Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:301

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
09-02-2016
Datum publicatie
26-04-2016
Zaaknummer
15/03310
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:738, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid verdachte in h.b. Art. 416.2 Sv. HR verwijst naar relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2010:BK0910. De omstandigheid dat de redelijke termijn a.b.i. art. 6 EVRM in h.b. kan zijn overschreden staat er niet aan in de weg dat het Hof toepassing geeft aan art. 416.2 Sv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/03310

Zitting: 9 februari 2016 (bij vervroeging)

Mr. Vellinga

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, op de voet van het bepaalde in art. 416 lid 2 Sv niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.

2. Namens verdachte heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel houdt in dat verdachtes verzoek om zijn ter terechtzitting van 2 juli 2015 gedaan verzoek om aanhouding van de behandeling van zijn zaak gelet op zijn aanwezigheidsrecht ten onrechte is afgewezen, althans dat die afwijzing ontoereikend is gemotiveerd.

4. Verdachte is in eerste aanleg verschenen ter terechtzittingen van 16 april 2008 en 27 november 2009. Op de laatste terechtzitting is verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden en verbeurdverklaring van onder hem inbeslaggenomen contanten wegens 1. “opzettelijk gebruik maken van een niet op zijn naam gesteld reisdocument” gepleegd in de periode van 2 april tot en met 5 april 2008, 2: “in het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat het vals is”, gepleegd op 5 april 2008, en 3. “schuldwitwassen”, eveneens gepleegd op 5 april 2008.

5. Verdachte is op 27 november 2009 in hoger beroep gekomen. Ter terechtzitting in hoger beroep van 4 januari 2013 is hij niet verschenen. Naar aanleiding van het door de Advocaat-Generaal gedaan verzoek d.d. 11 december 2012 schorst het Hof het onderzoek voor onbepaalde tijd in het belang van de verdediging, met bevel tot oproeping -tevens op het detentieadres in Spanje- van de verdachte. Ter terechtzitting van 4 september 2013 is hij opnieuw niet verschenen. Het onderzoek wordt op verzoek van verdachtes raadsman geschorst tot de terechtzitting van 10 december 2013 onder mededeling van de voorzitter

“dat het hof er vooralsnog van uitgaat dat verdachte thans niet (meer) gedetineerd is in Spanje en dat het op de weg van de raadsman ligt om het tegendeel schriftelijk te onderbouwen en dit ten behoeve van de oproeping voor de zitting over te leggen aan het openbaar ministerie.”

6. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 10 december 2013, alwaar verdachte wederom niet is verschenen, houdt in voor zover hier van belang:

“Ter terechtzitting is aanwezig mr D.N. de Jonge, advocaat te Amsterdam, die verklaart niet uitdrukkelijk door verdachte te zijn gemachtigd de verdediging te voeren.

De voorzitter deelt mede dat over de afwezigheid van verdachte bij de terechtzitting van heden is gecorrespondeerd. Het hof beschikt over de stukken die zijn gestuurd. De advocaat- generaal heeft op twee verschillende geboortedata gecontroleerd of verdachte gedetineerd is in Spanje, maar dit heeft niets opgeleverd.

De voorzitter vraagt aan de raadsvrouw of verdachte op de hoogte is van de zitting.

De raadsvrouw deelt, zakelijk weergegeven, mede:

Mijn cliënt is van de zitting van vandaag op de hoogte. Ik ben niet uitdrukkelijk gemachtigd om de verdediging te voeren voor een inhoudelijke behandeling. Hij wil gebruik maken van zijn aanwezigheidsrecht.

Mijn cliënt zit al een hele tijd in Spanje vast vanwege een Opiumwet-delict. U houdt mij voor dat hij de beslissing had kunnen opsturen waaruit blijkt voor welk feit en tot welke straf hij is veroordeeld. Het contact verloopt moeizaam. Ik heb hem twee keer telefonisch gesproken. Ik stuur dan een brief naar de PI met het verzoek om gebeld te worden. Mijn cliënt is afhankelijk van een stichting om geld te krijgen. Soms krijgt hij € 20 en dan belt hij mij weer. Het kan dus zijn dat hij niet terugbelt omdat hij geen geld heeft.

Wanneer hij vrijkomt, weet ik niet. Hij is in 2008 aangehouden. Er loopt een WOTS- verzoek. Hij wil graag naar Nederland.

U vraagt mij wat zijn verblijfsstatus in Nederland is. Volgens mij heeft hij die niet meer. U houdt mij voor dat de kans groot is dat hij na zijn vrijlating naar Ghana wordt gestuurd. Dat klopt, maar dan kan hij een laissez passer krijgen.

De voorzitter deelt mee dat het van belang is dat deze zaak binnen een redelijk afzienbare tijd zal worden afgewikkeld.

De advocaat-generaal vraagt aan de raadsvrouw hoe zij weet of de man die zij spreekt daadwerkelijk deze [verdachte] is.

De raadsvrouw deelt, zakelijk weergegeven, mede:

Wij hebben contact met hem gehouden. Stichting Epafras heeft ook contact met hem.

Ik heb dat niet op papier. Ik heb een verzoek ingediend om een detentieverklaring te krijgen en de stukken die ik heb toegestuurd zijn alle stukken die ik heb ontvangen.

De oudste raadsheer houdt mij voor dat zij in de stukken heeft gelezen dat hij afgelopen zomer zou vrijkomen. Volgens mij was dat vanwege zijn gezondheid. Dat is uiteindelijk niet gebeurd.

Mijn cliënt is bereid een verklaring af te leggen. U houdt mij voor dat hij eventueel schriftelijk een verklaring zou kunnen afleggen. Ik denk dat een videoverbinding misschien ook tot de mogelijkheden behoort.

De advocaat-generaal deelt, zakelijk weergegeven, mede:

Ik ben er niet van overtuigd dat het om deze [verdachte] gaat. Uit het eerdere onderzoek is niet gebleken dat hij gedetineerd is. Bij de voorbereiding van de zaak zag ik dat de geboortedatum uit het paspoort niet overeenkwam met de datum die hij zelf heeft opgegeven. Hij heeft gezegd dat hij op [geboortedatum 1] 1971 is geboren. Via de officiële autoriteiten krijgen wij niet bevestigd dat hij daar vast zit. In de stukken van de raadsvrouw staat alleen een naam. Het openbaar ministerie meent dat niet is gebleken dat hij in detentie zit. Indien u meent dat hij in detentie zit, dan is het aanwezigheidsrecht niet absoluut. Er behoort ook gekeken te worden naar een spoedige afwikkeling van de zaak. De feiten zijn in 2008 gepleegd. We weten niet wanneer hij vrij komt. Ik las in één van die berichten dat hij misschien eind van dit jaar of begin volgend jaar vrij komt.

Ik ben van mening dat we de zaak vandaag inhoudelijk kunnen afdoen.

De raadsvrouw deelt, zakelijk weergegeven, mede:

Ik neem aan dat de man die ik heb gesproken de [verdachte] is waar het in deze zaak om gaat.

Als het aankomt op een afweging van het aanwezigheidsrecht en het belang van de spoedige afdoening van de zaak dan ben ik van oordeel dat deze afweging in het voordeel van mijn cliënt uitvalt. Het recht op een spoedige afdoening bestaat om de verdachte niet te lang in onzekerheid te laten leven. Mijn cliënt wil echter dat de zaak wordt aangehouden. Hij heeft het recht om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn. Indien dat niet mogelijk blijkt dan zou hij een schriftelijke verklaring kunnen afleggen of eventueel via een videoverbinding een verklaring kunnen afleggen.

U vraagt mij of mijn cliënt vast zit onder de naam [verdachte] of onder een alias. Hij zit vast onder de naam [verdachte] .

De voorzitter onderbreekt het onderzoek voor het houden van beraad.

Na gehouden beraad deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het onderzoek voor onbepaalde tijd wordt geschorst opdat verdachte van zijn aanwezigheidsrecht gebruik kan maken en dat verdachte tegen het nog nader te bepalen tijdstip zal worden opgeroepen, met tijdige kennisgeving daarvan aan de raadsvrouw.

Er zal worden getracht om de zaak in mei/juni 2014 op zitting te plannen. De raadsvrouw heeft de gelegenheid om in de tussentijd voor informatie te zorgen over de persoon van verdachte en zijn detentie in Spanje. In ieder geval zou het vonnis op grond waarvan verdachte vast zit overgelegd moeten kunnen worden, zodat ook duidelijk is hoe lang verdachte (nog) vast zit. Indien verdachte een verklaring wenst af te leggen en niet op de terechtzitting kan verschijnen, bestaat de mogelijkheid om de verklaring op schrift te stellen.

De raadsvrouw heeft in dat geval de gelegenheid om een machtiging te regelen om de verdediging te voeren.

Het hof verzoekt de advocaat-generaal om met de beslissing van “La Junta de Tratamiento” in Teixeiro in Spanje van 28 november 2013, die door de raadsvrouw is overgelegd, informatie over de veroordeling en de detentie van verdachte bij de Spaanse autoriteiten, en meer in het bijzonder bij de inrichting die in de beslissing is vermeld, op te vragen en deze stukken met een vertaling aan het hof en de raadsvrouw te doen toekomen.”

7. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 2 juli 2015, alwaar verdachte niet is verschenen, houdt in voor zover hier van belang:

“De raadsvrouw deelt voorts mede, zakelijk weergegeven:

Mijn cliënt heeft te kennen gegeven dat hij gebruik wenst te maken van zijn aanwezigheidsrecht ter terechtzitting. Om die reden wil hij zijn advocaat ook niet machtigen om namens hem de verdediging te voeren.

Ik verzoek u de behandeling van de zaak aan te houden teneinde mijn cliënt in de gelegenheid te stellen bij de behandeling van de zaak aanwezig te zijn.

Ik heb met [betrokkene] van de Reclassering Nederland ge-sproken. Zij deelde mij mede dat er vanaf 2009 een reclasseringsmedewerker contact heeft met cliënt [verdachte] , geboren in 1972. Deze reclasseringswerker bezoekt cliënt ook in de gevangenis in Spanje.

Cliënt zit tot juli 2022 gedetineerd in Spanje. Hij is op de hoogte van deze strafvervolging en van het feit dat zijn zaak vandaag dient.

De advocaat-generaal deelt mede, zakelijk weergegeven:

“Gelet op wat er is opgenomen in het proces-verbaal van de zitting van het hof van 4 september 2013, komt de informatie van de raadsvrouw wel heel laat.

Ik verzoek het hof om de zaak vandaag af te doen buiten aanwezigheid van verdachte.

Na schorsing voor beraad deelt de voorzitter mede:

In principe heeft verdachte het recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. Dit recht is echter geen absoluut recht waarop geen uitzonderingen bestaan. Er vanuitgaande dat het bij de in Spanje gedetineerde [verdachte] gaat om dezelfde [verdachte] als gedagvaard in deze strafzaak, is het hof van oordeel dat verdachte, door zijn langdurige detentie in verband met het plegen van een strafbaar feit, zichzelf in de situatie heeft gebracht dat hij niet bij de behandeling van zijn strafzaak aanwezig kan zijn.

Er bestaat een deugdelijke wettelijke regeling voor verdachten om zich ter terechtzitting te laten vertegenwoordigen door een advocaat. Verdachte heeft ook praktisch die mogelijkheid, nu hij contacten heeft met een advocaat in Nederland. Ook het EVRM kent in artikel 6 de verdediging “through legal counsel” en geeft dus evenmin een onbeperkt recht op een verdediging in persoon.

Gelet op het feit dat de tenlastegelegde feiten dateren van april 2008, de zaak in hoger beroep al drie maal is aangehouden en het mogelijk nog tot medio 2022 duurt voordat verdachte ter terechtzitting zal kunnen verschijnen, is het hof van oordeel dat het belang van (voortvarende) afdoening van deze strafzaak dient te prevaleren boven het recht van verdachte om ter terechtzitting aanwezig te zijn.

Het verzoek om aanhouding van de zaak wordt afgewezen.”

8. In zijn arrest van 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:707 overwoog de Hoge Raad:

“2.3. Wanneer aan de stukken of het verhandelde ter terechtzitting duidelijke aanwijzingen kunnen worden ontleend dat de verdachte niet vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, behoort het onderzoek ter terechtzitting, dat op grond van een dagvaarding die op wettige wijze is betekend, rechtsgeldig is aangevangen, te worden geschorst teneinde de verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek aanwezig te zijn. Die schorsing behoort in de regel plaats te hebben, onder meer in het geval dat op de terechtzitting blijkt dat de verdachte op dat moment uit anderen hoofde is gedetineerd. In dat geval dient het onderzoek ter terechtzitting te worden geschorst opdat de gedetineerde verdachte alsnog in de gelegenheid wordt gesteld op een nadere terechtzitting aanwezig te zijn (vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317).

2.4. De inhoud van het hiervoor in 2.2 genoemde faxbericht van de raadsman levert een duidelijke aanwijzing op als hiervoor onder 2.3 bedoeld. Hieruit kan immers bezwaarlijk anders volgen dan dat de in Duitsland gedetineerde verdachte, die in eerste aanleg is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden, niet vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. Het oordeel van het Hof is in het licht van hetgeen hiervoor onder 2.3 is overwogen en de omstandigheden van het geval niet begrijpelijk. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat het Hof niets heeft vastgesteld over de eventuele mogelijkheden van internationale rechtshulp en de tijd die daarmee zou zijn gemoeid, terwijl bij de bepaling van de redelijke termijn van berechting een verleend uitstel van de behandeling in beginsel voor rekening van de verdachte zal komen (vlg. HR 8 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR8428, NJ 2005/229).”

9. In het onderhavige geval heeft het Hof geoordeeld dat het belang van (voortvarende) afdoening van deze strafzaak dient te prevaleren boven het recht van verdachte om ter terechtzitting aanwezig te zijn. In dat verband is van belang hetgeen de Hoge Raad overwoog in zijn arrest van 26 januari 1999, NJ 1999, 294:

“3.3 Hetgeen blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep aldaar door de raadsman naar voren is gebracht met betrekking tot de afwezigheid van de verdachte kan niet anders worden verstaan dan als een namens de verdachte gedaan beroep op diens recht om in zijn aanwezigheid te worden berecht.

Bij de beslissing op een verzoek tot aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting dient de rechter in feitelijke aanleg een afweging te maken tussen alle daarvoor in aanmerking komende belangen, waaronder het aanwezigheidsrecht van de verdachte, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging.”

Tegen deze achtergrond geeft het oordeel van het Hof dat het belang van (voortvarende) afdoening van deze strafzaak dient te prevaleren boven het recht van verdachte om ter terechtzitting aanwezig te zijn, op zichzelf geen blijk van hantering van een onjuiste maatstaf.

10. Ter terechtzitting van 13 december 2013 heeft het Hof de Advocaat-Generaal verzocht informatie over de veroordeling en de detentie van verdachte bij de Spaanse autoriteiten, en meer in het bijzonder bij de inrichting die in de beslissing is vermeld, op te vragen en deze stukken met een vertaling aan het Hof en de raadsvrouw te doen toekomen. Ter terechtzitting van 2 juli 2015, waarop het Hof anders was samengesteld dan ter terechtzitting van 13 december 2013, komt noch het Hof noch verdachtes raadsvrouw op dit verzoek terug.

11. In het dossier, dat de griffier van het Hof op de voet van het bepaalde in art. 434 lid 1 Sv heeft gezonden aan de griffier van de Hoge Raad, bevinden zich de verzochte stukken niet. Wel bevat dit een mailwisseling over de onderhavige zaak, resulterend in een bericht d.d. 24 november 2014 van een senior secretaris van het ressortsparket Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, inhoudende dat de – blijkens een eerder email-bericht: uit Spanje – “ontvangen stukken zullen worden geordend en tzt aan hof en verdediging worden aangeleverd”.

12. Kennelijk hebben deze stukken niet volledige duidelijkheid verschaft over de vraag of de verdachte in de onderhavige zaak inderdaad als [verdachte] , geboren te [geboortedatum 2] op [geboortedatum 1] 1972, in Spanje gedetineerd zit. Het Hof overweegt immers “Er vanuitgaande dat het bij de in Spanje gedetineerde [verdachte] gaat om dezelfde [verdachte] als gedagvaard in deze strafzaak …”. In cassatie is deze vooropstelling niet bestreden zodat daarvan bij de beoordeling van de onderhavige zaak moet worden uitgegaan. Voorts staat in cassatie vast dat verdachte gebruik wilde maken van zijn recht bij de behandeling van zijn zaak in hoger beroep ter terechtzitting aanwezig te zijn.

13. Het Hof heeft niets vastgesteld over de eventuele mogelijkheden van internationale rechtshulp en de tijd die daarmee gemoeid zou zijn. Ook de Advocaat-Generaal bij het Hof heeft zich daarover niet uitgelaten. Ter terechtzitting van 10 december 2013 heeft verdachtes raadsvrouw aangevoerd dat indien het niet mogelijk zou blijken verdachte in de gelegenheid te stellen ter terechtzitting in hoger beroep te verschijnen, hij een schriftelijke verklaring over zou kunnen leggen of eventueel via een videoverbinding een verklaring zou kunnen afleggen. Ter terechtzitting van 2 juli 2015 is zij daarop niet teruggekomen. Dat springt temeer in het oog omdat zij verklaart dat de reclassering regelmatig contact heeft met de verdachte en een reclasseringsmedewerker verdachte in Spanje bezoekt. Een verzoek om te onderzoeken of er een mogelijkheid is voor de verdachte om tijdens de periode van zijn detentie in Nederland ter terechtzitting te verschijnen doet zij niet.1

14. Zou de behandeling van de onderhavige zaak pas plaatsvinden nadat verdachte in juli 2022 uit de Spaanse gevangenis zou komen, dan zou de vervolging ter zake van feit 3 (art. 420 quater Sr), zijn verjaard (art. 72 lid 2 Sr).

15. Dit alles overziende en in aanmerking nemende dat verdachte de behandeling van zijn zaak in eerste aanleg wel heeft bijgewoond acht ik de door het Hof gemaakte afweging niet onbegrijpelijk. De feiten waren inmiddels wel heel oud geworden, zo oud dat feit 3 zou zijn verjaard wanneer verdachte zou vrijkomen, terwijl ter terechtzitting van 2 juli 2015 nog steeds niet duidelijk was of de verdachte binnen afzienbare termijn ter terechtzitting zou kunnen verschijnen. In die omstandigheden heeft het Hof, mede in aanmerking genomen dat verdachte de behandeling van zijn zaak ter terechtzitting in eerste aanleg heeft bijgewoond en verdachtes raadsvrouw (in de vorm van onderbouwing van verdachtes verzoek om aanhouding van de behandeling) nog geen begin van inzicht in verdachtes bezwaren tegen het veroordelend vonnis heeft verschaft, het belang van (voortvarende) afdoening van deze strafzaak kunnen laten prevaleren.

16. Het middel faalt.

17. Het tweede middel klaagt dat het Hof ambtshalve geen redenen voor inhoudelijke behandeling van de zaak heeft gezien hoewel de redelijke termijn voor berechting in hoger beroep in aanzienlijke mate is overschreden.

18. In het onderhavige geval is hoger beroep ingesteld op 27 november 2009 en heeft de eerste terechtzitting in hoger beroep plaatsgevonden op 4 januari 2013. Dat betekent dat tussen het instellen van hoger beroep en de eerste terechtzitting in hoger beroep een periode is verstreken van ruim drie jaar. Daarmee is de redelijke termijn voor behandeling in hoger beroep overschreden. Vervolgens is de behandeling van de zaak steeds in het belang van de verdediging c.q. op verdachtes verzoek aangehouden. De door aanhouding verstreken tijd komt dus voor rekening van de verdachte.

19. In het onderhavige geval heeft het Hof de verdachte op de voet van het bepaalde in art. 416 lid 2 Sv niet ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep, overwegende:

“nu de verdachte geen schriftelijke of mondelinge bezwaren heeft opgegeven tegen het hierboven genoemde-vonnis en het hof ook zelf geen redenen ziet die een inhoudelijke behandeling van de zaak noodzakelijk maken.”

20. Over de enkele klacht in cassatie dat de redelijke termijn in cassatie is overtreden, overwoog de Hoge Raad:

“2.2.4. (…) In zo een geval, waarin de betrokkene kennelijk geen (cassatie)klachten heeft over de bestreden uitspraak noch over de behandeling van de zaak door de feitenrechter, en hij tot op zekere hoogte zelf ervoor heeft gekozen door het instellen, althans het niet-intrekken van het cassatieberoep langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging te moeten leven, is een beroep op schending van genoemde verdragsbepaling geen klacht die voldoende belang bij het cassatieberoep tot uitdrukking brengt. Van een verzuim dat invloed heeft gehad op de bestreden beslissing, is hier immers geen sprake. Dit is niet anders indien naast het middel betreffende de redelijke termijn slechts middelen zijn voorgesteld die aan toepassing van art. 80a RO niet in de weg staan.”

In dit oordeel ligt besloten dat de Hoge Raad niet ambtshalve compensatie geeft voor overschrijding van de redelijke termijn in cassatie wanneer de betrokkene kennelijk geen (cassatie)klachten heeft over de bestreden uitspraak noch over de behandeling van de zaak door de feitenrechter, en hij tot op zekere hoogte zelf ervoor heeft gekozen door het instellen, althans het niet-intrekken van het cassatieberoep langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging te moeten leven.

21. Ook in de onderhavige zaak heeft de verdachte kennelijk geen klachten over de bestreden uitspraak noch over de behandeling van de zaak door de eerste rechter en heeft hij er tot op zekere hoogte zelf voor gekozen door het instellen, althans het niet-intrekken van het beroep langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging te moeten leven. Dit betekent dat het onderhavige beroep op schending van art. 6 lid 1 EVRM geen klacht is die voldoende belang bij het cassatieberoep tot uitdrukking brengt en dat deze klacht dus in cassatie buiten behandeling kan blijven.

22. Voor zover dit anders is diene het volgende. Nu de verdachte kennelijk geen klachten heeft over de bestreden uitspraak noch over de behandeling van de zaak door de eerste rechter, en hij er tot op zekere hoogte zelf voor heeft gekozen door het instellen, althans het niet-intrekken van het beroep langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging te moeten leven, terwijl van een verzuim dat invloed heeft gehad op de bestreden beslissing geen sprake is, noopte de overschrijding van de redelijke termijn het Hof niet de zaak ambtshalve inhoudelijk te beoordelen. Er is immers geen reden op dit punt voor ambtshalve optreden van de rechter in hoger beroep een andere maat te hanteren dan voor ambtshalve optreden van de rechter in cassatie.

23. Kan het middel in cassatie niet buiten behandeling blijven, dan faalt het middel.

24. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Ter terechtzitting van 10 december 2013 spreekt zij wel over een “laissez passer” maar dan voor het geval verdachte, die in Nederland geen verblijfsstatus heeft, na zijn vrijlating naar Ghana zou worden gestuurd.