Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:268

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
23-02-2016
Datum publicatie
19-04-2016
Zaaknummer
15/01050
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:681, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Medeplichtigheid verhuurder bedrijfsruimte bij het telen dan wel aanwezig hebben van hennepplanten. Het oordeel van het hof, dat de verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat in de door hem verhuurde ruimte hennep werd geteeld en dat hij opzettelijk behulpzaam is geweest bij dit feit door aan een of meer anderen gelegenheid te verschaffen tot het inrichten en exploiteren van een hennepkwekerij in een daartoe door hem ter beschikking gestelde ruimte, is, in aanmerking genomen de door het hof in de bewijsmiddelen en zijn bewijsoverweging vastgestelde, in onderling verband en samenhang beschouwde, feiten en omstandigheden niet onbegrijpelijk. CAG: anders. Samenhang met 15/01054.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/01050

Zitting: 23 februari 2016

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Verdachte is bij arrest van 30 januari 2015 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens “medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod”, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van twee jaren en tot een taakstraf voor de duur van honderd uren (subsidiair vijftig dagen hechtenis).

  2. Deze zaak hangt samen met de onder nr. 15/01054 bij de Hoge Raad aanhangige zaak, waarin ik vandaag eveneens zal concluderen.

  3. Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft namens de verdachte één middel van cassatie voorgesteld.

  4. Het middel richt zich tegen de bewezenverklaring.

  5. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“een onbekende derde in de periode van 1 december 2010 tot en met 21 september 2011 te Didam, gemeente Montferland, opzettelijk heeft geteeld in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, in een pand aan de [a-straat 1] aldaar, ongeveer 686 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, in de periode van 1 december 2010 tot en met 21 september 2011 te Didam, gemeente Montferland, opzettelijk behulpzaam is geweest, door opzettelijk aan een onbekende derde een deel van een pand aan de [a-straat 1] voormeld voor de teelt/het kweken van hennepplanten te verhuren althans ter beschikking te (blijven) stellen.”

6. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] (dossierpagina 22-24) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als bevindingen van verbalisanten voornoemd:

Op 22 augustus 2011 werd op het politiebureau te Didam een anonieme melding gedaan over een hennepkwekerij. De persoon vertelde dat in een sportschool genaamd [A] , te Didam een hennepkwekerij was ingericht in een ruimte achter vier squashbanen. In de ruimte zou voorheen een skibaan zijn ingericht.

De sportschool [A] is gevestigd aan de [a-straat 1] te Didam, gemeente Montferland.

Gelet op de aard van de informatie van de melding gingen wij op woensdag 21 september - 2011 omstreeks 14:00 uur ter plaatse. De eigenaar van de sportschool, genaamd [verdachte] , vertelde dat hij de ruimte waarin voorheen een skibaan was gevestigd had verhuurd. [verdachte] overhandigde ons een kopie van het identiteitsbewijs van de huurder, genaamd [betrokkene 1] .

Naar aanleiding van het bovenstaande hebben wij toestemming gevraagd en gekregen van de officier van justitie om de afgesloten ruimte, de skibaan, te betreden. In de ruimte werden door ons twee in werking zijnde hennepkwekerijen aangetroffen.

Na het aantreffen van de hennepkwekerijen overhandigde [verdachte] aan ons een huurovereenkomst, ondertekend door [betrokkene 1] , met ingang van 1 december 2010.

2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] (dossierpagina 30.-32) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als bevindingen van verbalisant voornoemd:

Op 21 september 2011 omstreeks 15:00 uur stelde ik een onderzoek in op de locatie de [a-straat 1] , te Didam.

Aantreffen hennepkwekerij

Na het openen van de buitendeur zag ik dat in de ruimte een aparte ruimte was getimmerd. De houten ruimte was verdeeld in twee ruimtes. In beide ruimtes waren hennepkwekerijen ingericht. Ik telde in totaal 686 rechthoekige plantenbakken met daarin elk 1 hennepplant.

In totaal werd in beslag genomen:

686 stuks hennepplanten;

40 assimilatielampen;

2 afzuiginstallaties;

3 koolstoffilters;

2 tijdschakelaars;

2 waterpompen;

4 verwarmingselementen;

2 thermostaten;

4 stuks ventilatieapparatuur.

3. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een - als bijlagen bij het bewijsmiddel genoemd onder 2 gevoegde - zevental pagina’s met prints van in totaal 19 kleurenfoto’s van een ruimte met een hoeveelheid hennepplanten in potten en het aangetroffen materiaal.

4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] (dossierpagina 40-41) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als bevindingen van verbalisant voornoemd:

Op 21 september.2011 omstreeks 15:00 uur zijn door mij, taakaccenthouder verdovende middelen team Montferland en bevoegd tot het testen van verdovende middelen, twee hennepplanten getest, die zijn aangetroffen in de hennepkwekerijen gevestigd op de locatie [a-straat 1] te Didam. De planten werden op de voorgeschreven wijze, middels de MMC Narcotic Identification Test, getest.

Ik herkende de planten als zijnde hennepplanten aan de verschijningsvorm en aan de geur. Gelet op de bloeiwijze was in deze sprake van hennepplanten van het vrouwelijke geslacht. De planten zaten in het stadium van de eerste groeiweek.

Uit de test bleek dat de planten kennelijk THC bevatten. Met de aanwezigheid van THC werd aangetoond dat het hier ging om hennep.

Hennep staat vermeld op lijst II onderdeel B, behorende bij de Opiumwet.

5. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor verdachte (dossierpagina 42 -44), opgemaakt en gesloten op 21 september 2011, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van verdachte:

Ik ben eigenaar en beheerder van [A] te Didam. Dit bedrijf bestaat uit meerdere ruimten. De voormalige skiruimte heb ik onderverhuurd.

Er kwam een jongen bij mij genaamd [betrokkene 2] of [betrokkene 2] . Ik kende hem niet. Hij vertelde dat ene [betrokkene 1] de ruimte wilde huren. Ik heb door mijn accountant een huurcontract laten opstellen. Ik kreeg het contract terug, ondertekend door [betrokkene 1] met een kopie van diens identiteitskaart. Ik heb met de jongen afgesproken dat hij elke maand het huurbedrag van € 350,00 in mijn brievenbus zou doen. De skiruimte is vanaf 1 december 2010 verhuurd.

U houdt mij voor dat vandaag in die ruimte een in werking zijnde hennepkwekerij is aangetroffen. Om de ruimte binnen te kunnen komen moet je de deur aan de buitenzijde gebruiken. Deze deur is aangesloten op de alarminstallatie en kan alleen worden geopend als mijn zaak open is. Ik heb vanuit mijn woning vanaf mijn badkamer zicht op die buitendeur. Kort na aanvang van de verhuur hebben twee voor mij onbekende jongens de skihut dichtgemetseld met een muur. Afgelopen maart/april heb ik zelf de vloer afgetimmerd. Ik heb hier voor die jongens een waterslang onder gelegd. Het magneetje op de deur en het kozijn zijn van de alarminstallatie. De bekabeling loopt naar de centrale alarmkast in het bedrijf.

6. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor verdachte (dossierpagina 45-46), opgemaakt en gesloten op 21 september 2011, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van verdachte:

U houdt mij voor dat Liander bij mijn bedrijf is geweest en heeft geconstateerd dat de meterstand in de meterkast is gemanipuleerd. Iedereen die vanaf het horecagedeelte naar de squash-banen en tennisbanen loopt kan bij die meterkast komen. Het is mij bekend dat men strafbaar is als men op deze illegale wijze stroom afneemt.

7. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor verdachte (dossierpagina 52-56), opgemaakt en gesloten op 6 oktober 2011, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van verdachte:

Op de huurovereenkomst staat dat de huur € 350,00 per jaar is maar dat staat daar verkeerd ingevuld. Het huurbedrag is: € 350,00 per maand. Ik ben 16 uur per dag aanwezig in de sportschool.

Ik heb [betrokkene 1] nooit ontmoet. Bij het opmaken van het contract heb ik de handtekening van [betrokkene 1] gecontroleerd. Ik beurde mijn centen en verder maakte het mij niet uit.

De muur van gipsblokken in de verhuurde skiruimte heb ik er zelf in laten zetten in november 2010 en ik heb geholpen met het bouwen daarvan. Ik heb ook zelf de waterleiding laten aanleggen naar de ruimte. Ik weet dat er een tweede dikke stroomkabel vanuit de skiruimte naar de meterkast liep. De originele stroomkabel lag er al.

Ik heb de houten vloer zelf laten aanleggen en ik wist dat de waterleiding en de originele stroomkabel daaronder lag. Ik heb de skiruimte inclusief verhuurd. Ik hield het waterverbruik en het elektriciteitsverbruik niet bij.

Telkens aan het eind van de maand lag de huur in de brievenbus.

8. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een huurcontract, voor zover inhoudende, - zakelijk weergegeven -:

HUUROVEREENKOMST kantoorruimte en andere bedrijfsruimte.

Ondergetekenden:

[verdachte] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen “verhuurder”; en

[betrokkene 1] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen “huurder”;

zijn als volgt overeengekomen:

1.1 Deze overeenkomst heeft betrekking op de opslagruimte, staande en gelegen te Didam aan de [a-straat 1] , hierna “het gehuurde” genoemd.

1.2 Het gehuurde mag uitsluitend worden gebruikt als bedrijfsruimte.

2.1 Deze overeenkomst is aangegaan voor de duur van twee (2) jaar, ingaande op 1 december 2010 en lopende tot en met 30 november 2012.

Betalingsverplichting, betaalperiode.

3.2 De huurprijs bedraagt per jaar € 350 (zegge: driehonderdvijftig euro), welke op de eerste van elke maand dient te zijn voldaan.”

7. Het bestreden arrest bevat daarnaast onder meer de volgende nadere bewijsoverwegingen:

“Medeplichtigheid

Verdachte heeft tijdens de politieverhoren verklaard - nadat hem de cautie is gegeven - dat hij zelf de houten vloer ter hoogte van de hennepkwekerij heeft laten aanleggen.

Voorts heeft hij verklaard dat hij ervan op de hoogte was dat er een tweede kabel voor de elektriciteit, afkomstig uit de ruimte met de hennepkwekerij, naar de algemene meterkast liep en dat hij wist dat de ruimte van de oude skibaan volledig was aangesloten op de alarminstallatie van de sportschool. De stroomkabel naar de ruimte van de voormalige skibaan lag er al en verdachte heeft verklaard dat hij niet weet hoe en wanneer de tweede stroomkabel is aangelegd.

Verdachte heeft verklaard dat hij de ruimte met ingang van 1 december 2010 verhuurde aan een persoon die hij niet persoonlijk kende door tussenkomst van een andere persoon die hij evenmin persoonlijk kende. Uitsluitend de namen waren hem bekend (gemaakt). Verdachte heeft verklaard dat hij de ruimte verhuurde inclusief het gebruik van stroom en water. Het huurbedrag à € 350,00 werd elke maand in een envelop door de brievenbus bij verdachte afgeleverd. Het was hem niet opgevallen dat hij sinds januari 2011 een hogere stroomrekening had.

Gelet op deze omstandigheden in onderling verband en samenhang beschouwd, is het hof van oordeel dat verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er in de door hem verhuurde ruimte hennep werd geteeld en dat hij opzettelijk behulpzaam is geweest bij dit feit door aan een of meer anderen opzettelijk de gelegenheid te verschaffen tot het inrichten en exploiteren van een hennepkwekerij in een daartoe door hem ter beschikking gestelde ruimte.

De verklaring van verdachte - die naast de sportschool woonde - dat hij ondanks het feit dat hij vanuit de badkamer van zijn woning zicht had op de enige deur die toegang geeft tot de hennepkwekerij niet vaker dan eenmaal iets heeft waargenomen aan beweging rond de ruimte waarin de hennepkwekerijen waren gevestigd en dat hij er niets van heeft gemerkt dat de hennepkwekerijen werden ingericht, acht het hof ongeloofwaardig.

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het subsidiair tenlastegelegde ook overigens wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.”

8. In het middel wordt gesteld dat de bewezenverklaring zonder nadere motivering niet begrijpelijk is, nu het hof in zijn nadere bewijsoverwegingen heeft gerefereerd aan de verklaring van de verdachte dat het hem niet was opgevallen dat hij sinds januari 2011 een hogere stroomrekening had en de bewijsmiddelen voorts niet inhouden dat de verdachte wist dat zich in de door hem verhuurde ruimte een hennepkwekerij bevond. Gesteld wordt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat verdachte heeft geweten dat er sprake is geweest van een hennepkwekerij en dat er daardoor niet voldaan is aan het vereiste van dubbele opzet, te weten het opzet gericht op de medeplichtigheid en het opzet gericht op het door een onbekend gebleven derde gepleegde misdrijf van het aanwezig hebben van een ongeoorloofde hoeveelheid hennepplanten.

9. Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest bij het plegen van een misdrijf, hennepteelt, door een deel van zijn sportschool daarvoor te verhuren. Voor een dergelijke bewezenverklaring is vereist dat niet alleen bewezen wordt dat verdachtes opzet gericht was op het behulpzaam zijn als bedoeld in art. 48, aanhef en onder 1°, Sr maar tevens dat verdachtes opzet al dan niet in voorwaardelijke vorm was gericht op het misdrijf.

10. Het gaat in onderhavige zaak om een in de jurisprudentie veel voorkomende vraag, namelijk in hoeverre iemand die een ruimte verhuurt strafbaar kan worden gehouden voor het faciliteren van een daarin geëxploiteerde hennepkwekerij. Uit de door de steller van het middel aangehaalde jurisprudentie kan worden afgeleid dat verhuurders niet zomaar strafrechtelijk aansprakelijk kunnen worden gehouden voor het aantreffen van een hennepkwekerij in de verhuurde ruimte, ook al vindt de verhuur onder wat dubieuze omstandigheden plaats. Daarvoor is vereist dat de verhuurder voldoende wetenschap heeft wat er zich in het verhuurde afspeelt, of dat had moeten of kunnen weten.1

11. Het oordeel van het hof komt erop neer dat de verdachte bewust het risico op de koop heeft genomen dat hij de door hem verhuurde ruimte beschikbaar stelde voor het telen van hennep. Ik kom tot de conclusie dat dit, met inachtneming van de hiervoor onder 10 weergegeven uitgangspunten, noch uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen noch uit hetgeen het hof in verband daarmee heeft overwogen, kan worden afgeleid, waarbij ik wel wil opmerken dat het hier om een grensgeval gaat.

12. Dat de verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat in de door hem verhuurde ruimte hennep werd geteeld heeft het hof op de navolgende feiten gebaseerd:

  1. de verdachte heeft een aan zijn eigen sportschool grenzende voormalige skiruimte via een hem onbekende tussenpersoon verhuurd aan een hem onbekende derde;

  2. hij verhuurde de ruimte inclusief het gebruik van stroom en water en het huurbedrag à € 350,00 werd elke maand in een envelop door de brievenbus bij verdachte afgeleverd;

  3. de verdachte heeft zelf de houten vloer van de verhuurde ruimte laten aanleggen;

  4. e verdachte wist dat de verhuurde ruimte volledig was aangesloten op de alarminstallatie van de sportschool;

  5. de verdachte wist dat er een tweede kabel voor de elektriciteit, afkomstig uit de ruimte met de hennepkwekerij, naar de algemene meterkast liep en hij wist niet wanneer en door wie deze was aangelegd;

  6. het was de verdachte niet opgevallen dat hij sinds januari 2011 een hogere stroom-rekening had.

12. Uit de onder a) tot en met d) genoemde omstandigheden kan naar mijn mening niet worden afgeleid dat de verdachte wetenschap had van de hennepteelt, ook niet in voorwaardelijke zin, omdat ik niet inzie hoe deze feiten op zichzelf en ook in samenhang met elkaar bezien in verband kunnen worden gebracht met het exploiteren van een hennepkwekerij.

13. Kennelijk leidt het hof het bewezenverklaarde voorwaardelijke opzet van verdachte in het bijzonder af uit de onder e) en f) aangehaalde omstandigheden, dat4 verdachte wist dat er vanuit de verhuurde ruimte een tweede stroomkabel naar een gedeelde de meterkast liep en dat het hem niet was opgevallen dat hij sinds januari 2011 een hogere stroomrekening had.

14. Wat deze laatste overweging aangaat kan, zoals in het middel wordt gesteld, niet2 uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat verdachte zou hebben gezegd dat het hem niet opgevallen was dat hij sinds januari 2011 een hogere stroomrekening had. Waarschijnlijk verwijst het hof hier naar een passage in bewijsmiddel 7 waarin de verdachte verklaart: “Ik hield het waterverbruik en het elektriciteitsverbruik niet bij”. Hoewel dat op de keper beschouwd iets anders betekent dan dat de verdachte niet was opgevallen dat hij een hogere stroomrekening had, is het mij onduidelijk waarom dit redengevend zou zijn voor het bewezenverklaarde voorwaardelijke opzet. In de eerste plaats heeft het hof over de hoogte van de elektriciteitsrekening niets vastgesteld. Bovendien zou juist het omgekeerde, namelijk als het de verdachte wél was opgevallen dat het elektriciteitsverbruik was gestegen, hem te denken hebben moeten geven wat er zich achter zijn sportschool afspeelde.

15. Dan blijft er nog over dat verdachte wist dat er een tweede stroomkabel vanuit het gehuurde naar de meterkast liep. Is dat voldoende voor de vaststelling dat de verdachte voldoende wetenschap had wat er zich in het verhuurde afspeelde, of dat had moeten of kunnen weten? Naar mijn smaak is dat te mager, omdat het hof verder niet heeft vastgesteld of de stroom voor de hennepkwekerij buiten de meter om werd verkregen. De overweging dat de stroomrekening hoger was dan voorheen is lijkt hiermee bovendien tegenstrijdig.

16. Opvallend is dat het hof in zijn nadere bewijsoverweging niet heeft betrokken, hetgeen het hof wel als bewijsmiddel 6 heeft gebezigd, namelijk dat aan verdachte is voorgehouden dat de meterstand in de meterkast is gemanipuleerd, waarop verdachte heeft geantwoord dat iedereen die vanaf het horecagedeelte naar de squashbanen en tennisbanen loopt bij die meterkast kan komen en dat het hem bekend is dat dit manipuleren strafbaar is. Kennelijk heeft het hof dit niet relevant geacht voor de vraag of dubbel opzet bij de verdachte kan worden aangenomen. Maar ook los daarvan kan mijns inziens het voorwaardelijk opzet niet op dit bewijsmiddel worden gebaseerd, omdat het niets zegt over de wetenschap van de verdachte voorafgaand of tijdens de exploitatie van de hennepkwekerij.

17. Kortom, naar mijn smaak is voor het aannemen van het voor medeplichtigheid vereiste opzet per saldo te weinig bewijs. Het bewijsgat kan ook niet worden gedicht door de overweging van het hof dat het de verklaring van verdachte, dat hij ondanks het feit dat hij vanuit de badkamer van zijn woning zicht had op de enige deur die toegang geeft tot de hennepkwekerij, hij niet vaker dan eenmaal iets heeft waargenomen aan beweging rond de ruimte waarin de hennepkwekerijen waren gevestigd en dat hij er niets van heeft gemerkt dat de hennepkwekerijen werden ingericht, ongeloofwaardig acht.3 Ongeloofwaardigheid van een verklaring van de verdachte kan alleen voor het bewijs worden gebruikt als die verklaring blijkens de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen leugenachtig is en is afgelegd ter bemanteling van de waarheid. Maar daarover overweegt het hof niets. Daarnaast zijn gelet op hetgeen ik onder 14 tot en met 16 heb opgemerkt de bewijsoverwegingen die het hof heeft gewijd aan het voorwaardelijk opzet niet geheel begrijpelijk. De bewezenverklaring is derhalve ontoereikend gemotiveerd.

18. Het middel slaagt.

19. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

20. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, teneinde de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 2 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI101; HR 3 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ6931, NJ 2010/335, m.nt. M.J. Borgers; HR 16 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN8363 en HR 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ1961.

2 In de toelichting op het middel onder 1.7 ontbreekt in de zin waarin dit gesteld wordt kennelijk abusievelijk het woord “niet”. Ik maak uit de context op dat dit er wel had moeten staan.

3 Zie in dit verband HR 25 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4845.