Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:302

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-03-2016
Datum publicatie
26-04-2016
Zaaknummer
14/06404
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:739
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Profijtontneming. Vervolg op HR ECLI:NL:HR:2006:AX7487. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat de ‘opbrengst verkoop’ bij een eerdere levering ook kan worden gehanteerd bij de berekening van het w.v.v. m.b.t. andere transporten. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Op gronden als in de conclusie van de AG vermeld kan het middel dat klaagt over ’s Hofs oordeel dat de rente opgebouwd over een inbeslaggenomen geldbedrag ook tot het w.v.v. kan worden gerekend niet tot cassatie leiden. De opvatting van het Hof dat als maatstaf voor de vergoeding van immateriële schade t.g.v. de overschrijding van de redelijke termijn heeft te gelden dat de betalingsverplichting wordt verminderd met een standaardbedrag van € 500,- per half jaar voor overschrijding van de termijn als geheel kan niet als juist worden aanvaard (vgl. HR ECLI:NL:HR:2016:577). HR doet de zaak om doelmatigheidsredenen zelf af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/06404P

Zitting: 8 maart 2016

Mr. Hofstee

Conclusie inzake:

[betrokkene]

1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft – na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad bij arrest van 3 oktober 20061 (!) - bij arrest van 5 december 2014 het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 111.900,00 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 107.900,00.

2. Namens de betrokkene heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, vier middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, valt in een drietal, deels met elkaar samenhangende, klachten uiteen. Volgens de eerste klacht is het Hof in strijd met het bepaalde in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ten aanzien van het aan de betrokkene toe te rekenen voordeel van fl. 250,00 per kilogram hasjiesj, nu het ten onrechte heeft nagelaten daartoe de redenen op te geven. De tweede klacht houdt in dat de door het Hof, bij de schatting van de hoogte van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel, gehanteerde “Opbrengst verkoop” van fl. 4.600,00 per kilogram niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. De derde klacht luidt dat het Hof er kennelijk van is uitgegaan dat de betrokkene de hasjiesj naar Engeland heeft gebracht en daar heeft verkocht, zulks in strijd met de inhoud van bewijsmiddel 1 en de bewezenverklaring in de hoofdzaak, nu daaruit blijkt dat de hasjiesj door de betrokkene naar België is gebracht.

4. Het Hof heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op grond van de volgende berekening:

5. Aan deze schatting zijn de volgende bewijsmiddelen ten grondslag gelegd:

1. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5, van het Wetboek van Strafvordering, zijnde een kopie van een verkort arrest van dit gerechtshof van 28 november 2003 in de strafzaak tegen de veroordeelde met parketnummer 23-000719- 01.

Dit geschrift, waarvan de inhoud geacht wordt hier te zijn weergegeven, is aan deze aanvulling gehecht.

2. De verklaring van de veroordeelde, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 15 februari 2005.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Het eerste transport vond plaats in het najaar van 1997.

Op 15 mei 1998 heeft een transport plaatsgevonden. [betrokkene 2] heeft toen 60 kilogram hash afgeleverd. Ik heb per kilo fl 2.500,00 betaald. De vergoeding voor [betrokkene 2] bedroeg fl 100,00 per kilo.

Het vacumeerapparaat dat bij [betrokkene 3] in beslag is genomen kostte fl 3.000,00.

3. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5, van het Wetboek van Strafvordering, zijnde een fotokopie van een proces-verbaal met nummer PL1010/98-000014 van 16 juni 1998, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4] (doorgenummerde bijlagen C 7.8 e.v.).

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 16 juni 1998 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 2] :

Met mijn opdrachtgever bedoel ik degene voor wie ik de hash naar het buitenland heb vervoerd. Jullie noemen hem [betrokkene] .

Ongeveer een jaar geleden raakte ik in contact met deze opdrachtgever. Deze man heeft mij toen aangegeven dat hij werk voor mij had. Het werd mij duidelijk dat ik voor hem hash naar het buitenland moest brengen. Ik heb de hash nooit verder gebracht dan België, alwaar ik de hash altijd heb overgedragen aan een andere koerier. De uiteindelijke bestemming van de hash was Engeland.

De eerste keer dat ik met hash heb gereden, was niet met Kerst 1997, maar een keer daarvoor. Ik heb toen een auto gehuurd. Dat was de eerste keer dat ik in opdracht van de opdrachtgever, van wie jullie de naam hebben genoemd, hash naar België heb vervoerd en het daar heb overgedragen aan een vrachtwagenchauffeur. Mijn opdrachtgever had mij speciaal voor dit werk een mobiele telefoon verstrekt.

Normaal gesproken ging het steeds om en nabij de 60 kilogram hash die ik naar het buitenland moest vervoeren. De partij hash vervoerde ik in sporttassen, dat wil zeggen dat de hash al in sporttassen zat als ik hem in ontvangst nam van mijn opdrachtgever. Ongeveer een maand à anderhalve maand geleden heb ik voor dezelfde opdrachtgever hash naar het buitenland vervoerd. Ik heb toen weer een auto gehuurd. Ik heb deze keer ongeveer 60 kilogram voor deze opdrachtgever naar België gebracht.

Ik werd in deze organisatie de ‘assistent' genoemd.

4. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5, van het Wetboek van Strafvordering, zijnde een fotokopie van een proces-verbaal met nummer PL1010/98-000014 van 24 juni 1998, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 5] en [verbalisant 6] (doorgenummerde bijlagen B 3.6 e.v.).

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 24 juni 1998 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 3] :

Ik heb spullen bewaard voor [betrokkene] . Met spullen bedoel ik hash. De periode dat het gemiddeld bij mij lag was globaal tussen een week en een maand. Het waren volle tassen en dozen.

De dozen en tassen werden altijd door [betrokkene] gebracht en de laatste tijd - globaal zo’n twee jaar geleden - door [betrokkene 2] en [betrokkene] . Ze werden ook altijd weer door [betrokkene 2] en [betrokkene] opgehaald.

[betrokkene 2] is een vervoerder van hash voor [betrokkene] . [betrokkene] noemde hem zijn assistent.

U zegt mij dat er half mei 1998 een transport is geweest. Deze partij moet gezien de datum bij mij ingepakt zijn door [betrokkene] en mij met het seal-apparaat. Ik herinner mij dat [betrokkene 2] ook hierbij aanwezig was en meegeholpen heeft.

5. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5, van het Wetboek van Strafvordering, zijnde een fotokopie van een proces-verbaal van verhoor, opgemaakt door [verbalisant 1] , opsporingsambtenaar te Viroflay-78 (Frankrijk), gevoegd als bijlage 9.14 bij het proces-verbaal wederrechtelijk verkregen voordeel met BFR-nummer 249/97, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] .

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 25 oktober 1997 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 1] :

De shit die u in mijn kelder heeft gevonden, lag daar vanaf zondag (het hof begrijpt: 19 oktober 1997). Ik ben naar Hoorn gegaan. Ik heb [betrokkene] donderdag (het hof begrijpt: 16 oktober 1997) vanuit een telefooncel gebeld. Ik ben ’s avonds in Nederland aangekomen. De volgende ochtend heb ik [betrokkene] gezien toen hij mij de handelswaar bracht. Hij is naar de parkeerplaats voor het hotel gekomen en daar heeft hij mij 7,4 kilo Afghaanse hashish gegeven. Ik heb hem 60.000 francs gegeven in plaats van 100.000,00. [betrokkene] heeft mij dus krediet verleend en ik heb hem gezegd dat ik mijn best zou doen om het later te betalen. Ik benadruk dat ik hem [betrokkene] noem. Het was dus [betrokkene] die aan mij heeft geleverd. Zijn nummer thuis is (…).

6. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5, van het Wetboek van Strafvordering, zijnde een fotokopie van een proces-verbaal met nummer PL1010/98-000014 van 23 juni 1998, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 7] en [verbalisant 8] , gevoegd als bijlage 9.1 bij het proces-verbaal wederrechtelijk verkregen voordeel met BFR-nummer 249/97, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] .

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten:

Op dinsdag 23 juni 1998 hoorden wij als verdachte een man die opgaf te zijn:

[betrokkene]

(…)

7. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5, van het Wetboek van Strafvordering, zijnde een berekening van de rentevergoeding ter vaststelling van het vervolgprofijt (bijlage bij de conclusie van de advocaat-generaal van 12 november 2014.

Dit geschrift, waarvan de inhoud geacht wordt hier te zijn weergegeven, is aan deze aanvulling gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De hiervoor bedoelde bewijsmiddelen zijn - ook in hun onderdelen -, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5, van het Wetboek van Strafvordering betreft, telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.

Uit de terzake relevante inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, leidt het hof af dat de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten, geschat op een bedrag van € 111.900,03.

Het hof overweegt terzake het navolgende.

Op de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel dat het hof heeft berekend aan de hand van de hierboven weergegeven gegevens heeft het hof de aanschafkosten van het onder [betrokkene 3] in beslag genomen vacumeerapparaat in mindering gebracht. De veroordeelde heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 15 februari 2005 verklaard dat de aanschafkosten van dit apparaat fl 3.000,00 bedroegen. Nu dit apparaat in beslag genomen is en niet is teruggegeven, waardeert het hof de afschrijvingskosten op hetzelfde bedrag als de aanschafkosten.”

6. Op de terechtzitting van het Hof van 21 november 2014 heeft de verdediging betoogd dat de betrokkene een vergoeding van fl. 350,00 minus fl. 100,00 koerierskosten per vervoerde kilo hasj ontving, zodat zijn marge fl. 250,00 x 60,00 (dus in totaal fl. 15.000,00) is. Het Hof heeft op dit betoog niet in een overweging expliciet gerespondeerd en hoefde dat mijns inziens ook niet te doen, nu de verwerping van voormeld betoog besloten ligt in de gebezigde bewijsconstructie. Daaruit valt immers af te leiden dat het Hof het niet aannemelijk heeft geacht dat de betrokkene slechts fl. 250,00 per kilo aan de transporten overhield. Dat impliciete oordeel acht ik niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat uit de bewijsvoering van het Hof blijkt dat de betrokkene de opdrachtgever is geweest. Wat het Hof wél aannemelijk heeft geacht, is hetgeen uit de bewijsconstructie volgt, te weten een “opbrengst verkoop” van fl. 4.600,00 per transport minus de inkoopwaarde en de kosten voor koeriersdiensten.

7. De eerste klacht mist doel.

8. Dan de tweede klacht, inhoudende dat de “opbrengst verkoop” van (omgerekend) fl. 4.600,00 per kilogram hasj niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Indien en voor zover de steller van het middel hier een punt heeft, hoeft zulks naar mijn inzicht niet tot cassatie te leiden.

9. Inderdaad komt uit de thans door het Hof gebezigde bewijsmiddelen het bedrag van (omgerekend) fl. 4.600,00 per kilogram hasj niet echt uit de verf. Het verkort arrest van 5 december 2014 noch de aanvulling daarop geeft in zoveel woorden aan hoe dat bedrag tot stand is gekomen. Voor die uitleg moeten we teruggrijpen op de aanvulling op het verkort arrest van 15 maart 2005 in deze ontnemingszaak. Daarin is een nadere bewijsoverweging van het Hof opgenomen, met (onder meer) de navolgende inhoud:

“De veroordeelde heeft geen verklaring afgelegd omtrent de verkoopprijs van een kilogram hash. Bij de schatting van die verkoopprijs is het hof uitgegaan van het volgende. [betrokkene 1] heeft verklaard 100.000 francs te moeten betalen voor 7,4 kilogram hash. Bij een middenkoers van ƒ 33,58 komt neer op ƒ 4.538,00 per kilogram. Daarnaast bevindt zich in het mapje bijbehorende stukken in het dossier van de onderhavige ontnemingszaak een fax van 21 april 2004 van [betrokkene 4] van Europol aan [betrokkene 5] van het Bureau Financiële Recherche. Uit deze fax blijkt dat de verkoopprijs van een kilogram hash in het Verenigd Koninkrijk, volgens [betrokkene 2] de uiteindelijke bestemming van de hash, in de jaren 1997 en 1998 respectievelijk € 3.825,00 (ƒ 8.429,19) en € 2.871,00 (ƒ 6.326,85) bedroeg. Op grond van het vorenstaande schat het hof de verkoopprijs van een kilogram hash voorzichtigheidshalve op ƒ 4.600,00. Het hof gaat daarbij uit van de verkoopprijs zoals de veroordeelde die hanteerde bij de aflevering aan [betrokkene 1], maar rondt deze, gelet op de door Europol aangeleverde verkoopprijzen, naar boven af.”

10. Het was natuurlijk de duidelijkheid ten goede gekomen, wanneer het Hof eenzelfde bewijsoverweging in de huidige bewijsconstructie had opgenomen. Ik meen evenwel dat er vanuit kan worden gegaan dat het Hof ten aanzien van de onderbouwing van deze verkoopprijs per kilogram niet van standpunt is veranderd. Daarbij neem ik in aanmerking dat het als bewijsmiddel 5 gebezigde proces-verbaal van verhoor houdende de verklaring van [betrokkene 1] letterlijk overeenkomt met bewijsmiddel 5 in de genoemde aanvulling op het verkort arrest van 15 maart 2005. Uit dat bewijsmiddel volgt dat 7,4 kilogram (Afghaanse) hasj is verkocht voor 100.000 Franse francs. Omgerekend naar de toen geldende middenkoers is dat ongeveer fl. 33.581,00, hetgeen neerkomt op het eerder door het Hof berekende bedrag van fl. 4.538,00. Daarbij merk ik op dat de opbrengst en de verkooprijs van deze partij hasj niet is betwist door de verdediging. Voorts blijkt uit het proces-verbaal terechtzitting in eerste aanleg van 22 april 2004 (blad 3) dat de verkoopprijs van een kilogram hasj (ook) is ontleend aan de eertijds door Interpol aan de zaaksofficier van Justitie verstrekte groothandelsprijs op de Engelse markt. Dat de verkoopprijs in Engeland omgerekend dus ongeveer fl. 4.600,00 bedroeg, is door de verdediging op geen enkel moment weersproken. Bovendien is hier wellicht nog verdedigbaar dat het om een feit van algemene bekendheid gaat dat geen bewijs behoeft, nu de (gemiddelde) verkoopprijs van een kilogram hasj makkelijk was (en is) terug te vinden in openbare bronnen.

11. Het voorgaande brengt mee dat de tweede klacht eveneens doel mist, al was het enkel omdat de betrokkene te dien aanzien gezegd kan worden belang bij cassatie te ontberen.

12. Ook de derde klacht treft geen doel. Uit de bewijsmiddelen (meer bepaald bewijsmiddel 3) kan worden afgeleid dat de twee transporten van elk 60 kilogram hasj uiteindelijk bestemd waren voor Engeland en dat dus deze beide partijen tegen het destijds daar geldende ‘tarief’ zijn verhandeld. Of dat strijd oplevert met het in de hoofdzaak gebezigde bewijsmiddel 1 onttrekt zich hier aan een controle in cassatie, zoals ook de steller van het middel wel zal weten. Immers, er wordt een beroep gedaan op een processtuk dat in het onderhavige geding geen deel uitmaakt van het dossier.2 Overigens zij opgemerkt dat de twee partijen hasj kennelijk via België naar Engeland zijn vervoerd. Aan deze conclusie doet niet af de omstandigheid dat het Hof geen kosten heeft afgetrokken van verder vervoer naar Engeland, te minder nu dergelijke kosten door de verdediging niet zijn aangevoerd, laat staan door haar zijn onderbouwd.

13. Het middel faalt in alle onderdelen.

14. Het tweede middel klaagt dat het Hof in strijd met het bepaalde in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt met betrekking tot enkele kostenposten, zonder dat het daartoe de redenen heeft opgegeven.

15. De aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 21 november 2014 gehechte pleitnota houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“Investeringen

18. Ten aanzien van de kosten wenst [betrokkene] nog het navolgende op te merken.

Beloning [betrokkene 2] fl. 6.000,-

Voorschot [betrokkene 2] fl. 8.000,-

Vacuümapparaat fl. 3.000,-

Aanschaf Porsche fl. 6.600,-

Weegschaal fl. 400,-

Plastic zakken fl. 150,-

GSM telefoon fl. 300,-

Ad 1. [betrokkene 2] heeft voor het ene transport op 15 mei 1998 een beloning ontvangen van in totaal ƒ 6.000,00. Dit geheel overeenkomstig de daarover gemaakte afspraken met betrekking tot een vergoeding van ƒ 100,00 per kilogram.

Ad 2. Aan [betrokkene 2] is in totaal een bedrag voorgeschoten van ƒ 11.000,00. Op dit bedrag is een bedrag van ƒ 3.000,00 ingelost, zodat nog resteert een bedrag van ƒ 8.000,00. Nu [betrokkene 2] tot op heden geen bedragen meer heeft afgelost op dit voorschot moet dit bedrag in zijn geheel als oninbaar worden aangemerkt. Daarnaast vinden er ook geen transporten meer plaats, zodat verrekening met de aan [betrokkene 2] toekomende beloning niet meer mogelijk is. Dit bedrag was samen met de aanschaf van de Porsche voor het transport een investering in de koerier.

Ad 3. Door [betrokkene] is ten behoeve van de transporten een seal-apparaat aangeschaft voor een bedrag van ƒ 3.000,00. Dit apparaat is onontbeerlijk voor het geurloos verpakken van hasj. Naar het oordeel van de verdediging dient het volledige bedrag dan ook in mindering te worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel. Immers het gaat hier om een investering voor een apparaat wat uitsluitend en alleen voor de transporten gebruikt werd, welk apparaat inbeslaggenomen is en niet is teruggegeven.

Ad 4. Met betrekking tot het vervoer is na de geslaagde dummy run geïnvesteerd in een voertuig, te weten een Porsche van het type 944. Deze Porsche stond op een Duits kenteken en had een aanschafwaarde van 6.000,00 DM. Hetgeen neerkomt op een bedrag ƒ 6.600,00.

Ad 5 tot en met 7. Verder heeft [betrokkene] moeten investeren in een weegschaal ten behoeve van het vaststellen van de hoeveelheid hasj. Daarnaast was als verpakkingsmateriaal noodzakelijk plasticzakken. Voor het onderhouden van contact met de chauffeur ( [betrokkene 2] ) is geïnvesteerd in een GSM telefoon, welke bij het onderschepte transport inbeslaggenomen is.

19. Daarnaast heeft [betrokkene] door deze hele affaire schulden uitstaan bij zijn kredietleveranciers. Zo heeft [betrokkene] wel geïnvesteerd in de onderschepte 60 kilogram hasj van het transport op 10 juni 1998. De investering die [betrokkene] heeft moeten doen betreft de helft van de aankoopprijs van de hele partij. Dat wil zeggen 60 : 2 x 2500 = ƒ 75.000,00. Dit laatste geld eveneens voor de bij [betrokkene 3] in beslag genomen 40 kilogram hasj, waarvoor [betrokkene] een investering heeft moeten doen van ƒ 50.000,00 (40 : 2 x 2500).

20. Het standpunt van het Openbaar Ministerie dat het niet reëel zou zijn om hier rekening mee te houden is onjuist. Immers, het gaat hier niet om een investering in een nieuwe partij hasj die moet worden aangemerkt als een belegging met een uitermate hoog risico. Het gaat in casu niet om hasjiesj die gekocht worden vanuit Marokko, waarvan het nog maar zeer de vraag is of die partij ongeschonden Nederland zal bereiken. Het gaat hier om de inkoop van een partij hasj in Nederland. Het gaat hier dus per definitie niet om een risicovolle investering maar om een gezonde wijze voorraadbeheer ten behoeve van toekomstige transporten.”

16. De bestreden beslissing houdt in dat verband in:

Aftrekkosten

De raadsman heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat de investeringskosten die zijn gemaakt door de veroordeelde van het wederrechtelijk verkregen voordeel dienen te worden afgetrokken.

Het hof heeft acht geslagen op de aangevoerde kosten van de veroordeelde. De aangevoerde kosten betreffen de beloning [betrokkene 2] , voorschot [betrokkene 2] , aanschaf Porsche, weegschaal, plastic zakken en GSM telefoon. Het hof is van oordeel dat bij de bepaling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel slechts die kosten die de veroordeelde niet zou hebben gemaakt als hij de strafbare feiten niet gepleegd zou hebben, in directe relatie staan tot de voltooiing van het delict en daadwerkelijk betaald zijn, gelden als kosten die voor aftrek in aanmerking komen. Het hof is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de opgevoerde kosten in ieder geval niet in directe relatie staan tot het delict zodat louter om die reden geen kostenaftrek mogelijk is.”

17. Voor zover de klacht luidt dat het Hof niet expliciet tot uitdrukking heeft gebracht waarom enkele van de door of namens de betrokkene aangevoerde kostenposten niet bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel zijn betrokken, faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag al meteen. Het Hof heeft immers, en terecht, overwogen dat enkel kosten die in directe relatie staan tot de voltooiing van het delict voor aftrek vatbaar zijn. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.3

18. Het Hof heeft blijkens zijn berekening van het wederrechtelijk door de betrokkene genoten voordeel de kosten voor de koerier à fl. 6000,00 tweemaal afgetrokken en zo ook de inkoopwaarde van tweemaal fl. 150.000,00. Voorts heeft het Hof het vacumeerapparaat voor een bedrag van fl. 3000,00 afgeschreven. Als tweede kostenpost (ad 2) is door de raadsman van de betrokkene een restant-voorschot van fl. 8.000,00 opgegeven. Die post ging uit van een vergoeding voor de chauffeur van fl. 11.000,00. Kennelijk heeft het Hof deze aangevoerde kostenpost in het licht van de beloning van fl. 100,00 per kilo voor [betrokkene 2] , en het simpele rekensommetje van 60 kilo x fl. 100,00 = fl. 6000,00, niet aannemelijk geacht, hetgeen ik niet onbegrijpelijk vind. Niet als aftrekposten zijn aangemerkt de aanschaf van een Porsche en de opgegeven weegschaal, plastic zakken en een GSM telefoon. Blijkens zijn hierboven geciteerde overweging staan deze kosten volgens het Hof dus niet in directe relatie tot de voltooiing van het delict. Ook dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Overigens mag de betrokkene in dit verband niet mopperen. Het Hof heeft de koerierskosten met betrekking tot [betrokkene 2] zelfs ook voor het transport in het najaar van 1997 in mindering gebracht, terwijl dit niet door de verdediging was gevraagd. Ook heeft het Hof in het voordeel van de betrokkene de aanschafkosten op in totaal fl. 300.000,00 bepaald (fl. 2.500,00 per kilo x 60 x 2), terwijl de verdediging in de hierboven aangehaalde pleitnota (onder punt 19) ten aanzien van het transport op 10 juni 1998 de helft van fl. 150.000,00 (als investeringskosten) had voorgesteld. Ik zou menen dat daartegen de futiele kosten voor een weegschaal en plastic zakken (tezamen fl. 550,00- = ongeveer € 248,00) ruimschoots wegvallen. De investering in een partij van 40 kilogram hasj die bij een zekere [betrokkene 3] in beslag is genomen, is door het Hof niet meegenomen omdat deze partij geheel losstaat van de twee transporten van elk 60 kilogram.

19. Het tweede middel faalt.

20. Het derde middel keert zich tegen de optelling van het vervolgprofijt bij het wederrechtelijk genoten voordeel.

21. Omtrent het vervolgprofijt heeft het Hof het volgende overwogen:

“De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het vastgestelde bedrag dient te worden vermeerderd met het vervolgprofijt zijnde de rente die over het inbeslaggenomen geldbedrag (€ 4.821,41) wordt vergoed, te weten: € 3.606,34.

Het hof volgt de advocaat-generaal in de vaststelling van het vervolgprofijt over het inbeslaggenomen geldbedrag -zoals dat is berekend in het aanvullend financieel rapport dat als bijlage bij de conclusie is gevoegd- en betrekt de aldus genoten rente ad € 3.606,34 bij het vaststellen van het wederechtelijk verkregen voordeel.”

22. Blijkens de stukken van het geding is het bij de betrokkene thuis aangetroffen bedrag van fl. 10.625,00 op de voet van art. 94a Sv conservatoir in beslag genomen en is het Hof er kennelijk van uitgegaan dat het in deze zaak geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel ten dele wordt belichaamd in dat inbeslaggenomen geldbedrag. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk. Daarbij heb ik in aanmerking genomen dat de betrokkene ook met betrekking tot deze inbeslagneming zich lang op zijn zwijgrecht heeft beroepen en dat in de meergenoemde pleitnota noch ter terechtzitting van het Hof van 21 november 2014 door de raadsman op dat inbeslaggenomen geldbedrag is ingegaan. Ook nadat de advocaat-generaal op die terechtzitting zijn conclusie had toegelicht en daarbij had aangegeven dat bij het wederrechtelijk verkregen voordeel het vervolgprofijt moet worden opgeteld (conclusie blad 4), heeft de verdediging dit punt geheel onweersproken gelaten. Het oordeel van het Hof komt neer op de vaststelling dat in de periode vanaf de beslaglegging tot aan de datum van ’s Hofs uitspraak op het inbeslaggenomen geldbedrag, voor zover als wederrechtelijk verkregen voordeel aan te merken, de opgebouwde rente als wederrechtelijk verkregen voordeel kan gelden. Omdat het inbeslaggenomen geldbedrag een criminele herkomst heeft, geldt zulks ook voor de vruchten daarvan, hetgeen hier betekent dat de opgebouwde rente deel uitmaakt van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Ik wijs op de volgende passage uit de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de wet van 10 december 1993 tot, kort gezegd, de verruiming van de mogelijkheden tot toepassing van de maatregel van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel en andere vermogenssancties (Stb. 1993, 11):

"Ook vermogensbestanddelen die op grond van een overigens rechtsgeldige overeenkomst zijn verworven, doch met middelen die op hun beurt niet langs legale weg zijn verkregen, vertegenwoordigen wederrechtelijk voordeel, dat kan worden ingebracht bij de bepaling van de waarde waarop dat voordeel is te schatten, zelfs indien aldus de omvang van het vermogen van de veroordeelde zou zijn toegenomen. (...). En daaronder vallen ook revenuen die van de met uit illegale bron verkregen gelden verworven voorwerpen worden geïncasseerd (interest, dividenden, huuropbrengsten etc.). Voldoende is dat aannemelijk is dat de veroordeelde op enigerlei wijze wederrechtelijk voordeel heeft verkregen."4

Mede gelet op deze Memorie van Toelichting geeft het bestreden oordeel van het Hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het geen nadere motivering behoefde.5 De daarop gerichte klacht faalt dan ook.

23. Het derde middel faalt. Indien de Hoge Raad tot een ander oordeel komt, kan hij om redenen van doelmatigheid het door het Hof vastgestelde bedrag zelf verminderen in een mate die hem gepast voorkomt.

24. Het vierde middel richt zich met verschillende klachten tegen de overweging van het Hof met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn.

25. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van dit middel van belang, in:

Redelijke termijn

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn in artikel 6, eerste lid van het EVRM is overschreden en dat die overschrijding moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie dan wel verdisconteerd moet worden in de betalingsverplichting. De raadsman stelt dat er van de acht jaar die zijn verstreken sinds het arrest van de Hoge Raad er vier jaar aan termijnoverschrijding is toe te rekenen aan de justitiële autoriteiten.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof heeft acht geslagen op de omstandigheid dat in deze zaak de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden. In eerste aanleg is de ontnemingszaak aangevangen met een schriftelijke vordering van het Openbaar Ministerie op 29 maart 2001 - welke datum het hof als aanvang neemt voor de beoordeling van de (redelijke) termijn in de ontnemingszaak, gelijk de advocaat-generaal - en afgerond met een eindbeslissing op 18 mei 2004. De zaak is vervolgens in hoger beroep afgerond met een eindbeslissing binnen twee jaar op 15 maart 2005 na instelling van het rechtsmiddel op 24 mei 2004.

De zaak is vervolgens gecasseerd bij arrest van 3 oktober 2006 en teruggewezen naar dit hof. Het hof heeft de zaak op 21 november 2014 inhoudelijk behandeld met arrestwijzing op 5 december 2014.

Het hof stelt vast, dat de procedure als geheel een periode van 13 jaren heeft bestreken en dat uitgaande van een redelijke termijn van twee jaren per instantie (rechtbank-hof-HR-hof), deze periode is overschreden met (afgerond) 5 jaren. Het hof is met de raadsman van oordeel dat er vier jaar aan termijnoverschrijding is toe te rekenen aan de justitiële autoriteiten.

Het hof ziet dienaangaande aanleiding, gelet op het uniforme aspect van behandeling van soortgelijke kwesties op andere rechtsgebieden (bestuursrecht en civiel recht), ook in het ontnemingsrecht als maatstaf voor de vergoeding van immateriële schade het (standaard) bedrag te hanteren van € 500,00 per halfjaar voor overschrijding van de termijn als geheel.

In totaal is een termijn verstreken van 4 jaren zodat een vergoeding van immateriële schade van € 4.000,00 (8 x € 500,00) het hof redelijk voorkomt.”

26. Vooropgesteld moet worden dat het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijke termijn in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst, in die zin dat de Hoge Raad alleen kan onderzoeken of dat oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van de omstandigheden van het geval. Van onbegrijpelijkheid zal niet licht sprake zijn, omdat een dergelijk oordeel sterk verweven pleegt te zijn met waarderingen van feitelijke aard die zich onttrekken aan een beoordeling door de cassatierechter. Ook het rechtsgevolg dat de feitenrechter aan de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn heeft verbonden, kan slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.6

27. De eerste klacht keert zich tegen de door het Hof aangenomen aanvangsdatum van 29 maart 2001, dit is de dag waarop in eerste aanleg de eerste ontnemingszitting in de onderhavige zaak plaatsvond. Aan de steller van het middel moet worden toegegeven dat het in de rede had gelegen hetzij het moment waarop het conservatoir beslag op de voet van art. 94a Sv is gelegd (juli 1998), welk beslag in verband kan worden gebracht met een toen nog aanhangig te maken ontnemingsprocedure, hetzij de datum van de ontnemingsvordering als vertrekpunt voor de redelijke termijn te nemen.7

28. Voorts behelst het middel de klacht dat het oordeel van het Hof dat er vier jaren aan termijnoverschrijding aan de justitiële autoriteiten is toe te rekenen, een onjuiste weergave is van hetgeen de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep blijkens zijn pleitnotities heeft gezegd, te weten dat er op dat moment acht jaren waren verstreken sinds de Hoge Raad zijn arrest van 3 oktober 2006 in deze zaak had gewezen (zie mijn voetnoot 1). Ik denk echter dat het Hof dit ook zo bedoeld heeft, nu het er gelet op zijn motivering blijk van heeft gegeven de stelling van de raadsman op die manier te hebben begrepen. Zo verstaan berust deze klacht op een onjuiste lezing van het arrest.

29. Tot slot behelst het middel de klacht dat de aansluiting die het Hof zoekt bij het standaardbedrag van € 500,00 voor “immateriële schade” zoals dat in andere rechtsgebieden wordt gehanteerd, rechtens onjuist, althans niet zonder meer begrijpelijk is. Ik deel dat standpunt niet. Zoals de steller van het middel zelf ook al opmerkt, lijkt de Hoge Raad de door het Hof gehanteerde methode niet te verbieden. Ik verwijs naar hetgeen ik hierboven onder 26 heb vooropgesteld.

30. Ik stel vast dat het Hof – wat er zij van zijn formulering - het geschatte voordeel van € 111.900,00 heeft verminderd met € 4.000,00 wegens overschrijding van de redelijke termijn. Voor zover in de toelichting op het middel wordt gesteld dat deze vermindering van het ontnemingsbedrag niet begrijpelijk is in het licht van de daarvoor door de Hoge Raad in cassatie gehanteerde uitgangspunten, gaat deze stelling eraan voorbij dat de kortingspercentages waarop de steller van het middel doelt, enkel zien op de fase die intreedt nadat beroep in cassatie is ingesteld tegen de bestreden uitspraak en de Hoge Raad (zelf) als feitenrechter toetst, en niet op het tijdsverloop vóór de uitspraak waartegen het cassatieberoep zich richt en de Hoge Raad de kwestie als cassatierechter beoordeelt.8 Een vermindering van € 4.000,00 is al met al misschien wat aan de zuinige kant, maar komt mij ook weer niet als onredelijk voor. Het getuigt in ieder geval niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.

31. Alle middelen falen. Het eerste, het tweede en het vierde middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

32. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

33. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 ECLI:NL:HR:2006:AX7487, NJ 2006/550.

2 Onder de gedingstukken bevindt zich uit de hoofdzaak wel het als bewijsmiddel 1 gebruikte verkort strafarrest van 28 november 2003.

3 Zie onder meer HR 5 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2913, NJ 2008/288 m.nt. Borgers.

4 Kamerstukken II 1989/90, 21 504, nr. 3, p. 15

5 Zie ook HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1454, NJ 2011/101 m.nt. Borgers en HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9965. Vgl. voorts HR 11 juni 2013, ECLI:HR:NL::2013:BU2056, NJ 2013/547 m.nt. Borgers, waar het vervolgprofijt wél door de verdediging was betwist en de Hoge Raad oordeelde dat de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet naar behoren met redenen was omkleed.

6 HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, HR 27 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6254 en HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3025, NJ 2015/445.

7 Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis en HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3255.

8 Zie HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3025, NJ 2015/445.