Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:310

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
26-01-2016
Datum publicatie
26-04-2016
Zaaknummer
15/04260
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:747, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag. OM-cassatie. Kennelijk heeft de Rb tot uitgangspunt genomen dat het i.c. gaat om een art. 94 Sv beslag. De overwegingen houden niet kenbaar in dat de Rb de bij een dergelijk beslag behorende maatstaven heeft aangelegd, terwijl, indien de Rb deze maatstaven wel heeft aangelegd, haar oordeel ontoereikend is gemotiveerd, gelet op hetgeen door de OvJ is aangevoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/04260 B

Zitting: 26 januari 2016

Mr. Vellinga

Conclusie inzake:

[klager].

1. Bij beschikking van 26 juni 2015 heeft de Rechtbank Oost-Brabant het klaagschrift, strekkende tot teruggave van twee inbeslaggenomen personenauto’s, gegrond verklaard en de teruggave gelast van deze personenauto’s aan klager.

2. De plaatsvervangend officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Brabant heeft één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel houdt in dat de Rechtbank een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd dan wel haar beschikking onvoldoende heeft gemotiveerd.

4. De bestreden beschikking houdt onder meer in:

“De rechtbank zal, nu het handhaven van voornoemd beslag niet meer nodig is ten behoeve van de waarheidsvinding en het naar haar oordeel niet waarschijnlijk is dat de rechter, later oordelend, tot verbeurdverklaring zal overgaan en niet is gebleken dat het in beslag houden van voornoemde personenauto’s enig ander strafvorderlijk belang dient en klager ten aanzien van deze personenauto’s redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, het klaagschrift dan ook gegrond verklaren als na te melden.”

5. Zoals de Officier van Justitie bij schriftelijke conclusie1 heeft gesteld en de Rechtbank kennelijk tot uitgangspunt heeft genomen gaat het in casu om een beslag, gelegd op de voet van het bepaalde in art. 94 Sv, en wel “tbv de waarheidsvinding en/of het aantonen en vaststellen van wederrechtelijk verkregen voordeel, dat voor verbeurdverklaring in aanmerking komt.”

6. In HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010, 654, m.nt. P.A.M. Mevis overwoog de Hoge Raad ten aanzien van de maatstaf die dient te worden aangelegd bij de beoordeling van een beklag tegen beslag op de voet van het bepaalde in art. 94 Sv – met inbegrip van de hier niet vermelde voetnoten - :

“2.8. In geval van een beklag van de beslagene tegen een op de voet van art. 94 Sv gelegd beslag dient de rechter a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard en kan, mits de hiervoor bedoelde ander zelf een klaagschrift heeft ingediend, de teruggave aan die rechthebbende worden gelast.

2.9. Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor art. 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen - ook in een zaak betreffende een ander dan de klager - of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door art. 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in art. 36b, eerste lid onder 4°, Sr in verbinding met art. 552f Sv.”

7. In de onderhavige beschikking heeft de Rechtbank met betrekking tot een te verwachten verbeurdverklaring als maatstaf aangelegd dat “niet waarschijnlijk is dat de rechter, later oordelend, tot verbeurdverklaring zal overgaan”. Dusdoende heeft de Rechtbank een onjuiste maatstaf aangelegd. Zoals het hiervoor aangehaalde arrest laat zien is de maatstaf immers of “niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring (...) van het voorwerp zal bevelen”.

8. Bij schriftelijke conclusie heeft de Officier van Justitie als standpunt ingenomen:

“Klager/verdachte is in het bezit van meerdere (duurdere) . vermogensbestanddelen i.c. voertuigen, waaronder de inbeslaggenomen personenauto's, terwijl van hem geen enkele vorm van inkomen bekend is. De gang van zaken rondom de verkrijging van voormelde voertuigen, incl de inbeslaggenomen auto's kan naar de mening van het Openbaar Ministerie als een witwashandeling, als bedoeld in artikel 420bis/ter/quater WvSR, worden gekwalificeerd.

Vatbaar voor verbeurdverklaring zijn ingevolge art. 33a Sr voorwerpen mbt welke het strafbaar feit is begaan en/of welke door middel van of uit de baten van het strafbare feit zijn verkregen.

Het OM is van mening dat er voldoende ernstige bezwaren bestaan tegen klager/verdachte van betrokkenheid bij voormeld strafbaar feit.

Het OM verzoekt het klaagschrift ongegrond te verklaren.”

Voorts heeft de Officier van Justitie bij schriftelijke conclusie uiteengezet waarop de verdenking van klager berust door vermelding van een groot aantal, bij het opsporingsonderzoek geconstateerde feiten.

9. Bedoelde feiten maken het op het eerste gezicht bepaald niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring (...) van de onderhavige inbeslaggenomen auto’s zal bevelen. Door niettemin in de bestreden beschikking geheel aan de door de Officier van Justitie genoemde feiten voorbij te gaan heeft de Rechtbank haar beschikking onvoldoende gemotiveerd.

10. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.

11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden behandeld en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zoals de Rechtbank overweegt en in het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer staat vermeld heeft de Officier van Justitie bij de behandeling van het klaagschrift bij zijn schriftelijke conclusie gepersisteerd.