Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:266

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
23-02-2016
Datum publicatie
19-04-2016
Zaaknummer
15/01748
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:678, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bewijsklacht dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van een personenauto wist dat deze een door misdrijf verkregen goed betrof. Opzetheling ex art. 416.1.a Sr. Het oordeel van het hof, dat het niet anders kan dan dat de verdachte op het moment van het voorhanden krijgen van de auto "wist" dat de Audi van misdrijf afkomstig was, is niet onbegrijpelijk gelet op vaststelling van het hof dat (i) de verdachte (als bestuurder van de Audi) en zijn medeverdachte met zeer hoge snelheid wegreden toen de politie hen in een opvallend surveillancevoertuig naderde, (ii) op de vloer achter de rugleuning van de bestuurdersstoel een "jammer" is aangetroffen en dat een "jammer" ervoor zorgt dat alle radiosignalen in een bepaalde straal rondom het apparaat verstoord worden waardoor ook anti-autodiefstalsystemen niet meer functioneren, (iii) het dashboard, het dashboardkastje en het open dak van de auto beschadigd waren, en (iv) in aanmerking genomen dat verdachte geen enkele verklaring voor een en ander heeft gegeven. CAG: anders. Samenhang met 15/01747 en 15/01749.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/01748

Zitting: 23 februari 2016

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Bij arrest van 1 april 2015 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, de verdachte wegens, onder 1, “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen en munitie van categorie III” en, onder 2, “opzetheling” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden. Tevens heeft het hof enkele in het arrest nader omschreven beslissingen genomen met betrekking tot de inbeslaggenomen voorwerpen.

  2. Deze zaak hangt samen met de onder nrs. 15/01747 en 15/01749 aanhangige zaken tegen dezelfde verdachte, waarin ik vandaag eveneens zal concluderen.

  3. Mr. M. Berndsen, advocaat te Amsterdam, heeft namens verdachte één middel van cassatie voorgesteld.

  4. Het middel richt zich tegen de bewezenverklaring onder 2, voor zover inhoudende dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van een personenauto van het merk Audi wist dat deze een door misdrijf verkregen goed betrof.

  5. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:

“hij op 27 november 2012 te Rotterdam en/of Haaften, gemeente Neerijnen, voorhanden heeft gehad een personenauto, merk Audi, type RS6 (gekentekend [AA-00-BB] ), terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van voormelde auto wist dat deze door diefstal, in elk geval door enig misdrijf was verkregen.”

6. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende - met weglating van voetnoten weergegeven - bewijsvoering:

“Overwegingen met betrekking tot het bewijs ter zake van het onder 1 tenlastegelegde

(…)

Het hof gaat er - anders dan de raadsman - van uit dat verdachte de bestuurder van de Audi is geweest, nu de zaklamp waarop het DNA van verdachte is aangetroffen zich in het zijvak van de bestuurderszijde van de auto bevond. Het hof is van oordeel dat het niet aannemelijk is geworden dat verdachte op de bijrijdersstoel heeft gezeten, nu het strafdossier voor deze stelling geen enkel aanknopingspunt biedt en verdachte zelf zwijgt over zijn rol.

(…)

Overwegingen met betrekking tot het bewijs ter zake van het onder 2 subsidiair tenlastegelegde

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 2 subsidiair tenlastegelegde.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 2 subsidiair tenlastegelegde. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat de verdachte wist dat de auto van diefstal afkomstig was. De raadsman heeft voorts opgemerkt dat het mogelijk is dat verdachte op de bijrijdersstoel heeft gezeten en dat hij, als bijrijder zijnde, onvoldoende macht over de auto had en dat hij zich als bijrijder bovendien niet heeft kunnen distantiëren.

Oordeel hof

Het hof overweegt - grotendeels met de rechtbank - als volgt.

Op 21 november 2012 is uit de woning aan de [a-straat 1] te Zeist een autosleutel en bij diezelfde woning een Audi RS6 met kenteken [AA-00-BB] weggenomen. Verdachte reed op 27 november 2012 in de Audi RS6 met kenteken [AA-00-BB] . In Haaften zijn verdachte en medeverdachte uit de Audi gestapt.

Zoals hiervoor reeds is overwogen, zijn verdachte en medeverdachte met zeer hoge snelheid in de Audi weggereden toen de politie hen in een opvallend surveillancevoertuig naderde. Voorts is er in de middenconsole een vuurwapen en in het binnenvak van het voorportier aan de linkerzijde linkerzijde van de Audi een zaklamp met daarop een afgeleid DNA-hoofdprofiel van verdachte aangetroffen. Tevens is in de Audi, op de vloer achter de rugleuning van de bestuurdersstoel, een jammer aangetroffen. Een jammer zorgt ervoor dat alle radiosignalen in een bepaalde straal rondom het apparaat verstoord worden, zoals mobiele telefoons, GPS-signalen, elektronische autosloten en anti-autodiefstalsystemen waardoor het niet meer mogelijk is om te bellen of gebeld te worden en waardoor ook anti-autodiefstalsystemen, elektrische autosloten en GPS-signalen niet meer functioneren. In het proces-verbaal van bevindingen is door de verbalisanten opgenomen dat onder meer het dashboard en dashboardkastje in de auto beschadigd zijn, evenals het open dak.

Het hof neemt voorts in aanmerking dat voornoemde feiten en omstandigheden, tezamen met het gegeven dat het in dit geval om een (zeer) dure auto gaat, schreeuwen om een verklaring en dat verdachte niet heeft verklaard hoe hij aan de gestolen Audi gekomen is.

Zoals hiervoor reeds is overwogen, gaat het hof ervan uit dat verdachte op de bestuurdersstoel van de Audi heeft gezeten. Hetgeen door het hof hieromtrent is overwogen, dient hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, kan het niet anders dan dat verdachte op het moment van het voorhanden krijgen van de auto wist dat de Audi van misdrijf afkomstig was en als bestuurder van deze auto heeft verdachte de Audi ook voorhanden gehad op 27 november 2012.”

7. Voor de beoordeling van het middel is voorts nog de volgende inhoud van het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 18 maart 2015 van belang:

“De raadsman voert het woord tot verdediging - zakelijk weergegeven:

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde merk ik het volgende op.

(…) Aan de uiterlijke verschijningsvorm van de Audi was niet te zien dat deze auto gestolen was. De Audi is met een autosleutel gestart.

De voorzitter merkt op dat het dashboard en het dak van de Audi waren beschadigd.

De raadsman vervolgt zijn pleidooi - zakelijk weergegeven:

Het is niet logisch dat een gestolen auto met een sleutel gestart wordt. De beschadigingen van de Audi impliceren niet dat de auto gestolen is.”

8. Voor een bewezenverklaring van opzetheling is vereist dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van het betreffende goed wist, dan wel bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde, dat dit door misdrijf was verkregen.1 In de onderhavige zaak heeft het hof zijn oordeel dat “het niet anders kan dan dat verdachte op het moment van het voorhanden krijgen van de auto wist dat de Audi van misdrijf afkomstig was” onderbouwd door te wijzen op de volgende omstandigheden:

  • -

    i) dat de verdachte en zijn medeverdachte met de auto met zeer hoge snelheid zijn weggereden toen de politie hen in een opvallend surveillancevoertuig naderde;

  • -

    ii) dat in het middenconsole van de auto een vuurwapen en in het binnenvak van het voorportier aan de linkerzijde van de auto een zaklamp met DNA-sporen van de verdachte is aangetroffen;

  • -

    iii) dat op de vloer achter de rugleuning van de bestuurdersstoel van de auto een zogeheten jammer is gevonden;

  • -

    iv) dat aan het dashboard, het dashboardkastje en het open dak van de auto beschadigingen zijn waargenomen; en

  • -

    v) dat de verdachte - ondanks het zich voordoen van de onder (i) tot en met (iv) genoemde omstandigheden en de grote waarde van de auto - geen verklaring heeft willen afleggen met betrekking tot de vraag hoe hij aan de auto is gekomen.

9. In het middel wordt gesteld dat de door het hof hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden niet redengevend zijn voor het oordeel dat verdachte wist of moest hebben geweten dat de auto door misdrijf was verkregen. Ik ben het met de steller van het middel eens.

10. Uit de door het hof hiervoor onder 8 vermelde waargenomen beschadigingen aan het dashboard, het dashboardkastje en het open dak van de (gestolen) auto, kan niet zonder meer worden afgeleid dat de verdachte uit deze beschadigingen ten tijde van het voorhanden krijgen van de auto moet hebben afgezien dat de auto gestolen was. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte immers aangevoerd dat - zo lees ik het - de auto op het moment dat de verdachte deze voorhanden kreeg (gewoon) met een sleutel is gestart, terwijl het hof daarnaast zelf heeft vastgesteld dat bij de diefstal van de auto op 21 november 2012 tevens een autosleutel is weggenomen.

11. Dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de auto van de criminele herkomst op de hoogte was, kan evenmin uit een van de andere hierboven onder 8 vermelde omstandigheden worden afgeleid. Zoals in de schriftuur wordt opgemerkt, hebben de omstandigheden dat de verdachte en zijn medeverdachte hard zijn weggereden bij het naderen van een politieauto en dat in de auto een vuurwapen, een zaklamp en een jammer zijn gevonden in de eerste plaats betrekking op de situatie ten tijde van de aanhouding. Hoewel er niet veel fantasie voor nodig is om te bedenken dat verdachten op iets illegaals uit waren toen zij door de politie werden aangehouden, bieden deze omstandigheden op zichzelf genomen geen informatie over de situatie op het moment dat de verdachte de auto voorhanden kreeg. Dat verdachte niet heeft willen verklaren hoe hij aan de auto was gekomen, duidt er ook niet zonder meer op dat hij wist dat de auto gestolen was. Hij kan net zo goed iemand anders hebben willen beschermen. Nu het hof in het arrest niets heeft vastgesteld ten aanzien van de wijze waarop de verdachte aan de auto is gekomen - het arrest bevat wat dit betreft alleen de vrijspraak van de verdachte van de onder 2 primair tenlastegelegde diefstal van de auto -, kan evenmin uit de onderlinge samenhang van de verschillende omstandigheden volgen dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen wist dat de auto een criminele herkomst had. Ik acht daarom de bewezenverklaring van het feit onder 2 niet voldoende met redenen omkleed.

12. Het middel slaagt.

13. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie bijvoorbeeld HR 13 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU5804; HR 7 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD7259 en HR 10 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:53.