Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:288

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
19-02-2016
Datum publicatie
25-04-2016
Zaaknummer
15/05541
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:727, Contrair
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Appelprocesrecht. WSNP. Ontvankelijkheid hoger beroep. Verschoonbare termijnoverschrijding?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/05541

Mr. L. Timmerman

Parket 19 februari 2016

Conclusie inzake

[verzoekster]

(hierna: [verzoekster])

1 Feiten

1.1

Voor zover in cassatie nog van belang blijkt de feitelijke gang van zaken uit het procesverloop en de overwegingen van het hof zoals dat hierna is opgenomen.

2 Procesverloop

2.1

Vanaf 10 september 2008 staan de goederen die (zullen) toebehoren aan [verzoekster] onder bewind.1 Bij vonnis van 27 april 2012 is ten aanzien van [verzoekster] de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard.2

2.2

De bewindvoerder heeft eind mei 20153 aan de rechtbank verzocht om de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoekster] tussentijds te beëindigen zonder toekenning van de schone lei. Op 1 juli 2015 heeft naar aanleiding van dit verzoek een mondelinge behandeling plaatsgevonden. In het van die behandeling opgemaakte proces-verbaal is onder meer opgenomen:

“Hierop sluit de rechter de behandeling, deelt mee dat op 8 juli 2015 uitspraak zal worden gedaan en wijst op de mogelijkheid van hoger beroep, in te dienen door een advocaat bij het gerechtshof te Amsterdam binnen 8 dagen na het vonnis.”

Het proces-verbaal is ondertekend door de rechter en de griffier.

2.3

Bij vonnis van 8 juli 2015 heeft de rechtbank geoordeeld dat de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoekster] zou worden beëindigd zonder toekenning van een schone lei.

2.4

Namens [verzoekster] is per fax van 10 augustus 2015 hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis van de rechtbank.

2.5

Bij arrest van 25 november 2015 heeft het hof overwogen:

“2.1 In eerste plaats dient de vraag te worden beantwoord of [verzoekster] in haar hoger beroep kan worden ontvangen.

2.2

Ingevolge artikel 351, eerste lid, Faillissementswet (Fw) staat hoger beroep open gedurende acht dagen na de uitspraak. De beschermingsbewindvoerder heeft het hof bij brief van 30 juli 2015 bericht hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam “op of omstreeks d.d. 8 juli 2015”(hij beschikte op dat moment niet over het vonnis). Door mr. Lyon is vervolgens het hoger beroepsschrift ingediend bij fax van 10 augustus 2015. Nu het bestreden vonnis dateert van 8 juli 2015 moet worden geconcludeerd dat het hoger beroep niet binnen de in voormeld artikel genoemde termijn is ingesteld. De beroepstermijn is dus overschreden. Dit moet in beginsel leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van [verzoekster] in het hoger beroep. De beroepstermijn moet strikt worden gehandhaafd.

2.3

Een uitzondering is evenwel gerechtvaardigd indien [verzoekster] ten gevolge van een door (de griffie van) de rechtbank begane fout of verzuim niet tijdig wist en redelijkerwijs ook niet kon weten dat de rechter het vonnis had uitgesproken en dat vonnis haar als gevolg van een niet aan haar toe te rekenen fout of verzuim pas na afloop van de beroepstermijn is toegezonden of verstrekt, of nog wel binnen de beroepstermijn, maar zo laat dat daartegen binnen die termijn redelijkerwijs zelfs niet meer een beroepschrift kan worden ingediend waarin de gronden voor het beroep niet zijn opgenomen.

2.4

[verzoekster] heeft in dit verband het volgende aangevoerd. Zij is met haar beschermingsbewindvoerder verschenen ter zitting in eerste aanleg van op 1 juli 2015. Bij vonnis van 8 juli 2015 heeft de rechtbank de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoekster] beëindigd zonder haar de schone lei te verlenen. Ter zitting in eerste aanleg heeft de rechter, anders dan in het opgemaakte proces-verbaal staat vermeld, geen datum gemeld waarop uitspraak zou worden gedaan. Noch [verzoekster], noch de beschermingsbewindvoerder hebben een afschrift van het vonnis van 8 juli 2015 ontvangen. Nadat de beschermingsbewindvoerder van een van de schuldeiseres had vernomen dat de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoekster] was beëindigd zonder schone lei, heeft deze op 30 juli 2015 telefonisch contact opgenomen met een medewerker van de griffie van de rechtbank, die dit heeft bevestigd. De beschermingsbewindvoerder heeft daarop de hiervoor onder 2.2. genoemde brief van 30 juli 2015 aan het hof geschreven. Hoewel de bewuste griffiemedewerker in vorenbedoeld telefoongesprek had beloofd een afschrift van het vonnis aan de beschermingsbewindvoerder toe te zenden, heeft de beschermings-bewindvoerder dit afschrift niet ontvangen. De beschermingsbewindvoerder heeft daarom een afschrift van het vonnis bij de bewindvoerder in de schuldsanering opgevraagd en direct daarna contact gelegd met het kantoor van mr. De Lyon. Volgens [verzoekster] kan haar niet worden toegerekend dat zij niet binnen de wettelijke termijn van acht dagen een beroepschrift heeft ingediend: zij wist niet wanneer er door de rechtbank uitspraak zou worden gedaan en heeft het vonnis van de rechtbank niet ontvangen. Ook is het vonnis, nadat het op 8 juli 2015 was gewezen, niet meteen aan de beschermingsbewindvoerder verstrekt, terwijl bij de rechtbank bekend was dat haar belangen worden behartigd door haar beschermingsbewindvoerder, aldus steeds [verzoekster].

2.5

De bewindvoerder in de schuldsanering heeft met betrekking tot de ontvankelijkheid van [verzoekster] in haar hoger beroep het volgende naar voren gebracht. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van 1 juli 2015 was ten behoeve van de toezending van het vonnis aan [verzoekster] bij de rechtbank het juiste adres bekend. Daarmee mag worden verondersteld dat toezending van het vonnis van 8 juli 2015 aan [verzoekster] correct heeft plaatsgevonden. Verder is blijkens het proces-verbaal van de zitting op 1 juli 2015 door de rechter, in het bijzijn van de beschermings-bewindvoerder, mededeling gedaan dat op 8 juli 2015 uitspraak zou worden gedaan en is door de rechter gewezen op de beroepstermijn van acht dagen. Tot toezending van het vonnis aan de beschermingsbewindvoerder bestond geen verplichting. De bewindvoerder in de schuldsanering is van mening dat [verzoekster] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar hoger beroep.

2.6

Het hof oordeelt als volgt.

2.7

In het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank van 1 juli 2015 is, aan het slot, opgenomen dat aan [verzoekster] en haar beschermingsbewindvoerder is meegedeeld dat op 8 juli 2015 uitspraak zou worden gedaan en dat zij zijn gewezen op de mogelijkheid van hoger beroep binnen acht dagen na de dag van de uitspraak van het vonnis. Hoewel [verzoekster] en haar beschermingsbewindvoerder betwisten dat van een en ander op die zitting melding is gemaakt, hebben zij geen feiten en/of omstandigheden aangevoerd die aannemelijk maken dat onjuist is hetgeen in het proces-verbaal is vermeld. Het hof gaat dan ook van de juistheid van het proces-verbaal uit. Of [verzoekster] en haar beschermingsbewindvoerder een afschrift van het vonnis hebben ontvangen – [verzoekster] en haar beschermingsbewindvoerder ontkennen dat – kan in het midden blijven, nu een zodanige toedracht [verzoekster] niet zou baten. Het had dan immers in het licht van de mededeling van de rechtbank omtrent de datum van uitspraak op haar weg dan wel die van haar beschermingsbewindvoerder gelegen kort na 8 juli 2015, en in ieder geval zodanig tijdig dat eventueel nog beroep kon worden ingesteld, bij de rechtbank navraag te doen, indien zij/hij het vonnis van de rechtbank niet had ontvangen. Gesteld noch gebleken is dat zulks is gedaan: de beschermings-bewindvoerder heeft eerst op 30 juli 2015 contact met de rechtbank opgenomen. Het overschrijden van de wettelijke beroepstermijn acht het hof dan ook niet verschoonbaar en dient voor rekening van [verzoekster] te komen, zodat zij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar hoger beroep.

2.6

Bij verzoekschrift van 2 december 2015 heeft [verzoekster] tijdig4 cassatieberoep ingesteld. [verzoekster] heeft bij brief van 21 januari 2016 verzocht om de bijgevoegde schriftelijke toelichting bij de beoordeling te betrekken. De beslissing op dit verzoek is op het moment van het schrijven van de conclusie nog niet genomen. Van de s.t. heb ik dan ook geen kennis genomen.

3 Bespreking van de klachten

3.1

Het lijkt zinvol om eerst het tweede onderdeel te bespreken. Dit onderdeel trekt ten strijde tegen het oordeel van het hof in rov. 2.7 dat van de juistheid van het proces-verbaal moet worden uitgegaan. Het onderdeel klaagt dat dit oordeel rechtens onjuist en bovendien ook onvoldoende gemotiveerd is. Het hof diende ambtshalve onderzoek te verrichten naar de ontvankelijkheid van [verzoekster] en daarbij bijvoorbeeld inlichtingen op te vragen bij de rechtbank en/of de verklaring op te nemen van degenen die bij de zitting aanwezig waren. Het oordeel is voorts onbegrijpelijk omdat [verzoekster] heeft aangevoerd dat (a) er ter zitting geen melding is gemaakt van de vonnisdatum, (b) dit door haar beschermingsbewindvoerder is bevestigd, (c) zowel zijzelf als de bewindvoerder tot 30 juli 2015 niet op de hoogte waren van het feit dat al uitspraak was gedaan en (d) de beschermingsbewindvoerder pas contact heeft opgenomen met de rechtbank nadat een schuldeiser hem van het vonnis op de hoogte stelde en toen ook meteen hoger beroep heeft ingesteld.

3.2.1

Terecht heeft het hof tot uitgangspunt genomen dat hetgeen in het proces-verbaal is opgenomen ook daadwerkelijk ter gelegenheid van de mondelinge behandeling is besproken. Het proces-verbaal is immers een authentieke akte, waaraan ingevolge art. 157 lid 1 Rv tegenover een ieder dwingende bewijskracht toekomt met betrekking tot hetgeen daarin door de rechter en de griffier is verklaard omtrent hun waarnemingen en verrichtingen ter zitting. 5 Het hof is dus terecht uitgegaan van de juistheid van hetgeen in het proces-verbaal is opgenomen, behoudens tegenbewijs. Het was dus, zoals het hof terecht overweegt, aan [verzoekster] om feiten en omstandigheden te stellen waaruit kan worden afgeleid dat de datum waarop uitspraak zou worden gedaan níet op de mondelinge behandeling kenbaar is gemaakt.

3.2.2

Dat het hof ambtshalve dient te onderzoeken of [verzoekster] al dan niet ontvankelijk is in haar hoger beroep maakt het voorgaande niet anders. Het hof heeft dit onderzoek blijkens de rov. 2.4 tot en met 2.7 (uitgebreid) verricht. Daarbij geldt in het bijzonder dat niet valt in te zien welke toegevoegde waarde het zou hebben gehad als het hof bij de rechtbank inlichtingen zou hebben opgevraagd of verklaringen had genomen van degenen die ter zitting aanwezig waren, zoals het cassatieverzoekschrift betoogt. Hetgeen volgens de rechtbank ter zitting is besproken is immers opgenomen in het proces-verbaal. De overige aanwezigen op de zitting heeft het hof gevraagd naar hun verklaring, welke verklaring het hof ook bij de beoordeling heeft betrokken (zie rov. 2.4 en 2.5). De onder 2.1 van het cassatieverzoekschrift opgenomen rechtsklacht faalt daarmee.

3.3

De onder 2.2 van het cassatieverzoekschrift opgenomen motiveringsklacht kan evenmin slagen. Het hof heeft de door [verzoekster] aangevoerde feiten en omstandigheden (zie a-d onder punt 3.1 hiervoor) blijkens rov. 3.4 gezien en bij de beoordeling betrokken, maar kennelijk – tegenover de inhoud van het proces-verbaal – van onvoldoende gewicht geacht. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. De omstandigheden (a) en (b) betreffen blote stellingen van [verzoekster],6 die tegenover de bewijskracht van het proces-verbaal niet veel kunnen uithalen. De omstandigheden (c) en (d) hebben betrekking op de vraag of [verzoekster] en haar beschermingsbewindvoerder het vonnis al dan niet tijdig hebben ontvangen. Het hof heeft het antwoord op die vraag in het midden gelaten, zodat er in cassatie veronderstellenderwijs van moet worden uitgegaan dat dit niet het geval is. Dat is voor de vraag of op de zitting is meegedeeld dat de uitspraak op 8 juli 2015 zou volgen echter niet relevant. Dat zou anders kunnen zijn als uit de omstandigheid onder (d) zou moeten worden afgeleid dat als [verzoekster] en de beschermingsbewindvoerder hadden geweten dat op 8 juli 2015 uitspraak zou worden gedaan, zij kort na die datum navraag bij de rechtbank hadden gedaan naar de uitspraak (en vervolgens tijdig hoger beroep hadden ingesteld). Een dergelijke stelling is echter in de procedure bij het hof en ook in cassatie niet ingenomen, althans dit blijkt niet uit het cassatieverzoekschrift.7

3.4

Ik kom toe aan een bespreking van het eerste onderdeel. Dit onderdeel richt zich (eveneens) tegen rov. 2.7 van het hof en klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het op de weg van [verzoekster] had gelegen om bij de rechtbank navraag te doen naar het vonnis. Daartoe voert het onderdeel aan dat:
(i) vaststaat dat [verzoekster] en haar beschermingsbewindvoerder eerst op 30 juli 2015 vernamen dat het vonnis was gewezen,
(ii) niet is gebleken dat hen conform het procesreglement is medegedeeld dat zij telefonisch konden informeren naar het vonnis,
(iii) [verzoekster] in eerste aanleg niet beschikte over rechtsbijstand,
(iv) de appeltermijn van 8 dagen bijzonder kort is en
(v) het gegeven oordeel om [verzoekster] geen schone lei te verlenen bijzonder ingrijpend is.
Het oordeel van het hof is bovendien strijdig met de fundamentele rechten van [verzoekster] (art. 6 EVRM en 17 Gw) en met het arrest HR 11 juli 2014, NJ 2014/359, aldus de cassatiebezorger.

3.5

Onderdeel 1 draait om de vraag of de overschrijding van de beroepstermijn in het onderhavige geval verschoonbaar is. In dat verband is relevant de door het onderdeel reeds aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad van 11 juli 2014.8 De Hoge Raad heeft in die zaak, die overigens ook draaide om een tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling, overwogen:

3.4

Bij de beoordeling van het middel wordt het volgende vooropgesteld.
Uitgangspunt is dat in het belang van een goede rechtspleging duidelijkheid dient te bestaan omtrent het tijdstip waarop een termijn voor het instellen van hoger beroep of cassatie begint te lopen (en eindigt), en dat aan beroepstermijnen strikt de hand moet worden gehouden. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan daarop een uitzondering worden gemaakt.
Een uitzondering is met name gerechtvaardigd indien degene die beroep instelt, ten gevolge van een door (de griffie van) de rechtbank of het hof begane fout of verzuim niet tijdig wist en redelijkerwijs ook niet kon weten dat de rechter uitspraak heeft gedaan en de uitspraak hem als gevolg van een niet aan hem toe te rekenen fout of verzuim pas na afloop van de termijn voor het instellen van hoger beroep of cassatie is toegezonden of verstrekt.
Indien tijdens de mondelinge behandeling waarbij partijen, voorzien van rechtsbijstand, aanwezig waren, door de voorzitter is medegedeeld dat op een bepaalde datum uitspraak zal worden gedaan, en dit ook daadwerkelijk gebeurt, bestaat geen aanleiding om een termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. (zie voor een en ander HR 28 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN8489, NJ 2005/465, HR 10 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT1097, NJ 2005/372, en HR 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:413, NJ 2014/131).

3.5

Het gaat hier om een geval waarin de schuldsaneringsregeling van G. is beëindigd. Blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank is G. in eerste aanleg verschenen, werd hij niet bijgestaan door een advocaat en heeft de rechter aan het slot van de mondelinge behandeling medegedeeld “over twee weken” uitspraak te zullen doen. De uitspraak is op 10 oktober 2013 gedaan. De wettelijke termijn voor het instellen van hoger beroep is acht dagen en verstreek dus op 18 oktober 2013. G. heeft in zijn beroepschrift aangevoerd dat de uitspraak van de rechtbank hem buiten zijn toedoen pas op 22 oktober 2013 heeft bereikt en dat hij vervolgens binnen twee dagen hoger beroep heeft ingesteld. Blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de bewindvoerder verklaard niet te weten of het voor G. bestemde afschrift van de uitspraak van de rechtbank eerst op het adres van de bewindvoerder in plaats van rechtstreeks op het adres van G. is bezorgd.

3.6

Nu G.in eerste aanleg niet werd bijgestaan door een advocaat en niet blijkt dat hem (in overeenstemming met art. 3.1.4.1 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken) de precieze dag van de uitspraak is medegedeeld, onder vermelding dat hij vanaf dat moment telefonisch naar de uitspraak kon informeren, is sprake van een verzuim van de rechtbank als gevolg waarvan G. redelijkerwijs niet hoefde te weten op welke dag de rechtbank uitspraak had gedaan. De verklaring van G. dat hij wist dat hij twee weken na de mondelinge behandeling bij de rechtbank een uitspraak kon verwachten, kan dan ook niet het andersluidende oordeel van het hof dragen.
Gelet op de hiervoor in 3.4 genoemde rechtspraak had het hof behoren te onderzoeken of de uitspraak van de rechtbank als gevolg van een niet aan G. toe te rekenen fout of verzuim pas na afloop van de termijn voor het instellen van hoger beroep aan hem is toegezonden of verstrekt. De hierop gerichte klachten slagen.”

3.8

Uit dit arrest en de in het arrest aangehaalde eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad9 blijkt dat de termijnoverschrijding van [verzoekster] verschoonbaar is als [verzoekster] niet tijdig wist en redelijkerwijs niet kon weten dat de rechter uitspraak had gedaan en de uitspraak haar als gevolg van een niet aan haar toe te rekenen fouten of verzuim pas na afloop van de termijn voor het instellen van hoger beroep is toegezonden of verstrekt.10

Hiervoor onder 3.3 is opgemerkt dat er in cassatie veronderstellenderwijs van moet worden uitgegaan dat het vonnis niet tijdig aan [verzoekster] of aan haar beschermings-bewindvoerder is toegezonden of verstrekt. Het gaat er dus nog om of [verzoekster] tijdig wist of redelijkerwijs kon weten dat de rechtbank op 8 juli 2015 uitspraak had gedaan.

3.9

Nu onderdeel 2 faalt, moet ervan worden uitgegaan dat ter zitting van 1 juli 2015 aan [verzoekster] en haar beschermingsbewindvoerder is meegedeeld dat op 8 juli 2015 uitspraak zou worden gedaan en dat op het moment van de uitspraak de beroepstermijn van acht dagen zou gaan lopen. De uitspaak is vervolgens ook daadwerkelijk op 8 juli 2015 gedaan. Daarmee lijkt het een gegeven dat [verzoekster] wist of in ieder geval redelijkerwijs moest weten dat op 8 juli 2015 uitspraak zou worden gedaan, zoals het hof overweegt. Het cassatieverzoekschrift heeft een aantal omstandigheden aangevoerd op basis waarvan desalniettemin zou moeten worden geoordeeld dat [verzoekster] niet tijdig wist of redelijkerwijs kon weten dat de rechter op 8 juli 2015 uitspraak zou doen (zie hiervoor onder 3.4).11

3.10

Als wordt uitgegaan van de juistheid van omstandigheid (i), zou vast komen te staan dat [verzoekster] (en haar beschermingsbewindvoerder) eerst op 30 juli 2015 wisten dat er op 8 juli 2015 uitspraak was gedaan. Dat zegt echter nog niets over de vraag of zij redelijkerwijs al eerder kon(den) weten dat er op die datum uitspraak was gedaan. Deze omstandigheid kan dan ook verder buiten beschouwing blijven.

3.11

Het cassatieverzoekschrift stelt terecht dat blijkens het proces-verbaal op de zitting van 1 juli 2015 niet is meegedeeld dat en vanaf welk tijdstip telefonisch navraag kon worden gedaan naar de uitspraak, terwijl dit op grond van het procesreglement wel verplicht is (omstandigheid ii).12 Kennelijk heeft het cassatieverzoekschrift daarbij het oog op rov. 3.6 van de Hoge Raad in het hierboven geciteerde arrest, waarin de Hoge Raad verwijst naar deze verplichting uit het procesreglement. Dat de Hoge Raad daarbij bedoeld heeft dat ook in de gevallen waarin wel de datum waarop uitspraak zal worden gedaan wordt meegedeeld, maar er daarbij niet wordt gezegd dat en vanaf welk moment telefonisch navraag naar de uitspraak kan worden gedaan sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding lijkt mij niet voor de hand te liggen. In het geciteerde arrest waren beide punten niet meegedeeld. De Hoge Raad concludeert daarop in diezelfde rov. 3.6 dat sprake is “van een verzuim van de rechtbank als gevolg waarvan G. redelijkerwijs niet hoefde te weten op welke dag de rechtbank uitspraak had gedaan”. En dát moest [verzoekster] redelijkerwijs nu juist wel weten. Deze omstandigheid had het hof derhalve niet tot een ander oordeel moeten brengen.

3.12

Voorts is aangevoerd dat [verzoekster] tijdens de procedure bij de rechtbank niet over rechtsbijstand beschikte (omstandigheid (iii)). Het hof heeft dit in rov. 2.4 onderkend, maar vervolgens kennelijk niet van voldoende gewicht geacht. Dat oordeel lijkt mij in de gegeven omstandigheden juist. Dat de Hoge Raad aan het al dan niet aanwezig zijn van rechtsbijstand waarde hecht blijkt onder meer uit de hiervoor reeds aangehaalde rov. 3.6 van het arrest van 11 juli 2014. Dat is als uitgangspunt m.i. terecht. Toch zou ik er voor willen pleiten om in het onderhavige geval het ontbreken van rechtsbijstand niet van doorslaggevend belang te achten. [verzoekster] werd in de procedure bij de rechtbank immers wel bijgestaan door haar beschermingsbewindvoerder, die als professionele en ervaren partij in deze heeft te gelden. Daarbij merk ik op dat de beschermingsbewindvoerder in ieder geval in staat was om op het moment dat hij – naar [verzoekster] stelt – daadwerkelijk bekend werd met het bestaan van de uitspraak vrijwel direct een beroepsschrift bij het hof in te dienen en contact op te nemen met een advocaat.

3.13

Daarmee resteren nog de omstandigheden (iv) en (v). Deze bepleiten in feite dat de belangenafweging in dit geval in het voordeel van [verzoekster] moet uitkomen. Daarmee wordt miskend dat, nu appeltermijnen van openbare orde zijn, voor een belangenafweging geen plaats is.13

3.14

Slotsom is daarmee dat het hof op goede gronden tot het oordeel is gekomen dat [verzoekster] en haar beschermingsbewindvoerder redelijkerwijs hadden moeten weten dat op 8 juli 2015 uitspraak zou worden gedaan en dat van een verschoonbare termijnoverschrijding dus geen sprake is.

3.15

Het voorgaande heeft tot gevolg dat het beroep van [verzoekster] op art. 6 EVRM en art. 17 GW haar niet kan baten. Juist is dat aan [verzoekster] een fundamenteel recht op toegang tot de rechter toekomt. Dat recht is echter niet onbeperkt, zeker niet wanneer het gaat om toegang tot de hogere rechter. Eén van de beperkingen van dit recht is te vinden in de appeltermijnen. Nu het hof terecht heeft geoordeeld dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding (anders gezegd: de termijnoverschrijding is veroorzaakt door omstandigheden die zich bevinden in de risicosfeer van [verzoekster]), wordt het recht op toegang tot de rechter niet in de kern aangetast.

3.16

Het derde onderdeel bevat alleen een veegklacht en deelt het lot van haar voorgangers.

4 Conclusie

Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Vgl. beschikking 10 september 2008 van de rechtbank

2 Vgl. vonnis 8 juli 2015 van de rechtbank in de kop.

3 Vgl. het eindverslag van de bewindvoerder d.d. 27 mei 2015.

4 Art. 351 lid 5 Fw. Er geldt een termijn van acht dagen na arrest (arrest 25 november 2015, verzoekschrift 2 december 2015).

5 HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2337, NJ 2012/226.

6 Wat zij meer had moeten stellen weet ik overigens ook niet.

7 Vgl. voetnoot 29. Daarin wordt verwezen naar het verzoekschrift van 30 juli 2015, maar daar staat een dergelijke stelling niet (de onder (d) opgenomen stelling staat er al nauwelijks).

8 HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1682, NJ 2014/359.

9 Zie voor een helder overzicht ook de conclusie A-G bij HR 25 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2814 onder 2.5.

10 Dat sprake is van cumulatieve vereisten volgt o.a. uit HR 10 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT1097, NJ 2005/372.

11 Dat deze omstandigheden ook in de procedure bij het hof zijn aangevoerd blijkt overigens niet uit de cassatiedagvaarding. Omdat het hof de ontvankelijkheid ambtshalve diende te toetsen lijkt me afdoening op art. 407 lid 2 Rv hier niet de aangewezen weg.

12 Artikel 3.1.4.1: “De uitspraak wordt op de zitting gedaan of, indien dit niet mogelijk is, zo spoedig mogelijk daarna. Indien de uitspraak niet op de zitting wordt gedaan, wordt medegedeeld op welke datum en op welk tijdstip telefonisch naar de uitspraak kan worden geïnformeerd, zie Bijlage V.”

13 Vgl. HR 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:413, NJ 2014/131, rov. 3.42 (slot).