Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:217

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
16-02-2016
Datum publicatie
13-04-2016
Zaaknummer
15/01290
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:627, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Ongegronde bewijsklacht over ‘medeplegen’ van voorhanden hebben van vuurwapen en munitie aangetroffen in en naast de verongelukte auto waarin verdachte en M. zaten. Gelet op de door het hof, blijkens zijn bewijsvoering vastgestelde f&o, geeft zijn oordeel dat verdachte en M. zich beiden bewust waren van de aanwezigheid van het vuurwapen en de munitie in de auto, dat zij gezamenlijk de beschikking daarover hadden en dat aldus sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking t.a.v. het voorhanden hebben daarvan, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/01290

Zitting: 16 februari 2016

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 27 februari 2015 de verdachte wegens “medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden. Voorts heeft het hof de onttrekking aan het verkeer bevolen en de teruggave gelast van een aantal in beslag genomen voorwerpen, één en ander zoals in de bestreden uitspraak nader omschreven. Ten slotte heeft het hof de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard.

  2. Mr. E.G.C. Groenendaal, advocaat te Amsterdam, heeft namens de verdachte een middel van cassatie voorgesteld.1

3. Het middel behelst de klacht dat het hof zijn oordeel dat sprake is van medeplegen van het voorhanden hebben van een wapen en munitie ontoereikend heeft gemotiveerd.

4. Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

“primair:

hij tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in of omstreeks de periode van 20 oktober 2011 tot en met 10 november 2011, althans op of omstreeks 09 en/of 10 november 2011 te Zwanenburg, gemeente Haarlemmermeer en/of Amstelveen en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter voorbereiding van het misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade een of meer perso(o)n(en) ( [betrokkene 1] , dan wel een of meer anderen) van het leven te beroven, opzettelijk een of meer voorwerpen en/of een of meer vervoermiddelen, te weten:

- een (gestolen) auto (van het merk Audi, voorzien van valse/vervalste nummerplaten)

- een (doorgeladen) pistool (merk: Glock, type 17) en/of

- een patroonhouder (voor een Glock 1 7) en/of

- een of meer andere (vuur)wapens en/of

- 27, althans een of meer patronen (van 2 verschillende kalibers) en/of

- een of meer motorhelmen en/of

- handschoenen en/of

- een of meer muts(en)/petje(s) en/of

- een afgeknipte sok en/of

- een blauw magneetzwaailicht ("politiezwaailicht") en/of

- donkere kleding;

bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad;

subsidiair:

hij tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen op of omstreeks 09 en/of 10 november 2011 te Zwanenburg, gemeente Haarlemmermeer en/of Amstelveen en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland, een wapen van categorie II en/of III, te weten een vuurwapen (pistool, merk Glock, type 17), en/of munitie van categorie II en/of III, te weten 27 patronen (12 patronen 9mm Luger en 15 patronen 7.35 Browning), voorhanden heeft gehad”.

5. Daarvan is bewezen verklaard dat:

“hij tezamen en in vereniging met een ander op 10 november 2011 te Zwanenburg, gemeente Haarlemmermeer een wapen van categorie III, te weten een vuurwapen (pistool, merk Glock, type 17), en munitie van categorie III, te weten patronen (9mm Luger en 7.35 Browning), voorhanden heeft gehad”.

6. Deze bewezenverklaring berust op de bewijsmiddelen zoals die zijn opgenomen in de aanvulling op het verkort arrest als bedoeld in art. 365a Sv. Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts een bewijsoverweging opgenomen. Nu het hof daarin voor de feitelijke gang van zaken heeft verwezen naar hetgeen het hof heeft overwogen ter motivering van de vrijspraak van het primair ten laste gelegde, zal ik ook deze overwegingen weergeven:

“De feiten en omstandigheden

Op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep gaat het hof uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Voor de leesbaarheid zal in het hiernavolgende daar waar gesproken wordt over de verdachte, de medeverdachte [medeverdachte 1] en de aangever [betrokkene 1] , dezen (ook) worden aangeduid als respectievelijk [verdachte] , [medeverdachte 1] en [betrokkene 1] .

Op 10 november 2011 omstreeks 01.27 uur, belden [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (hierna te noemen: [betrokkene 2] ) naar het alarmnummer 112 met de mededeling dat zij op de A9 vanuit Amstelveen richting Haarlem een Audi A3 met kenteken [AA-00-AA] achtervolgden, omdat zij vermoedden dat de twee inzittenden van die auto van plan waren geweest om een liquidatie uit te voeren bij de woning van [betrokkene 1] gelegen aan de [a-straat 1] te Amstelveen. [betrokkene 1] gaf in de gesprekken met het alarmnummer aan dat hij voor zijn leven vreesde en dacht dat hij net als zijn broer geliquideerd zou worden.

Op 10 november 2011 omstreeks 02.28 uur werd halverwege het talud van de Rijksweg A9 ter hoogte van hectometerpaal 41.9 te Zwanenburg een zwarte Audi A3 voorzien van het kenteken [AA-00-AA] aangetroffen. In of nabij de auto werden geen inzittenden aangetroffen en de auto was ernstig beschadigd (total-loss). Uit onderzoek bleek dat de Audi was gestolen en dat de kentekenplaten vals waren. De Audi lag nabij een sloot en aan de overzijde van die sloot waren op de kant sporen zichtbaar, die erop duidden dat daar vermoedelijk personen uit de sloot waren geklommen.

Naast de Audi werd in het gras een vuurwapen, te weten een pistool van het merk Glock, type 17, aangetroffen. Dit pistool was doorgeladen en voor direct gebruik geschikt. In de kamer van het pistool bevond zich een 9 mm Luger patroon en in de patroonhouder zaten nog 12 patronen. In het portier van de Audi A3, aan de passagierskant, werden 15 patronen van kaliber 7.65 mm Browning aangetroffen. In en nabij de Audi werden verder nog de volgende voorwerpen aangetroffen: een blauw magneetzwaailicht, twee motorhelmen (één in de kofferbak van de Audi en één drijvend in de sloot parallel aan de Rijksweg A9), een zwarte muts, een afgeknipte sok en een honkbalpet.

Op 10 november 2011 omstreeks 03.22 uur meldde een inwoner uit Zwanenburg dat een zwaar gewonde man zich bij zijn woning had gemeld. De aldaar ter plaatse gekomen verbalisanten troffen een gewonde man aan, naar later bleek [verdachte] , met kletsnatte en met gras en modder besmeurde kleding en schoenen. [verdachte] heeft tijdens het onderzoek door het ambulancepersoneel tegen de politie gezegd dat hij in een auto had gezeten, die betrokken was geweest bij een ongeluk. [verdachte] heeft zich op vragen over met wie hij op 10 november 2011 in de auto zat op zijn zwijgrecht beroepen.

Verbalisanten hebben daarna een onderzoek ingesteld bij de [a-straat 1] te Amstelveen, de woning van [betrokkene 1] en zijn partner. Aldaar hebben zij gesproken met [betrokkene 3] (hierna te noemen: [betrokkene 3] ), de partner van [betrokkene 1] . [betrokkene 3] vertelde dat haar kinderen op 9 november 2011 omstreeks 19.30 uur nabij de woning een zwarte Audi hadden zien staan met daarin een man. Op 10 november 2011 om 01.00 uur had [betrokkene 3] de Audi nog steeds op de hoek zien staan. Op het moment dat zij langs de Audi was gelopen, was de auto weggereden. Omdat [betrokkene 3] de situatie niet vertrouwde heeft zij [betrokkene 1] gebeld, die met de auto onderweg was en hem geïnformeerd over de aanwezigheid van een Audi, die een ‘10’ in het kenteken had. Direct daarop is [betrokkene 1] naar Amstelveen richting de [a-straat] gereden.

Ook uit buurtonderzoek is naar voren gekomen dat verschillende buurtbewoners in de avond van 9 november 2011 een zwarte Audi A3 op de [a-straat] te Amstelveen geparkeerd hadden zien staan met daarin één of meerdere personen.

[betrokkene 1] en [betrokkene 2] hebben verklaard dat zij op weg naar de [a-straat] in Amstelveen een zwarte Audi A3 met een ‘10’ in het kenteken zagen rijden, waar ze vervolgens achteraan zijn gaan rijden. Bij het stoplicht is [betrokkene 1] naast de Audi gestopt en hebben hij en [betrokkene 2] naar binnen gekeken. De bestuurder probeerde zijn gezicht te bedekken en de passagier dook weg. Vervolgens is [betrokkene 1] achter de Audi aan de snelweg A9 opgereden. Op de snelweg doofde de Audi de lichten en reed met grote snelheid van hen weg. In de buurt van het Rottepolderplein waren [betrokkene 1] en [betrokkene 2] de Audi uit het zicht verloren.

[betrokkene 1] heeft de chauffeur van de Audi omschreven als een grote, licht getinte man met Marokkaans/Turks uiterlijk, met een bol gezicht en een stoppelbaard. De man droeg een muts en handschoenen. Volgens [betrokkene 1] was de chauffeur groter dan de passagier, maar de passagier heeft hij niet goed kunnen zien, omdat deze wegdook. [verdachte] past volgens de politie in het signalement dat [betrokkene 1] heeft gegeven van de bestuurder van de Audi.

De honkbalpet, die in de nabijheid van de gecrashte Audi A3 is aangetroffen, is aan de voorzijde van de binnenrand, een plaats waar zich biologische contactsporen van de drager(s) kunnen bevinden, bemonsterd voor DNA-onderzoek. De bemonstering is door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) onderworpen aan een DNA-onderzoek. Uit dit DNA- onderzoek is een DNA-profiel verkregen van een man, waarbij de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met dit DNA-profiel kleiner is dan één op één miljard. Dit DNA-profiel is opgenomen in de DNA-databank en is vergeleken met daarin aanwezige DNA-profielen. Daarbij is een match gevonden met het DNA-profiel van [medeverdachte 1] .

Van het bij de Audi A3 aangetroffen pistool zijn de binnenzijde van de slede en de zichtbaar geworden delen, na verwijdering daarvan, bemonsterd ten behoeve van DNA-onderzoek door het NFI. Uit dit onderzoek is een onvolledig DNA-profiel verkregen van minimaal drie personen waarvan minimaal één man, dat vergeleken is met het DNA-profiel van de honkbalpet. Het DNA-profiel dat is aangetroffen op de honkbalpet matcht met dit DNA-mengprofiel. Op grond van eerdergenoemde match tussen het DNA-profiel op de honkbalpet en het DNA-profiel van [medeverdachte 1] kan worden vastgesteld dat de binnenzijde van het pistool celmateriaal bevat dat van [medeverdachte 1] afkomstig kan zijn, vermengd met celmateriaal van minimaal twee andere personen.

Bij de doorzoeking van de woning van [medeverdachte 1] aan de [b-straat 1] te Amsterdam is een bodywarmer aangetroffen, die door het NFI is onderzocht op de aanwezigheid van glasdeeltjes. Daarbij zijn twaalf glasdeeltjes aangetroffen, die zijn onderworpen aan een vergelijkend glasonderzoek met referentieglas afkomstig van ruiten van de Audi A3. Daarbij zijn drie glasdeeltjes aangetroffen, die bleken overeen te komen met glasdeeltjes van de Audi A3 en waarvoor geldt dat de resultaten van het glasvergelijkend onderzoek zeer veel waarschijnlijker zijn wanneer deze deeltjes afkomstig zijn van de vernielde autoruiten, waartoe het referentieglas heeft behoord, dan wanneer ze afkomstig zijn van een willekeurige andere ruit of glazen voorwerp.

Tevens werd bij DNA-onderzoek door het NFI aan de binnenzijde van de kraag van genoemde bodywarmer DNA-materiaal dat matcht met het DNA-profiel van [medeverdachte 1] aangetroffen, waarbij de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met dit DNA-profiel kleiner is dan één op één miljard.

De woning van [medeverdachte 1] werd in het kader van een ander onderzoek ( Klepel ) middels een camera geobserveerd. Beelden uit dit onderzoek zijn in het onderhavige zaaksdossier gevoegd.

Uit deze camerabeelden blijkt dat [medeverdachte 1] en [verdachte] op 9 november 2011 in de avond bij de woning van [medeverdachte 1] arriveerden en dat beiden de woning na 8 minuten weer verlieten, waarbij gezien werd dat [verdachte] anders gekleed was dan toen hij de woning binnen ging, namelijk geheel in het zwart. De onder [verdachte] na zijn aanhouding in beslag genomen kleding bleek overeen te komen met diens kleding die zichtbaar is op de camerabeelden.

Uit onderschept ‘pingverkeer’ van [medeverdachte 1] volgt dat [medeverdachte 1] en [verdachte] op 9 november 2011 en de dagen daarvoor intensief ping-contact onderhielden.

Op 5 november 2011 pingden [medeverdachte 1] en [verdachte] onder meer de volgende teksten:

[medeverdachte 1] : “OT spelen, Morge otters spelen... ‘s avonds spelen we online”,

[verdachte] : “oke man ik neemoystick mee”,

[medeverdachte 1] : “Ja dodelijk gevaarlijk, Dan is het erop of eronder, daarom moeten we zus spreken”

[verdachte] : “Zus is zelf een ei”,

[medeverdachte 1] “Dit is hun taak eigenlijk, Je moet toch weten met wie je neukt, Maar ja als de tijd rijp is gebeurt het’.

Op 6 november 2011 pingden de verdachten naar elkaar:

[verdachte] : “Die joden reageren niet”,

[medeverdachte 1] : “Plan b is er. Laten we gewoon gaan dammen bouwen, Of heb je je otter pak niet aan vandaag, Hoelaat spreken we af',

[verdachte] : “rond 3?”,

[medeverdachte 1] : “Neem die fietssleutels ook mee",

[verdachte] : “die zijn thuis lummel”.

Op 7 november 2011 pingden de verdachten naar elkaar:

[medeverdachte 1] : “ik leg die sleutels en die spulletjes” en “Die G gebruik ik”.

[verdachte] : “Oke... Dus onze dikke zus is compleet. Die is rond?”

[medeverdachte 1] : “We gaan straks ff en potje vechten” en “niet 100 maar hoogstwaarschijnlijk”

[verdachte] : “Wooooow”

[medeverdachte 1] : “Diegene zei: Tsss is en makkie”

[verdachte] : “wou je de sleutels en spullen voor de deur leggen al”.

Op 8 november 2011 pingden de verdachten naar elkaar:

[medeverdachte 1] : “Die fiets van die hoer staat vandaag aan de overkant” en “Morgen vanaf de ochtend gaan we neuken oke”

[verdachte] : “Was je ff rondje maken...”

[medeverdachte 1] : “Ja” ' .

[verdachte] : “Oke haha op je fiets”

[medeverdachte 1] : “ Penozee ” en “Zus nog steeds niks zeker”

[verdachte] : “Nee nicht”

[medeverdachte 1] : “Die varkensslet bewwegt dus wel” en “Ik denk dat ze af en toe” en “Vam fiets ruilen”

[verdachte] : “Zie je zo"

Op 9 november 2011 pingden de verdachten naar elkaar:

[medeverdachte 1] : “Heb je zus gesproek”

[verdachte] : “Nee zus nog steeds geen drol..” en “Neger wel gesproken die gaat naar rotterdam vandaag dan horen we het” en “Ik ben allee met die kleine thuis man.”.

[verdachte] : “Ik leg me spullen en mezelf voor de deur neer je kan me komen halen”

[medeverdachte 1] : “Ik ga ff chekke” en “Hoelaat ben je er” en “Mocht het nodig zijn”

[verdachte] : “Kan vanaf half 6 bewegen”

[medeverdachte 1] : “Niemand thuis”

[verdachte] : Ik kom nuy” en “2 min”

Ten aanzien van de primair tenlastegelegde voorbereidingshandelingen

(…)

Overwegingen en oordeel van het hof

Op grond van vorengenoemde feiten en omstandigheden en nu door de verdediging ook niet is betwist dat [verdachte] één van de inzittenden is geweest van de gecrashte Audi A3, neemt het hof als vaststaand aan dat [verdachte] in die Audi A3 zat.

Voorts leidt het hof uit bovengenoemde feiten en omstandigheden - in onderling verband en samenhang bezien - af dat [verdachte] en [medeverdachte 1] zich in de avond van 9 november 2011 en vroege ochtend van 10 november 2011 gezamenlijk enige tijd in een gestolen Audi A3 voorzien van valse kentekenplaten hebben opgehouden in de dichte nabijheid van de woning van [betrokkene 1] . Uit de verklaring van [betrokkene 3] volgt dat zij rond 01.00 uur van de [a-straat] zijn weggereden. Korte tijd daarna werd de Audi A3 door [betrokkene 1] gezien, waarna door [betrokkene 1] een achtervolging werd ingezet. Op de A9 is de Audi A3 met zeer hoge snelheid gaan rijden, waarna een ongeluk heeft plaatsgevonden waarbij de Audi A3 van de weg is geraakt en halverwege het talud nabij een sloot is terechtgekomen.

Vastgesteld kan dan ook worden dat niet alleen [verdachte] maar ook [medeverdachte 1] in de Audi zat op het moment dat de auto verongelukte.

Nu zowel [verdachte] als [medeverdachte 1] geen verklaringen hebben willen afleggen omtrent de aard en het motief van hun aanwezigheid op de [a-straat] te Amstelveen en ook overigens niet is gebleken dat die aanwezigheid daar een legitieme reden had, dient naar het oordeel van het hof op grond van de bovengenoemde feiten en omstandigheden te worden geconcludeerd dat hun aanwezigheid aldaar niet kan worden verklaard door andere dan criminele motieven.

(…)

Het hof overweegt hieromtrent dat de vaststelling dat [verdachte] en [medeverdachte 1] kennelijk uit criminele motieven en voorzien van een gestolen, snelle auto en een geladen vuurwapen bij de woning van [betrokkene 1] aanwezig waren, op zichzelf nog niet meebrengt dat die criminele motieven waren gelegen in het om het leven brengen van [betrokkene 1] . Hoewel uit de stukken van het onderzoek Lampion 2 naar voren komt dat sprake is van mogelijk betekenisvolle contacten tussen [medeverdachte 1] en andere personen, zoals [betrokkene 4] , [betrokkene 5] en [betrokkene 6] , dat [medeverdachte 1] kennelijk verwachtte veel geld te zullen verdienen en dat op latere momenten contacten tussen [betrokkene 4] en [betrokkene 1] hebben plaatsgevonden, vormen ook deze aanwijzingen onvoldoende grond voor de conclusie dat buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld, dat [verdachte] en [medeverdachte 1] zich hebben schuldig hebben gemaakt aan de gezamenlijke voorbereiding van moord op [betrokkene 1] . Het hof neemt daarbij in aanmerking dat geen van de betrokkenen een verklaring heeft willen afleggen en dat ook [betrokkene 1] niet heeft kunnen of willen ophelderen, wie hem zou (hebben) willen liquideren en om welke reden.

Nu naar het oordeel van het hof aldus niet wettig en overtuigend kan worden bewezen hetgeen de verdachte primair is tenlastegelegd, zal het hof de verdachte hiervan vrijspreken.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft, voor het geval het hof het primair ten laste gelegde niet bewezen mocht achten, gerequireerd tot bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde overeenkomstig het oordeel van de rechtbank.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het subsidiair tenlastegelegde. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte het bij de Audi aangetroffen vuurwapen en de aangetroffen munitie - al dan niet tezamen en in vereniging met de medeverdachte [medeverdachte 1] - voorhanden heeft gehad.

Overwegingen en oordeel van het hof

Uit de feiten en omstandigheden zoals hierboven weergegeven kan worden afgeleid dat [verdachte] en [medeverdachte 1] op 9 november 2011 een gezamenlijke afspraak hadden waarover zij in de dagen daarvoor veelvuldig contact hebben gehad en waarbij werd gesproken over wie welke spullen zou meenemen. Tevens stelt het hof vast dat zij op 9 en 10 november 2011 achtereenvolgens elkaar hebben ontmoet, zij samen zijn vertrokken uit de woning van [medeverdachte 1] en dat zij zich samen op de [a-straat] te Amstelveen in een Audi A3 hebben opgehouden. Hun activiteiten gedurende deze periode kunnen niet anders worden verklaard dan te zijn ingegeven door criminele motieven.

Voorts volgt daaruit dat [verdachte] en [medeverdachte 1] beiden in de Audi A3 zaten, toen deze op de A9 verongelukte. Naast de Audi A3 werd in het gras een vuurwapen, te weten een pistool van het merk Glock, type 17, aangetroffen. Dit pistool was doorgeladen en voor direct gebruik geschikt. In de kamer van het pistool bevond zich een 9 mm Luger patroon en in de patroonhouder zaten nog 12 patronen. In het portier van de Audi A3 aan de passagierskant werden 15 patronen van kaliber 7.65 mm Browning aangetroffen. Van het bij de Audi A3 aangetroffen pistool zijn aan de binnenzijde van de slede en de zichtbaar geworden delen na verwijdering daarvan DNA-sporen aangetroffen, die door het NFI zijn onderzocht. Uit dit onderzoek volgt dat de binnenzijde van het pistool celmateriaal bevat dat van [medeverdachte 1] afkomstig kan zijn.

Deze omstandigheden duiden er onmiskenbaar op dat het vuurwapen in de Audi A3 aanwezig was ten tijde van het ongeval. In de Audi A3 lagen onder meer ook patronen zichtbaar in een portier. Zoals het hof hiervoor heeft overwogen waren [verdachte] en [medeverdachte 1] die nacht tezamen op pad en voerden zij gezamenlijk een niet geheel opgehelderd, maar evident crimineel plan uit. Op grond van alle feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien en nu niet is gebleken van enige omstandigheid die tot een ander oordeel zou kunnen leiden, is geen andere conclusie mogelijk dan dat [verdachte] en [medeverdachte 1] zich beiden bewust waren van de aanwezigheid van het vuurwapen en de munitie in de auto en dan ook over dat wapen en die munitie gezamenlijk de beschikking hadden. Aldus is tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] dan ook sprake van een nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van het voorhanden hebben van het vuurwapen en de munitie. Het hof heeft daarbij meegewogen dat de verdachte geen enkele, hem ontlastende, verklaring heeft afgelegd omtrent de aangetroffen Glock en de munitie. Het hof acht dan ook bewezen dat de verdachte tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] op 10 november 2011 de tenlastegelegde Glock en de munitie voorhanden heeft gehad”.

7. Voor een veroordeling ter zake van het voorhanden hebben van een wapen of munitie in de zin van art. 26 Wet wapens en munitie is vereist dat sprake is geweest van een meer of mindere mate van bewustheid bij de verdachte omtrent de aanwezigheid van dat wapen of die munitie.2 Uit dat uitgangspunt moet echter niet worden afgeleid dat de enkele omstandigheid dat iemand zich in gezelschap van een ander heeft bevonden en heeft gezien dat die ander een wapen voorhanden heeft, voldoende is om tot het oordeel te kunnen komen dat sprake is van een op dat voorhanden hebben gerichte, bewuste en nauwe samenwerking. Ook het korte tijd vasthouden van het wapen van een ander is daartoe onvoldoende.3 Aangenomen wordt dat een zekere beschikkingsmacht of machtsrelatie tot het wapen moet bestaan.4 In die zin kan uit de omstandigheid dat het vuurwapen is gebruikt ter uitvoering van een gezamenlijk crimineel plan, worden afgeleid dat de (mede)plegers van dat feit het gebruikte wapen gezamenlijk voorhanden hebben gehad, ook al is niet vastgesteld dat elk van de mededaders het wapen feitelijk in handen heeft gehad.5

8. In het onderhavige geval is het hof ervan uitgegaan dat de verdachte en zijn medeverdachte gezamenlijk een “evident crimineel plan” uitvoerden. Daartoe hebben zij samen afspraken gemaakt en veelvuldig contact gehad, waarbij is afgesproken wie welke spullen zou meenemen. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof uit de weergegeven ‘ping’-contacten afgeleid dat in dit verband sprake is geweest van versluierd taalgebruik. Daarbij wordt onder meer gecommuniceerd over het gebruik van “(d)ie G”. Het hof heeft voorts vastgesteld dat het in de bewezenverklaring genoemde vuurwapen van het merk Glock en de patronen ten tijde van het ongeval aanwezig zijn geweest in de auto waarin de verdachte en zijn medeverdachte hebben gereden. Daarbij waren de patronen – naar ik begrijp: ook voor de verdachte als bestuurder - zichtbaar in een portier gelegen. De desbetreffende auto was gestolen en voorzien van valse kentekenplaten. De binnenzijde van het vuurwapen bevat celmateriaal dat van de medeverdachte [medeverdachte 1] afkomstig kan zijn. Uit de bewijsmiddelen kon het hof voorts afleiden dat de verdachte en zijn medeverdachte in de avond van 9 november 2011 en de vroege ochtend van 10 november 2011 urenlang in de gestolen auto hebben gezeten. Getuigen hebben de auto met mensen erin – van wie het hof niet onbegrijpelijk heeft vastgesteld dat het ging om de verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 1] –reeds op 9 november 2011 om 18.30 uur waargenomen, terwijl de auto eerst op 10 november 2011 omstreeks 00.50/1.00 uur is weggereden (zie onder meer de bewijsmiddelen 3 en 4).

9. Uit het voorafgaande volgt dat het wapen en de patronen zich hebben bevonden in de directe nabijheid van de verdachte en dat deze in elk geval zicht had op de patronen. Ten aanzien van de in het kader van het “crimineel plan” mee te nemen voorwerpen hebben de verdachte en zijn medeverdachte afspraken gemaakt. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof – met de rechtbank – geoordeeld dat de verdachte en zijn medeverdachte erop uit waren een feit te plegen waarbij de in de auto aanwezige goederen, waaronder het doorgeladen en voor direct gebruik geschikte vuurwapen en de patronen, van betekenis konden zijn. Het hof heeft aldus in het licht van de specifieke omstandigheden van het geval uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat de verdachte zich ook in meer of mindere mate bewust is geweest van het in het in de auto aanwezige vuurwapen en – in het kader van de gezamenlijke uitvoering van het “crimineel plan”- daarover beschikkingsmacht heeft gehad. Daarbij heeft het hof in het bijzonder betekenis kunnen toekennen aan de vaststelling dat de verdachte geen enkele, hem ontlastende verklaring heeft gegeven voor het in de door hem bestuurde auto aanwezige vuurwapen en de munitie.6 In samenhang bezien met de vaststelling van het hof dat de gezamenlijke activiteiten van de verdachte en zijn medeverdachte op 9 en 10 november niet anders kunnen worden verklaard dan te zijn ingegeven door criminele motieven, kon het hof mede op basis van het uitblijven van enige de verdachte ontlastende verklaring oordelen dat sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking ten aanzien van het voorhanden hebben van het vuurwapen en de munitie, die in de door de verdachte bestuurde auto aanwezig zijn geweest.

10. Aldus heeft het hof uit de bewijsvoering kunnen afleiden dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander een vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad. Het oordeel van het hof getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de begrippen ‘voorhanden hebben’en ‘medeplegen’. Het hof heeft zijn oordeel toereikend gemotiveerd.

10. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

10. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

10. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het cassatieberoep is niet gericht tegen de vrijspraak van het primair ten laste gelegde feit.

2 HR 26 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999: ZD1169, NJ 1999/537, herhaald in HR 7 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN2370 en HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4507.

3 HR 23 november 2011, ECLI:NL:HR:2010:BN7725, NJ 2010/642.

4 Zie in die zin de conclusie van A-G Vellinga voor dat arrest onder 9, alsook die van A-G Knigge voor HR 19 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4816, NJ 2010/72 en A-G Vegter voor HR 11 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:1512 onder 10.

5 Vgl. HR 5 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA1760, NJ 2007/342 over doodslag en poging doodslag en HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:999 over afpersing (in het bijzonder de conclusie van A-G Knigge onder 7.2 en 7.3).

6 Zie over de relatie tussen de directe nabijheid van het vuurwapen en de (in meer of mindere mate) bewustheid daarvan bij de verdachte H.J.B. Sackers, wet wapens en munitie, Deventer 2012, p. 198.