Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:315

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-03-2016
Datum publicatie
12-05-2016
Zaaknummer
14/05898
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:771, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Onderzoek “Jasmijn”. HR: art. 81.1 RO en ambtshalve vermindering van de opgelegde straf i.v.m. overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/05898

Zitting: 8 maart 2016

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 21 november 2014 door het gerechtshof Den Haag wegens primair “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet” veroordeeld tot zes jaren gevangenisstraf.

  2. Er bestaat samenhang tussen de zaken 14/05898, 14/06312, 15/00042, 15/00045 en 15/01530. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.

  3. Namens de verdachte heeft mr. J.Y. Taekema, advocaat te 's-Gravenhage, zes middelen van cassatie voorgesteld.

  4. Inleidend schets ik in het kort de feitelijke gang van zaken zoals door het hof is vastgesteld:

Degenen die in de onderhavige zaak Asperge, die deel uitmaakt van het onderzoek 'Jasmijn', in beeld komen, zijn de hoofverdachten [medeverdachte 5] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en de verdachte. De verdachte is kennelijk bevriend met zowel [medeverdachte 5] als met [medeverdachte 2] . [medeverdachte 3] is een neef van [medeverdachte 5] . [medeverdachte 5] zou de grote organisator zijn van een transport van ongeveer 1650 kilo cocaïne in ronde blikken paprika en platte blikken asperges, in drie containers verscheept vanuit Peru, waar [medeverdachte 5] zijn bedrijf [A] heeft, naar de Rotterdamse haven. Op 1 november 2005 komt het motorschip ' [B] ' de haven van Rotterdam binnen. De douane ontdekt de contrabande op 8 en 9 november. De cocaïne wordt vervolgens in beslag genomen, met uitzondering van een blik met 303 gram cocaïne; dit blik wordt teruggeplaatst en onder controle gehouden. Op 10 november vliegen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] op verzoek van [medeverdachte 3] naar Nederland om te helpen uitpakken. Op 11 november arriveert [medeverdachte 5] in Nederland. Op dezelfde dag worden de containers overgebracht naar een loods in Zwanenburg. Op 12 november rijdt [medeverdachte 2] samen met enkele anderen naar die loods om de blikken cocaïne te scheiden van de andere blikken. [medeverdachte 2] had op de heenweg vreemd rijgedrag vertoond; richting aangeven naar links, en dan plotseling hard rechtdoor rijden, en soms hard, dan weer zacht rijden. In de loods keert [medeverdachte 2] zijn auto direct zodanig dat hij gelijk weer weg kan rijden. Met behulp van een briefje met kruisjes wordt gezocht naar bepaalde blikken, die daarna apart worden gezet. Op een bepaald moment zegt een zekere [betrokkene 3] , die een ruitjespapiertje met getekende lijnen en vakjes bij zich heeft, dat er iets niet klopt. Er wordt gebeld. Even later geeft [medeverdachte 2] het sein dat er gestopt moet worden. Allen verlaten de loods.

[betrokkene 3] en [medeverdachte 4] zetten [betrokkene 1] en [betrokkene 2] af en praten samen na. Dan komt ter sprake dat het over cocaïne gaat, waarbij [betrokkene 3] zich hevig teleurgesteld toont. Later op de dag begeven de verdachte, [medeverdachte 5] , [betrokkene 5] , [medeverdachte 3] en [betrokkene 6] zich naar de loods. De verdachte heeft onderweg telefonisch contact met [medeverdachte 2] en zegt tegen [medeverdachte 2] dat hij naar de loods gaat en dat [medeverdachte 2] opnieuw naar de loods moet komen. [medeverdachte 2] belt [betrokkene 3] en zegt dat de baas naar de loods komt. [medeverdachte 2] haalt [betrokkene 3] op en samen rijden ze naar de loods. [medeverdachte 2] beschikt over de sleutel en maakt de loods open. Vooral [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] voeren in de loods een discussie en vragen aan elkaar: 'Hoe kan dat nou?, dit kan niet'. Men raakt geïrriteerd en er wordt druk getelefoneerd; de sfeer is gespannen. Er wordt gesproken over codes die niet kloppen. Op dat moment vindt een inval plaats en worden de betrokkenen aangehouden.

5. Het eerste middel klaagt, als ik het goed begrijp, dat het hof aan de tenlastelegging ten onrechte een primair/subsidiair karakter heeft gegeven in plaats van deze als een cumulatieve of alternatieve variant aan te merken.

6. Ook na herhaalde lezing is mij niet duidelijk wat de steller van het middel precies voor ogen staat; het belang van dit middel ontgaat mij. Na aanpassing van de omschrijving van de tenlastelegging in eerste aanleg op 2 oktober 2006 en na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg op 28 januari 2008 zijn de bewoordingen van de tenlastelegging immers gegoten in een duidelijk primair/subsidiaire vorm. Ik citeer uit de tenlastelegging, voor zover hier van belang: ‘subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden’. Het hof is, geheel in lijn met het in dit verband geldende strafvorderlijke voorschrift, eerst nagegaan of op grond van het primaire gedeelte een veroordeling kan volgen en is tot een bevestigend antwoord gekomen. Dat betekent dat het hof niet meer kon, zelfs mocht toekomen aan het subsidiaire gedeelte. Meent de steller van het middel nu dat het hof zich niettemin (toch) had moeten uitlaten over het tweede, subsidiaire gedeelte van de tenlastelegging? Hoe dan ook, van een onjuiste rechtsopvatting bij het hof is geen sprake, noch van een onbegrijpelijk oordeel.

7. Het eerste middel faalt.

8. Hetgeen als het tweede middel wordt gepresenteerd, voldoet door zijn blote herhalingen van stellingen en verweren waarop het hof heeft beslist, en zijn algemene strekking, niet aan de eisen die aan een cassatiemiddel moeten worden gesteld. Er is geen sprake van een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. Betoogd wordt a. dat er sterke aanwijzingen zijn dat de Britse autoriteiten een criminele burgerinfiltrant hebben ingezet, b. dat wanneer Britse ‘disclosure rules’ er aan in de weg staan dat bepaalde informatie wordt prijsgegeven ervoor gekozen kan worden het toetsingskader te volgen van de aangezochte Staat, te beoordelen door zijn eigen rechter, c. dat de Britse teamleider heeft geweigerd zijn verhoor af te maken op grond van de ‘line of questioning’, d. dat aan de eerlijkheid van het proces tegen de verdachte in ernstige mate afbreuk wordt gedaan door het achterwege blijven, en laten, van de informatie over het opsporingstraject aan Britse zijde en hetgeen daarover met de Nederlandse autoriteiten werd gedeeld, e. dat het verzoek tot toevoeging van het Engelse strafdossier aan de processtukken is afgewezen en f. dat dit (alles) uiteindelijk maakt dat van de waarheidsvinding bij het hof weinig terecht is gekomen. Voorts wordt gesteld dat het oordeel van het hof dat zich geen situatie voordoet van onthouding van relevante informatie door het openbaar ministerie onbegrijpelijk is, en dat de verwerping van het gevoerde niet-ontvankelijkheidsverweer niet (zonder meer) begrijpelijk is.

9. Maar waarom te dien aanzien, dus op welke grond precies, de door het hof gegeven beslissingen onjuist of onbegrijpelijk zijn, blijft in het vage.

10. Het derde middel klaagt dat het recht op een eerlijk proces en het ondervragingsrecht als bedoeld in art. 6 EVRM is geschonden doordat het verzoek van de verdediging om medeverdachte [medeverdachte 5] als getuige te (doen) horen ten onrechte is afgewezen, althans dat de afwijzing van dit verzoek op onbegrijpelijke of niet zonder meer begrijpelijke wijze is afgewezen.

11. Alvorens op het middel in te gaan, stel ik voorop dat [medeverdachte 5] , een getuige à decharge, al op 11 juli 2006 door de rechter-commissaris was gehoord in aanwezigheid van de raadslieden. Dat neemt niet weg dat het hof aanvankelijk het verzoek van de verdediging om [medeverdachte 5] als getuige te horen had toegewezen, met de bedoeling dat hij op de terechtzitting van het hof zou worden gehoord. Terwijl [medeverdachte 5] op 23 november 2013 op het punt stond vanuit Peru naar Nederland te vertrekken om de terechtzitting bij te wonen, werd hij in Peru aangehouden. Het hof gaf bij tussenbeslissing van 6 december 2013 een (herhaald) bevel tot oproeping van deze getuige op de terechtzitting in oktober 2014, zij het tevergeefs omdat Peru [medeverdachte 5] niet in vrijheid stelde. Uiteindelijk heeft het hof het genoemde verzoek alsnog afgewezen. De motivering van 's hofs beslissing luidt als volgt:

“1. Het horen als getuige van medeverdachte [medeverdachte 5] .

Het hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

a. [medeverdachte 5] is op 23 november 2013 aangehouden en hij is sedertdien gedetineerd in Peru.

Ter zitting van 25 november 2013 heeft de raadsman van [medeverdachte 5] verklaard (blz. 16 proces-verbaal): "Mijn cliënt wenst niet verhoord te worden via videoconferentie of middels een rogatoire commissie. ... Mijn cliënt zal geen woord verklaren, zolang hij in Peru is gedetineerd." Het hof heeft deze verklaring opgevat als een ondubbelzinnige weigering om als getuige te verklaren vanuit detentie in Peru.

b. Bij brief van 18 maart 2014 is door het hof aan de raadsman van [medeverdachte 5] onder meer bevestigd dat de inhoudelijke behandeling in oktober 2014 plaats zou vinden. Bij brief van 24 maart 2014 heeft de advocaat-generaal de raadsman van [medeverdachte 5] bericht geen uitleveringsverzoek aan Peru te zullen doen ten behoeve van [medeverdachte 5] .

c. Op 15 oktober 2014 heeft het hof een emailbericht d.d. 25 februari 2014 van de Peruviaanse autoriteiten ontvangen (vertaald vanuit het Spaans), inhoudend het bericht dat het mogelijk is [medeverdachte 5] via een videoverbinding in de Peruviaanse gevangenis te horen.

d. Bij fax van donderdag 16 oktober 2014 heeft de raadsman van [medeverdachte 5] de advocaat-generaal en het hof onder meer bericht dat zijn cliënt bereid is om als getuige een verklaring af te leggen middels videoverbinding. Op maandag 20 oktober 2014 heeft de raadsman van de verdachte [verdachte] , mr. Taekema, verzocht [medeverdachte 5] als getuige te doen horen. Alle raadslieden hebben zich aangesloten bij dit verzoek. Op 21 oktober 2014 heeft het hof geoordeeld dat in redelijkheid niet te verwachten is dat [medeverdachte 5] binnen aanvaardbare termijn als getuige ter terechtzitting dan wel anderszins kan worden gehoord.

e. In aanwezigheid van diverse raadslieden heeft op 18 november 2013 een verhoor van de getuige [betrokkene 2] plaatsgevonden vanuit de videoconferentieruimte in de rechtbank Rotterdam.

Uit de interne administratie van het kabinet raadsheer-commissaris blijkt dat eerder tevergeefs gepoogd is deze getuige te horen op 13 september 2013 en 24 oktober 2013. Op beide data is de getuige wel verschenen, maar kon het verhoor geen doorgang vinden wegens technische problemen aan Nederlandse zijde. Tijdens genoemd verhoor, dat dus uiteindelijk met succes heeft plaatsgevonden op 18 november 2013, viel een aantal malen beeld en/of geluid weg. Uit deze omstandigheid leidt het hof af dat alle raadslieden ervan op de hoogte waren dat het horen van een persoon als getuige in Peru via videoverbinding bewerkelijk is en dat het de nodige voorbereidingshandelingen - en daarmee tijd - vergt om een en ander plaats te doen vinden.

f. In deze zaak is geen sprake van een uitstaand rechtshulpverzoek van de Nederlandse autoriteiten aan Peru op basis waarvan [medeverdachte 5] als getuige gehoord kan worden. De eerdere verzoeken van Nederland aan Peru zien niet op het horen van [medeverdachte 5] als getuige, aangezien het aanvankelijk de bedoeling was hem als getuige ter terechtzitting te doen horen en daaraan op dat moment niets in de weg stond.

g. [medeverdachte 5] is als getuige gehoord door de rechter-commissaris op 11 juli 2006 in aanwezigheid van de raadslieden.

Uit het voorgaande leidt het hof af dat het voor alle procesdeelnemers in dit stadium van het geding duidelijk is dat het horen van [medeverdachte 5] als getuige zou leiden tot heropening van het onderzoek en aanhouding van de behandeling van de zaak gedurende tenminste een maand of zes.

Ook wanneer enige bepaling in het Verdrag van de Verenigde Naties tegen sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen gekozen wordt als grondslag voor een verzoek tot het horen van [medeverdachte 5] als getuige door middel van een video-conferentie zal eerst een daartoe strekkend verzoek moeten worden gedaan door de Nederlandse autoriteiten aan de Peruviaanse autoriteiten. Gelet op het voorafgaande en alle belangen afwegend, blijft het hof bij zijn oordeel dat thans in redelijkheid niet te verwachten is dat [medeverdachte 5] binnen aanvaardbare termijn als getuige ter terechtzitting dan wel anderszins kan worden gehoord. Het verzoek wordt daarom afgewezen.”

12. Deze motivering geeft geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting; het hof heeft materieel de juiste, in art. 288, eerste lid aanhef en onder a, Sv voorziene maatstaf toegepast. Ik merk overigens op dat het oordeel van het hof dat op dat moment niet in redelijkheid te verwachten was dat [medeverdachte 5] binnen aanvaardbare termijn als getuige ter terechtzitting dan wel anderszins kon worden gehoord, begrepen kan worden als 'onaannemelijk' (waarvan de wettekst rept) gelet op alle door het hof genoemde omstandigheden. Aldus verstaan is het oordeel van het hof tevens toereikend gemotiveerd. Daarbij heb ik in aanmerking genomen dat, naar het hof heeft vastgesteld, er geen rechtshulpverzoek naar Peru uitstond en dat het horen door middel van een videoverbinding met Peru bewerkelijk en tijdrovend was.1 Verder wijs ik erop dat het hof in zijn inleiding (onder 5.1, p. 4-5) in algemene zin heeft overwogen dat (i) het bij de beoordeling van de getuigenverzoeken gaat om de vraag of het verzochte noodzakelijk is voor enige te nemen beslissing, dan wel of overigens de noodzaak van het verzochte is gebleken, (ii) in deze samenhangende zaken al sprake was van een groot tijdsverloop, (iii) onder meer als gevolg van voor het hof onverwachte ontwikkelingen, te weten de aanhouding op 23 november 2013 in Peru van de medeverdachte en getuige [medeverdachte 5] , die dus in de onderhavige strafzaak al eens eerder in aanwezigheid van de raadslieden als getuige was gehoord, de inhoudelijke behandeling van alle zaken, die gepland was in de periode van 25 november 2013 tot en met 6 december 2013, geen doorgang heeft kunnen vinden, en (iv) gelet op het tijdsverloop de belangen van een doeltreffende en spoedige berechting, afgezet tegen alle andere belangen die een rol speelden in het kader van de voorliggende beslispunten, op dat moment verhoudingsgewijs zwaarder is gaan wegen dan aan het begin van de behandeling in hoger beroep.2

13. Het derde middel faalt.

14. Het vierde middel klaagt over ’s hofs afwijzing van het verzoek van de verdediging om [betrokkene 30] , [getuige 2] en [betrokkene 31]3 als getuigen te (doen) horen.

15. Het hof heeft de afwijzing als volgt gemotiveerd:

“2. Het horen als getuige van medeverdachte [betrokkene 31] ( [betrokkene 31] ).

Op 21 oktober 2014 heeft het hof geoordeeld dat het niet te verwachten is dat [betrokkene 31] binnen een aanvaardbare termijn een verklaring zal afleggen dan wel ter terechtzitting zal verschijnen. Het hof heeft dit oordeel gegrond op het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris d.d. 17 oktober 2014 met een bijlage d.d. 16 oktober 2014. In aanvulling hierop wijst het hof erop dat [betrokkene 31] een persoon is die de beschikking heeft gehad over Argentijnse identiteitspapieren op naam van [betrokkene 31] van een zodanig hoge kwaliteit dat eerst medio 2006 bleek dat hij de naam [betrokkene 31] droeg en de Peruviaanse nationaliteit had.

Het door de verdediging in hoger beroep opgegeven adres betreft niet het vaste woon- of verblijfadres van [betrokkene 31] , maar een adres waar hij wel eens zou komen. Dit volstaat niet als adres waar [betrokkene 31] kan worden opgeroepen/gedagvaard voor het afleggen van een verklaring als getuige. Voor het doen van naspeuringen naar [betrokkene 31] op een voormalig [het hof begrijpt: medio 2005] verblijfsadres in Madrid bestaat geen grond, nu iedere aanwijzing ontbreekt dat hij daar thans zou wonen of verblijven, waarbij het hof aantekent dat hij daar indertijd onder een andere naam dan de naam [betrokkene 31] verbleef. Gelet hierop blijft het hof bij zijn oordeel dat het niet te verwachten is dat [betrokkene 31] binnen een aanvaardbare termijn een verklaring zal afleggen dan wel ter terechtzitting zal verschijnen. Het verzoek wordt mitsdien afgewezen

(…)

10. Het horen als getuige van [betrokkene 30] , alias [betrokkene 30] .

Naar het hof begrijpt gaat het de verdediging erom vast te stellen of deze persoon een (aanvankelijk) van vervolging vrijgestelde co-conspirator/betrokkene/niet verdachte is, alsmede of sprake is van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Naar het oordeel van het hof voldoet hetgeen door de verdediging is aangevoerd niet aan hetgeen de Hoge Raad in rechtsoverweging 2.7 van het arrest van 1 juli 2014, ECLI: NL:HR:1496 heeft uiteengezet. Naar het oordeel van het hof is het verzoek onvoldoende onderbouwd. Reeds op deze grond dient het verzoek te worden afgewezen.

Het horen van [betrokkene 30] als getuige is, afgaande op de onderbouwing van het verzoek, niet dienstig ter beantwoording van de vraag wat de Nederlandse autoriteiten wisten, en of in deze strafzaak door hen welbewust werd samengewerkt met een (aanvankelijk) van vervolging vrijgestelde co-conspirator/betrokkene/niet verdachte.

De leiders van het Nederlandse, Spaanse en Britse politieonderzoek zijn door de raadsheer-commissaris gehoord. De advocaat-generaal heeft verantwoording afgelegd ter zitting.

Geen van de verdachten heeft gesteld te zijn uitgelokt door [betrokkene 30] tot handelingen waarop zijn opzet niet was gericht. Beoordeling aan de hand van het Tallon-criterium van de aan de verdachten verweten gedragingen is derhalve niet aan de orde. Deze beide gronden brengen mee dat het horen van deze persoon als getuige niet noodzakelijk is voor enige te nemen beslissing in deze zaak.

Dat het hof in een eerder stadium van de procedure het toenmalige verzoek tot het horen van deze getuige heeft toegewezen, maar deze getuige geen enkele verklaring wenste en wenst af te leggen, doet overigens niet af aan het vorenstaande. Het hof zal geen verklaringen van [betrokkene 30] gebruiken voor het bewijs.

11. Het horen als getuige van [getuige 2] .

De verdediging wenst van deze persoon te vernemen welke contacten hij heeft onderhouden met [betrokkene 30] en waarop deze contacten inhoudelijk betrekking hadden.

Naar het hof begrijpt gaat het de verdediging erom vast te stellen of mogelijk sprake is van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Naar het oordeel van het hof voldoet hetgeen door de verdediging is aangevoerd niet aan hetgeen de Hoge Raad in rechtsoverweging 2.7 van het arrest van 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:1496 is uiteengezet. Het verzoek is onvoldoende onderbouwd. Reeds op deze grond dient het verzoek te worden afgewezen.

Het horen van [getuige 2] als getuige is, afgaande op de onderbouwing van het verzoek, niet dienstig ter beantwoording van de vraag wat de Nederlandse autoriteiten wisten, en of in deze strafzaak door hen welbewust werd samengewerkt met een (aanvankelijk) van vervolging vrijgestelde co-conspirator/betrokkene/niet verdachte.

Blijkens de verklaring van [betrokkene 7] , afgelegd op 10 oktober 2013 tegenover de raadsheer-commissaris in aanwezigheid van de verdediging, ziet het onderzoek door de Engelse douane op witwassen door [getuige 2] in de periode omstreeks februari, maart 2005 in Engeland. De verdachte [verdachte] wordt - kort gezegd - cocaïne-invoer in Nederland in de periode tussen 1 oktober 2005 en 12 november 2005 verweten. Geen van de aan de verdachte [verdachte] of zijn medeverdachten verweten gedragingen hebben in het Verenigd Koninkrijk plaatsgevonden. [getuige 2] is niet aangehouden in de onderhavige Nederlandse zaak en daarvoor niet vervolgd. Ook de leider van het Nederlandse politieonderzoek is diverse malen gehoord in aanwezigheid van de raadslieden. De advocaat-generaal heeft verantwoording afgelegd ter zitting. Alles afwegend acht het hof het horen van [getuige 2] als getuige evenmin noodzakelijk voor enige te nemen beslissing in deze zaak.”

16. Ik meen dat met deze motivering niets mis is. Wat betreft de getuige [betrokkene 31] heeft het hof vastgesteld dat zijn woon- of verblijfplaats onbekend was en dat hij in Madrid onder een alias verbleef. Kortom, omdat het problematisch was om deze getuige te traceren, zo dat al mogelijk was, heeft het hof kunnen oordelen, gelijk het heeft gedaan, dat het niet te verwachten viel (ik begrijp: onaannemelijk was) dat deze getuige binnen een aanvaardbare termijn een verklaring zou afleggen dan wel ter terechtzitting zou verschijnen. Ten aanzien van de andere twee getuigen heeft het hof in het licht van het arrest van de Hoge Raad van 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:1496, NJ 2014/441 m.nt. Borgers terecht geoordeeld dat de onderbouwing van het verzoek om hen te horen onvoldoende is, en bovendien niet noopt tot beantwoording van vragen in het kader van de onderhavige strafzaak tegen de verdachte.

17. Het hof heeft met toepassing van de juiste maatstaf voldoende begrijpelijk gemotiveerd dat en waarom het verzoek om deze personen als getuigen te (doen) horen, wordt afgewezen.

18. Voor zover het middel nog bedoelt te klagen dat het hof niet is ingegaan op het schriftelijke verzoek van de verdediging d.d. 4 december 2013 om het onderzoek te heropenen, geldt dat de bestreden uitspraak is gebaseerd op het onderzoek dat vanaf 20 oktober 2014 in een nieuwe samenstelling van het hof opnieuw ter terechtzitting is aangevangen. Van een geval als bedoeld in art. 322, vierde lid, Sv, of een herhaling van het (schriftelijke) verzoek na het opnieuw aanvangen van het onderzoek ter terechtzitting, is geen sprake, zodat dit deel van het middel in cassatie onbesproken moet blijven.

19. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

20. Het vijfde middel richt zijn pijlen op de bewezenverklaring en klaagt dat het arrest innerlijk tegenstrijdig is, omdat, als ik het goed zie, bepaalde landen en buitenlandse plaatsen door het hof van belang zijn geacht voor de bewijsvoering, zulks terwijl deze landen en plaatsen niet in de bewezenverklaring voorkomen.

21. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij, in de periode van 1 oktober 2005 tot en met 12 november 2005, te Rotterdam en/of Zwanenburg (gemeente Haarlemmermeer) althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 1650 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.”

22. De enkele omstandigheid dat het hof met betrekking tot een internationaal cocaïnetransport van deze omvang in de bewijsconstructie ook andere landen en buitenlandse plaatsen noemt, waar kennelijk handelingen ter voorbereiding zijn verricht, maakt het arrest niet innerlijk tegenstrijdig. Het is nu eenmaal inherent aan de handeling van het binnen het Nederlands grondgebied brengen, dat de drugs van elders komen. Ook in relatie tot de strafmaatoverweging zie ik geen tegenstrijdigheid. Het strafrechtelijk verwijt dat aan de verdachte wordt gemaakt, is dat hij samen met anderen een partij van ongeveer 1650 kilogram cocaïne via Rotterdam ons land heeft binnengebracht.

23. Het vijfde middel faalt eveneens.

24. Het zesde middel keert zich tegen ’s hofs strafoplegging en valt in een tweetal klachten uiteen (ik noem en bespreek alleen de klachten voor zover ze voor een beoordeling in cassatie in aanmerking komen). Welnu, de eerste klacht houdt in dat het hof ‘maar’ een korting van een jaar heeft toegepast vanwege overschrijding van de redelijke termijn; gelet op de totale lengte van de strafprocedure had dat meer moeten zijn. De tweede klacht luidt dat het hof bij eindarrest de schorsing van de voorlopige hechtenis heeft opgeheven, schorsingsverzoeken heeft afgewezen en heeft volstaan met de aftrek van het voorarrest terwijl de verdachte van 10 november 2008 tot en met 30 maart 2009 beperkt was in zijn bewegingsvrijheid in verband met de schorsingsvoorwaarde dat hij Nederland niet mocht verlaten.

25. Het hof heeft met het oog op de op te leggen straf onder het hoofd ‘12. Redelijke termijn’ het volgende in aanmerking genomen:

“Het hof zal eerst de feitelijke gang van zaken bespreken, om vervolgens, mede aan de hand daarvan, te beoordelen of en hoeverre sprake is van een onredelijk lange duur van de procedure in hoger beroep en welk gevolg dat zou moeten hebben.

12.2 Feitelijke gang van zaken

De verdachte is op 12 november 2005 aangehouden en in verzekering gesteld. In eerste aanleg heeft de rechtbank Rotterdam vonnis gewezen op 13 maart 2008.

In eerste aanleg heeft de berechting weliswaar langer dan twee jaar geduurd, maar de rechtbank heeft, bijzondere omstandigheden van het geval in aanmerking nemende, geoordeeld dat er geen sprake was van een overschrijding van de redelijke termijn. Het hof kan zich in dat oordeel vinden.

De verdachte en de medeverdachten hebben tijdig hoger beroep aangetekend. Ter zake van de onderzoeken 'Jasmijn' en 'Latas' zijn in hoger beroep de zaken van in totaal zeven verdachten aan de orde.

Het dossier is reeds op 8 april 2008 bij het hof binnengekomen.

Op 20 oktober 2008 vond in hoger beroep de eerste regiezitting plaats, onder meer ter behandeling van de vele onderzoekswensen van de verdediging van een aantal verdachten.

Het hof heeft op 10 november 2008 zijn beslissingen op de diverse verzoeken meegedeeld. Daarbij is onder meer het verzoek van enkele verdachten toegewezen tot het horen van een aantal getuigen in het buitenland, en aan de

advocaat-generaal zijn aanvullende onderzoekshandelingen opgedragen die alle verdachten regarderen.

12.2.1 Uitvoering van de beslissingen van het hof van 10 november 2008

Gebleken is (verslag van de rechter-commissaris te Rotterdam d.d. 29 september 2009, en als zodanig niet weersproken door de verdediging), dat de rechter-commissaris vanaf maart 2009 doende is geweest om de onderzoeksopdracht van het hof uit te voeren. Hij heeft daartoe eerst, middels nadere verzoeken aan het OM, zijn dossier gecompleteerd. Vervolgens heeft hij het omvangrijke, ruim 5.000 pagina's tellende dossier, bestudeerd. Teneinde de getuigenverhoren logistiek te kunnen plannen, heeft hij, op voorhand rekening houdend met de tijd die naar zijn inschatting met de te stellen vragen aan de getuigen gemoeid zou zijn, zulks mede gelet op zijn eigen rol in het kader van de beoordeling of de door de raadslieden te stellen vragen van belang zullen zijn voor de latere beantwoording van de zittingsrechter van de vragen van de artikelen 348 tot en met 350 van het Wetboek van Strafvordering, aan de raadslieden zijn te verwachten werkwijze verduidelijkt, en gemeld hoeveel tijd hij per getuige voor verhoor zou gaan reserveren. Tevens heeft de rechter-commissaris aangegeven dat hij de getuigen zou willen horen vanaf medio 2010, zulks door middel van videoconferentie. Bij de verhoren zou de rechter-commissaris zoveel mogelijk rekening gaan houden met de door de raadslieden op te geven verhinderdata, maar zijn agenda zou leidend zijn. Voorts heeft hij de raadslieden gewezen op de beperkingen voortvloeiend uit het in het internationaal recht geldende vertrouwensbeginsel bij de in het kader van een rechtmatigheidsonderzoek te horen buitenlandse opsporingsambtenaren. Tot slot heeft hij opgemerkt dat hij het standpunt van de raadslieden - inhoudende een weigering om lijsten met aan de getuigen te stellen vragen te verstrekken, met het doel deze te hechten aan de diverse rechtshulpverzoeken - respecteert, maar hen gewezen op de mogelijke consequentie daarvan, te weten het niet in behandeling nemen van het rechtshulpverzoek door de aangezochte Staat.

In reactie hierop heeft een aantal raadslieden aan de rechter-commissaris onder meer bericht (brief d.d. 18 november 2009) dat zij zich niet konden vinden in de wijze waarop de rechter-commissaris vorm en inhoud wenste te geven aan de beslissingen van het hof van 10 november 2008.

Uit latere nadere toelichting door een aantal raadslieden heeft het hof begrepen dat de verdediging zich voor haars inziens ongewenste beperkingen gesteld zag, in onder meer: de maximale tijd gereserveerd per getuigenverhoor, de mogelijkheid tot fysieke deelname aan het verhoor, de aard van het verhoor, te weten middels videoconferentie in plaats van rogatoire commissie, en het op voorhand inzage moeten geven in de aan de getuigen te stellen vragen.

De raadslieden stuurden voorts aan op benoeming van een andere rechter-commissaris en zij verzochten de vigerende rechter-commissaris het dossier terug te zenden aan het hof ter fine van de planning van een nieuwe regiezitting.

De rechter-commissaris heeft (brief d.d. 23 november 2009) - kort gezegd - bestreden dat de verdediging op voorhand beperkingen werden opgelegd en volhard in zijn eerder ingenomen standpunten. Hij ondersteunde wel het voorstel van de verdediging om aan het hof te verzoeken de onderzoeksopdracht nader toe te lichten, met dien verstande dat hij ook na een nieuwe regiezitting als behandelend rechter-commissaris uitvoering wenste te blijven geven aan de opdrachten van het hof.

Intussen was de rechter-commissaris gestart met zijn uitvoeringswerkzaamheden; hij had diverse rechtshulpverzoeken geformuleerd en uitgestuurd.

Uit de Verenigde Staten van Amerika kwam daarop het bericht dat - kort gezegd- het rechtshulpverzoek onvolledig was en dat dit aanvulling behoefde van lijsten met aan de getuigen te stellen vragen. De rechter-commissaris meldde dit aan de raadslieden (brief d.d. 15 december 2009) en stelde te verwachten dat een soortgelijke reactie zou volgen van de Spaanse en de Britse autoriteiten. Hij wees nog op het belang van de Nederlandse Staat om het niet op een formele afwijzing van het verzoek aan te laten komen, vanwege de irritaties die zulks in internationaal verband zou oproepen.

Bij brief van 4 februari 2010 schreef hij aan de raadslieden dat de Britse autoriteiten het rechtshulpverzoek niet in behandeling gingen nemen, behoudens indien van de door de Britten gegeven mogelijkheid gebruik gemaakt zou worden om alsnog het rechtshulpverzoek aan te vullen o.a. middels het insturen van vragenlijsten voor de getuigen.

Nadat bij brief van 10 januari 2010 gepoogd was de rechter-commissaris te bewegen zijn werkzaamheden in lijn met de wensen van de verdediging uit te voeren, en de rechter-commissaris hier niet op inging, heeft de raadsman van de verdachte [verdachte] de rechter-commissaris per brief van 8 februari 2010 uitdrukkelijk verzocht om géén werkzaamheden meer te verrichten, in dat verzoek kennelijk gesteund door enkele andere raadslieden.

De rechter-commissaris zag daartoe echter geen reden en hij vervolgde zijn werkzaamheden, te meer daar hem uit contacten met de advocaat-generaal was gebleken dat er niet op korte termijn een nadere regiezitting bij het hof viel te verwachten.

Hoewel de meermaals door de rechter-commissaris verzochte vragenlijsten niet waren aangeleverd door de verdediging, heeft de rechter-commissaris nog eigenhandig een nadere onderbouwing verzorgd voor de Britse en Amerikaanse rechtshulpverzoeken. Bij processen-verbaal van bevindingen van 13 januari 2011 meldt hij dat een en ander geen succes heeft gehad: de Amerikanen hebben het rechtshulpverzoek als 'onuitvoerbaar' gesloten en de Britse autoriteiten hebben de afhandeling van de ingediende rechtshulpverzoeken eveneens gesloten.

12.2.2 Het vervolg ter terechtzitting bij het hof

Overleg tussen enkele raadslieden en de advocaat-generaal heeft er vervolgens toe geleid dat de advocaat-generaal het hof bij ingekomen verzoek van 23 juni 2011 heeft geïnformeerd omtrent de door deze raadslieden ervaren ontstane onwerkbare situatie en verzocht om een tweede regiezitting ter bespreking van de stand van het onderzoek. Uit in juni en juli 2011 ontvangen brieven van raadslieden is het hof gebleken dat zij de rechter-commissaris - kort gezegd - verweten dat hij het onderzoek volledig had gefrustreerd. Het hof heeft de rechter-commissaris om een reactie gevraagd, maar de rechter-commissaris heeft bij e-mailbericht van 3 augustus 2011 volstaan met een verwijzing naar zijn eerder opgemaakte processen-verbaal van bevindingen.

Het hof heeft daarop een nieuwe regiezitting bepaald op 3 oktober 2011. Ter zitting is de stand van het onderzoek besproken en zijn er zijdens een aantal raadslieden nieuwe, omvangrijke, onderzoeksverzoeken geformuleerd. Op 25 oktober 2011 heeft het hof de stand van het onderzoek beschreven en beslist op die nadere onderzoeksverzoeken, waarbij onder meer (andermaal) opdracht is gegeven tot het horen van enkele buitenlandse getuigen.

Ter uitvoering van de beslissingen van het hof is de zaak verwezen naar een nader te benoemen raadsheer-commissaris. Het hof heeft zijn voornemen uitgesproken de voortgang te gaan bewaken middels nadere regiezittingen, de eerstvolgende voorgenomen voor 16 april 2012.

12.2.3 Wraking

Bij ingekomen verzoek van 27 oktober 2011 heeft een aantal raadslieden verzocht tot wraking van de leden van de behandelende samenstelling van het hof. Dezen hebben zich daartegen verzet. Bij beslissing van de wrakingskamer van het hof van 30 november 2011 is het verzoek tot wraking afgewezen.

12.2.4 Voortgezette behandeling ter terechtzitting

Ter voortgezette derde regiezitting van 16 april 2012 is wederom de stand van het onderzoek besproken en heeft de raadsman van de verdachte [verdachte] , daarbij ten dele eerdere verzoeken herhalend, wederom een groot aantal onderzoeksverzoeken geformuleerd, waarbij de raadslieden van alle andere verdachten - naast het eventueel doen van eigen verzoeken - zich uitdrukkelijk hebben aangesloten. Het hof heeft daarop beslist op 3 mei 2012, waarbij onder meer een aantal verzoeken tot het horen van buitenlandse getuigen is toegewezen en een nadere regiezitting is aangekondigd voor 20 september 2012.

Op 20 september 2012 en op 6 juni 2013 zijn andermaal regiezittingen gehouden ter bewaking van de voortgang van het onderzoek. Tijdens laatstgenoemde zitting, waarop een aantal verdachten - hoewel daartoe deugdelijk opgeroepen - in strijd met de vigerende algemene schorsingsvoorwaarden van hun voorlopige hechtenis niet was verschenen, heeft de advocaat-generaal erop gewezen dat de verdachten de algemene schorsingsvoorwaarden dienen na te leven. Ook zijn tijdens deze nadere regiezittingen wederom vele onderzoekswensen door en/of namens alle verdachten naar voren gebracht, waarop het hof telkens enige tijd later beslist heeft.

Op 20 juni 2013 heeft het hof tevens - na daarover de advocaat-generaal en de raadslieden ter zitting van 6 juni 2013 te hebben gehoord - aangekondigd voornemens te zijn de inhoudelijke behandeling van de zaak te doen plaatsvinden van 25 november 2013 tot en met 6 december 2013.

12.2.5 Terechtzitting van 25 november 2013

De in hoger beroep terechtstaande verdachten bevonden zich ten tijde van de eerste regiezitting op 23 oktober 2008 allen - met uitzondering van de verdachte [betrokkene 31] , die in eerste aanleg is vrijgesproken - in voorlopige hechtenis.

Op 10 november 2008 heeft het hof bij separate beslissing het bevel tot voorlopige hechtenis van alle vorenbedoelde verdachten met ingang van 11 november 2008 geschorst, zulks onder het stellen van algemene en bijzondere voorwaarden. In de loop van 2009 zijn op verschillende momenten voor ieder van deze verdachten de toepasselijke bijzondere schorsingsvoorwaarden gewijzigd dan wel opgeheven. Ten aanzien van de verdachte [medeverdachte 5] heeft het hof bij beslissing van 18 december 2009 de voor hem geldende bijzondere schorsingsvoorwaarden opgeheven met ingang van 21 december 2009. De algemene schorsingsvoorwaarden, waarnaar de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 juni 2013 nog expliciet heeft verwezen, hielden onder meer in de verplichting om de terechtzitting van 25 november 2013, waarvoor alle verdachten deugdelijk waren opgeroepen, bij te wonen.

Ter terechtzitting van 25 november 2013 was door het hof beoogd een aanvang te maken met de inhoudelijke behandeling van de zaak. De raadsman van de verdachte [medeverdachte 5] heeft evenwel bij aanvang van de zitting gemeld dat deze verdachte, die voor het bijwonen van de terechtzitting onderweg was van Peru naar Nederland, door de Peruviaanse politie op 23 november 2013 is gearresteerd en gevangengezet. De raadsman verzocht onder meer om de advocaat-generaal de gelegenheid te geven te onderzoeken of te verzoeken of (tijdelijke) overlevering van de verdachte naar Nederland mogelijk zou zijn; de verdachte wenste zijn aanwezigheidsrecht als verdachte te effectueren, nadere onderzoeksverzoeken te doen, en als door het hof toegewezen getuige in de zaken van zijn medeverdachten te worden gehoord.

Het hof heeft, onder meer in het vorenstaande, aanleiding gezien de inhoudelijke behandeling op dat moment niet voort te zetten.

De voortgezette inhoudelijke behandeling vond plaats ter terechtzitting vanaf 20 oktober 2014 tot en met 7 november 2014, leidend tot het onderhavige arrest van 21 november 2014.

12.3 Beoordeling door het hof

12.3.1 Algemeen

Het voorschrift van artikel 6, eerste lid, van het EVRM inzake de behandeling van een strafzaak binnen een redelijke termijn, beoogt onder meer te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een verdere strafvervolging zou moeten leven.

Voor de berechting in hoger beroep geldt als uitgangspunt dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen twee jaar

nadat het rechtsmiddel is ingesteld, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden.

Gelet op het hierboven beschreven procesverloop staat vast dat de redelijke termijn waarbinnen de berechting in hoger beroep (herhaald zij dat in dit arrest de zaaksdossiers Asperge en Latas tezamen als 'de zaak' worden beschouwd) zou hebben moeten plaatsvinden, bij een tijdig binnengekomen dossier,’ ruimschoots is overschreden. In de beoordeling van de vraag of er sprake is van bijzondere omstandigheden, die dat tijdsverloop geheel of ten dele rechtvaardigen, dient volgens vaste jurisprudentie onder meer het volgende te worden betrokken.

12.3.2 Toetsing

12.3.2.1 De ingewikkeldheid van de zaak

Vaststaat dat het bij de hier ten laste gelegde import(en) van aanzienlijke hoeveelheden cocaïne vanuit Peru naar Nederland, met betrokkenheid van deelnemers uit verschillende landen, een omvangrijke en ingewikkelde zaak betreft, waarin een groot aantal verdachten figureerden. Het circa 5.000 pagina's tellende dossier getuigt daar reeds van.

In hoger beroep staan nog zeven verdachten, waaronder een aantal vermeende hoofdrolspelers, terecht. De aard van de zaak brengt met zich mee dat de zaken van deze verdachten gelijktijdig behandeld en berecht worden. Dat oponthoud in een zaak van een medeverdachte vanwege perikelen rondom toegestane onderzoekshandelingen, dan wel vanwege andere redenen - zoals bijvoorbeeld de situatie rond de verdachte [medeverdachte 5] op 25 november 2013 - vertraging oplevert, brengt met zich mee dat ook de zaken van de medeverdachte daar onontkoombaar onder lijden.

Geen der in hoger beroep terechtstaande verdachten heeft zijn betrokkenheid bij het ten laste gelegde (volledig) erkend; veelal is een beroep gedaan op het zwijgrecht (of het verschoningsrecht als getuige) en ook zijn mogelijk alternatieve legale scenario's ter verklaring van enige betrokkenheid gepresenteerd. Het onderzoek dat daarom in hoger beroep aanvullend heeft moeten plaatsvinden was reeds om die reden ook veelomvattend en ingewikkeld. Dat gold eveneens voor het onderzoek naar de vragen die de verdediging stelde ten aanzien van de rechtmatigheid van het verrichte opsporingsonderzoek.

Het onderzoek in hoger beroep kende bovendien een sterk internationale dimensie; het diende te worden uitgevoerd in verschillende landen, niet-EU-landen daaronder

begrepen, met alle complicerende en tijdrovende gevolgen van dien.

12.3.2.2 De invloed van de verdachte/verdediging op het procesverloop

In het hierboven geschetste verloop van de tijd die was gemoeid met de procedure in hoger beroep valt een aantal feiten op.

Allereerst kan worden vastgesteld dat er in de periode van na de eerste tot aan de tweede regiezitting, derhalve tussen 10 november 2008 en 3 oktober 2011, nauwelijks onderzoeksresultaten zijn geboekt. De verdediging legt de verantwoordelijkheid daarvoor geheel en uitsluitend bij de rechter-commissaris, naar wie de zaak was terugverwezen ter afhandeling van de door het hof toegestane onderzoekshandelingen. Daargelaten dat er wel wat aangemerkt kan worden op de onverzettelijke stijl van communiceren van de rechter-commissaris, welke heeft bijgedragen aan het op scherp stellen van de verhouding tussen de rechter-commissaris en de verdediging, kan het hof de verdediging niet volgen in haar voormelde eindconclusie dat de rechter-commissaris geheel en uitsluitend verantwoordelijk is voor de geringe onderzoeksresultaten. Van frustratie, laat staan in de moedwillige variant, van het onderzoek of de voortgang daarvan door de rechter-commissaris is het hof niet gebleken. Integendeel: uit de hierboven aangehaalde correspondentie en uit de processen-verbaal van de rechter-commissaris kan geconcludeerd worden dat de rechter-commissaris heeft gehandeld binnen zijn taakomschrijving en wettelijke en feitelijke mogelijkheden, en met inachtneming van ook de beperkingen die nu eenmaal voortvloeien uit het in 's landsbelang in stand houden van goede internationale juridische betrekkingen. Dat zulks tot teleurgestelde verwachtingen bij de verdediging leidde, doet daaraan niet af. Het rechtvaardigde evenmin de vervolgens door de verdediging aan de rechter-commissaris op scherpe toon gestelde - overigens niet in het recht gefundeerde - eisen met betrekking tot de wijze waarop hij zijn werkzaamheden zou dienen te verrichten, uitmondend in het uiteindelijke verzoek van de verdediging aan de rechter-commissaris om zijn werkzaamheden geheel te staken.

Een en ander overziende is het hof dan ook van oordeel dat dit stuk tijdsverloop niet als geheel of grotendeels veroorzaakt door de rechter-commissaris aangemerkt kan worden; de verdediging heeft daar harerzijds aanzienlijk aan bijgedragen.

Hoewel een wrakingsverzoek doorgaans ook tot de nodige vertraging in behandeling leidt, was dat hier niet het geval. De wraking door een aantal raadslieden van het hof van 27 oktober 2011 heeft niet verhinderd dat de op 25 oktober 2011 door het hof aangekondigde nadere regiezitting van 16 april 2012 op die laatstgenoemde dag heeft kunnen plaatsvinden.

In de periode vanaf 16 april 2012 tot aan de dag van de uiteindelijk op 20 oktober 2014 aangevangen inhoudelijke behandeling hebben diverse nadere regiezittingen plaatsgehad. Tijdens elk van die zittingen zijn vele nieuwe onderzoekswensen door de verdediging van sommige verdachten neergelegd, talloze herhalingen van eerder afgewezen of aangehouden verzoeken daaronder begrepen.

Het tijdsverloop heeft de verdediging daarbij positief in de kaart gespeeld: enkele eerder toegewezen maar onvindbaar geachte getuigen leken alsnog getraceerd te kunnen worden, en getuigen die eerder niet wilden verklaren, leken daartoe inmiddels wel bereid. Omdat in de hier bedoelde periode alle raadslieden van alle verdachten zich uitdrukkelijk aansloten bij getuigenverzoeken en andere verzoeken van hun collega's en zodoende alle raadslieden zich achter dezelfde onderzoekswensen schaarden, leverde dit een ingewikkeldere en tijdrovendere planning van de getuigenverhoren op voor de betrokken raadsheer- commissaris. Aan de andere kant hebben de raadslieden, door hun verzet tegen telehoren op te geven en zich coöperatief op te stellen naar de raadsheer-commissaris .eraan bijgedragen dat bij de uitvoering van de onderzoekshandelingen zijdens de verdediging geen verdere onnodige vertraging is ontstaan. Overigens was een gebrekkig functionerend technisch systeem in het Haagse Paleis van Justitie nog debet aan enige vertraging bij het horen van buitenlandse getuigen via videoverbinding.

Tot slot is er vertraging ontstaan voor het tijdstip van inhoudelijke behandeling van de zaak, onder meer doordat de verdachte [medeverdachte 5] in Peru op 23 november 2013 in detentie geraakte. De geplande inhoudelijke behandeling van de zaak kon niet doorgaan vanaf 25 november 2013, maar heeft, onder meer vanwege dit feit, moeten wachten tot 20 oktober 2014. Het hof betrekt daarbij dat het de verdachte [medeverdachte 5] , die uit hoofde van de algemene schorsingsvoorwaarden van zijn voorlopige hechtenis gehouden was om elke terechtzitting in zijn zaak persoonlijk bij te wonen, en die zich uitdrukkelijk bewust was van een tegen hem lopend strafrechtelijk opsporingsonderzoek in Peru met alle risico's van dien, desalniettemin naar Peru is gereisd, terwijl er in zijn zaak in hoger beroep in Nederland nog terechtzittingen gehouden moesten worden.

12.3.2.3 Wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld

Het Openbaar Ministerie heeft zich in hoger beroep naar het oordeel van het hof coöperatief opgesteld, en het door het hof opgedragen onderzoek met de nodige voortvarendheid uitgevoerd.

Over de rol van de rechter-commissaris waarnaar de zaak in eerste instantie is terugverwezen ter uitvoering van de onderzoeksopdrachten van het hof, is hierboven reeds het nodige gezegd.

Vanaf het moment dat de zaak daarna weer bij het hof is behandeld, derhalve vanaf de regiezitting van 16 april 2012, valt het volgende op te merken. Het hof heeft getracht elk verder onnodig tijdsverlies te voorkomen, door middels opvolgende nadere regiezittingen het procesverloop te controleren en zo nodig te kunnen bijsturen. Dat het desondanks nog tot 20 oktober 2014 heeft geduurd alvorens een daadwerkelijke inhoudelijke behandeling ter terechtzitting heeft kunnen plaatsvinden, was onvermijdelijk, gelet op hetgeen hierboven verder met betrekking tot de onderhavige zaak is overwogen.

12.3.3 Oordeel

Alles overziende, komt het hof tot het oordeel dat bij de behandeling van de zaak in hoger beroep de redelijke termijn fors is overschreden, waardoor de verdachten langer dan redelijk is onder de dreiging van verdere strafvervolging hebben moeten leven, maar dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die deze overschrijding mede voor rekening en risico van de verdachten doen komen en dat er tevens omstandigheden zijn aan te wijzen die de overschrijding in zekere mate rechtvaardigen. Het hof ziet hierin aanleiding om daar bij het opleggen van de straf rekening mee te houden en zal daarom een, in redelijkheid op 15% bepaalde, strafkorting toepassen. Het hof realiseert zich dat dit in concreto anders uitpakt dan voorgeschreven door de Hoge Raad in zijn arrest van 17 juni 2008, ECLI: NL:HR : 2008 :BD2 578, maar het hof wijst erop dat het Openbaar Ministerie zelf ook een zodanige korting passend acht vanwege de bijzondere omstandigheden van dit geval, afgezet tegen de omstandigheden die spelen in min of meer vergelijkbare zaken.

(…)

13. Strafmotivering

Alles afwegend acht het hof gezien de ernst van de feiten een gevangenisstraf van in beginsel 7 jaren passend en geboden. Gezien de schending van de redelijke termijn als hiervoor besproken past het hof daarop een korting toe van 15 procent. Het hof komt daarmee uit op een gevangenisstraf van 6 jaren.”

26. Het hof heeft uitgebreid (i) uiteengezet hoe de procesgang in de tijd is verlopen, (ii) beoordeeld welke vertraging voor wiens rekening komt en (iii) beschreven welke incidenten en complicaties zich hebben voorgedaan. Dat heeft ertoe geleid dat het hof in het voordeel van de verdachte méér korting betreffende de straftoemeting heeft gegeven dan in strafzaken in feitelijke aanleg gangbaar is en overigens ook dan de Hoge Raad zelf (als feitenrechter) pleegt te geven bij geconstateerde overschrijdingen van de redelijke termijn in de cassatiefase.

27. De stelling dat het hof bij zijn beslissingen - ik begrijp aangaande de overschrijding van de redelijke termijn respectievelijk de strafvermindering - ook had moeten betrekken de omstandigheid dat de verdachte als gevolg van een schorsingsvoorwaarde in het kader van de voorlopige hechtenis in zijn bewegingsvrijheid was beperkt (de verdachte mocht van 10 november 2008 tot en met 30 maart 2009 Nederland niet verlaten, hetgeen voor hem zeer bezwarend zou zijn geweest vanwege zijn regulier verblijf in Berlijn en zijn internationale werkzaamheden), vindt geen steun in het recht.

28. Het zesde middel faalt eveneens.

29. Alle middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging.

30. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

31. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 16 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:247.

2 Vgl. HR 15 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN9173, NJ 2011/92 en de daaraan voorafgaande conclusie van mijn ambtgenoot Vegter. Zie voorts G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, Wolters Kluwer: Deventer 2015, bewerkt door M.J. Borgers, p. 680.

3 Ten aanzien van [betrokkene 31] heeft de steller van het middel bij schrijven van 8 oktober 2015 nog iets nieuws en feitelijks onder de aandacht van de Hoge Raad willen brengen, maar daarop kan in cassatie geen aandacht aan worden besteed.