging niet uitgewerkt (mogelijk) alternatief zonder dat een van de verdachten heeft gesteld dat een dergelijk alternatief op waarheid berust. Bedoeld mogelijk alternatief is niet met concrete feiten en omstandigheden onderbouwd. Er doet zich geen Meer en Vaartsituatie voor.

Het hof komt tot de slotsom dat met de latastransporten cocaïne is vervoerd van Peru naar Nederland en dat dit tevens een verklaring geeft voor de (deels waardeloze) blikken die zijn aangetroffen op de diverse locaties omdat het in de rede ligt dat deze als deklading hebben gediend. Anders dan de verdediging heeft betoogd, is het hof van oordeel dat op grond van bewijsmiddelen wel wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van de onder 2 ten laste gelegde feiten (de latastransporten).

Dat er contrabande was en dat dit cocaïne was, vindt naast de reeds genoemde bewijsmiddelen - in hun onderling verband en samenhang bezien - zijn verankering in:

I De verklaring van [medeverdachte 4]

[medeverdachte 4] heeft verklaard: " [betrokkene 3] ( [betrokkene 3] ) en ik hebben toen ook gesproken over de andere keren dat ik betrokken was geweest bij het regelen van het vervoer van pallets met blikken. Hiermee bedoel ik mijn verklaring met betrekking tot de Shurgard loodsen en de Devon loodsen. [betrokkene 3] zei me dat er toen ook transporten waren geweest van cocaïne."

II De bewijsmiddelen van het onder 1 bewezen verklaarde feit (schakelbewijs)

Het hof heeft in zijn afweging mede betrokken dat de feitelijke gang van zaken ten aanzien van deze feiten, waaronder begrepen de context waarbinnen zij zich hebben toegedragen en de omstandigheden waarmee zij zijn omgeven, op essentiële punten belangrijke overeenkomsten vertoonde met de feitelijke gang van zaken ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde transport. De bewijsmiddelen van het onder 1 bewezen verklaarde feit zijn dan ook mede redengevend voor het bewijs van het onder 2 ten laste gelegde.

6.5.15

Overeenkomsten zaken Asperge en Latas

Het aspergetransport (feit 1) en de latastransporten (feit 2) vertonen de volgende op essentiële punten belangrijke overeenkomsten.

1. Alle transporten waren afkomstig uit [plaats] ;

2. Alle transporten hadden de bestemming Rotterdam;

3. [verdachte] was bij alle transporten betrokken;

4. [betrokkene 3] was bij alle transporten betrokken;

5. [medeverdachte 4] was bij alle transporten betrokken;

6. Alle transporten bevatten volgens de packing lists groenten ;

7. Alle transporten bevatten meerdere pallets met gelijksoortige blikken zonder etiket;

8. Alle transporten bevatten pallets die in Nederland werden 'omgestapeld;'

9. Alle transporten bevatten pallets die ongemoeid werden gelaten..

10. Alle pallets werden na aankomst opgeslagen bij een 'tussenhandelaar'.

11. Voor geen van de pallets was voor de levering een koper bekend anders dan een tussenpersoon zoals [J] of [betrokkene 10] .

Ad 8 en 9) In de kern komt het omstapelen erop neer dat tussen partijen gelijksoortige blikken zonder etiket, blikken verstopt zitten waardoor het noodzakelijk is om deze te sorteren zoals door [medeverdachte 4] is verklaard. Voor het terugvinden van de blikken werden aantekeningen gebruikt. Uiterlijk gelijksoortige blikken, die volgens de packing listst volledig gelijksoortig zouden moeten zijn, maar in werkelijkheid cocaïne bevatten, dienen te worden onderscheiden en fysiek te worden afgescheiden van de deklading. Omdat - zoals bleek uit het aspergetransport - niet alle pallets blikken met contrabande bevatten, blijft een deel van de pallets ongemoeid. Dergelijke nog afgesloten pallets zijn, zoals hiervoor reeds vermeld aangetroffen in de latastransporten. Dit gaat ook op met betrekking tot het aspergetransport.

Ad 10) De eerste transporten gingen naar een opslag van [H] , de volgende transporten gingen naar de opslag van [J] ( [P] ) en het laatste transport ging naar de opslag van [betrokkene 11] .”

20. Schakelbewijs kan in een bewijsconstructie worden toegepast als de feitelijke gang van zaken (het complex van gedragingen; de context) die aan elk van de feiten 1 en 2 ten grondslag ligt ten opzichte van elkaar op essentiële punten zulke belangrijke overeenkomsten vertoont, dat ook zonder dat ten aanzien van een bepaald tenlastegelegd onderdeel van feit 2 afzonderlijk bewijs aanwezig is, het bewijs daarvoor mag worden afgeleid uit de hoge mate van overeenkomst met de feitelijke gang van zaken onder feit 1.6 Het bewijsmateriaal dat voor feit 1 voorhanden is, kan dan onder die bepaalde omstandigheden worden aangemerkt als redengevend voor feit 2, omdat de gelijke modus operandi het zeer waarschijnlijk maakt dat feit 2 op eenzelfde manier heeft plaatsgevonden als feit 1.7 Vereist is dan uiteraard wel dat de rechter het gebruik van schakelbewijs nauwkeurig toelicht in een nadere bewijsoverweging en uitlegt dat en waarom sprake is van een bepaald patroon dat vanwege zijn specifieke elementen (tevens) een samenstellend deel kan vormen van de bewijsconstructie ten aanzien van feit 2.

21. Naar mijn inzicht voldoen de overwegingen van het hof volledig aan de kwaliteitseisen die gesteld worden aan het gebruik van schakelbewijs. Het hof heeft met voldoende precisie uiteengezet waaruit de overeenkomsten tussen de beide bewezenverklaarde feiten en derhalve de kracht van het schakelbewijs in de onderhavige zaak bestaan - niet alleen met betrekking tot het binnen het Nederlands grondgebied brengen van partijen cocaïne op de onder feit 1 respectievelijk feit 2 tenlastegelegde data in 2004 en 2005, maar ook ten aanzien van de rol die daarbij steeds aan de verdachte kan worden toegekend -, en dat de verdachte daartegenover geen aannemelijk ontlastend scenario heeft geplaatst. Wat het alternatief scenario betreft, heeft het hof de stelling van de verdediging dat de verdachte van niets wist en zich uitsluitend bezighield, of telkens meende bezig te zijn, met de import van ingeblikte asperges op valide gronden als niet geloofwaardig van tafel geveegd.

21. Anders dan de steller van het middel aanvoert, stond de verdachte er niets aan in de weg om met onderbouwing van concrete feiten en omstandigheden een toelichting te geven op zijn alternatieve lezing. Dat had gekund via zijn raadsman, die door de verdachte uitdrukkelijk was gemachtigd de verdediging te voeren, of door het overleggen van een schriftelijke verklaring van zijn hand. In plaats daarvan koos de verdachte ervoor om te weigeren een verklaring vanuit detentie in Peru af te leggen en, na al die tijd, pas vier dagen voor aanvang van de inhoudelijke behandeling van alle strafzaken (dus ook die van zijn medeverdachten) alsnog te kennen te geven bereid te zijn een verklaring af te leggen. Laat ik het in rond Nederlands zeggen: dat riekt naar traineren.

21. Het door het tweede middel aangevallen oordeel van het hof, getuigt mijns inziens niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

21. Het tweede middel faalt eveneens.

21. Het derde middel klaagt over ’s hofs afwijzing van het (voorwaardelijke) verzoek van de verdediging om [betrokkene 26] als getuige te (doen) horen.

21. Het hof heeft het (voorwaardelijke) verzoek bij arrest afgewezen onder de navolgende motiveringen (p. 19 en 24):

“25. Tot slot heeft de verdediging verzocht om [betrokkene 26] als getuige te doen horen, aangezien deze persoon zich zou hebben uitgegeven voor [betrokkene 27] (blz. 47 pleitnota mr. Taekema).

Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien op grond waarvan het verhoor van deze persoon, die beweerdelijk in Peru actief geweest zou zijn, noodzakelijk is in de zaak van de verdachte [medeverdachte 1] , die - evenals zijn medeverdachten - wordt verdacht van in Nederland gepleegde feiten. (…)

5.3

Overige verzoeken (…) Ook heeft de raadsman van [verdachte] in aanvulling op de pleitnotities een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen als getuige van [betrokkene 26] . Het verzoek wordt afgewezen op de onder 25 weergegeven gronden.”

27. Aan de steller van het middel kan worden toegegeven, dat deze afwijzing ziet op het verzoek, en de onderbouwing daarvan, van de raadsman van medeverdachte [medeverdachte 1] , terwijl de raadsman van de verdachte aan zijn (voorwaardelijk) verzoek een ander belang had verbonden: [betrokkene 26] zou volgens de verdachte en zijn raadsman namelijk in werkelijkheid [betrokkene 27] zijn, de oprichter van ‘ [C ] ’, het bedrijf dat door het openbaar ministerie verantwoordelijk wordt gehouden voor de verzending van de cocaïne uit Peru.

27. De stelling van de verdediging luidt dat [betrokkene 26] zich zou hebben bediend van de naam [betrokkene 27] . Dat betekent dat [betrokkene 27] onder een valse naam bij de notaris het bedrijf ‘ [C ] ’ heeft opgericht. Volgens de advocaat-generaal ligt het anders, en is de naam [betrokkene 27] gewoon een alias van de verdachte; deze namen betreffen in werkelijkheid één en dezelfde persoon. De verdediging heeft dit weersproken en meegedeeld dat er naar werd gestreefd om meer informatie te verkrijgen. Dat is kennelijk niet gelukt, de verdediging heeft geen nadere persoonsgegevens over deze [betrokkene 27] kunnen verstrekken, noch een woon- of verblijfplaats of een telefoonnummer.

27. In dat verband is het van belang hier op te merken dat het hof nog in algemene zin het volgende heeft overwogen (p. 4-6):

“5. Beslissingen op verzoeken

5.1

Algemeen

De raadslieden hebben op 20.oktober 2014 ter zitting op een daartoe strekkende vraag van de voorzitter bevestigd dat de verzoeken die op dat moment gedaan werden behoren te worden aangemerkt als in de plaats komend van alle eerder gedane verzoeken, zodat uitsluitend de op 20 oktober 2014 gedane verzoeken ter beslissing van het hof voorliggen. (…)

In algemene zin wijst het hof op het volgende. Bij de beoordeling van de getuigenverzoeken gaat het om de vraag of het verzochte noodzakelijk is voor enige te nemen beslissing, dan wel of overigens de noodzaak van het verzochte aan het hof is gebleken. In deze zaken is sprake van een zeer groot tijdsverloop. In november 2005 is een groot aantal verdachten aangehouden. De vonnissen van de rechtbank in alle zaken dateren van maart 2008. Na een regiezitting in hoger beroep in 2008 is de zaak verwezen naar de rechter-commissaris bij de rechtbank. Gedurende ongeveer drie jaar zijn slechts beperkt onderzoeksresultaten geboekt. Na een nieuwe regiezitting op 3 oktober 2011 hebben vervolgens zittingen plaatsgevonden op 16 april 2012 en 3 mei 2012, 20 september 2012, 6 en 20 juni 2013, 5 november en 6 december 2013. Onder meer als gevolg van voor het hof onverwachte ontwikkelingen (te weten de aanhouding van (mede-)verdachte en getuige [verdachte] in Peru op 23 november 2013) heeft de inhoudelijke behandeling, die gepland was in de periode van 25 november 2013 tot en met 6 december 2013 geen doorgang gevonden. Medio maart 2014 is in overleg getreden met de raadslieden van de verdachten over de data waarop de voortzetting van de inhoudelijke behandeling zou kunnen plaatsvinden. Blijkens de interne administratie van het hof zijn de voorgenomen zittingsdata vanaf 20 oktober 2014 voor de voortgezette inhoudelijke behandeling op 18 maart 2014 bericht aan alle raadslieden. Vanaf 20 oktober 2014 heeft de inhoudelijke behandeling ter zitting plaatsgevonden. Arrest is bepaald op 21 november 2014. Gelet op dit tijdsverloop zijn de belangen van een doeltreffende en spoedige berechting, afgezet tegen alle andere belangen die een rol spelen in het kader van de voorliggende beslispunten, thans verhoudingsgewijs zwaarder gaan wegen dan aan het begin van de behandeling in hoger beroep”.

30. Mede gelet op het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:1496, NJ 2014/441 m.nt. Borgers en het gegeven dat de verdediging omtrent de getuige [betrokkene 26] geen concrete persoons- en adresgegevens heeft kunnen produceren, meen ik dat de afwijzing van het (voorwaardelijk) verzoek om [betrokkene 26] als getuige te (doen) horen niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigt en toereikend is gemotiveerd.

30. Het derde middel faalt.

30. Het vierde middel komt op tegen de verwerping van het verweer strekkende tot de niet-ontvankelijkheid in de vervolging van het openbaar ministerie in verband met schending van het ‘ne bis in idem’-beginsel en/of beginselen van een behoorlijke procesorde, waaronder het ‘ne bis in vexari’-beginsel, doordat het openbaar ministerie willens en wetens een vervolging in Peru heeft doen entameren, dan wel een afspraak heeft gemaakt met de Peruaanse autoriteiten over de vervolging van de verdachte ter zake van dezelfde feiten waarvoor de verdachte in Nederland wordt vervolgd, althans ter zake van feiten die met die feiten onlosmakelijk zijn verbonden of daaruit voortkomen.

30. Het hof heeft met betrekking tot dit verweer als volgt beslist:

“6.2 Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

(…)

De raadsman van [verdachte] stelt dat in januari 2006, in Peru een deal is gesloten tussen de Nederlandse en Peruaanse autoriteiten, inhoudend dat afgesproken is dat "Nederland de drugs doet en Peru het geld". Voorts stelt de raadsman dat in strijd met de afspraak is ingestemd met vervolging in Peru voor dezelfde feiten als die thans aan het oordeel van het hof zijn onderworpen, te weten de Latas-transporten, alsmede vervolging in Peru wegens witwassen terwijl in Nederland een ontnemingsvordering is ingesteld. Door de feitelijke overdracht van het dossier Jasmijn en deze afspraken over de vervolging wordt [verdachte] in twee Staten voor hetzelfde feitencomplex vervolgd, aldus de verdediging.

Het hof gaat uit van de navolgende feiten en omstandigheden :

- [verdachte] is op 12 november 2005 aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij invoer in Nederland van een grote hoeveelheid cocaïne. Vanaf die datum tot en met 11 november 2008 heeft hij zich in Nederland in voorlopige hechtenis bevonden.

- De aan het oordeel van het hof onderworpen strafbare feiten staan vermeld in de tenlastelegging en zijn in dit arrest weergegeven en betreffen - kort gezegd - invoer in Nederland van hoeveelheden cocaïne in 2004 en 2005.

- Het ontnemingsdossier, gebaseerd op het onder 2 ten laste gelegde feit, is op dit moment niet onderworpen aan het oordeel van het hof en bevindt zich bij de rechtbank Rotterdam.

- Naar Nederlands recht is 'witwassen' een ander strafbaar feit dan betrokkenheid bij invoer in Nederland van een (grote) hoeveelheid cocaïne.

- Op 12 januari 2006 zouden in Peru afspraken zijn gemaakt over de vervolging tussen de daartoe bevoegde autoriteiten.

- In Peru zijn beslagen gelegd op bezittingen van [verdachte] en familieleden. Naar het hof begrijpt heeft dit plaatsgevonden ná de genoemde bijeenkomst in januari 2006.

- [verdachte] bevindt zich sedert 23 november 2013 in Peru in detentie. Naar het hof begrijpt is er nog geen definitieve aanklacht, maar wordt hem in Peru witwassen verweten van gelden verkregen uit cocaïne transporten. In ieder geval is in Peru nog niet ten gronde onherroepelijk over de hem verweten feiten beslist.

Uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden leidt het hof allereerst af dat geen sprake is van 'hetzelfde feit' in de zin van artikel 68 Wetboek van Strafrecht. Het hof heeft hierbij de criteria geformuleerd in HR 1.2.2011, ECLI:NL:HR:BM9102 toegepast. Het verbod cocaïne in te voeren als neergelegd in de Opiumwet strekt ter bescherming van de volksgezondheid tegen voor de volksgezondheid schadelijke stoffen. Witwassen is een vorm van begunstiging waarbij de integriteit van het financiële en economische verkeer voorop staat. De juridische aard van de feiten wijst er dus op dat het gaat om verschillende gedragingen in de zin van genoemd artikel. Dat beide feiten naar Nederlands recht misdrijven betreffen, doet daar niet aan af, aangezien de hoogte van de strafbedreiging sterk uiteenloopt.

De feiten waarvoor [verdachte] zich in deze zaak dient te verantwoorden zijn gepleegd in Nederland. Naar het hof begrijpt zou het witwassen in Peru gepleegd zijn. Dit verschil is dermate groot dat ook op deze grond niet de conclusie getrokken kan worden dat sprake is van hetzelfde feit als bedoeld in art. 68 Wetboek van Strafrecht.

Voor zover de verdediging zou betogen dat [verdachte] in Peru vervolgd wordt wegens de als uitvoer van cocaïne geduide Latas-transporten (het hof begrijpt aldus de vijfde alinea op blz. 33 van de pleitnota - "Immers hebben de Nederlandse autoriteiten…”-) , dan geldt het volgende.

Het verbod cocaïne uit te voeren en het verbod cocaïne in te voeren zijn gegeven met het oog op de belangen van de volksgezondheid. De geschonden rechtsbelangen zijn echter andere. Uitvoeren is bovendien iets anders dan invoeren. Ook de pleegplaats - Peru versus Nederland - is zeer verschillend. Deze verschillen brengen mee dat geen sprake is van hetzelfde feit als bedoeld in art. 68 Wetboek van Strafrecht. Daarnaast geldt dat ingevolge het derde lid van art. 68 Wetboek van Strafrecht niemand kan worden vervolgd wegens een feit dat te zijnen aanzien in een vreemde Staat onherroepelijk is afgedaan. In deze zaak is daarvan geen sprake blijkens de hiervoor vastgestelde feiten.

Slotsom is dat geen strijd is met ne bis in idem. De vraag of hetzelfde heeft te gelden ten aanzien van de ontnemingsvordering op basis van de Latas transporten ten opzichte van het witwas-verwijt in Peru ligt niet ter beoordeling voor.

Van schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde (nemo debet bis vexari) kan gezien het voorafgaande evenmin sprake zijn. Voor niet ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, bewijsuitsluiting dan wel strafmaat vermindering is geen grond. Het verzoek mw mr Mol te horen wordt afgewezen op de hiervoor onder 4 weergegeven gronden.”

34. Wat de beoordeling van dit middel betreft, meen ik het hier, onder verwijzing naar mijn bespreking van het eerste middel, kort te mogen houden. Het verweer van de verdediging houdt naar de kern bezien enkel in dat de verdachte in Peru wordt vervolgd (althans daar is aangehouden) in verband met een verdenking inzake witwassen met opbrengsten die uit de zaak Latas (feit 2) afkomstig zijn, en dat dit het resultaat is van een ‘deal’ tussen de Nederlandse en Peruaanse justitiële autoriteiten.8 Gelet op hetgeen in dit verband door de raadsman is aangevoerd, meen ik dat dat het oordeel van het hof dat het openbaar ministerie in de strafvervolging van de verdachte ontvankelijk is, niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigt en toereikend is gemotiveerd. Allereerst is inderdaad geen sprake van hetzelfde feit in de zin van art. 68 Sr. Ik volsta met een verwijzing naar het arrest van HR 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM9102, NJ 2011/394 m.nt. Buruma: ‘De tenlastelegging is toegesneden op art. 10a Opiumwet en de vordering tot wijziging van de tenlastelegging op art. 420bis Sr. Zowel het verschil in de juridische aard van de aan de verdachte verweten feiten als het verschil tussen de omschreven gedragingen is dermate groot dat geen sprake kan zijn van "hetzelfde" feit in de zin van art. 68 Sr.’ De stelling in de toelichting op het middel dat de onderhavige zaak noopt tot een ruimere uitleg van het ne bis in idem-beginsel dan in de bestendige rechtspraak van de Hoge Raad gebruikelijk is, maakt dit niet anders. Voorts vermag ik niet in te zien dat en waarom in het onderhavige verband sprake zou zijn van schending van enig beginsel van behoorlijke procesorde. Daarbij merk ik nog een keer op dat de verdachte geheel uit vrije wil en beweging naar Peru is teruggegaan; het openbaar ministerie staat daar volledig buiten. Dat Peru de verdachte heeft aangehouden en tot vervolging wegens witwassen is overgegaan, raakt de ontvankelijkheid van het Nederlandse openbaar ministerie met betrekking tot de in de onderhavige zaak tenlastegelegde feiten niet.

35. Het middel faalt.

35. Het vijfde middel keert zich tegen ’s hofs afwijzing van het (voorwaardelijk) verzoek van de verdediging om de officier van justitie mr. Mol als getuige te horen.

35. Het hof heeft de afwijzing als volgt gemotiveerd (arrest. p. 7-8):

“4. Het horen als getuige van mevr. mr. Mol, officier van justitie, ter toetsing van de startinformatie in Jasmijn.

Het heeft er volgens de verdediging alle schijn van dat de belangrijkste informatie afkomstig was van de Britse autoriteiten, maar met tussenkomst van de Spaanse aan de Nederlandse autoriteiten werd verstrekt. Het gaat de verdediging om de vraag wat de Nederlandse autoriteiten wisten, en of in deze strafzaak welbewust werd samengewerkt met een (aanvankelijk) van vervolging vrijgestelde co-conspirator/betrokkene/niet verdachte, aldus de verdediging.

Het hof overweegt als volgt. Naar de kern genomen brengt de stelling van de verdediging mee dat wordt onderzocht of sprake is van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Naar het oordeel van het hof voldoet hetgeen door de verdediging is aangevoerd niet aan hetgeen de Hoge Raad in rechtsoverweging 2.7 van het arrest van 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:1496 heeft uiteengezet. Het hof acht het verzoek onvoldoende concreet en onderbouwd. Het verzoek dient reeds op deze grond te worden afgewezen. De teamleiders van het Nederlandse, Spaanse en Britse politieonderzoek zijn door de raadsheer-commissaris in aanwezigheid van de advocaten gehoord. Ook [betrokkene 28] , die bij diverse overleggen aanwezig is geweest, is op deze wijze gehoord. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting verantwoording afgelegd. Gelet hierop en alles afwegend acht het hof het horen van mevr. mr. Mol als getuige niet noodzakelijk voor enige te nemen beslissing in deze zaak. Het verzoek wordt derhalve afgewezen.”

38. De klacht luidt dat deze motivering van de afwijzing van het (voorwaardelijk) verzoek om de officier van justitie als getuige te horen, enkel ziet op hetgeen mr. Taekema in de zaak van medeverdachte [medeverdachte 1] naar voren heeft gebracht, maar geen betrekking heeft op de kwestie die de raadsman in de zaak van de verdachte als reden voor het verzoek heeft aangevoerd, te weten het belang en de noodzaak tot het horen van de verzochte getuige in verband met de afspraken met de Peruaanse autoriteiten over de vervolging van de verdachte en de achtergronden daarvan. De steller van het middel lijkt hier op het eerste gezicht een punt te hebben, maar dat lijkt mij bij nadere beschouwing van de stukken van het geding toch niet het geval te zijn.

38. Zo zijn vooreerst omtrent de start van het onderzoek en de gang van zaken daaromheen verschillende verbalisanten in aanwezigheid van de raadslieden gehoord, onder wie de projectleider Kruijk en de door het hof genoemde [betrokkene 28] (arrest, p. 8). De getuige [getuige 6] is zelfs tweemaal gehoord, eenmaal in eerste aanleg en eenmaal bij de raadsheer-commissaris. Bovendien heeft [getuige 6] een aanvullend proces-verbaal over de gang van zaken opgemaakt. Wellicht belangrijker dan dat is, dat de advocaat-generaal op de terechtzitting van het hof verantwoording afgelegd, aldus het hof. Ik heb het requisitoir en de repliek van de advocaat-generaal er op nagelezen, en inderdaad geeft zij daarin opening van zaken over de afspraken met de Peruaanse autoriteiten over de vervolging van de verdachte en de achtergronden daarvan. Ik citeer uit haar repliek (p. 25-26):

“In mijn requisitoir had ik al aangegeven dat er geen regels in het Internationaal strafrecht zijn over de vervolging. Ik heb daar uitvoerig over gesproken. Jammer is dat de raadsman geen link naar dat betoog legt. Wat er gebeurd is, is wat die regels zeggen; de meer seniore leden van de vervolgende instanties (OM voor Nederland) bespreken dat met elkaar. Dat is hier ook gebeurd. Dat is geen ‘deal’ zoals de raadsman stelt. Dat is volgens de regels van het Internationale Strafrecht. Ik erken die verdeling van die vervolging. Naar mijn oordeel is die afspraak niet geschonden. Wij hebben in Nederland verdachte voor de drugs vervolgd. Daar hoort bij: het voordeel dat hij uit die feiten had, ontnemen. Peru heeft zich ook aan de afspraak gehouden. Peru stelt immers dat [verdachte] vermogen heeft verkregen uit criminele activiteiten en dat hij de aard, herkomst verborgen en verhuld heeft. Aan de afspraak: Peru vervolgt het geld, Nederland vervolgt de drugs, kan de verdachte niet een recht ontlenen. Het is een afspraak tussen Staten hoe de vervolging voor strafbare feiten verdeeld zal zijn.”

40. Voorts heeft het hof met betrekking tot de verzoeken van de raadslieden nog in algemene zin overwogen, hetgeen ik hierboven onder 29 heb aangehaald en hier herhaal.

40. Op grond van het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, meen ik, met verwijzing naar het overzichtsarrest inzake het horen van getuigen van de Hoge Raad van 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:1496, NJ 2014/441 m.nt. Borgers en in het licht van hetgeen de verdediging te dezen heeft aangevoerd, dat de afwijzing van het (voorwaardelijk) verzoek om mr. Mol als getuige te horen niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigt en toereikend is gemotiveerd.

40. Alle middelen falen en kunnen naar het mij toeschijnt worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

40. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

40. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie wat de rechtspraak betreft onder meer HR 8 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR8428, NJ 2005/229 en HR 17 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:638.

2 Vgl. A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Wolters Kluwer: Deventer 2015, p. 225 e.v. en p. 230.

3 Zie HR 14 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AJ1420, NJ 2005/182 m.nt. Knigge en A.J.A. van Dorst, a.w., p. 278.

4 HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma.

5 Vgl. HR 5 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ1668, NJ 2006/663 en HR 19 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ1658.

6 Vgl. HR 17 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:326, NJ 2015/487 m.nt. Borgers en HR 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1817, NJ 2015/488 m.nt. Borgers.

7 Borgers heeft in zijn noot onder HR 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1817, NJ 2015/488 verschillende voorbeelden aangehaald in het kader van de unus testis nullus testis-regel en daarbij gewezen op het gevaar van foutmarges. Zie ook de noot van Rozemond onder HR 10 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1354, NJ 2014/329.

8 Zie de op de terechtzitting van het hof d.d. 29 oktober 2014 overgelegde pleitnotities, p. 24 tot en met 37.