Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:218

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
09-02-2016
Datum publicatie
13-04-2016
Zaaknummer
15/01316
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:628, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag ex art. 94a Sv. Civiel- en strafrechtelijk derdenbeslag op banktegoed. Vernietiging door HR met verwijzing naar de CAG: de Rb heeft vastgesteld dat op het banktegoed beslag ex art. 94a Sv rust en had daarom a.d.h.v. de toetsingsmaatstaven dienen te beoordelen of dit beslag gehandhaafd moet blijven. Met haar oordeel dat klagers, gelet op het civielrechtelijk beslag op het banktegoed, geen materieel belang hebben bij een opheffing van het strafrechtelijk beslag op dit banktegoed, heeft de Rb hetzij miskend dat art. 552a.7 Sv bepaalt dat als de Rb het beklag gegrond acht, zij de daarmee overeenkomende last moet geven en niet mag volstaan met enkel opheffing van het beslag, hetzij eraan voorbij gezien dat aan het geven van een last tot teruggave niet in de weg staat dat aan die last niet kan worden voldaan. Overig: CAG over teruggave en de tot de bewaarder gerichte last a.b.i. art. 119 Sv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/01316 B

Mr. Harteveld

Zitting 9 februari 2016

Conclusie inzake:

[klager 1] en [klaagster 2]

1. De Rechtbank heeft de klaagschriften van de klagers bij beschikking van 19 februari 2015 ongegrond verklaard.

2. Namens de klagers heeft mr. R.P. Snorn, advocaat te Heerenveen, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.

3.1. De middelen behelzen gezamenlijk de klacht dat de Rechtbank de klaagschriften van de klagers, strekkende tot (gedeeltelijke) opheffing van het conservatoir beslag op een bankrekening op naam van [betrokkene] , op onjuiste, dan wel onbegrijpelijke gronden ongegrond heeft verklaard.

3.2. De bestreden beschikking houdt het volgende in:

“Procesverloop

Namens klagers is op 4 december 2014 respectievelijk 5 februari 2015 een schriftelijk verzoek ingediend, strekkende tot (gedeeltelijke) opheffing met last tot teruggave aan klagers, voor zover het betreft het conservatoir derdenbeslag onder de vordering van [betrokkene] , partner van klager 1, bij de Rabobank met rekeningnummer [0001] .

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken die op het klaagschrift betrekking hebben, waaronder:

1. een beslissing van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 3 november 2014, aan de N.V. [A] , statutair gevestigd te Meppel, waarbij machtiging werd verleend om conservatoir derdenbeslag te mogen leggen onder een drietal derden, waaronder bij [betrokkene] op gelden, vorderingen, geldwaarden, die [betrokkene] onder zich heeft en/of uit een ten tijde van het ten deze te leggen beslag reeds bestaande rechtsverhouding rechtstreeks onder zich zal verkrijgen en/of verschuldigd is en/of uit een ten tijde van het ten deze te leggen beslag reeds bestaande rechtsverhoudingen rechtstreeks aan [klager 1] (klager 1) verschuldigd zal worden.

2. een beslissing van de rechtbank Noord-Nederland, afdeling strafrecht, locatie Assen, van 12 november 2014, waarbij de rechtbank bij afweging van alle betrokken belangen het beslag op de rekening met nummer [0002] bij Achmea Retail Bank NV dan ook gedeeltelijk heeft opgeheven, in die zin dat:

- een bedrag van € 8.538,57 onmiddellijk wordt vrijgegeven ter voldoening van de huidige betalingsachterstand op de hypothecaire lening bij ING (één en ander overeenkomstig het door de raadsman van klager overgelegde schrijven van ING van 20 oktober 2014);

- maandelijks een bedrag wordt vrijgegeven van € 2.840,- ter betaling van de kosten van de hypothecaire lening bij ING ten behoeve van het onderpand [a-straat 1] te Meppel.

(…)

Motivering

De rechtbank acht zich bevoegd kennis te nemen van het klaagschrift en de rechtbank acht klagers ontvankelijk in hun verzoek.

Klager [klager 1] heeft zich op het standpunt gesteld dat door het conservatoire derden beslag dat op 3 november 2014 door de voorzieningenrechter is verleend geen uitvoering kan worden gegeven aan de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland, afdeling strafrecht, locatie Assen, van 12 november 2014, waarbij de rechtbank bij afweging van alle betrokken belangen het beslag op de rekening met nummer [0002] bij Achmea Retail Bank NV gedeeltelijk heeft opgeheven.

Klager [klager 1] stelt verder dat hij dientengevolge nog immer door (het voortduren van) het beslag op hun vermogen ernstig wordt benadeeld, nu hij daardoor reëel in de situatie dreigt te geraken dat hij niet langer kan voldoen aan zijn vaste lasten, in het bijzonder de kosten van de hypotheek voor zijn woning aan de [a-straat 1] te Meppel.

Nu de voorzieningenrechter op 3 november 2014 machtiging heeft verleend civielrechtelijk conservatoir derdenbeslag te leggen op onder meer de gelden, vorderingen, geldwaarden, die [betrokkene] onder zich heeft en nog onder zich zal verkrijgen en/of verschuldigd is en/of uit reeds bestaande rechtsverhoudingen rechtstreeks aan [klager 1] (klager 1) verschuldigd zal worden, hebben klagers naar het oordeel van de rechtbank geen materieel belang bij een opheffing van het strafrechtelijk gelegde conservatoire derdenbeslag op de bankrekening van [betrokkene] bij de Rabobank met rekeningnummer [0001] .

De strafrechter is immers niet bevoegd om het civielrechtelijk beslag gedeeltelijk op te heffen, zodat een gedeeltelijk opheffing van het strafrechtelijk conservatoire derdenbeslag niet tot het voor klagers gewenste resultaat zal leiden.

De rechtbank is van oordeel dat klagers zich voor wat betreft hun verzoek, strekkende tot (gedeeltelijke) opheffing voor wat betreft het conservatoir derdenbeslag onder de vordering van [betrokkene] , partner van klager 1, bij de Rabobank met rekeningnummer [0001] , zich dienen te wenden tot de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord- Nederland en niet tot de strafrechter.

Namens klagers is desgevraagd aangevoerd dat de betreffende bankrekening van [betrokkene] niet onder het door de voorzieningenrechter verleende beslag valt. Mede gelet op de inhoud van de beslissing van de voorzieningenrechter, is deze namens klagers naar voren gebrachte stelling niet aannemelijk geworden.

De rechtbank zal het verzoek van klagers ongegrond verklaren.”

3.3. Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een “proces-verbaal en kennisgeving conservatoir beslag op vordering van een ander” van 10 december 2012, uit welk proces-verbaal volgt dat het openbaar ministerie op 10 december 2012 op de voet van art. 94a Sv beslag heeft gelegd onder Coöperatieve Rabobank Meppel-Steenwijkerland UA (hierna: de Rabobank) op onder meer het tegoed dat [betrokkene] bij deze bank heeft op de rekening met nummer [0001] (in die zin dus een vordering van [betrokkene] op de Rabobank). Uit voornoemd proces-verbaal blijkt voorts dat dit derdenbeslag strekt tot bewaring van het recht van verhaal van een aan de klaagster [klaagster 2] op te leggen geldboete, dan wel op te leggen betalingsverplichting ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

3.4. De Rechtbank heeft blijkens haar motivering vastgesteld dat dit strafvorderlijk beslag nog steeds rust op het banktegoed. Met de steller van de middelen ben ik van oordeel dat de Rechtbank daarom aan de hand van de daarvoor - in casu die voor art. 94a Sv - toe te passen toetsingsmaatstaven1 had dienen te beoordelen of het strafvorderlijk beslag al dan niet gehandhaafd moet blijven en de klaagschriften dus wel of niet gegrond zijn.

3.5. Het is mij niet duidelijk wat de Rechtbank bedoelt met haar oordeel dat de klagers geen materieel belang hebben bij een opheffing van het strafrechtelijk conservatoir derdenbeslag op het banktegoed, nu daarop ook een civielrechtelijk beslag ligt dat de strafrechter niet bevoegd is op te heffen.

Indien de Rechtbank bedoelt dat zij, gelet op dit civielrechtelijk beslag, wel de opheffing van het strafrechtelijk conservatoir derdenbeslag op het banktegoed zou kunnen gelasten maar toch geen last tot teruggave/vrijgave daarvan zou kunnen geven, heeft zij miskend dat art. 552a, zevende lid, Sv bepaalt dat als de rechtbank het beklag gegrond acht, zij de daarmee overeenkomende last moet geven en niet mag volstaan met enkel opheffing van het beslag.2

3.6. Ik merk op dat de wet zelf erin voorziet dat een civielrechtelijk beslag gelegd op een voorwerp niet wordt ondermijnd door de beslissing van de strafrechter tot opheffing van een strafvorderlijk beslag gelegd op dat voorwerp en een last tot teruggave daarvan aan de beslagene. Art. 119, vierde lid, Sv bepaalt immers dat de bewaarder - en als zodanig geldt degene onder wie het strafvorderlijk derdenbeslag is gelegd3 - het voorwerp niet terug zal geven zolang er een beslag op rust, door een derde gelegd ingevolge Boek II, titels 2, 3 en 4, en Boek III, titel 4, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, tenzij degene door wie de last tot teruggave is gegeven uitdrukkelijk anders bepaalt.

Geeft de rechtbank een last tot teruggave aan de beslagene, dan is deze ingevolge art. 119, eerste lid, Sv tot de bewaarder gericht. 4 Het vierde lid van art. 119 Sv bevat een aanwijzing aan de bewaarder omtrent hetgeen hij moet doen in geval van een beslag als bedoeld in dit artikel op het terug te geven voorwerp.5

Tenzij de Rechtbank in geval van gegrondbevinding van de klaagschriften van de klagers uitdrukkelijk anders heeft bepaald, zal een door haar gegeven last tot teruggave/vrijgave van het banktegoed aan [betrokkene] door de Rabobank, die als derden-beslagene als bewaarder in de zin van art. 119 Sv optreedt, met inachtneming van het vierde lid van dit artikel moeten worden geëffectueerd.

3.7. Heeft de Rechtbank niet bedoeld zij geen last tot teruggave kan geven, maar tot uitdrukking willen brengen dat de klagers in feite geen baat zullen hebben bij een door haar gegeven last tot teruggave omdat het civielrechtelijk beslag daaraan in de weg staat, dan ziet zij eraan voorbij dat aan het geven van een last tot teruggave niet in de weg staat dat aan die last niet kan worden voldaan.6

3.8. De middelen slagen.

4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking behoren te leiden.

5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot verwijzen of terugwijzen als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie voor deze maatstaven HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654.

2 Vgl. HR 31 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS7591, NJ 2005/447.

3 Vgl. HR 15 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3104. Zie ook de conclusie van AG Jörg van 17 mei 2005,ECLI:NL:PHR:2005:AT6065 (HR: 81 RO).

4 Vgl. HR 15 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3104.

5 Vgl. HR 19 mei 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1164, NJ 1998/834.

6 Vgl. 24 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP9413.