Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:279

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
23-02-2016
Datum publicatie
20-04-2016
Zaaknummer
15/02211
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:691, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Slagende bewijsklacht opzet op de dood van het slachtoffer. In aanmerking genomen dat de bewijsvoering met betrekking tot het steken in de buik niet meer inhoudt dan dat het slachtoffer in het mes is gelopen dat de verdachte voor zich hield op het moment dat het slachtoffer op de verdachte afrende en het slachtoffer hem meermalen naar zich toe trok, is het oordeel van het hof in zoverre niet zonder meer begrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/02211

Zitting: 23 februari 2016

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 3 november 2014 door het gerechtshof Den Haag wegens “doodslag” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren. Tevens heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 7.827,21 en voor datzelfde bedrag aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd.

  2. Namens de verdachte heeft mr. S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.

  3. De voorgestelde middelen hangen nauw met elkaar samen en zijn achtereenvolgens gericht tegen de bewezenverklaring van het opzet van de verdachte op de dood van het slachtoffer, de verwerping van het beroep op noodweer en de verwerping van het beroep op noodweerexces. Alvorens de middelen inhoudelijk te bespreken, worden hieronder eerst de bewezenverklaring en de gebezigde bewijsmiddelen opgenomen.

  4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij in de nacht van 16 tot en met 17 juli 2010 te Gouda opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet twee malen met een mes, [slachtoffer] in zijn buik en in zijn rug gestoken ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.”

5. Deze bewezenverklaring steunt op de inhoud van de volgende bewijsmiddelen:

“1. De verklaring van de verdachte.

Ter terechtzitting in hoger beroep van 20 oktober 2014 heeft de verdachte verklaard - zakelijk weergegeven - (p. 2 en 3 van het proces-verbaal):

In de nacht van 16 op 17 juli 2010 fietste ik in Gouda van mijn werk naar huis toen ik [slachtoffer] en een aantal anderen op straat tegenkwam.

Ik heb mijn tas gepakt, het mes uit mijn tas gepakt en voor mij gehouden. Ik boog voorover en daarop sloeg en schopte [slachtoffer] mij en trok mij meerdere keren naar zich toe. Hij heeft toen het mes geraakt.

Bij de waterkant pakte hij mij opnieuw vast. Ik heb hem geslagen en gestoken in zijn rug.

2. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 juli 2010 van de politie Hollands Midden, Team Gouda, met nummer PL1623 2010110507-6. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Op zaterdag 17 juli 2010, omstreeks 00.25 uur kregen ik, verbalisant [verbalisant 1] en hoofdagent van politie, [verbalisant 2] van de politie meldkamer Hollands Midden een melding van een steekpartij op de Bloemendaalseweg te Gouda. Ter plaatse zag ik, verbalisant, een manspersoon op de grond liggen. Ik, verbalisant, zag dat er een snee in de buik van het slachtoffer (naar het hof begrijpt: [slachtoffer] ) zat ter grootte van een centimeter. Ik, verbalisant, zag dat het ambulancepersoneel de man omdraaide en het shirt van het slachtoffer omhoog deden. Hierop zag ik nog een steekwond in de rug, ter hoogte van de longen aan de rechterzijde. Ik zag dat deze snee circa 1,5 centimeter groot was.

3. Een geschrift, zijnde een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut bevattende de resultaten van het pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, betreffende de overledene [slachtoffer] , d.d. 6 januari 2011, welk rapport is opgesteld en ondertekend door NFI-deskundige P.M.L. van Driessche, arts en patholoog. Dit rapport houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

Bij sectie waren aan de rug en aan de buik van het lichaam 2 letsels te zien, bij leven opgelopen door inwerking van uitwendig mechanisch perforerend geweld, waarbij de letsels een aspect hadden als passend bij een eenzijdig snijdend voorwerp, zoals bijvoorbeeld één of twee eenzijdig snijdend(e) mes(sen). In aansluiting waren er 2 steekkanalen. Deze steekkanalen hebben geleid tot fors bloedverlies.

Conclusie:

Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1973, wordt het intreden van de dood zondermeer verklaard door verbloeding ten gevolge van steekletsels.”

6. In het eerste middel wordt geklaagd over de verwerping door het hof van een bewijsverweer, inhoudende dat bij de verdachte geen sprake is geweest van (voorwaardelijk) opzet op de dood van het slachtoffer.

6.1. Het hof heeft het bewijsverweer als volgt samengevat en verworpen:

“Gevoerd verweer

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw, overeenkomstig de door haar overgelegde pleitaantekeningen, betoogd dat de verdachte geen opzet heeft gehad, ook niet in voorwaardelijke zin, op de dood van het slachtoffer, zodat hij van het ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte - verkort en zakelijk weergegeven - verklaard dat hij met het (latere) slachtoffer in gevecht is geraakt, dat hij op een gegeven moment tijdens die confrontatie een mes uit zijn rugzak heeft gepakt en dat mes voor zich heeft gehouden, nadat het slachtoffer dreigend een fiets boven het hoofd had gehouden en naar de verdachte had gegooid. Volgens de verdachte rende het slachtoffer daarna op hem af en trok hij de verdachte meermalen naar zich toe. Aldus is het slachtoffer in het mes gelopen, waardoor hij (fatale) steekverwondingen in de buik heeft opgelopen. Toen de verdachte voor de tweede keer werd vastgehouden door het slachtoffer, heeft de verdachte hem vervolgens met het mes in zijn rug gestoken.

De handelingen die de verdachte naar eigen zeggen na het pakken van het mes met dat mes in de hand heeft uitgevoerd, kunnen naar het oordeel van het hof naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zijnde zo zeer gericht op de dood van [slachtoffer] dat het niet anders kan zijn dan dat het opzet van de verdachte op de dood van [slachtoffer] gericht is geweest, waaraan niet kan afdoen hetgeen door de raadsman in dit verband naar voren is gebracht.

Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte met de voor het bewijs van het ten laste gelegde feit vereiste opzet heeft gehandeld.

Het hof verwerpt derhalve het verweer.

(…)”

6.2. Het middel richt zich met name tegen de (bewijs)overweging van het hof dat “de handelingen die de verdachte naar eigen zeggen na het pakken van het mes met dat mes in de hand heeft uitgevoerd, […] naar het oordeel van het hof naar hun uiterlijke verschijningsvorm [kunnen] worden aangemerkt als zijnde zozeer gericht op de dood van [slachtoffer] dat het niet anders kan zijn dan dat het opzet van de verdachte op de dood van [slachtoffer] gericht is geweest, waaraan niet kan afdoen hetgeen door de raadsman in dit verband naar voren is gebracht”.

6.3. In het middel wordt betoogd dat deze overweging zonder nadere motivering niet begrijpelijk is, gelet op hetgeen het hof in zijn andere overwegingen ten aanzien van de handelingen van de verdachte na het pakken van het mes heeft vastgesteld, namelijk dat de verdachte een mes voor zich heeft gehouden nadat het slachtoffer dreigend een fiets boven het hoofd hield en deze naar de verdachte gooide en dat het slachtoffer in het genoemde mes is gelopen toen hij naar de verdachte toerende en hem meermalen naar zich toetrok. Daarnaast heeft het hof vastgesteld dat de verdachte, toen hij daarna weer door het slachtoffer werd vastgehouden, het slachtoffer met het mes in de rug heeft gestoken.

6.4. Deze feiten en omstandigheden zijn volgens de steller van het middel in de eerste plaats onvoldoende om het opzet van de verdachte op de dood van het slachtoffer uit af te leiden, nu het hof niets heeft vastgesteld met betrekking tot de aard en de grootte van het mes van de verdachte, de aard en grootte van de toegebrachte letsels en of de messteken ieder afzonderlijk tot de dood van het slachtoffer hadden kunnen leiden c.q. welke messteek de oorzaak van het overlijden van het slachtoffer is geweest.

6.5. Als ik het middel goed begrijp, worden tegen het aannemen van het opzet bij verdachte door het hof met name twee bezwaren naar voren gebracht:

  1. de gang van zaken waarvan het hof met betrekking tot de verwonding in de buik is uitgegaan is tegenstrijdig met de overweging dat deze messteek naar zijn uiterlijke verschijningsvorm kan worden aangemerkt als zijnde zo zeer gericht op de dood van het slachtoffer dat het niet anders kan zijn dan dat het opzet van de verdachte op de dood van het slachtoffer gericht is geweest en

  2. ten aanzien van de messteek in de rug blijkt uit de bewijsmiddelen niet of deze op zichzelf een dodelijke verwonding is geweest, zodat ook daaruit niet kan volgen dat het opzet van de verdachte op de dood van het slachtoffer gericht is geweest.

6.6. Voordat ik op deze bezwaren inga, wil ik aan de orde stellen dat mij als eerste aan de bestreden overweging van het hof is opgevallen, dat het hof niet een voorwaardelijk opzetconstructie heeft gebruikt om tot de bewezenverklaring te komen maar heeft overwogen dat “het niet anders kan zijn dan dat het opzet van de verdachte op de dood van [slachtoffer] gericht is geweest”. Hoewel dit aspect in de toelichting op het middel niet met zoveel woorden wordt aangeroerd, valt het mijns inziens binnen de grenzen van het middel, dat immers klaagt over de ontoereikende motivering van het bewezenverklaarde opzet.

6.7. Ik lees in de overweging van het hof dat het kennelijk van oordeel is, dat het opzet van de verdachte in onvoorwaardelijke zin gericht is geweest op de dood van het slachtoffer. Het lijkt erop dat het hof uit de gedragingen van de verdachte heeft afgeleid, dat de verdachte doelbewust het slachtoffer heeft gestoken met de intentie om hem te doden of dat uit het handelen van de verdachte zó noodzakelijk of zeker de dood van het slachtoffer voortvloeide, dat de verdachte zich hiervan wel bewust moet zijn geweest. Het is niet mijn bedoeling hier uitvoerig op de complexiteit van het opzetbegrip in te gaan1, maar voor de beoordeling van het oordeel van het hof is het wel van belang dat opzet – in onvoorwaardelijke zin – een zeker doelgericht handelen veronderstelt en een subjectieve component bevat die met name als het gaat om geweldsdelicten wordt ingevuld door “het willen” van de verdachte.2 Heeft de verdachte in casu de dood van het slachtoffer gewild? Zeker als de verdachte daar zelf niets over heeft verklaard, of zoals in onderhavige zaak heeft ontkend dat hij de dood van het slachtoffer wilde, wordt de vraag of er sprake is geweest van opzet geobjectiveerd en ingevuld aan de hand van algemene ervaringsregels en normatieve zorgvuldigheidseisen, wat ook wel “normativeren” wordt genoemd: het objectiveren om tot een redelijke toerekening te komen. Daarbij wordt bijvoorbeeld meegewogen hoe de gedragingen van de verdachte moeten worden beoordeeld aan de hand van algemene ervaringsregels en dit gedrag vergeleken met wat een ‘normaal’ mens in vergelijkbare omstandigheden zou doen. Maar dat betekent niet dat de subjectieve component oftewel het “willen en weten” van de verdachte daarvan helemaal losgekoppeld zou kunnen of mogen worden. De Hullu schrijft hierover:

“Maar de echte normativering waarin het weten en willen niet van belang hoeven te zijn en het puur om redelijke toerekening gaat, heeft materieel het bezwaar dat niet duidelijk is waarom de band met de inhoud van opzet zou moeten worden losgelaten terwijl bovendien door de openheid van het begrip grote onzekerheid kan ontstaan. Dat geldt veel minder voor het toelaatbaar achten van objectivering die wordt gekoppeld aan een goede en concrete bewijsmotivering en die een duidelijk verband bewaart met de basis van opzet –

willen en weten, en wel in het bijzonder van de verdachte om wie het gaat.3

6.8. Met name aan dat laatste, een goede en concrete bewijsmotivering schort het in het arrest van het hof in onderhavige zaak. Dat wordt mede veroorzaakt doordat het hof uit “de uiterlijke verschijningsvorm” van de handelingen van de verdachte, het opzet heeft afgeleid en daarbij bewoordingen heeft gebruikt die ontleend zijn aan de voorwaardelijk opzetformule: kunnen gedragingen gelet op hun uiterlijke verschijningsvorm, worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg (in casu het doodsteken van een ander) dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.4 Uit de summiere motivering van het hof valt niet op te maken of het hof bedoeld heeft voorwaardelijk opzet aan te nemen. Over het aanvaarden van een aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer heeft het hof in ieder geval niets overwogen. Weliswaar blijkt uit het door het hof gebezigde bewijsmiddel 1, de verklaring van de verdachte ter terechtzitting, dat hij het slachtoffer toen hij voor de tweede maal werd aangevallen in de rug heeft gestoken, maar ook uit deze verklaring blijkt niet zonder meer dat hij dit doelgericht gedaan heeft om het slachtoffer dood te steken. Uit de andere gebezigde bewijsmiddelen kan dit ook niet worden afgeleid.

Gelet op het bovenstaande is het oordeel van het hof dat de verdachte opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer ontoereikend gemotiveerd.

6.9. Naar mijn mening heeft de steller van het middel dat het oordeel van het hof over het opzet van de verdachte ten aanzien van de messteek in de buik niet goed begrijpelijk is, ook zeker een punt. Ten aanzien hiervan heeft het hof overwogen dat het slachtoffer bij het naar zich toetrekken van de verdachte “in het mes is gelopen”. Voor het bewijs heeft het hof de verklaring van de verdachte weergegeven in bewijsmiddel 1 gebruikt, die inhoudt dat het slachtoffer bij het naar zich toetrekken van de verdachte “het mes heeft geraakt”. Hoe het hof, zonder nadere motivering, uit deze gedragingen heeft kunnen afleiden dat deze “zozeer gericht zijn op de dood van [slachtoffer] dat het niet anders kan zijn dan dat het opzet van de verdachte op de dood van [slachtoffer] gericht is geweest”, is mij eerlijk gezegd een raadsel.

6.10. Ook als het hof bedoeld zou hebben, dat de verdachte welbewust de aanmerkelijke kans op het gevolg van zijn gedragingen – de dood van het slachtoffer – heeft aanvaard, dan nog is dat met betrekking tot de messteek in de buik van het slachtoffer, gelet op hetgeen het hof over de feitelijke gang van zaken heeft vastgesteld, zonder nadere motivering niet begrijpelijk. Dat geldt ook voor de messteek in de rug. Het hof heeft bijvoorbeeld niets vastgesteld over de aard van deze verwonding of waar in de rug de verwonding is geconstateerd en dit blijkt evenmin uit de onderdelen van het rapport van het NFI, die het hof voor het bewijs heeft gebruikt. Daarbij acht ik het voor de beantwoording van de vraag of de verdachte opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer niet echt relevant, zoals in het middel wordt betoogd, dat in het midden is gebleven welke van de verwondingen tot de dood van het slachtoffer hebben geleid. Maar uit de aard van de verwondingen zou wel iets kunnen worden afgeleid over de vraag of de verdachte bij het steken bewust op de koop toe moet hebben genomen, dat het slachtoffer aan de gevolgen daarvan zou overlijden.

6.11. Kortom, de bewezenverklaring van het opzet van verdachte op de dood van het slachtoffer is niet begrijpelijk en door het hof ontoereikend gemotiveerd.

6.12. Het middel slaagt.

7. Voor het geval dat de Hoge Raad mij hierin niet volgt, zal ik ook het tweede en derde middel bespreken.

8. Het tweede middel bevat een klacht over de verwerping van een beroep op noodweer.

8.1. Ter terechtzitting in hoger beroep van 20 oktober 2014 heeft de raadsvrouw van de verdachte een beroep op noodweer gedaan en heeft zij dit beroep onderbouwd met uitgebreide verwijzingen naar de verschillende in het dossier aanwezige getuigenverklaringen (zie blz. 14-39 van de aan het proces-verbaal van de betreffende terechtzitting gehechte pleitaantekeningen).

8.2. Het hof heeft dit verweer als volgt verworpen:

“Gevoerde verweren ten aanzien van de strafbaarheid van het feit en van de verdachte

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw betoogd dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu hem een beroep op (putatief) noodweer, dan wel noodweerexces, dan wel psychische overmacht toekomt. Voor wat betreft de onderbouwing van dit betoog verwijst het hof kortheidshalve naar hetgeen daaromtrent in de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitaantekeningen is verwoord.

Op basis van het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof de navolgende feiten en omstandigheden vast.

In de nacht van 16 op 17 juli 2010 fietst de verdachte van zijn werk naar huis als hij het latere slachtoffer, [slachtoffer] , op straat tegenkomt. Genoemde [slachtoffer] rent achter de verdachte aan en duwt of trekt de verdachte van zijn fiets. Er ontstaat vervolgens direct een worsteling tussen de verdachte en [slachtoffer] . Nadat een omstander de verdachte van [slachtoffer] aftrekt, gaat de verdachte zijn fiets en rugzak zoeken, zodat hij zijn weg naar huis kan vervolgen. Vervolgens ontstaat een tweede gevecht tussen de verdachte en [slachtoffer] , wanneer [slachtoffer] met een fiets opgeheven boven zijn hoofd dreigend op de verdachte af komt lopen en die fiets naar de verdachte gooit. De verdachte pakt daarop een mes uit zijn rugzak, houdt het mes voor zich en steekt het slachtoffer, die op hem af rent en vastpakt, daarmee in zijn buik en rug waardoor hij korte tijd later overlijdt.

Ten aanzien van het beroep op noodweer overweegt het hof als volgt.

In artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is bepaald dat niet strafbaar is hij die een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van zijn eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.

Naar het oordeel van het hof is zowel op het moment dat de verdachte en het slachtoffer voor de eerste keer met elkaar in gevecht raakten, als op het moment dat het slachtoffer met een fiets opgeheven boven zijn hoofd dreigend op de verdachte af liep en die fiets naar hem gooide, sprake van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van de verdachte door het slachtoffer, waartegen de verdachte zich mocht verdedigen.

Met deze vaststelling rijst de vraag of het bewezen verklaarde handelen van de verdachte was geboden door de noodzakelijke verdediging van verdachtes lijf tegen die aanranding. In dat kader dient te worden onderzocht of het gekozen verdedigingsmiddel in redelijke verhouding stond tot de ernst van de aanranding.

Naar het oordeel van het hof staat het steken met een mes in de buik en in de rug van het slachtoffer niet in een redelijke, proportionele verhouding tot de gevechtshandelingen van het slachtoffer, die ongewapend was.

Het beroep op noodweer dient dan ook te worden verworpen.

Nu de raadsvrouw het beroep op putatief noodweer onvoldoende heeft onderbouwd en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting ook niet aannemelijk is geworden dat daarvan sprake is geweest, wijst het hof het verweer af.

Ook overigens is het feit strafbaar te achten.”

8.3. Uit deze overwegingen blijkt dat het hof de vraag of ten tijde van het tenlastegelegde feit sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte, bevestigend beantwoordt en de door de verdediging geschilderde toedracht van de steekpartij, waaraan voorafgaande de verdachte tot tweemaal toe door het slachtoffer is aangevallen heeft gevolgd. Het hof heeft vervolgens echter geoordeeld dat de verdachte bij zijn reactie op de aanranding de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden.

8.4. Ten aanzien van de proportionaliteit en de subsidiariteit van het handelen van de verdachte heeft de verdediging ten overstaan van het hof, voor zover hier van belang, het volgende aangevoerd5:

Proportionaliteit en subsidiariteit

Anders dan de rechtbank meent de verdediging dat het handelen van cliënt aan deze vereisten voldoet. Anders dan de rechtbank meent de verdediging dat [slachtoffer] gewapend was. Ook een fiets hanteren kan wel degelijk een - ja zelfs gevaarlijk- wapen zijn. Aan mijn pleitnota vindt u een artikel gehecht van de Telegraaf, waarin melding wordt gemaakt dat een rechter in Japan een fiets als instrument zag waarmee iemand kan worden gedood. Hoewel de casus anders is - het ging om een rijdende - fietser, meent de verdediging hieruit af te kunnen leiden dat indien een fiets met kracht tegen het lichaam van een ander aankomt, dit een dodelijk gevolg kan hebben, afhankelijk van de plaats waarop gericht wordt. Indien een fiets boven het hoofd wordt gehouden en met kracht wordt geworpen naar een persoon, kan dat wel degelijk een gevaarlijk wapen zijn. De rechtbank heeft daarvan in de optiek van de verdediging onvoldoende rekenschap van gegeven.

Eveneens heeft de rechtbank onvoldoende rekenschap gegeven van het feit dat sprake was van een getalsmatig overwicht jegens cliënt, dat cliënt geen hulp van omstanders kreeg.

(…..)

Voorts meent de verdediging dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het het feit dat het pikkedonker was, zodat cliënt niet kon zien wat [slachtoffer] mogelijk vervolgens zou doen. Anticiperen op een situatie was daarmee feitelijk onmogelijk.

Daarbij is van belang dat het geweld van [slachtoffer] jegens cliënt enkel ernstiger leek te worden, terwijl niemand daadwerkelijk ingreep.

Ook is relevant dat cliënt met zijn rug naar de sloot stond en feitelijk niets kon doen om weg te komen. In zoverre volgt de verdediging de rechtbank niet, daar waar zij meent dat cliënt had kunnen weglopen of had kunnen waarschuwen wat hij ging doen.

Client was blijkens de verklaringen van andere getuigen omcirkeld, zodat weglopen geen optie was. Client had dan in zijn rug aangevallen kunnen worden. Client wist niet en kon niet weten wie wel en wie niet te vertrouwen was.

Bovendien is relevant dat cliënt verzwakt was na de eerste aanval van [slachtoffer] .

Client geeft direct tijdens het overbrengen naar het politiebureau aan last te hebben van zijn rechterarm ter hoogte van zijn schouder.

Blijkens het dossier is er op 18 juli 2010 een kneuzing van de rechterschouder geconstateerd. Ook is geconstateerd dat sprake is van een vermoeden van niet uitwendig waarneembaar letsel. Gelet op de kleur van het gelaat van cliënt is het overigens niet vreemd indien er bijvoorbeeld geen bloeduitstorting zichtbaar is.

(….)

Ook relevant acht de verdediging dat cliënt verklaard heeft dat zijn fiets het niet zo erg goed doet en dat cliënt vrij langzaam trapt. Ook hard met de fiets wegrijden - los van de vraag of deze fiets wel direct voor het oprapen lag - was geen optie, geen vluchtmogelijkheid.

Gezien het feit dat sprake was van een doorlopende, steeds heftiger wordende aanval op cliënt, kan niet gezegd worden dat cliënt bij het tweede maal hanteren van een mes, geen gerechtvaardigd beroep op noodweer toekomt.

Het feit dat de verbalisanten op de pd voor de fiets een manspersoon zien liggen, kan erop duiden dat [slachtoffer] vlak daarvoor de fiets ter hand heeft genomen met de bedoeling cliënt voor een tweede keer daarmee aan te vallen.

Client zegt daar zelf over dat [slachtoffer] nadat hij in het mes is gelopen, eerst nog een keer cliënt heeft aangevallen, waarop cliënt als het ware met het mes sloeg, en dat [slachtoffer] toen richting de fiets rende, deze opnieuw als wapen wilde inzetten, doch dat dit niet lukte, omdat [slachtoffer] daar ter plekke in elkaar zakte. Het feit dat [slachtoffer] naast de fiets lag is een belangrijke aanwijzing waaruit kan volgen dat de verklaring van cliënt op dat punt aannemelijk is.

De rechtbank heeft niet gesproken over culpa in causa.

Jurisprudentie maakt duidelijk dat zelfs culpa in causa een beroep op noodweer niet in de weg hoeft te staan. In dit kader zij bijvoorbeeld verwezen naar een vonnis van de Rechtbank Roermond d.d. 24 maart 2009 ( LJN BH7727) waarbij de rechtbank oordeelde dat het feit dat de verdachte naar het cafe ging en welbewust een mes bij zich had een beroep op noodweer niet in de weg stond. Het feit dat de verdachte in die zaak werd belaagd door 2 man, waarbij die verdachte met diverse voorwerpen was geslagen, waarop de verdachte op de grond terechtkwam en werd belaagd door twee aangevers maakte dat sprake was van een noodsituatie. Het gebruik van het mes achtte de rechtbank geboden en niet disproportioneel.

Als onder deze omstandigheden het hanteren van het mes niet disprortioneel achtte, waarom zou het in het geval van cliënt wel disproportioneel zijn? En hoe had cliënt anders kunnen reageren?

Geenszins aannemelijk is geworden dat cliënt zich aan de situatie had kunnen onttrekken door te vluchten. Evenmin is aannemelijk geworden dat cliënt met een minder ingrijpend verdedigingsmiddel had kunnen volstaan, nog daargelaten dat niet duidelijk is of zo’n minder ingrijpend middel voorhanden was. De verdediging is dan ook van oordeel dat is voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.”

8.5. Het hof heeft het beroep op noodweer verworpen met de overweging dat “naar het oordeel van het hof […] het steken met een mes in de buik en in de rug van het slachtoffer niet in een redelijke, proportionele verhouding [staat] tot de gevechtshandelingen van het slachtoffer, die [sic] ongewapend was”.

In de toelichting op het middel wordt betoogd dat deze overweging deels onbegrijpelijk is en deels onvoldoende wordt gesteund door nadere vaststellingen over de concrete dreiging die ten tijde van het tenlastegelegde feit voor de verdachte van het slachtoffer uitging. Daarbij wordt met de onbegrijpelijkheid van de overweging van het hof gedoeld op het feit dat het hof in zijn eerdere overwegingen in het arrest zelf heeft vastgesteld dat de verdachte door het slachtoffer met (het gooien van) een fiets werd bedreigd en het slachtoffer dus niet als ongewapend kon worden beschouwd.

8.6. Als er een beroep op noodweer is gedaan, zal de rechter moeten onderzoeken of aan de voorwaarden voor de aanvaarding hiervan is voldaan. Een van die voorwaarden is dat de gedraging geboden is door de noodzakelijke verdediging, waarmee onder andere de proportionaliteitseis tot uitdrukking wordt gebracht. In zijn arrest van 21 november 2006 heeft de Hoge Raad uiteen gezet dat deze vraag zich niet voor beantwoording in algemene zin leent en dat het bij de beoordeling van de proportionaliteit van het handelen dus aankomt op de waardering van de feitelijke omstandigheden van het geval. 6

8.7. Voor de vaststelling of aan de proportionaliteitseis bij noodweer is voldaan, is het beslissend of de desbetreffende gedraging — als verdedigingsmiddel — niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding en niet of de noodzaak van de gekozen wijze van verdediging komt vast te staan. Dit laatste achtte de Hoge Raad in zijn arrest van 8 september 2009 een te streng criterium.7De Hoge Raad overwoog:

“2.6. Het Hof heeft geoordeeld dat niet is voldaan aan die eis van proportionaliteit, omdat het niet overtuigd is van de noodzaak dat de verdachte de aangever T. met kracht met gebalde vuist op het gezicht moest slaan om zichzelf te ontzetten.

Daarmee heeft het Hof onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang.

Indien het heeft geoordeeld dat eerst dan aan de hier te stellen proportionaliteiteis is voldaan indien, naast de noodzaak van de verdediging als zodanig, ook de noodzaak van de gekozen wijze van verdediging komt vast te staan, heeft het een te strenge toets aangelegd. Wat dat laatste betreft is immers beslissend of de desbetreffende gedraging — als verdedigingsmiddel — niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding.

Indien het echter die — juiste — maatstaf wel voor ogen heeft gehad, had het gelet op de door hem vastgestelde ernst van de aanranding, zijn oordeel dat de verdachte voor een te zwaar middel heeft gekozen, nader dienen te motiveren.”8

8.8. De Hullu vat in de laatste druk van zijn handboek Materieel strafrecht, de lijn in de jurisprudentie als volgt samen9:

“Wanneer de noodzaak van verdediging is vastgesteld, komt de vraag aan de orde of de daadwerkelijk gevoerde verdediging ook ‘geboden’ was. Moderner uitgedrukt gaat het om de toets of de verdediging proportioneel was, vooral de keuze van de verdedigingswijze (bijvoorbeeld slaan, steken of schieten) en de intensiteit ervan (zo veel en zo hard slaan, schieten op vitale of minder vitale lichaamsdelen). Die proportionaliteitstoets wordt vooral door de omstandigheden van het geval bepaald. Dat wordt in recente rechtspraak ook benadrukt. Daarbij wordt echter wel aangegeven dat de ‘proportionaliteitstoets ertoe strekt om niet ook dan een gedraging straffeloos te doen zijn indien zij – als verdedigingsmiddel – niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding’. De precieze manier van verdedigen behoeft dus niet de beste te zijn, beslissend is of die niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding.

De wetgever heeft mijns inziens inderdaad beoogd om ‘wanverhoudingen’ tussen doel en middel, disproportionaliteit buiten de noodweerbevoegdheid te houden. Het proportionaliteitsvereiste zou dan in ieder geval excessen eruit moeten zeven (zoals het doodsteken van iemand die bij een beroving minder dan één gram cocaïne en tien gulden heeft buitgemaakt) en voor een (niet te zwaar aangezette) redelijkheidstoetsing moeten zorgen. Het is niet de bedoeling geweest om de gekozen verdediging op een weegschaal te leggen en de vraag te stellen of de verdediging optimaal is geweest. Een wat ruimhartiger toetsing van de proportionaliteit past ook bij het rechtsordehandhavingsaspect van noodweer. Het doet bovendien recht aan de psychologische werkelijkheid van de burger ten tijde van de aanranding; ongevraagd, onverwacht en doorgaans ongeoefend heeft deze zich immers moeten verdedigen en dat kan tot een wat mildere beoordeling van de proportionaliteit leiden. Een zekere ruimhartigheid lijkt ook bij de tijdsgeest te passen in onze ‘veiligheidsmaatschappij’. Van belang kan hier overigens ook zijn het bestaan van noodweerexces, dat in de heersende leer begrijpelijke overschrijdingen van vooral de proportionaliteit kan verontschuldigen.”

8.9. Het hof heeft aannemelijk geacht dat de verdachte door het slachtoffer in eerste instantie tot twee keer toe is aangevallen voordat de verdachte zijn mes uit zijn rugzak haalde. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen het hof naar aanleiding van het noodweerverweer heeft opgemerkt, destilleer ik dat het hof heeft aangenomen dat de gang van zaken als volgt is geweest.

In eerste instantie is de verdachte aangevallen doordat het slachtoffer achter de verdachte aanrende en hem van zijn fiets duwde of trok, waarop een worsteling tussen de verdachte en het slachtoffer ontstond. Nadat het slachtoffer door een omstander van de verdachte werd afgetrokken en de verdachte zijn fiets en rugzak ging zoeken om naar huis te gaan, bleef het slachtoffer kennelijk de confrontatie zoeken en hield hij een fiets dreigend opgeheven boven zijn hoofd, kwam daarmee op de verdachte aflopen en gooide die fiets naar de verdachte. Daarop heeft de verdachte een mes uit zijn rugzak gepakt en dat voor zich gehouden. Het slachtoffer bleef de verdachte slaan en schoppen en hem naar zich toetrekken en liep daarbij in het mes. Ook daarna bleef hij bij de waterkant de verdachte vasthouden waarop de verdachte hem met het mes in de rug stak.

8.10. Op grond van wat ik hiervoor onder 8.6. tot en met 8.8. heb uiteengezet en in het licht van hetgeen door de verdediging is aangevoerd, ben ik van mening dat het oordeel van het hof gelet op de aan de verwerping van het verweer ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden niet zonder meer begrijpelijk is. Naar het oordeel van het hof staat het steken met een mes in de buik en in de rug van het slachtoffer niet in een redelijke, proportionele verhouding tot de gevechtshandelingen van het slachtoffer, die ongewapend was. Weliswaar heeft het hof hierbij de juiste maatstaf aangelegd, namelijk of het zich verdedigen met een mes als verdedigingsmiddel al dan niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding, maar had het zijn oordeel dat de verdachte voor een te zwaar middel heeft gekozen, gelet op de wijze waarop hij werd aangevallen, waarbij het slachtoffer een fiets naar hem had gegooid, nader dienen te motiveren. De overweging dat het slachtoffer ongewapend was lijkt mij, gelet op wat het hof over de toedracht heeft vastgesteld, bovendien niet zonder meer begrijpelijk.

8.11. Het middel slaagt.

9. Met het derde middel wordt geklaagd over de verwerping van een beroep op noodweerexces.

9.1. Ter terechtzitting in hoger beroep van 20 oktober 2014 heeft de raadsvrouw van de verdachte ter onderbouwing van het door het middel bedoelde beroep op noodweerexces aangevoerd dat de verdachte reeds vijf jaar lang in een conflict met het slachtoffer verwikkeld was, dat de verdachte bang was voor het slachtoffer en contact met het slachtoffer meed en dat bij de verdachte op het moment dat hij door het slachtoffer werd aangevallen heftige herinneringen naar boven kwamen aan een oorlog uit zijn jeugd in Congo-Brazzaville (zie blz. 39-41 van de pleitaantekeningen van de raadsvrouw). Naar aanleiding van dit verweer heeft het hof in het arrest niet veel meer overwogen dan dat uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden dat bij de verdachte sprake is geweest van een hevige gemoedbeweging die door de aanranding door het slachtoffer is veroorzaakt.

9.2. Het hof heeft dit verweer namelijk als volgt verworpen:

“Ten aanzien van het beroep op noodweerexces als bedoeld in het tweede lid van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht overweegt het hof als volgt.

Bij de beoordeling van dit verweer dient de vraag te worden beantwoord of de overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging het gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging bij de verdachte, die door de ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding is veroorzaakt.

Noch uit het strafdossier, noch uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is aannemelijk geworden dat het disproportionele handelen van de verdachte het onmiddellijke gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging die door de ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding zou zijn veroorzaakt.

Naar het oordeel van het hof is naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk geworden dat van een hevige gemoedsbeweging in de vorm van een uitwendig onzichtbare ‘implosie’ bij de verdachte, zoals door de raadsvrouw is aangevoerd, sprake is geweest.

Ook het beroep op noodweerexces wordt derhalve verworpen.

Ten aanzien van het beroep op psychische overmacht als bedoeld in artikel 40 van het Wetboek van Strafrecht overweegt het hof dat een dergelijk beroep slechts kan slagen wanneer sprake is van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden.

De hiervoor weergegeven omstandigheden, noch de door de raadsvrouw aangevoerde omstandigheid dat de verdachte in paniek was en in doodsangst verkeerde, leveren naar het oordeel van het hof een van buiten komende drang op waaraan de verdachte op het moment dat hij met het slachtoffer in gevecht was, redelijkerwijze geen weerstand kon en behoefde te bieden.

Het beroep op psychische overmacht wordt daarom ook verworpen.

Ook overigens is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.”

9.3. Ook het oordeel van het hof over het noodweerexces acht ik niet begrijpelijk. Uit de feitelijke vaststellingen van het hof zelf volgt dat de verdachte niet degene is geweest die in eerste instantie de confrontatie met het slachtoffer heeft gezocht en dat de verdachte tot tweemaal toe door het slachtoffer is aangevallen. Dat de verdachte met het grijpen van het mes en het daaropvolgende steken heeft gehandeld in een door deze aanvallen veroorzaakte hevige gemoedsbeweging, lijkt mij in het licht hiervan niet zonder meer onaannemelijk. Wat betreft de stelling van de raadsvrouw dat de aanranding door het slachtoffer bij de verdachte heftige oorlogsherinneringen naar boven haalde is tevens van belang dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 20 oktober 2014 onder meer het volgende heeft verklaard:

“Toen zag ik dat [slachtoffer] in mijn richting rende met een fiets opgeheven boven zijn hoofd. Hij riep: ‘Motherfucker, come on.’ [A] riep: ‘Mes, mes.’ Ik weet niet of iemand toen een mes bij zich had. Ik had op dat moment geen mes. Als iemand 'mes, mes' roept, betekent dat bij ons de dood. Je maakt geen grappen over messen. Ik voelde dat de fiets mijn hoofd schampte. Ik was totaal in paniek. Het werd zwart voor mijn ogen. Ik heb toen mijn tas gepakt, de tas tussen mijn benen gezet en het mes uit mijn tas gepakt en voor mij gehouden. Ik boog voorover en daarop sloeg en schopte [slachtoffer] mij en trok mij meerdere keren naar zich toe. Hij heeft toen het mes geraakt. Ik moest me verdedigen. Ik liep achteruit om te vluchten. Bij de waterkant pakte hij mij opnieuw vast. Ik stond met mijn rug naar de waterkant en kon geen kant op. Ik moest me verdedigen. Ik heb hem geslagen en gestoken in zijn rug.”

9.4. Nu de overwegingen van het hof in het kader van zijn verwerping van het beroep op noodweerexces niet duidelijk maken waarom het hof het niet aannemelijk heeft geacht dat de verdachte bij het steken met het mes heeft gehandeld uit een hevige gemoedsbeweging, heeft het hof in het arrest onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang.

9.5. Het derde middel slaagt.

10. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing dan wel verwijzing van de zaak, zodat deze op het bestaande hoger beroep opnieuw kan worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Daarvoor verwijs ik naar het overzicht van J. de Hullu, Materieel strafrecht, Wolters Kluwer, Deventer, 2015, p. 221-225 en de dissertatie van A.A. van Dijk, Strafrechtelijke aansprakelijkheid heroverwogen, Maklu-Uitgevers, Apeldoorn/Antwerpen 2008, hoofdstuk 4.

2 De Hullu, a.w. p.223.

3 De Hullu, a.w. p. 231 zie ook Van Dijk, a.w. p. 228

4 Zie HR 25 maart 2003, NJ 2003/552, m.nt. Y. Buruma, HR 30 oktober 2012, NJ 2013/111 en nog recentelijk HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3349, NJ 2016/59, m.nt. Keijzer.

5 Pleitnotities, p. 34-38; in het citaat zijn de noten met verwijzingen naar de processen-verbaal weggelaten.

6 HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX9177, NJ 2006/650.

7 HR 8 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3895, NJ 2010/391, m.nt. Y. Buruma.

8 Zie in gelijke zin HR 5 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2950, NJ 2013/165 en HR 24 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:773, NJ 2014/277 m.nt. Keulen

9 J. de Hullu, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Kluwer 2015, p. 325-326.