Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:291

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
15-04-2016
Datum publicatie
24-06-2016
Zaaknummer
15/04250
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:1293, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Huwelijksgoederenrecht. Is een ontslagvergoeding die is ingebracht in een stamrecht-bv verknocht aan de man (art. 1:94 lid 3 BW)?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2016/93 met annotatie van prof. mr. B.E. Reinhartz
Verrijkte uitspraak

Conclusie

15/04250

Mr. F.F. Langemeijer

15 april 2016

Conclusie inzake:

[de vrouw]

tegen

[de man]

In deze huwelijksvermogensrechtelijke zaak komt de vraag aan de orde of een stamrecht al dan niet aan de man ‘verknocht’ is in de zin van art. 1:94 BW.

1 Feiten en procesverloop

1.1.

In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten:

1.1.1.

Verzoekster tot cassatie (hierna: de vrouw) en verweerder in cassatie (de man) zijn in 1974 met elkaar gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. Het huwelijk is ontbonden op 24 juni 2013, door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking d.d. 31 mei 20131.

1.1.2.

De man kreeg in 2007 bij beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst jegens zijn toenmalige werkgever recht op een ontslagvergoeding van € 282.076,- bruto2. Dit bedrag is ondergebracht in een besloten vennootschap waarvan de man enig aandeelhouder en bestuurder is (hierna te noemen: de stamrecht B.V.). De aandelen die de man in deze vennootschap houdt vallen in de huwelijksgoederengemeenschap3.

1.2.

De vrouw heeft echtscheiding verzocht met nevenvoorzieningen. Van die nevenvoorzieningen is in dit stadium van het geding slechts nog de verdeling van de goederengemeenschap van belang. De vrouw heeft in eerste aanleg aangevoerd dat de ontslagvergoeding, zoals deze in de vorm van een stamrecht is ondergebracht in de stamrecht B.V., deel uitmaakt van de te verdelen huwelijksgoederengemeenschap. De man heeft dat standpunt betwist. Hij heeft aangevoerd dat de aanspraken op periodieke uitkeringen op een bijzondere wijze aan hem zijn verknocht in de zin van art. 1:94 lid 2 BW. Volgens de man verzet de verknochtheid zich ertegen dat deze aanspraken in de gemeenschap zouden vallen.

1.3.

De rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 30 september 2013 de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vastgesteld. Ten aanzien van het stamrecht overwoog zij:

“Uit de door de man overgelegde stamrecht overeenkomst blijkt dat de voormalige werkgever en de man zijn overeengekomen dat deze aanspraak op ontslagvergoeding zal worden ondergebracht in een door de man op te richten besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid en deze vennootschap zich zal verplichten jegens de man tot het doen van periodieke uitkeringen, ingaande niet later dan op de eerste dag volgend op de maand waarin de man de 65-jarige leeftijd zal bereiken, of zoveel eerder als de man en de vennootschap nader zullen overeenkomen teneinde invulling te geven aan het stamrecht dat voorziet in een aanvulling op het toekomstige lagere inkomen.

Gelet op het feit dat de aanspraken, op het gestorte bedrag, geheel zien op de periode na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap en strekken tot aanvulling op het ouderdomspensioen dan wel ter aanvulling van zijn inkomen maakt het stamrecht geen deel uit van de huwelijksgoederengemeenschap en zal het geheel aan de man worden toebedeeld.” (blz. 2)

1.4.

De vrouw heeft hoger beroep ingesteld. Zij heeft, voor zover nu nog van belang, het hof verzocht te bepalen dat de waarde van de aandelen van de stamrecht B.V. op naam van de man in de gemeenschap van goederen valt en dat haar derhalve de helft van die waarde toekomt. Subsidiair heeft zij het hof verzocht te bepalen dat de in de stamrecht B.V. aanwezige pensioenaanspraken dienen te worden verevend en dat het aan de vrouw toekomende gedeelte daarvan dient te worden afgestort bij een door haar aan te wijzen verzekeringmaatschappij.

1.5.

De man heeft dat standpunt bestreden en (gedeeltelijk voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep ingesteld. Bij tussenbeschikking van 22 oktober 2014 heeft het gerechtshof Den Haag het volgende vooropgesteld:

“Naar de hoofdregel van artikel 1:94 BW omvat de gemeenschap, wat haar baten betreft, alle tegenwoordige en toekomstige goederen van de echtgenoten. Op grond van lid 3 van dit artikel vallen goederen en schulden die aan een der echtgenoten op enigerlei bijzondere wijze zijn verknocht slechts in de gemeenschap voor zover die verknochtheid zich hiertegen niet verzet. Of een goed op bijzondere wijze aan een der echtgenoten is verknocht en zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed in de gemeenschap valt, hangt af van de aard van dat goed zoals deze aard mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald. Uitgangspunt is dat verknochtheid slechts in uitzonderlijke gevallen wordt aangenomen. De redelijkheid en billijkheid die de verhouding tussen ex-echtgenoten (deelgenoten) beheerst speelt in dit verband geen afzonderlijke rol. In de maatschappelijke opvattingen die mede de aard van het goed bepalen, is de redelijkheid en billijkheid verdisconteerd.” (rov. 9). 4

1.6.

Na een uiteenzetting van de feiten overwoog het hof:

“13. Ervan uitgaande dat de vergoeding die de man heeft ontvangen door partijen deels is geëtiketteerd als verlies van toekomstig (arbeids)inkomen, brengt dit naar maatschappelijke normen met zich mee dat de uitkeringen die worden gedaan vanuit deze vergoeding die betrekking hebben op de periode die is gelegen na de ontbinding van de gemeenschap, aangemerkt moeten worden als zijnde verknocht. Gelden die zijn uitgekeerd voor de ontbinding van de gemeenschap vallen in de huwelijksgemeenschap en de gelden die eerst tot uitkering komen na de ontbinding van de gemeenschap zijn dan aan de man verknocht, hetgeen impliceert dat de vrouw daarop geen vermogensrechtelijke aanspraken heeft.

14. Vast staat dat de man tot op heden nog geen enkele periodieke uitkering uit de stamrecht B.V. heeft ontvangen.

15. Nu de uitkering betrekking heeft op pensioen wat niet in de gemeenschap valt (artikel 1:94 lid 4 BW) en het overige gedeelte betrekking heeft op toekomstige inkomenssuppletie, valt de volledige vordering niet in de gemeenschap. Met betrekking tot het subsidiaire verzoek van de vrouw [het verzoek tot verevening, toevoeging A-G] wenst het hof, alvorens verder te beslissen, van de man de mogelijke pensioenbrieven te ontvangen.”

1.7.

Nadat de man bescheiden had overgelegd heeft het hof bij beschikking van 17 juni 2015, rov. 5, overwogen:

“(…) dat het ervoor moet worden gehouden dat de aan hem uitgekeerde beëindigingsvergoeding geen betrekking heeft op pensioenschade, maar dat er enkel sprake is van suppletie van toekomstig gederfd inkomen. De vrouw heeft dit niet betwist, maar daartegenover gesteld dat de man deze uitkering (deels) bedoeld heeft als pensioenaanvulling. Deze bedoeling van de man – voor zover die al zou bestaan – kan naar het oordeel van het hof echter niet het karakter van de door de man van zijn werkgever ontvangen vergoeding wijzigen. Aldus is verevening van deze vergoeding niet aan de orde. Aangezien tot het vermogen van de B.V. alleen de beëindigingsvergoeding behoort en daartegenover de vordering van de man als schuld staat, moet het er voor worden gehouden dat de waarde van de aandelen nihil bedraagt.”

1.8.

De vrouw heeft − tijdig – beroep in cassatie ingesteld tegen de tussenbeschikking van 22 oktober 2014 en tegen de eindbeschikking van 17 juni 2015. Bij faxbericht van 19 oktober 2015 aan de Hoge Raad heeft de vrouw onderdeel 3 ingetrokken, nadat partijen daarover een minnelijke regeling hadden bereikt. Dat middelonderdeel blijft verder onbesproken5. De man heeft in cassatie verweer gevoerd.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1.

De fiscale achtergrond van een stamrecht als dit laat zich in een paar woorden schetsen. Een door de werkgever uitbetaalde vergoeding voor gederfd of nog te derven loon geldt in beginsel als belastbaar loon; zie art. 10 Wet op de loonbelasting 1964. Art. 11, lid 1 onder g, van deze wet bepaalde echter dat niet tot het loon behoren: aanspraken op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon, mits:

1. deze aanspraken voorzien in aan de werknemer of gewezen werknemer toekomende periodieke uitkeringen die niet later ingaan dan in het jaar waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt of in periodieke uitkeringen die bij zijn overlijden ingaan en toekomen aan, kort gezegd, bepaalde nabestaanden;

2. voor deze aanspraken als verzekeraar optreedt een lichaam als bedoeld in artikel 19a, eerste lid onder a, b of d, of de natuurlijke persoon tot wie de werknemer in dienstbetrekking staat of heeft gestaan;

3. deze aanspraken niet zijn ingekomen ingevolge artikel 19b6.

Een aanspraak op periodieke uitkeringen wordt aangeduid als een stamrecht. De regeling in art. 11, lid 1 onder g, Wet op de loonbelasting 1964 gold tot 1 januari 2014 en placht te worden aangeduid als: de stamrechtvrijstelling. Omdat niet de aanspraak op uitkeringen tot het te belasten inkomen wordt gerekend, maar te zijner tijd de uitkeringen, kan het vanwege de opbouw van het belastingtarief voor een werknemer fiscaal aantrekkelijk zijn, een door de werkgever verschuldigde ontslagvergoeding rechtstreeks te laten storten in een zogenaamde stamrecht B.V. De staatssecretaris van Financiën stelde voorwaarden aan het honoreren door de Belastingdienst van een beroep op deze vrijstelling. Daartoe behoort de aan jurisprudentie7 ontleende regel, dat een stamrecht niet is vrijgesteld wanneer het stamrecht voorziet in andere opbrengsten dan uitsluitend periodieke uitkeringen. Dit betekent dat de stamrechtvrijstelling niet van toepassing is wanneer in de overeenkomst een afkoopmogelijkheid is bedongen8.

2.2.

De man houdt de aandelen in de stamrecht B.V. Deze aandelen vallen in de (algehele) gemeenschap van goederen van partijen, maar zijn volgens het hof per saldo niets waard: tegenover het vermogen van de besloten vennootschap (de daarin gestorte ontslagvergoeding met eventueel daarop gekweekte renten) staan immers de aanspraken van de man jegens deze stamrecht B.V. op periodieke uitkeringen. Het vermogen van de besloten vennootschap valt als zodanig buiten de huwelijksgoederengemeenschap. Partijen zijn verdeeld over de vraag of de vordering van de man jegens de stamrecht B.V., dus de aanspraak van de man op periodieke uitkeringen, op een bijzondere wijze is verknocht aan de man. Het hof heeft deze vraag bevestigend beantwoord. Verknochtheid betekent dat deze aanspraken buiten de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap blijven. Daartegen keert zich het cassatiemiddel van de vrouw.

2.3.

Middelonderdeel 1 (cassatierekest blz. 21 – 22, ingeleid op blz. 16 − 21) klaagt dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel van een onbegrijpelijke gedachtegang, is uitgegaan door in rov. 13 – 15 van zijn tussenbeschikking (geciteerd hiervoor) te oordelen dat de enkele omstandigheid dat de beëindigingsvergoeding die de man heeft ontvangen door hemzelf en zijn gewezen werkgever (deels) is aangemerkt als vergoeding voor verlies van toekomstig (arbeids)inkomen, reeds meebrengt dat de uitkeringen, die vanuit deze vergoeding worden voldaan en betrekking hebben op de periode nadat de huwelijksgoederengemeenschap is ontbonden, verknocht zijn aan de man. In beginsel is een aanspraak op een ontslagvergoeding niet verknocht, tenzij de grond waarop tot verknochtheid wordt geconcludeerd (hier: vervanging van inkomen dat de man bij veronderstelde voortzetting van zijn dienstverband zou hebben ontvangen, ook ná de ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap) tot uitdrukking komt in de aard van het verkregen goed.

Volgens de toelichting op deze klacht kunnen de aanspraken van de man, zelfs wanneer zij oorspronkelijk − in de beëindigingsovereenkomst met zijn werkgever − het karakter hadden van vervanging van toekomstig inkomen dat de man bij veronderstelde voortzetting van het dienstverband zou hebben genoten, deze aard niet (meer) hebben nadat het geld eenmaal is ingebracht in een stamrecht B.V. Nadat de stamrecht B.V. de verplichting tot periodieke uitkering heeft overgenomen van de gewezen werkgever, kan de gerechtigde (hier: de man) zelf bepalen wanneer welk bedrag wordt uitgekeerd. De oorspronkelijke bestemming van de aanspraken is daarmee losgelaten. Met andere woorden: uit de aard der zaak wordt bij een stamrecht B.V., zoals in casu, geen onderscheid (meer) gemaakt tussen aanspraken die zien op de periode vóór ontbinding van de gemeenschap en aanspraken die zien op de periode na ontbinding. Juist dat onderscheid was voor de Hoge Raad in de (hierna te bespreken) beschikking van 17 oktober 2008 reden om in dat geval tot een gedeeltelijke verknochtheid te besluiten, aldus de vrouw (cassatierekest punt 2.29).

2.4.

Middelonderdeel 2 (cassatierekest blz. 22 – 27) klaagt dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel van een onbegrijpelijke gedachtegang, is uitgegaan door (voor de vraag: wel/niet verknocht) mede bepalend te achten: de uitkeringen die tot het tijdstip van ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap zijn gedaan. Volgens het middelonderdeel

had het hof zich de vraag behoren te stellen: welke aanspraken de man gedurende het bestaan van de gemeenschap van goederen geldend had kunnen maken. De klacht is subsidiair aan onderdeel 1 voorgedragen. Indien (met het hof) ervan moet worden uitgegaan dat de aanspraken van de man (deels) het karakter hebben van vervanging voor toekomstig inkomen uit arbeid en dat die kwalificatie voldoende is om de aanspraken die zien op de periode na ontbinding van het huwelijk als aan hem verknocht te beschouwen, dient bij de vaststelling wat wel of niet in de gemeenschap van goederen valt, ervan te worden uitgaan: (i) dat de vergoeding diende ter overbrugging van de periode tot ten hoogste het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd en (ii) dat niet beslissend is welke uitkeringen tijdens het bestaan van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen zijn gedaan, maar: welke aanspraken de begunstigde (hier: de man) tijdens het bestaan van de huwelijksgoederengemeenschap geldend had kunnen maken ter compensatie van het verlies aan arbeidsinkomen.

2.5.

De uitwerking van het middelonderdeel houdt samengevat het volgende in. Ad (i): uitkeringen ná het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd kunnen sowieso niet worden aangemerkt als vervanging van inkomen uit arbeid. Aanspraken op die uitkeringen kunnen dus niet op die grond verknocht zijn aan de man9. Ad (ii): de man is in staat in overeenstemming met de stamrecht B.V., waarvan hij aandeelhouder en bestuurder is, te bepalen welk deel van de ontslagvergoeding in de gemeenschap van goederen van partijen valt. Door ervoor te kiezen geen uitkeringen te doen, kan de man de volledige ontslagvergoeding buiten de gemeenschap laten vallen. Een dergelijke uitkomst is in strijd met het goederenrechtelijke karakter van de gemeenschap van goederen. Volgens de vrouw had het hof, om te kunnen bepalen welk gedeelte van de aanspraken aan de man verknocht is, de aanspraken van de man jegens de stamrecht B.V. moeten ‘omrekenen’ naar (veronderstelde) vaste periodieke uitkeringen. Het bezwaar klemt volgens de vrouw temeer, nu tussen partijen vaststaat dat de man na zijn ontslag (maar vóór de datum van ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap) in werkelijkheid minder inkomen heeft gegenereerd dan voorheen. Het nadeel ter compensatie waarvan de ontslagvergoeding is verstrekt heeft zich dus gedurende het huwelijk werkelijk voorgedaan en is ten laste gekomen van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen in het tijdvak tot de datum van ontbinding van het huwelijk. Slechts voor zover een ontslagvergoeding zou zien op compensatie van schade die de goederengemeenschap niet lijdt of heeft geleden, zou dat gedeelte van de ontslagvergoeding onder omstandigheden kunnen worden beschouwd als aan de man verknocht10. Tot zover de klachten.

2.6.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 22 maart 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2025, NJ 1996/640 m.nt. W.M. Kleijn, omtrent de verknochtheid van een ontslagvergoeding het volgende overwogen:

“Naar de hoofdregel van art. 1:94 lid 1 BW omvat de gemeenschap alle tegenwoordige en toekomstige goederen van de echtgenoten. Voor het, op de voet van het derde lid van genoemd artikel, maken van een uitzondering op die hoofdregel is slechts plaats in uitzonderlijke gevallen. Zodanig uitzonderlijk geval doet zich niet voor in het onderhavige geval, waarin het gaat om een schadeloosstelling aan een werknemer in verband met beëindiging van de arbeidsovereenkomst.” (rov. 3.4.4)

2.7.

Op 3 november 2006, herhaald op 7 december 2012, overwoog de Hoge Raad11 omtrent een vergoeding van schade, door een echtgenoot geleden als gevolg van een ongeval (uitgekeerd in de vorm van een bedrag ineens), dat deze niet reeds op basis van het feit dat de vergoeding naar haar aard uitsluitend is afgestemd op de aan de persoon verbonden nadelige gevolgen van het ongeval, buiten de huwelijksgoederengemeenschap valt. Steeds behoren de omstandigheden van het geval in aanmerking te worden genomen. Daarbij achtte de Hoge Raad met name van belang of de vergoeding betrekking heeft op schade die de betrokkene als gevolg van het ongeval in de toekomst in de periode na de ontbinding van de gemeenschap zal lijden, zoals toekomstige inkomensschade wegens door het ongeval blijvend verloren arbeidsvermogen12.

2.8.

In 17 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9080, NJ 2009/41 m.nt. L.C.A. Verstappen, ging het om een ontslagvergoeding, waarvan het bedrag door de werkgever was gestort onder een verzekeringmaatschappij. De gewezen werknemer had jegens die verzekeraar recht op bepaalde periodieke uitkeringen. In cassatie werd de vraag aan de orde gesteld of de aanspraken van de gewezen werknemer jegens de verzekeringmaatschappij in de huwelijksgoederengemeenschap vielen. De Hoge Raad overwoog:

“Naar vaste rechtspraak hangt het antwoord op de vragen of een goed op bijzondere wijze aan een der echtgenoten is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed in de gemeenschap valt - een en ander als bedoeld in art. 1:94 lid 3 BW - af van de aard van dat goed, zoals deze aard mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald. Het hiervoor in 3.2 genoemde arrest [van 22 maart 1996, toevoeging A-G] betreft een door de werkgever in verband met beëindiging van de dienstbetrekking aan de werknemer toegekende en uitbetaalde schadeloosstelling in de vorm van een bedrag ineens; geoordeeld werd dat in dat geval geen plaats was voor het maken van een uitzondering op de hoofdregel van art. 1:94 lid 1 BW dat de gemeenschap alle tegenwoordige en toekomstige goederen van de echtgenoten omvat. Thans gaat het echter om aanspraken voortvloeiende uit een tussen de man en diens werkgever in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking gesloten overeenkomst op grond waarvan de werkgever bij die beëindiging een zodanige koopsom voor een stamrechtverzekering onder een verzekeringsmaatschappij heeft gestort dat de man tot de ingangsdatum van zijn ouderdomspensioen periodieke uitkeringen ontvangt waardoor zijn inkomen wordt aangevuld tot 70% van zijn laatstgenoten salaris. Bij de beantwoording van de vraag of die aanspraken, waaronder mede begrepen de uitkeringen waartoe zij inmiddels hebben geleid, in de huwelijksgemeenschap vallen, moet onderscheid worden gemaakt tussen aanspraken die zien op de periode vóór en aanspraken die zien op de periode na ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Deze laatste vallen, nu zij strekken tot vervanging van inkomen dat de man bij voortzetting van de dienstbetrekking na die ontbinding zou hebben genoten, evenmin in de gemeenschap als de uit een bestaande arbeidsverhouding voortvloeiende aanspraak op voor nog te verrichten arbeid te ontvangen loon. Voor de aanspraken die zien op de periode vóór de ontbinding, en waarvan de waarde in ieder geval niet meer bedraagt dan de som van de in die periode verschuldigde uitkeringen, geldt daarentegen dat zij evenals ontvangen loon in de gemeenschap vallen.” (rov. 3.4)

2.9.

In de vakliteratuur is enige discussie ontstaan over de betekenis die aan deze overweging moet worden gegeven. Onder verwijzing naar de jurisprudentie over verknochtheid van in één keer uitbetaalde vergoedingen aan ongevalsslachtoffers (zie alinea 2.7 hiervoor), is wel beweerd dat de Hoge Raad 17 oktober 2008 is ‘omgegaan’ en als algemene regel zou hebben aanvaard dat een ontslagvergoeding naar haar aard, dus als zodanig, verknocht is aan de ontslagen echtgenoot voor zover zij strekt tot vervanging van toekomstig inkomen uit arbeid dat deze echtgenoot in de periode na de datum van ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap zou hebben genoten bij een − veronderstelde − voortzetting van zijn dienstbetrekking13. Dat lees ik in de beschikking van 17 oktober 2008 niet14. De Hoge Raad stelde in die beschikking een (in één keer uitbetaalde) ontslaguitkering tegenover de vaste aanspraken van de echtgenoot jegens een verzekeringmaatschappij. Door mij geparafraseerd: de aard van de vergoeding was niet wezenlijk gewijzigd door het feit dat het geld is ondergebracht bij die verzekeringmaatschappij: gemeten naar de bestemming, het bedrag en het tijdstip van uitbetaling van de uitkeringen was sprake van vervanging van inkomen uit arbeid. Dat wil niet zeggen dat dit ook geldt ingeval de vergoeding is gestort in een stamrecht B.V. Dat is – als ik het goed zie − nog een open vraag. Verscheidene auteurs hebben deze vraag negatief of geclausuleerd beantwoord15. De inhoud van de stamrecht overeenkomst speelt hierbij een rol. De rechtspraak na 17 oktober 2008 is onvermijdelijk casuïstisch, maar lijkt op dit specifieke punt verdeeld. In het cassatierekest is hiervan ook melding gemaakt. Er zijn uitspraken waarin verknochtheid werd aangenomen, onder verwijzing naar de beschikking van de Hoge Raad van 17 oktober 200816. Daartegenover staat een drietal uitspraken van het gerechtshof Amsterdam, die meer in lijn liggen met de rechtsopvatting die in het huidige cassatiemiddel wordt verdedigd, te weten: dat de omstandigheid dat de begunstigde echtgenoot kan beïnvloeden of de aanspraken wel of niet tot uitkering komen gedurende het bestaan van de huwelijksgoederengemeenschap, in de weg staat aan het aannemen van verknochtheid17.

2.10.

In de onderhavige zaak gaat het om een vordering van de man op de stamrecht B.V.: een aanspraak op periodieke uitkeringen, ingaande niet later dan de eerste dag volgend op de maand waarin de man de 65-jarige leeftijd zal bereiken, of zoveel eerder als de man en de vennootschap nader overeen zullen komen. Los van de eventuele fiscale consequenties, staat het de man vrij om met de besloten vennootschap overeen te komen dat de ingangsdatum of de hoogte van de periodieke uitkeringen wordt gewijzigd. Hij kan, zoals de vrouw heeft benadrukt, bewerkstelligen dat de uitkeringen eerst plaatsvinden na het tijdstip van de ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap. In de rechtsverhouding tussen de man en zijn gewezen werkgever verandert dat niets aan de aard van de beëindigingsvergoeding, maar in de rechtsverhouding tussen de man en zijn gewezen echtgenote wel. De vraag is zelfs gesteld (in de toelichting op het middelonderdeel) of het ertoe doet, tot wie de man in een rechtsbetrekking staat: het goederenrechtelijke karakter van de gemeenschap van goederen zou eraan in de weg staan dat de aanspraken worden aangemerkt als verknocht aan de man. Daartegenover staat, dat het gaat om een mogelijkheid voor de man om, in overeenstemming met de stamrecht-vennootschap, de tijdstippen en hoogte van de bedongen uitkeringen te bepalen. Als de man van die mogelijkheid geen gebruik maakt, is nauwelijks een verschil te ontdekken met de in de beschikking van 17 oktober 2008 bedoelde situatie waarbij de tijdstippen en de hoogte van de uitkeringen (daar: bij een externe verzekeraar) vastliggen. Het verweerschrift in cassatie wijst daar op.

2.11.

Indien de Hoge Raad het standpunt van de vrouw volgt, hetgeen ik hierbij voorstel, is de aanvankelijke, door de man en de voormalige werkgeefster aan de vergoeding gegeven kwalificatie (‘vergoeding voor verlies van toekomstig (arbeids)inkomen’) inderdaad niet voldoende om daarop het oordeel te baseren dat de aard van een vergoeding voor verlies van toekomstig arbeidsinkomen heeft behouden en in het bijzonder verknocht is aan de man, ook nadat deze aanspraak op periodieke uitkeringen de vorm had gekregen van een vordering op de stamrecht B.V. Daarom slaagt middelonderdeel 1. Voor mij heeft de doorslag gegeven het argument van de vrouw dat het nadeel, ter compensatie waarvan de ontslagvergoeding is verstrekt in de redenering van het hof, de huwelijksgoederengemeenschap zou treffen voor zover de vergoeding ziet op het tijdvak tot aan de datum van ontbinding van deze gemeenschap. Zou de dienstbetrekking zijn voortgezet en zou de man loon hebben ontvangen, dan zou dit loon in de gemeenschap zijn gevallen zolang de huwelijksgoederengemeenschap bestaat. Bij deze benadering wordt relevant, wat in de aangehaalde overweging uit de beschikking van 17 oktober 2008 precies is bedoeld met de woorden “zien op”.

2.12.

Middelonderdeel 2 slaagt naar mijn mening eveneens. Ten aanzien van de klacht onder (i): indien het hof, voor zijn antwoord op de vraag: wel/niet verknocht, voor de aard van de aanspraken van de man op de stamrecht B.V. bepalend acht dat deze aanspraken waren bedoeld ter vervanging van toekomstig inkomen uit arbeid, behoefde dit oordeel inderdaad een extra motivering, welke ontbreekt, voor zover het gaat om aanspraken op uitkeringen na het bereiken van de leeftijd van 65 jaar, althans na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Weliswaar is niet bij voorbaat uitgesloten dat iemand blijft doorwerken na het bereiken van de 65-jarige (c.q. pensioengerechtigde) leeftijd, maar dat dit zou zijn verdisconteerd bij de vaststelling van de aanspraken van de man (op zijn werkgever en later op de stamrecht B.V.) blijkt nergens uit.

2.13.

Ten aanzien van de klacht onder (ii) zij hier herhaald dat naar vaste rechtspraak het antwoord op de vragen of een goed op bijzondere wijze aan een der echtgenoten is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed in de gemeenschap valt - een en ander als bedoeld in art. 1:94 lid 3 BW - afhangt van de aard van dat goed, zoals deze mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald. Daarom had het hof niet beslissend mogen achten: of de uitkeringen waarop de man jegens de stamrecht B.V. aanspraak heeft, feitelijk zijn uitbetaald vóór de datum waarop de goederengemeenschap werd ontbonden. Voor de aanspraken die zien op de periode vóór de ontbinding, en waarvan de waarde in ieder geval niet meer bedraagt dan de som van de in die periode verschuldigde uitkeringen, geldt dat zij, evenals ontvangen loon, in de gemeenschap vallen. Indien de man had kunnen blijven doorwerken bij zijn werkgever, zou hij hebben ervaren dat zijn recht op loon in de huwelijksgoederengemeenschap valt. Dan valt, zonder nadere motivering, ook niet in te zien waarom een recht op vergoeding van gederfde toekomstige inkomsten over een tijdvak waarin de huwelijksgoederengemeenschap nog bestaat, niet tot de baten van de gemeenschap zou behoren.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikkingen en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

a. – g.

1 Zie rov. 10 van de eindbeschikking van het hof.

2 Het desbetreffende gedeelte van de beëindigingsovereenkomst is door het hof geciteerd in zijn tussenbeschikking onder 11.

3 Zie rov. 10 en 11 van de tussenbeschikking van het hof. De beslissing dat de waarde van de aandelen per saldo nihil is (zie alinea 1.7 hierna) is in cassatie niet bestreden.

4 Vgl. onder meer: HR 3 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX8843, NJ 2008/257; HR 15 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC0377, NJ 2008/275 m.nt. S.F.M. Wortmann; HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1749, NJ 2012/407 m.nt. S.F.M. Wortmann; HR 7 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0957, NJ 2013/141 m.nt. L.C.A. Verstappen. Zie ook: Asser/De Boer, I, 2010, nrs. 300 – 313. Het in rov. 9 vooropgestelde criterium wordt in cassatie niet bestreden (cassatierekest blz. 16; verweerschrift in cassatie onder 3.17).

5 Vgl. HR 16 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU6049, NJ 2006/8; HR 16 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT2056, NJ 2006/9.

6 Later is onder 3 toegevoegd: artikel 10a.

7 HR 4 maart 1987, BNB 1987/215.

8 Zie over de stamrechtvrijstelling blz. 3 van het cassatierekest en voorts: Vakstudie Loonbelasting en premieheffingen, art. 11 Wet LB 1964, aant. 8; Besluit staatssecretaris 27 november 2002, Vakstudie-Nieuws 2003/2.24; SDU Commentaar arbeidsrecht, thematisch deel, II, 2013, hoofdstuk 37, Fiscaliteiten (L. Jansen), art. 11 Wet LB, aantek. C3 (blz. 2415-2417).

9 Cassatierekest onder 2.31, uitgewerkt onder 2.32.

10 Cassatierekest onder 2.31, uitgewerkt onder 2.33 – 2.36.

11 HR 3 november 2006, ECLI:NL:HR:2008:AX7805, NJ 2008/258 m.nt. L.C.A. Verstappen; HR 7 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0957, NJ 2013/141 m.nt. L.C.A. Verstappen.

12 De problematiek van herbelegging van een ongevalsuitkering en daarmee samenhangende vragen over zaaksvervanging laat ik onbesproken. Zie daarover: HR 24 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2470, NJ 1998/693 m.nt. W.M. Kleijn; HR 3 november 2006, reeds aangehaald; HR 26 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF2295, NJ 2009/40 m.nt. L.C.A. Verstappen. Zie ook: B. Breederveld, Hoe ver reikt de verknochtheid?, EB 2015/66; T.M. Subelack, De uitkering van schadevergoeding: verknochtheid en zaaksvervanging, EB 2013/40: L.H.M. Zonnenberg, Vergoedingsvordering en zaaksvervanging, EB 2012/60; M.J.A. van Mourik en L.C.A. Verstappen, Nederlands vermogensrecht bij scheiding, Algemeen Deel A, 2014, blz. 153-155; Asser-De Boer 2010, nr. 313.

13 Zie de noot van Verstappen bij de beschikking van de Hoge Raad van 17 oktober 2008, punten 7 - 9, en C. Verschuur-Buijsen, De ontslagvergoeding bij echtscheiding: over verknochtheid en alimentatie, EB 2010/3.

14 Vgl. de conclusie voor HR 25 maart 2016, ECLI:NL:PHR:2015:2480, alinea’s 2.7 – 2.8.

15 De vrouw zoekt steun voor haar standpunt bij: B. Breederveld, De aangepaste gemeenschap van goederen in verband met echtscheiding, 2011, blz. 45 - 46; T.M. Subelack, De verknochtheid van een ontslagvergoeding, EB 2014/72.

16 In lijn met de thans bestreden beslissing: Gerechtshof ‘s-Gravenhage 25 mei 2011, ECLI:GHSGR:2011:BR0783; Gerechtshof ’s-Gravenhage 28 mei 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:2747, JIN 2014/170 m.nt. M.A. Zon; Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 15 oktober 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:4114; Gerechtshof Arnhem, 25 oktober 2011: ECLI:NL:GHARN:2011:BU9491.

17 Meer in lijn met het middelonderdeel: Gerechtshof Amsterdam 22 januari 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ4094; Gerechtshof Amsterdam 12 februari 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:2623; Gerechtshof Amsterdam 3 maart 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:740.