Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:221

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
16-02-2016
Datum publicatie
13-04-2016
Zaaknummer
15/02812
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:631, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Vrijspraak medeplegen en medeplichtigheid moord/doodslag en zware mishandeling. 1. Medeplegen. Geklaagd wordt dat het in bedwang houden van so. bezwaarlijk anders kan worden uitgelegd dan als een vorm van samenwerking met geweldpleger(s). De HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2004:AO5061 m.b.t. selectie- en waarderingsvrijheid van de feitenrechter en ECLI:NL:HR:2014:3474 m.b.t. vereisten voor medeplegen. HR: het Hof heeft tot uitdrukking gebracht dat de verklaring van verdachte dat hij met het in bedwang houden van so. de bedoeling had te voorkomen dat so. geweld tegen X. zou gebruiken en dat hij “X. niet in de gelegenheid zou hebben willen stellen om so. op enige wijze te mishandelen door hem korte tijd in bedwang te houden” niet onaannemelijk is. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en ’s Hofs oordeel dat geen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking t.z.v. aan verdachte tlgd. feiten getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk.

2. Medeplichtigheid. HR: gelet op hetgeen het Hof heeft vastgesteld omtrent rol verdachte en hetgeen over medeplegen is overwogen , is ’s Hofs oordeel niet onbegrijpelijk, nog daargelaten dat het in bedwang houden van het so. niet is tenlastegelegd als gedraging waaruit de medeplichtigheid mede heeft bestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/02812

Zitting: 16 februari 2016

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 11 december 2014 het vonnis waarvan beroep vernietigd, de verdachte vrijgesproken van het onder 1 (primair, subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair) ten laste gelegde en de verdachte wegens 2. “medeplegen van een lijk wegvoeren en verbergen met het oogmerk om het feit van het overlijden te verhelen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.

  2. Mr. M. van der Horst, advocaat-generaal bij het ressortsparket, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, heeft het cassatieberoep namens de verdachte schriftelijk tegengesproken.1

3. Het eerste middel keert zich tegen het oordeel van het hof dat het onder 1 ten laste gelegde “tezamen en in vereniging” niet bewezen kan worden verklaard.

4. Aan de verdachte is onder 1 primair ten laste gelegd dat hij (samengevat) “tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen” opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd. Subsidiair is medeplichtigheid aan moord althans doodslag ten laste gelegd, meer subsidiair het medeplegen van zware mishandeling met voorbedachten rade althans het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, de dood ten gevolge hebbend. Onder ‘1 meest subsidiair’ is medeplichtigheid aan laatstgenoemde feiten ten laste gelegd.

5. Aan de verdachte is onder 1 ten laste gelegd, voor zover betrekking hebbend op medeplegen, dat:

“1 primair:

hij in of omstreeks de periode van 30 november 2011 tot en met 3 december 2011, althans in of omstreeks de maand(en) november/december 2011, te Velp, gemeente Rheden, en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte en/of verdachtes mededader(s) opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren genomen besluit, althans opzettelijk, [slachtoffer] een of meermalen met een mes, althans met een scherp voorwerp, in het hoofd, hals en/of het lichaam hebben/heeft gestoken en/of gesneden en/of [slachtoffer] met kracht met een (glazen) voorwerp op het hoofd hebben/heeft geslagen en/of heftig botsend geweld op het hoofd van [slachtoffer] hebben/heeft toegepast en/of [slachtoffer] meermalen met kracht hebben/heeft geschopt, geslagen en/of gestompt en/of [slachtoffer] hebben/heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of een snoer om de hals van [slachtoffer] hebben/heeft gedaan en/of (aan-)getrokken en/of een plastic zak over het hoofd van [slachtoffer] hebben/heeft gedaan en/of (vervolgens) hebben/heeft dichtgebonden en/of het lichaam van [slachtoffer] hebben/heeft blootgesteld aan onderkoeling en/of aan (uren durende) lichamelijke en psychische stress (ten gevolge van alle letsels samen), ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden, en welk medeplegen van verdachte en/of verdachtes mededader(s) -naast hetgeen hiervoor is vermeld, tevens (onder meer)- hierin heeft bestaan dat verdachte en/of verdachtes mededader(s) in of omstreeks de periode van 30 november 2011 tot en met 3 december 2011 en/of in of omstreeks de maanden november/december 2011 te Velp, gemeente Rheden, en/of (elders) in Nederland, een sfeer van onverdraagzaamheid jegens [slachtoffer] hebben/heeft gecreëerd en/of doen/laten ontstaan en/of (vervolgens) hebben/heeft besloten "het probleem [slachtoffer] " op te lossen en/of-om die reden- (conform tevoren gemaakte afspraken) naar de woning van [slachtoffer] zijn/is gegaan en/of aldaar een samenkomst hebben/heeft geregeld en/of aldaar zijn/is gebleven en/of [slachtoffer] hebben/heeft opgewacht en/of -nadat het geweld tegen [slachtoffer] was begonnen- zich niet hebben/heeft gedistantieerd (van de plannen en/of het geweld tegen [slachtoffer] ) en/of niet hebben/heeft ingegrepen en/of de -verdere- uitvoering van het geweld niet hebben/heeft verhinderd en/of geen afstand hiervan hebben/heeft genomen en/of (vervolgens) het lichaam van [slachtoffer] hebben/heeft weggevoerd en/of verborgen, en/of de woning van [slachtoffer] hebben/heeft opgeruimd/schoongemaakt en/of sporen hebben/heeft gewist;

(…)

1 meer subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 30 november 2011 tot en met 3 december 2011, althans in of omstreeks de maand(en) november/december 2011, te Velp, gemeente Rheden, en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, hierin bestaande dat verdachte en/of verdachtes mededader(s) opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren genomen besluit, althans opzettelijk, [slachtoffer] een of meermalen met een mes, althans met een scherp voorwerp, in het hoofd, hals en/of het lichaam hebben/heeft gestoken en/of gesneden en/of [slachtoffer] met kracht met een (glazen) voorwerp op het hoofd hebben/heeft geslagen en/of heftig botsend geweld op het hoofd van [slachtoffer] hebben/heeft toegepast en/of [slachtoffer] meermalen met kracht hebben/heeft geschopt, geslagen en/of gestompt en/of [slachtoffer] hebben/heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of een snoer om de hals van [slachtoffer] hebben/heeft gedaan en/of (aan-)getrokken en/of een plastic zak over het hoofd van [slachtoffer] hebben/heeft gedaan en/of (vervolgens) hebben/heeft dichtgebonden en/of het lichaam van [slachtoffer] hebben/heeft blootgesteld aan onderkoeling en/of aan (uren durende) lichamelijke en psychische stress (ten gevolge van alle letsels samen), terwijl dat feit de dood van [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad, en welk medeplegen van verdachte en/of verdachtes mededader(s) -naast hetgeen hiervoor is vermeld, tevens (onder meer)- hierin heeft bestaan dat verdachte en/of verdachtes mededader(s) in of omstreeks de periode van 30 november 2011 tot en met 3 december 2011 en/of in of omstreeks de maanden november/december 2011 te Velp, gemeente Rheden, en/of (elders) in Nederland, een sfeer van onverdraagzaamheid jegens [slachtoffer] hebben/heeft gecreëerd en/of doen/laten ontstaan en/of (vervolgens) hebben/heeft besloten "het probleem [slachtoffer] " op te lossen en/of -om die reden- (conform tevoren gemaakte afspraken) naar de woning van [slachtoffer] zijn/is gegaan en/of aldaar een samenkomst hebben/heeft geregeld en/of aldaar zijn/is gebleven en/of [slachtoffer] hebben/heeft opgewacht en/of -nadat het geweld tegen [slachtoffer] was begonnen- zich niet hebben/heeft gedistantieerd (van de plannen en/of het geweld tegen [slachtoffer] ) en/of niet hebben/heeft ingegrepen en/of de -verdere- uitvoering van het geweld niet hebben/heeft verhinderd en/of geen afstand hiervan hebben/heeft genomen en/of (vervolgens) het lichaam van [slachtoffer] hebben/heeft weggevoerd en/of verborgen, en/of de woning van [slachtoffer] hebben/heeft opgeruimd/schoongemaakt en/of sporen hebben/heeft gewist;”

6. Het hof heeft de verdachte vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde en heeft de vrijspraak als volgt gemotiveerd:

“Beoordeling van het onder 1 tenlastegelegde

(…)

Oordeel hof

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 1 primair, 1 subsidiair, 1 meer subsidiair en 1 meest subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt in het bijzonder als volgt.

Voorbedachte raad

Het hof is met de raadsvrouw van oordeel dat verdachte niet met voorbedachte raad heeft gehandeld en overweegt hieromtrent als volgt.

De verdachte heeft ter terechtzitting van het hof verklaard dat [medeverdachte 1] de bij het slachtoffer aangetroffen letsels in een korte tijdspanne heeft toegebracht door hem eerst met haar vuisten te slaan, daarna met glazen vaasjes op zijn hoofd te slaan en hem vervolgens meermalen met een mes te steken. Deze verklaring van verdachte vindt steun in de verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , in die zin dat de door verdachte weergegeven volgorde van toebrengen van de verschillende letsels overeenkomt met de verklaring van [medeverdachte 1] en ook niet strijdig is met de door [medeverdachte 2] afgelegde verklaring hieromtrent. Daarbij zij opgemerkt dat [medeverdachte 1] , evenals verdachte, heeft verklaard dat er sprake geweest is van een korte periode van geweldstoepassing.

Het door de verdachten geschetste scenario van de gebeurtenissen kan niet zonder meer worden weerlegd met enig in het strafdossier aanwezig bewijsmiddel. Het hof merkt op dat er letseldateringen zijn verricht door verschillende deskundigen, waaruit zou kunnen volgen dat het slachtoffer gedurende een periode van enkele uren is blootgesteld aan geweldshandelingen. De door verdachten afgelegde verklaringen zouden dus mogelijk in strijd kunnen zijn met de bevindingen van de deskundigen naar aanleiding van deze letseldateringen. Het hof tekent hierbij echter aan dat de door de deskundigen weergegeven resultaten niet worden ondersteund door enig objectief in het strafdossier aanwezig bewijsmiddel. In dit verband wijst het hof op de door deskundige Van de Goot ter terechtzitting van het hof afgelegde verklaring, inhoudende dat er -in zijn visie- voorzichtigheid dient te worden betracht bij het bezigen van een conclusie van een deskundige in een letseldateringsrapportage als bewijsmiddel. Van de Goot heeft verklaard dat het zijns inziens noodzakelijk is dat de bevindingen van een deskundige worden ondersteund door overig objectief bewijsmateriaal, voordat deze bevindingen als bewijsmiddel worden gebezigd. Bovendien merkt het hof op dat Van de Goot te kennen heeft gegeven dat op basis van zijn bevindingen niet geconcludeerd kan worden dat het slachtoffer is blootgesteld aan urenlange lichamelijke stress.

Nu de conclusies van de deskundigen in het kader van de verrichte letseldateringen in de onderhavige zaak niet ondersteund worden door overig objectief bewijsmateriaal, zal het hof deze conclusies niet overnemen.

Gelet op het voorgaande gaat het hof ervan uit dat er sprake is geweest van een eenmalige explosie van geweld, waarbij [medeverdachte 1] kort na elkaar de verschillende letsels bij het slachtoffer heeft toegebracht. Het hof gaat er ook van uit dat het slachtoffer reeds was overleden toen hij werd ingepakt en naar de kelderbox werd overgebracht. Door verdachte is verklaard dat -voordat het slachtoffer werd ingepakt- hij gecontroleerd heeft of er nog een hartslag was waar te nemen bij het slachtoffer en of hij nog ademde. Verdachte heeft toen geen hartslag waargenomen en ook het glaasje dat hij bij zijn mond hield, besloeg niet. Hij heeft vervolgens de conclusie getrokken dat het slachtoffer niet meer leefde. Het hof ziet geen reden om te twijfelen aan de door verdachte afgelegde verklaring en gaat er aldus van uit dat het slachtoffer was overleden voordat hij werd ingepakt en naar de kelderbox werd overgebracht.

Het strafdossier biedt overigens geen enkel aanknopingspunt waaruit zou kunnen blijken dat er bij één of meer van de verdachten sprake is geweest van een vooropgezet plan om het slachtoffer van het leven te beroven. In dit verband merkt het hof op dat het openbaar ministerie er ook niet van uit gaat dat de verdachten een vooropgezet plan hadden om het slachtoffer te vermoorden. Door [medeverdachte 1] is weliswaar verklaard dat zij het slachtoffer een paar klappen wilde geven, maar het hof acht dit onvoldoende om hieraan de conclusie te verbinden dat zij het slachtoffer van het leven wilde beroven dan wel dat zij van plan was het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Zoals hiervoor reeds overwogen gaat het hof ervan uit dat er sprake is geweest van een eenmalige geweldsexplosie. Het hof is ook niet gebleken van enig vooropgezet plan bij één of meer van de verdachten om het slachtoffer op enige wijze zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, zodat ook ter zake van het onder 1 meer en meest subsidiair tenlastegelegde geen sprake kan zijn van voorbedachte raad.

Het hof komt -gelet op bovenstaande- tot de conclusie dat in elk geval geen sprake is van moord en zware mishandeling met voorbedachte raad.

Medeplegen

Ten aanzien van het medeplegen overweegt het hof als volgt.

Medeplegen veronderstelt een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachten, welke samenwerking gericht is op de totstandkoming van het strafbare feit. Aan de totstandkoming van dit feit dient de medepleger substantieel bij te dragen om als zodanig te kunnen worden aangemerkt. Een bewuste samenwerking houdt in dat het opzet zowel op de samenwerking moet zijn gericht als op het resultaat van die samenwerking (het strafbare feit). Met andere woorden: er is een dubbel opzetvereiste.

Het hof stelt vast dat het aandeel van verdachte slechts heeft bestaan uit het kort in bedwang houden van het slachtoffer door hem terug te duwen in de bank op het moment dat [medeverdachte 1] met haar vuisten op het slachtoffer insloeg. Op het moment dat [medeverdachte 1] het slachtoffer met de glazen vaasjes begon te slaan heeft verdachte het slachtoffer -naar eigen zeggen- losgelaten omdat hij toen glasscherven in zijn gezicht kreeg. Uit de door medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] afgelegde verklaringen blijkt niet dat verdachte een groter aandeel heeft gehad in het tenlastegelegde dan hiervoor is weergegeven.

Nu de drie verdachten het erover eens zijn dat verdachte zelf geen geweldshandelingen heeft verricht jegens het slachtoffer en het hof ook overigens op grond van het dossier niet heeft kunnen vaststellen dat verdachte geweld jegens het slachtoffer gebruikt heeft, gaat het hof ervan uit dat door verdachte geen geweldshandelingen zijn verricht. Met het in bedwang houden van het slachtoffer had verdachte -naar eigen zeggen- de bedoeling om te voorkomen dat het slachtoffer geweld jegens [medeverdachte 1] zou gebruiken. Verdachte zou [medeverdachte 1] niet in de gelegenheid hebben willen stellen om het slachtoffer op enige wijze te mishandelen door hem korte tijd in bedwang te houden. Deze verklaring van verdachte kan niet worden weerlegd met enig in het dossier aanwezig bewijsmiddel.

Nu niet aantoonbaar is dat door verdachte geweldshandelingen zijn verricht en zijn rol louter heeft bestaan uit niet ingrijpen en geen afstand nemen, is het hof van oordeel dat hij geen strafrechtelijk relevant aandeel heeft gehad in de onder 1 primair tenlastegelegde doodslag en de onder 1 meer subsidiair tenlastegelegde zware mishandeling. In elk geval kan niet gesteld worden dat ter zake van deze feiten sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking met één van de medeverdachten, nu daarvoor meer nodig is dan enkel niet ingrijpen en zich niet distantiëren van het door [medeverdachte 1] uitgeoefende geweld.

Van medeplegen van doodslag dan wel zware mishandeling is derhalve geen sprake.

(…)

Conclusie

Nu geen sprake is geweest van voorbedachte raad om het slachtoffer om het leven te brengen dan wel zwaar te mishandelen en verdachte bovendien niet als medepleger dan wel medeplichtige ter zake van doodslag dan wel zware mishandeling kan worden aangemerkt, spreekt het hof verdachte vrij van alle onder 1 tenlastegelegde feiten.”

7. Ik stel voorop dat in cassatie niet kan worden onderzocht of de feitenrechter die de verdachte op grond van zijn feitelijke waardering van het bewijsmateriaal heeft vrijgesproken, terecht tot dat oordeel is gekomen. In geval de rechter die over de feiten oordeelt het ten laste gelegde bewezen acht, is het aan die rechter voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot bewijs te bezigen wat deze uit het oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Deze beslissing inzake die selectie en waardering, die - behoudens bijzondere gevallen - geen motivering behoeft, kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Hetzelfde geldt in het tegenovergestelde geval dat de rechter op grond van de aan hem voorbehouden selectie en waardering van het bewijsmateriaal tot de slotsom komt dat vrijspraak moet volgen. Hieruit volgt dat het oordeel betreffende het al dan niet bewezen zijn van het ten laste gelegde, met de daartoe gegeven motivering, niet onbegrijpelijk genoemd zal kunnen worden op de grond dat het beschikbare bewijsmateriaal - al dan niet in verband met een andere uitleg van gegevens van feitelijke aard - een andere (bewijs)beslissing toelaat.2

8. De steller van het middel voert, onder verwijzing naar het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474 , NJ 2015/390 m.nt. Mevis, aan dat het accent bij de voor medeplegen benodigde bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en zijn mededader(s) ligt bij de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. Daaraan voeg ik toe dat de Hoge Raad in het genoemde arrest ook heeft benadrukt dat het verwijt bij medeplegen zich concentreert op het gewicht van de intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de verdachte. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij verdient overigens opmerking dat aan het zich niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt. Het gaat er immers om dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict. Voor het gewicht van de rol van de medepleger in de zin van art. 47 Sr wijst de Hoge Raad in dit verband op art. 141, eerste lid, Sr. Het daar strafbaar gestelde "in vereniging plegen" van geweld eist dat de verdachte "een voldoende significante of wezenlijke bijdrage aan het geweld" heeft geleverd, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn geweest.3

9. Het hof heeft in de onderhavige zaak vastgesteld dat de verdachte geen geweldshandelingen jegens het slachtoffer heeft verricht. Die enkele omstandigheid sluit een veroordeling wegens medeplegen in de onderhavige zaak op zichzelf nog niet uit. De steller van het middel voert aan dat het hof heeft vastgesteld, althans dat in de overwegingen van het hof besloten ligt dat de verdachte:

“(a) zowel voor, tijdens als na het doden van het slachtoffer aanwezig was;

(b) het slachtoffer tijdens de geweldsuitoefening door medeverdachte [medeverdachte 1] in bedwang heeft gehouden;

(c) op geen enkel moment heeft ingegrepen om het slachtoffer - dat op gruwelijke wijze werd toegetakeld - te redden;

(d) heeft gecontroleerd of het slachtoffer na de geweldsuitoefening nog hartslag had of nog ademde

(e) samen met zijn medeverdachten het lijk heeft weggewerkt en sporen heeft gewist”.

10. Naar de mening van de steller van het middel kan de onder (b) genoemde handeling bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een uitvoeringshandeling. Het hof heeft in dit verband vastgesteld dat het aandeel van de verdachte slechts heeft bestaan uit het kort in bedwang houden van het slachtoffer door hem terug te duwen in de bank op het moment dat de medeverdachte [medeverdachte 1] met haar vuisten op het slachtoffer insloeg. Bij de duiding van deze handeling heeft het hof verwezen naar de verklaring van de verdachte, inhoudende dat hij de bedoeling had te voorkomen dat het slachtoffer geweld jegens [medeverdachte 1] zou plegen en niet om [medeverdachte 1] in de gelegenheid te stellen het slachtoffer op enige wijze te mishandelen. Het hof heeft daaraan toegevoegd dat deze verklaring van de verdachte niet kan worden weerlegd met enig in het dossier aanwezig bewijsmiddel.

11. Bij de beoordeling of sprake is van een uitvoeringshandeling dient de vrijheid van feitenrechter ten aanzien van de selectie en de waardering van het bewijsmateriaal tot uitgangspunt te worden genomen. Het gaat hierbij immers om een oordeel dat in sterke mate is verweven met vaststellingen van feitelijke aard. De ruimte voor een toetsing in cassatie is daardoor beperkt. Daarbij hoeft het begrip uitvoeringshandelingen in de context van de onderhavige zaak niet te worden beperkt tot handelingen die als zodanig gewelddadig van aard zijn. Uit de rechtspraak volgt dat de feitenrechter in dit verband de nodige speelruimte heeft. Zo had de verdachte in de zaak die leidde tot het arrest van de Hoge Raad van 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:883, NJ 2015/396 m.nt. Mevis ongezien een medeverdachte opgesloten in een meterkast in het magazijn van een supermarkt. De medeverdachte verliet na sluitingstijd de supermarkt door een nooduitgang en kwam later (met anderen) door diezelfde nooduitgang terug en nam goederen uit de supermarkt weg. Hoewel de gedraging van de verdachte in de voorfase van de inbraak plaatsvond, werd deze in het onderhavige geval, gelet op de modus operandi bij de inbraak, ‘als een uitvoeringshandeling van de inbraak’ aangemerkt, zodat er sprake was van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De Hoge Raad achtte dat oordeel niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen hetgeen het hof nader had vastgesteld over de bijzondere wijze waarop de onderhavige inbraak was uitgevoerd. De insluiting werd aldus beschouwd als een onderdeel van een complexe en gefaseerde uitvoering van de inbraak.4

12. Uiteindelijk komt het ook bij de vraag of een handeling als een uitvoeringshandeling kan worden beschouwd aan op de vraag of deze kan worden geplaatst in het kader van een bewuste en nauwe samenwerking. Voor het antwoord op deze vraag komt betekenis toe aan de duiding van de strekking van de handeling. De intentie waarmee de handeling is verricht kan in dezen ook van belang zijn om te beoordelen of deze onderdeel vormt van de uitvoering van het feit. Aldus zijn zowel objectieve factoren als subjectieve factoren van belang voor het bepalen of een gedraging onderdeel vormt van een bewuste en nauwe samenwerking.5 In dit verband kunnen de vaststellingen van het hof in de onderhavige zaak worden afgezet tegen die in de zaak die leidde tot het arrest van de Hoge Raad van 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718, NJ 2015/395 m.nt. Mevis. In die zaak was de verdachte veroordeeld wegens (samengevat) diefstal met bedreiging met geweld, gepleegd om hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren. De mededader had een portemonnee weggenomen, waarna de verdachte de eigenaar bedreigde met geweld. Naar het oordeel van het hof kon aan de bedreigende gedragingen van de verdachte geen andere betekenis worden toegekend dan deze waren gericht op hetzij het voor de mededader of hemzelf mogelijk maken van de vlucht hetzij het veiligstellen van het weggenomen geld. De Hoge Raad overwoog dat in dit oordeel besloten lag dat de gedragingen van de verdachte - kort gezegd: de bedreiging met geweld - toen zijn mededader het geldbedrag uit de portemonnee had weggenomen, met die diefstal in zodanig nauw verband stonden en van zodanig belang waren dat ten aanzien van de diefstal gevolgd door bedreiging met geweld gesproken kon worden van nauwe en bewuste samenwerking van de verdachte met zijn mededader. Ook in deze situatie werd een gezamenlijke uitvoering van het strafbare feit aangenomen. Het oordeel van het hof bleef in cassatie in stand. Doordat de bedreiging in de vaststelling van het hof kon worden geplaatst in de context van het mogelijk maken van de vlucht of de bescherming van het gestolene kon een bewuste en nauwe samenwerking worden aangenomen. Had het hof aangenomen dat de bedreiging een andere achtergrond had, met een andere intentie was uitgevoerd en niet in nauwe samenhang stond met de diefstal, hadden de kaarten anders gelegen.6

13. Het hof heeft in de onderhavige zaak het kort in bedwang houden van het slachtoffer door hem terug te duwen in de bank op het moment dat de medeverdachte [medeverdachte 1] met haar vuisten op het slachtoffer insloeg niet beschouwd als een onderdeel van een bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte gericht op het van het leven beroven dan wel zwaar mishandelen van het slachtoffer. Niet kan worden gezegd dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het oordeel van het hof evenmin onbegrijpelijk is. De omstandigheid dat het beschikbare bewijsmateriaal mogelijk een andere uitleg van deze gegevens van feitelijke aard toelaat, doet daaraan niet af. Daarbij neem ik in aanmerking dat het hof tevens - in cassatie onbestreden - heeft geoordeeld dat sprake is geweest van een eenmalige explosie van geweld, waarbij de medeverdachte [medeverdachte 1] kort na elkaar de verschillende letsels bij het slachtoffer heeft toegebracht. Het hof is niet gebleken van enig vooropgezet plan bij één of meer van de verdachten om het slachtoffer van het leven te beroven dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Het hof heeft het korte tijd in bedwang houden van het slachtoffer niet gezien als een uitvoeringshandeling in het kader van een bewuste en nauwe samenwerking. Kennelijk heeft het hof de verklaring van de verdachte dat hij met zijn gedraging wilde voorkomen dat het slachtoffer geweld zou toepassen niet onaannemelijk bevonden. In de overwegingen van het hof ligt voorts als zijn oordeel besloten dat het voor medeplegen vereiste opzet op de samenwerking met de mededader en op de ten laste gelegde feiten niet bewezen kan worden. Aldus gelezen, heeft het hof geen onjuiste maatstaf aangelegd, wat er ook zij van de door het hof gebezigde bewoordingen. Aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof doet niet af dat in een situatie als de onderhavige het slachtoffer naar verwachting een beroep op noodweer zou toekomen. Bepalend is of de gedraging onderdeel vormt van een bewuste en nauwe samenwerking, waarbij het opzet van de verdachte op die samenwerking en op de ten laste gelegde gronddelicten is gericht.

14. Evenmin is onbegrijpelijk dat het hof de rol van de verdachte, voor zover deze overigens uit de vaststellingen van het hof blijkt, niet voldoende substantieel heeft bevonden voor het bewijs van medeplegen. Uit de overwegingen van het hof blijkt dat het hof de door de steller van het middel genoemde gedragingen, behoudens de hiervoor besproken, onder (b) genoemde, door het hof overigens anders verwoorde gedraging, niet heeft aangemerkt als een aandeel in de ten laste gelegde strafbare feiten. Onder die omstandigheden kunnen deze gedragingen uiteraard evenmin als een substantiële bijdrage aan de ten laste gelegde feiten worden aangemerkt. De enkele aanwezigheid van de verdachte tijdens de gewelddadigheden en het niet ingrijpen heeft het hof zonder miskenning van de hiervoor beschreven lijn in de rechtspraak en niet onbegrijpelijk als onvoldoende voor medeplegen beschouwd. Volgens vaste rechtspraak komt aan de omstandigheid dat de verdachte zich niet van het geweld heeft gedistantieerd immers geen grote betekenis toe. De omstandigheid dat de verdachte samen met zijn medeverdachten het lijk heeft weggewerkt en sporen heeft gewist, heeft geleid tot een veroordeling wegens het onder 2 ten laste gelegde, maar heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk niet beschouwd als een substantiële bijdrage aan het daaraan voorafgaande levensdelict. Het oordeel dat medeplegen niet bewezen kan worden verklaard wordt evenmin onbegrijpelijk in het licht van het controleren van de hartslag en de adem van het slachtoffer, gedragingen die overigens in de tenlastelegging niet zijn opgenomen en die zijn uitgevoerd nadat het slachtoffer reeds was overleden.

15. Ten slotte merkt de steller van het middel op dat het hof onvoldoende in zijn oordeelsvorming heeft betrokken dat van de aanwezigheid van de verdachte als man een intimiderend karakter uitgaat. Het hof heeft niet vastgesteld dat van de aanwezigheid van de verdachte een intimiderend karakter is uitgegaan. Voor zover de steller van het middel de mening is toegedaan dat als een feit van algemene bekendheid dan wel als een algemene ervaringsregel heeft te gelden dat van de enkele aanwezigheid van een man een intimiderend effect op een andere man uitgaat, kan ik hem daarin niet volgen. Dat geldt evenzeer in geval die man aanwezig is in een situatie waarin door een vrouwelijke medeverdachte “een explosie van geweld” wordt toegepast.

16. Het middel faalt.

17. Het tweede middel keert zich tegen het oordeel van het hof dat de onder 1 ten laste gelegde medeplichtigheid niet bewezen kan worden verklaard.

18. Onder 1 is ten laste gelegd, voor zover betrekking hebbend op medeplichtigheid, dat:

“1 subsidiair:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] in of omstreeks de periode van 30 november 2011 tot en met 3 december 2011, althans in of omstreeks de maand(en) november/december 2011, te Velp, gemeente Rheden, en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, [slachtoffer] van het leven hebben/heeft beroofd, hierin bestaande dat die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] en/of haar/hun mededader(s) opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren genomen besluit, althans opzettelijk, [slachtoffer] een of meermalen met een mes, althans met een scherp voorwerp, in het hoofd, hals en/of het lichaam hebben/heeft gestoken en/of gesneden en/of [slachtoffer] met kracht met een (glazen) voorwerp op het hoofd hebben/heeft geslagen en/of heftig botsend geweld op het hoofd van [slachtoffer] hebben/heeft toegepast en/of [slachtoffer] meermalen met kracht hebben/heeft geschopt, geslagen en/of gestompt en/of [slachtoffer] hebben/heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of een snoer om de hals van [slachtoffer] hebben/heeft gedaan en/of (aan-)getrokken en/of een plastic zak over het hoofd van [slachtoffer] hebben/heeft gedaan en/of (vervolgens) hebben/heeft dichtgebonden en/of het lichaam van [slachtoffer] hebben/heeft blootgesteld aan onderkoeling en/of aan (uren durende) lichamelijke en psychische stress (ten gevolge van alle letsels samen), ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden, tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 30 november 2011 tot en met 3 december 2011 en/of in of omstreeks maanden november/december 2011 te Velp, gemeente Rheden, en/of (elders) in Nederland medeplichtig is geweest door het opzettelijk verschaffen van gelegenheid, middelen en/of inlichtingen en/of door opzettelijk behulpzaam te zijn, welke medeplichtigheid (onder meer) hieruit heeft bestaan dat verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een sfeer van onverdraagzaamheid jegens [slachtoffer] heeft gecreëerd en/of doen/laten ontstaan en/of (vervolgens) heeft besloten "het probleem [slachtoffer] " op te lossen en/of -om die reden- (conform tevoren gemaakte afspraken) naar de woning van [slachtoffer] is gegaan en/of aldaar een samenkomst heeft geregeld en/of aldaar is gebleven en/of [slachtoffer] heeft opgewacht en/of -nadat het geweld tegen [slachtoffer] was begonnen- zich niet heeft gedistantieerd (van de plannen en/of het geweld tegen [slachtoffer] ) en/of niet heeft ingegrepen en/of de -verdere- uitvoering van het geweld niet heeft verhinderd en/of geen afstand hiervan heeft genomen en/of (vervolgens) het lichaam van [slachtoffer] heeft weggevoerd en/of verborgen, en/of de woning van [slachtoffer] heeft opgeruimd/schoongemaakt en/of sporen heeft gewist;

(…)

1 meest subsidiair:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] in of omstreeks de periode van 30 november 2011 tot en met 3 december 2011, althans in of omstreeks de maand(en) november/december 2011, te Velp, gemeente Rheden, en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel hebben/heeft toegebracht, hierin bestaande dat die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] en/of haar/hun mededader(s) opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren genomen besluit, althans opzettelijk, [slachtoffer] een of meermalen met een mes, althans met een scherp voorwerp, in het hoofd, hals en/of het lichaam hebben/heeft gestoken en/of gesneden en/of [slachtoffer] met kracht met een (glazen) voorwerp op het hoofd hebben/heeft geslagen en/of heftig botsend geweld op het hoofd van [slachtoffer] hebben/heeft toegepast en/of [slachtoffer] meermalen met kracht hebben/heeft geschopt, geslagen en/of gestompt en/of [slachtoffer] hebben/heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of een snoer om de hals van [slachtoffer] hebben/heeft gedaan en/of (aan-)getrokken en/of een plastic zak over het hoofd van [slachtoffer] hebben/heeft gedaan en/of (vervolgens) hebben/heeft dichtgebonden en/of het lichaam van [slachtoffer] hebben/heeft blootgesteld aan onderkoeling en/of aan (uren durende) lichamelijke en psychische stress (ten gevolge van alle letsels samen), terwijl dat feit de dood van [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad, tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 30 november 2011 tot en met 3 december 2011 en/of in of omstreeks maanden november/december 2011 te Velp, gemeente Rheden, en/of (elders) in Nederland medeplichtig is geweest door het opzettelijk verschaffen van gelegenheid, middelen en/of inlichtingen en/of door opzettelijk behulpzaam te zijn, welke medeplichtigheid (onder meer) hieruit heeft bestaan dat verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een sfeer van onverdraagzaamheid jegens [slachtoffer] heeft gecreëerd en/of doen/laten ontstaan en/of (vervolgens) heeft besloten "het probleem [slachtoffer] " op te lossen en/of -om die reden- (conform tevoren gemaakte afspraken) naar de woning van [slachtoffer] is gegaan en/of aldaar een samenkomst heeft geregeld en/of aldaar is gebleven en/of [slachtoffer] heeft opgewacht en/of-nadat het geweld tegen [slachtoffer] was begonnen- zich niet heeft gedistantieerd (van de plannen en/of het geweld tegen [slachtoffer] ) en/of niet heeft ingegrepen en/of de -verdere- uitvoering van het geweld niet heeft verhinderd en/of geen afstand hiervan heeft genomen en/of (vervolgens) het lichaam van [slachtoffer] heeft weggevoerd en/of verborgen, en/of de woning van [slachtoffer] heeft opgeruimd/schoongemaakt en/of sporen heeft gewist;”

19. Het hof heeft de ten laste gelegde medeplichtigheid niet bewezen geacht en heeft daartoe het volgende overwogen:

“Medeplichtigheid

Ten aanzien van de medeplichtigheid overweegt het hof als volgt.

Voor medeplichtigheid geldt ook het hierboven genoemde dubbel opzetvereiste. Zoals het hof reeds heeft overwogen valt op grond van het dossier niet vast te stellen dat verdachte de bedoeling heeft gehad om het slachtoffer op enigerlei wijze geweld aan te doen of dat hij [medeverdachte 1] in de gelegenheid heeft gesteld om het slachtoffer geweld aan te doen. Ook is het hof niet gebleken dat verdachte [medeverdachte 1] anderszins opzettelijk behulpzaam is geweest bij de onder 1 tenlastegelegde feiten. Er is daarom niet voldaan aan het vereiste van dubbel opzet en verdachte kan dientengevolge ook niet als medeplichtige worden aangemerkt ter zake van de onder 1 subsidiair tenlastegelegde doodslag en de onder 1 meest subsidiair tenlastegelegde zware mishandeling.

Conclusie

Nu geen sprake is geweest van voorbedachte raad om het slachtoffer om het leven te brengen dan wel zwaar te mishandelen en verdachte bovendien niet als medepleger dan wel medeplichtige ter zake van doodslag dan wel zware mishandeling kan worden aangemerkt, spreekt het hof verdachte vrij van alle onder 1 tenlastegelegde feiten.”

20. Ook ten aanzien van het tweede middel stel ik voorop dat bij de beoordeling in cassatie de vrijheid van de feitenrechter met het oog op de selectie en de waardering van het bewijsmateriaal moet worden gerespecteerd. Ik verwijs daartoe naar hetgeen onder 7 is opgemerkt. Voor een veroordeling wegens medeplichtigheid is vereist dat niet alleen wordt bewezen dat het opzet van de verdachte telkens was gericht op het behulpzaam zijn bij het plegen van het misdrijf dan wel op het verschaffen van gelegenheid als bedoeld in art. 48, aanhef en onder 2, Sr, doch tevens dat het opzet van de verdachte al dan niet in voorwaardelijke vorm was gericht op het door de dader gepleegde misdrijf.7

21. De steller van het middel voert aan dat het hof bij de beoordeling of medeplichtigheid bewezen kan worden verklaard een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd. Het hof heeft volgens de steller van het middel slechts getoetst of sprake is van boos opzet en niet of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet. In zoverre berust het middel op een verkeerde lezing van het bestreden arrest en mist het feitelijke grondslag. Het hof heeft immers mede overwogen dat niet is gebleken dat de verdachte “ [medeverdachte 1] anderszins opzettelijk behulpzaam is geweest bij de onder 1 tenlastegelegde feiten”. Daaruit blijkt niet dat het hof heeft miskend dat het voor medeplichtigheid vereiste opzet op de ondersteuning van het misdrijf tevens voorwaardelijk opzet kan behelzen. Met de overweging dat niet kan worden bewezen dat de verdachte de bedoeling heeft gehad om het slachtoffer op enigerlei wijze geweld aan te doen of dat hij [medeverdachte 1] in de gelegenheid heeft gesteld om het slachtoffer geweld aan te doen, heeft het hof – zij het in minder gelukkige bewoordingen – verwezen naar hetgeen het ten aanzien van het ten laste gelegde medeplegen heeft overwogen. In dat verband heeft het hof de verklaring van de verdachte dat hij met het kort in bedwang houden van het slachtoffer door hem terug te duwen in de bank wilde voorkomen dat het slachtoffer geweld zou toepassen, niet onaannemelijk bevonden. Daarin heeft het hof tevens tot uitdrukking gebracht dat het voor medeplegen vereiste opzet op de samenwerking met de mededader en op de ten laste gelegde feiten niet bewezen kan worden. Die conclusie heeft het hof mede van toepassing geacht op de ten laste gelegde medeplichtigheid. Aldus bezien, heeft het hof geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

22. Het bestreden oordeel acht ik evenmin onbegrijpelijk. Daarbij moet worden bedacht dat de handeling waarop in de schriftuur een zekere nadruk wordt gelegd, te weten het korte tijd in bedwang houden van het slachtoffer, niet in de tenlastelegging is opgenomen als een gedraging die de medeplichtigheid feitelijk invulling zou kunnen geven. Ten aanzien van de overige in de schriftuur genoemde gedragingen, die hiervoor onder 9 zijn geciteerd, moet eveneens worden voorop gesteld dat het hof heeft geoordeeld dat niet kan worden bewezen dat - voor zover het gaat om handelingen voorafgaand of tijdens de onder 1 ten laste gelegde feiten - de verdachte opzet op de gronddelicten en op de hulpverlening aan de medeverdachte [medeverdachte 1] heeft gehad. Dat feitelijke oordeel acht ik niet onbegrijpelijk. Daarbij komt dat de controle of het slachtoffer nog hartslag had of ademde (d) in de vaststellingen van het hof plaatsvond nadat het slachtoffer reeds was overleden.8 Hetzelfde geldt voor de onder (e) genoemde gedragingen, die ten grondslag hebben gelegen aan het onder 2 bewezen verklaarde. Niet valt in te zien hoe deze gedragingen in verband kunnen worden gebracht met voorafgaande of simultane medeplichtigheid. Resteert het (a) aanwezig zijn van de verdachte en (b) het niet-ingrijpen. Deze omstandigheden doen niet af aan de begrijpelijkheid van het oordeel dat het voor medeplichtigheid vereiste dubbel opzet niet kan worden bewezen. Daarbij merk ik terzijde op dat de schriftuur niet ingaat op de vraag hoe met de enkele aanwezigheid van de verdachte gelegenheid zou zijn geboden tot het plegen van het misdrijf dan wel dat daaruit de behulpzaamheid daarbij is af leiden. In dit verband volsta ik verder met verwijzing naar hetgeen onder 15 van deze conclusie is opgemerkt. Ook de vraag of een rechtsplicht bestond voor de verdachte om in te grijpen blijft in de schriftuur onbesproken.9 Gelet op het voorafgaande en gegeven de beperkte toetsing in cassatie, laat ik die vraag verder rusten.

23. Het middel faalt.

24. Beide middelen zijn tevergeefs voorgesteld.

25. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De zaak hangt samen met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] (15/00145) en [medeverdachte 2] (15/00029), waarin het openbaar ministerie de cassatieberoepen heeft ingetrokken.

2 Vgl. HR 4 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5061, NJ 2004/480, HR 18 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC6157, NJ 2008/209 en HR 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2842, NJ 2015/418.

3 Vgl. bijvoorbeeld HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:132, NJ 2013/407.

4 Vgl. J. de Hullu, Materieel strafrecht, zesde druk, Deventer: 2015, p. 455. Zie in dit verband ook HR 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1808, NJ 2015/398 m.nt. Mevis.

5 Zie in meer algemene zin ten aanzien van de rol van objectieve en subjectieve factoren bij medeplegen: A. Postma, Opzet en toerekening bij medeplegen, diss. Groningen, 2014, p. 16.

6 Zie in dit verband ook de noot van Mevis onder het in NJ 2015/395 gepubliceerde arrest.

7 Vgl. HR 25 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4845.

8 Zie de bewijsoverweging van het hof in het verkorte arrest ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde.

9 HR 27 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4434, NJ 2002/517, m.nt. Knigge.