Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:298

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
29-03-2016
Datum publicatie
26-04-2016
Zaaknummer
15/05746
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:734, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81.1 RO. Conclusie AG over art. 18 (authentieke en/of door een beëdigd tolk vertaalde stukken) en art. 26.3 Uitleveringswet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/05746 U

Zitting: 29 maart 2016 (bij vervroeging)

Mr. P.C. Vegter

Conclusie inzake:

[de opgeëiste persoon]

  1. Bij beslissing van 19 oktober 2015 heeft de Rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, de uitlevering van [de opgeëiste persoon] aan het Koninkrijk Noorwegen toelaatbaar verklaard “voor zover deze strekt tot vervolging terzake van de in genoemd bevel tot aanhouding d.d. 3 juli 2015 gerelateerde feiten”. Bij de stukken bevindt zich geen bevel tot aanhouding d.d. 3 juli 2015, maar wel een verzoek tot uitlevering dat 3 juli 2015 is gedateerd en dat volgens de aanbiedingsbrief bevat “a statement of the offences for which extradition is requested, the time and place of their commission, their legal description and a reference to the relevant legal provisions applicable”. Gelet hierop versta ik de beslissing van de rechtbank aldus dat de uitlevering toelaatbaar is verklaard ter fine van de vervolging van [de opgeëiste persoon] ter zake van de feiten zoals die uiteen zijn gezet in het uitleveringsverzoek d.d. 3 juli 2015. De feiten zijn daarin samengevat als medeplichtigheid aan de invoer van aanzienlijke hoeveelheden drugs (te weten: hasjiesj) naar Noorwegen in de periode van januari 2014 tot april 2014.

  2. Namens de opgeëiste persoon heeft mr. A.H.J.G. van Voorthuizen, advocaat te Ede, beroep in cassatie doen instellen en een schriftuur houdende twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel behelst de klachten dat de rechtbank het bepaalde in artikel 18 Uitleveringswet heeft verzuimd door genoegen te nemen met stukken waarvan onvoldoende vast stond dat die authentiek waren en/of door een beëdigde tolk vertaald waren.

  4. Met de stukken waarvan onvoldoende vast zou staan dat die authentiek waren, wordt gedoeld op de onder 1 van de beslissing van de rechtbank genoemde stukken, die daar door de rechtbank worden omschreven als “authentiek verzoek tot uitlevering in een in het uitleveringsverdrag genoemde taal met bijlagen d.d. 3 juli 2015” en “een authentiek afschrift van een door Noorwegen tegen de opgeëiste persoon afgegeven bevel tot aanhouding gegeven door een Noorse rechter – de rechtbank in eerste aanleg van Halden – d.d. 22 mei 2015”. De rechtbank heeft in haar beslissing vastgesteld het ene stuk “authentiek” is en het andere “een authentiek afschrift” betreft. Dat oordeel is feitelijk en kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.1 In zoverre merk ik ten overvloede op dat zich bij de stukken bevindt een verzoek tot uitlevering d.d. 3 juli 2015 dat blijkens het briefhoofd afkomstig is van het “Oslo statsadvokatembeter” en is ondertekend door “Tonje Tonder” waaronder is geschreven “statsadvokat”, waarop met blauwe inkt een handtekening is geplaatst en waarop een stempel is gezet met als randschrift “OSLO STATSADVOKATEMBETER”. Bij de stukken bevindt zich tevens een aanhoudingsbevel d.d. 22 mei 2015 waarop een stempel is geplaatst “RETT KOPI 7 juli 2015” waarbij met blauwe inkt een handtekening is geplaatst. Het oordeel van de rechtbank, dat het hierbij gaat om een authentiek uitleveringsverzoek respectievelijk een authentiek afschrift van een aanhoudingsbevel, is niet onbegrijpelijk.2

5. De eerste klacht faalt.

6. De klacht dat onvoldoende vast stond dat bepaalde stukken door een beëdigde tolk waren vertaald, heeft betrekking op “o.a. het bevel tot aanhouding, de uiteenzetting van de feiten en de tekst van de toepasselijke rechtsvoorschriften”.

7. Ter zitting van de rechtbank heeft de raadsman van de opgeëiste persoon aangevoerd dat nergens uit blijkt dat de tolk die de Noorse stukken heeft vertaald als beëdigde tolk staat geregistreerd en evenmin blijkt dat de tolk over de originele stukken heeft beschikt.

8. De rechtbank heeft dit verweer verworpen en daartoe in haar beslissing als volgt overwogen:

“Voor zover de raadsman met zijn opmerkingen over de tolk en de vertaling heeft willen betogen dat de stukken ongenoegzaam zijn, verwerpt de rechtbank dat verweer. De door de Noorse autoriteiten verstrekte stukken zijn vergezeld van bijbehorende in de Nederlandse taal vertaalde stukken, voorzien van een geparafeerd stempel “Tolk-én-Fredrikstad Norway”. Er is geen enkele aanleiding om te twijfelen aan de authenticiteit van de door de Noorse autoriteiten verstrekte stukken.”

9. De vraag is of de stukken ongenoegzaam kunnen zijn in de zin van artikel 18 Uitleveringswet – waarop het middel betrekking heeft – indien een beëdigde vertaling van de stukken ontbreekt. Artikel 18 noch een andere bepaling uit de Uitleveringswet vereisen immers een vertaling van de stukken, laat staan een beëdigde vertaling. Swart schrijft dat het theoretisch niet ondenkbaar is dat de uitlevering ontoelaatbaar wordt verklaard wegens ongenoegzaamheid van de stukken indien de taal niet is gebruikt bij verdragen die een bepaalde taal voorschrijven. Maar is een bepaalde taal voorgeschreven? Artikel 23 EUV 1957 vereist dat de over te leggen stukken ter ondersteuning van het uitleveringsverzoek – dus niet van het uitleveringsverzoek zelf – zijn gesteld in de taal van de verzoekende staat of in die van de aangezochte staat. De aangezochte staat mag een vertaling van die stukken eisen in een officiële taal van de Raad van Europa, te weten Engels of Frans, aldus artikel 23, tweede volzin EUV 1957.

10. Uit het middel heb ik niet kunnen opmaken of het is gericht tegen de Engelstalige of Nederlandstalige versie van de stukken. Voor zover het middel betrekking heeft op de Engelstalige versie van de stukken, moet het falen omdat niet is gesteld noch blijkt dat dit een vertaling betreft. Voor zover het middel betrekking heeft op de Nederlandstalige versie van de stukken – en gelet op het ter zitting gevoerde verweer, zal dat zijn bedoeld – moet het eveneens falen.

11. Voor zover het middel bedoelt te klagen over de kwaliteit van de vertaling van de stukken in de Nederlandse taal, merk ik op dat de Uitleveringswet noch het toepasselijk verdrag, eisen stellen aan de kwaliteit van de vertaling.3 Voor de beoordeling van de kwaliteit van de vertaling zal bepalend moeten zijn of de opgeëiste persoon naar behoren kennis heeft genomen – of kunnen nemen – van de inhoud van de overgelegde stukken.4 In zijn arrest van 29 mei 1990, overwoog de Hoge Raad dat de rechtbank kon oordelen dat de verdediging door vertaalfouten niet is benadeeld en dat zij zelf zich een voldoende beeld kon vormen van de feiten en op genoegzame wijze kennis kon nemen van de feiten en op genoegzame wijze kennis kon nemen van de toepasselijke rechtsvoorschriften, zodat geen aanleiding bestond tot het vragen van een verbeterde vertaling.5

12. De praktische eisen die aan de vertaling worden gesteld, die erop neerkomen dat de vertaling begrijpelijk is en niet dat deze foutloos is, sluiten aan bij de uitleg die het Zwitserse Bundesgericht geeft aan de bepaling uit de Rechtshilfegesetz waarin aan de over te leggen vertaling als eis wordt gesteld dat ze “amtlich als richtich bescheinigt” oftewel “officiellement certifiées conformes” moeten zijn. In zijn uitspraak van 4 juli 1984 overwoog het Bundesgericht dat het gelet op 28 lid 5 IRSG voldoende is dat de vertaling weliswaar “nicht mustergültig verfasst” is maar “als verständlich bezeichnet” kan worden.6 Foutloze vertalingen zijn niet vereist. De taal mag volgens Engler zelfs stuntelig (“ungelenk”) zijn, maar uiteindelijk moet duidelijk zijn waarom het gaat. Alleen wanneer de vertaling zo lastig te begrijpen is dat ze geen basis meer kan vormen voor de beoordeling van de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan, moet voor een wel te begrijpen vertaling worden gezorgd.7

13. Ook naar Duits recht, waar de wet net als in Nederland geen voorschriften met betrekking tot de vertaling bevat,8 is geen foutloze vertaling vereist. Vereist is dat het uitleveringsaanhoudingsbevel wordt vertaald in een voor de opgeëiste persoon begrijpelijke taal.9

14. Bij de eisen die aan de vertaling worden gesteld, draait het dus uiteindelijk om de begrijpelijkheid. In cassatie is niet aangevoerd, en uit het proces-verbaal van de zitting kan evenmin blijken, dat de vertaling zo onduidelijk of onbegrijpelijk was dat de opgeëiste persoon (of diens raadsman) niet naar behoren kennis heeft kunnen nemen van de stukken die van belang zijn voor de beoordeling van het uitleveringsverzoek.

15. De tweede klacht faalt.

16. Het middel faalt in alle onderdelen.

17. Het tweede middel behelst de klacht dat de rechtbank in strijd met het bepaalde in artikel 26 Uitleveringswet niet heeft onderzocht of [de opgeëiste persoon] “inderdaad niet onschuldig is”. Als ik het middel letterlijk zou lezen, dan zou het reeds falen omdat het verweer dat de opgeëiste persoon “niet onschuldig” is, de opgeëiste persoon bepaald niet kan baten.

18. Ter zitting van de rechtbank heeft de raadsman van [de opgeëiste persoon] aangevoerd diens onschuld te kunnen aantonen aan de hand van een tegen hem opgemaakt proces-verbaal en daartoe aan de rechtbank verzocht dat proces-verbaal aan het dossier te laten toevoegen.

19. Met betrekking tot hetgeen de raadsman over de onschuld van [de opgeëiste persoon] heeft aangevoerd, houdt het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank het volgende in:

“Een uitleveringsprocedure als deze is bijzonder lastig. Ik ben van mening dat er meer tijd nodig is alvorens een beslissing wordt genomen. Er is meer tijd nodig om het dossier op orde te brengen.
[...]

Ik heb vanochtend nog contact gehad met de advocaat van [A]. Minus de korting die wordt betracht bij een bekentenis zonder voorbehoud moet hij met straf van vijf tot zes jaar rekening houden. Het gaat hier dus om grote belangen. Als hij dus zijn onschuld niet kan bewijzen, zal hij lange tijd moeten wachten op zijn berechting in Noorwegen.

[…]

Hij probeert zijn onschuld aan te tonen.

[…]

Ik heb via het Landelijk Parket aandacht gevraagd voor de zaak van [de opgeëiste persoon] en er is duidelijk meer informatie voorhanden in deze zaak. De landelijke eenheid heeft meer informatie en heeft aan de rechter-commissaris laten weten dat die informatie binnenkort richting Noorwegen gaat. Ik ben van mening dat het dossier moet worden aangevuld. Alles wat in die zaak aan onderzoek moet plaatsvinden, moet naar mijn opvatting hier in Nederland gebeuren, anders zou [de opgeëiste persoon] al die tijd in Noorwegen in voorlopige hechtenis moeten doorbrengen. Wij hebben tot dusverre steeds nul op ons rekest gekregen, maar ik blijf bij het standpunt dat er toch kritisch naar het dossier moet worden gekeken. Ik wil tot slot hierover nog opmerken dat [de opgeëiste persoon] zelf vergaande observaties heeft gedaan en daarvan melding heeft gedaan aan de landelijke eenheid. De rechtbank zou op zijn minst over een verslag hierover moeten beschikken.

[…]

Samenvattend ben ik van mening dat het onderhavige dossier moet worden aangevuld met een verslag van het Landelijk Parket over de laatste bevindingen rond deze zaak.”

20. Uit de beslissing van de rechtbank en het proces-verbaal dat van de zitting is opgemaakt, blijkt niet dat de rechtbank uitdrukkelijk heeft beslist over het verzoek om aanhouding. Over het uitblijven van een uitdrukkelijke beslissing wordt in cassatie niet geklaagd.10 In cassatie wordt aangevoerd dat de rechtbank, door het verzoek af te wijzen, aan [de opgeëiste persoon] de mogelijkheid heeft onthouden aan te tonen dat hij niet schuldig is.

21. De afwijzing van het aanhoudingsverzoek ligt besloten in de beslissing die de rechtbank in haar vonnis heeft genomen met betrekking tot het vermoeden van schuld van de opgeëiste persoon:

“De rechtbank overweegt dat het aan de Noorse rechter is om het bewijs en de rechtmatigheid daarvan te beoordelen. De rechtbank is verder van oordeel dat uit hetgeen door en namens de opgeëiste persoon is aangevoerd niet onverwijld volgt dat geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld.”

22. Aan de mogelijkheid voor de opgeëiste persoon “onverwijld” zijn onschuld aan te tonen, waarop artikel 26, derde lid, Uitleveringswet betrekking heeft worden strenge eisen gesteld. Het vereiste dat de opgeëiste persoon dit “onverwijld” doet, en het karakter van de uitleveringsprocedure dat geen Nederlandse strafprocedure betreft maar ten dienste staat aan de strafprocedure die in dit geval verder in Noorwegen zal plaats vinden, brengt mee dat het verweer alleen kan opgaan indien de rechtbank zonder diepgaand onderzoek, vergelijkbaar met dat in het strafproces zelf, tot de overtuiging komt dat geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld.11

23. Met hetgeen de raadsman van de opgeëiste persoon heeft aangevoerd, voor zover dat blijkt uit het proces-verbaal van de zitting, heeft de raadsman niet beweerd onverwijld de onschuld van de opgeëiste persoon te kunnen aantonen, maar aangegeven dat hij de onschuld van de opgeëiste persoon zou willen aantonen en dat hij daartoe in de gelegenheid gesteld zou willen worden. Dat is echter niet het geval waarop artikel 26, derde lid, Uitleveringswet betrekking heeft.

24. Het middel faalt.

25. De middelen falen. Het tweede middel kan in ieder geval worden afgedaan met de aan artikel 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

26. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

27. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 4 november 1980, ECLI:NL:HR:1980:AB8889, NJ 1981/157 r.o. 4; HR 3 november 1981, ECLI:NL:HR:1981:AB8545, NJ 1982/512 r.o. 4.2.

2 HR 25 februari 1986, DD 86.307.

3 W. Schomburg e.a., Internationale Rechtshilfe in Strafsachen. International Cooperation in Criminal Matters, München: Verlag C.H. Beck 2012, § 10 nr. 12 IRG (Lagodny/Schomburg/Hackner).

4 HR 25 juni 1985, DD 85.519.

5 DD 90.319. Zie ook HR 13 juni 1989, DD 89.471: ingevolge het EUV levert onvolledigheid van een bijgevoegde vertaling van een bij een uitleveringsverzoek overgelegd stuk, geen grond op om uitlevering te weigeren.

6 Bundesgericht 4 juli 1984, Bundesgerichtentscheidungen 110 Ib 173, 178 sub 4a.

7 M.A. Niggli & S. Heimgartner (red.), Internationales Strafrecht, Basler Kommentar, Basel: Helbing Lichtenhahn Verlag 2015, Art. 28 IRSG nr. 8 (M. Engler) “Erst wenn die Übersetzung sprachlich nur schwer verständlich ist und einzelne Sätze und Absätze keinen Sinn ergeben, so dass diese keine ausreichende Grundlage für die rechtliche Prüfung der Voraussetzungen zur Rechtshilfeleistung bilden können, muss eine verständliche Übersetzung eingeholt werden.”

8 W. Schomburg e.a., Internationale Rechtshilfe in Strafsachen. International Cooperation in Criminal Matters, München: Verlag C.H. Beck 2012, § 10 nr. 12 IRG (Lagodny/Schomburg/Hackner) onder verwijzing naar Bundestag Drucksachen 9/1338, p. 50 (Begründung) „ein Anspruch des Verfolgten auf Bekanntgabe des Haftbefehls in einer ihm verständlichen Sprache“.

9 Schomburg 2012, § 20 nr. 3 (Schomburg/Hackner).

10 Vgl. HR 4 maart 1986, NJ 1987/63.

11 V.H. Glerum, “Uitlevering en overlevering“, in: Handboek Strafzaken, p. [91.9]-14 (april 2011).