Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:216

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
22-03-2016
Datum publicatie
13-04-2016
Zaaknummer
15/03441
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:626, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bewijsklachten t.a.v. een veroordeling t.z.v. aanwezig hebben van hennep en hashish. HR: art. 80a RO. Overig: CAG over belang van verdachte bij klacht dat in de cassatieprocedure de redelijke termijn is overschreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-1051
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/03441

Zitting: 22 maart 2016 (bij vervroeging)

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De Hoge Raad heeft bij uitspraak van 20 september 2011 het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 10 april 2009 vernietigd ter zake van het onder 2.3 aan verdachte tenlastegelegde en de strafoplegging, en heeft de zaak in zoverre teruggewezen. De verdachte is vervolgens bij het thans bestreden arrest van 28 februari 2014 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens 2. 2.3. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod”, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden en tot taakstraf voor de duur van 216 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 108 dagen hechtenis. Het hof heeft daarnaast de teruggave aan de verdachte gelast van inbeslaggenomen voorwerpen, zoals in het arrest is vermeld.

  2. Er bestaat samenhang met de zaken 14/02276, 14/03756 en 15/03642. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Namens de verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, twee middelen van cassatie voorgesteld.

  4. In het eerste middel wordt geklaagd over de bewezenverklaring.

4.1. Ten laste van de verdachte is onder 2. 2.3 bewezenverklaard dat:

“hij op 9 maart 2006 te Mariaheide, gemeente Veghel, opzettelijk aanwezig heeft gehad meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep (in de vorm van 4000, in elk geval een aantal, hennepplanten), zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.”

4.2. Die bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Paragraaf nr. 25.9.a (ordner delict 24 t/m 30), het relaas van de hoofdagenten van politie [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] en agent van politie [verbalisant 4] :

Op donderdag 9 maart 2006 werd het bedrijfspand aan de [c-straat 1] te Mariaheide betreden. Achter een stellage met lege dozen troffen wij verbalisanten een witte deur aan. Wij, [verbalisant 1] en [verbalisant 4] , hebben die deur opengebroken en troffen achter deze deur een tweede deur aan, gemaakt van houten platen. Achter de houten deur troffen wij een hennepkwekerij aan, verdeeld in twee ruimtes die met elkaar in verbinding stonden. Er stonden bloembakken met daarin circa 4000 hennepplanten met een hoogte van circa 12 cm. Er waren assimilatielampen, transformatoren, watertonnen en waterreservoirs. Er bevond zich in het waterreservoir een dompelpomp die in verbinding stond met de bewaringsinstallatie. Er bevond zich in deze ruimte ook een waterpomp die in verbinding stond met de watertonnen en de bewaringsinstallatie.

(blz.4) In beslag genomen zijn 4000 hennepplanten.

2. Eigen waarneming en bevinding van het hof naar aanleiding van paragraaf nr. 25.10a (ordner delict 24 t/m 30):

De fotomap van de hennepkwekerij aan de [c-straat 1] Mariaheide. Het hof ziet op deze foto’s (de toegang tot) een hennepkwekerij, waarbij vooral de foto’s 7, 8, 9 en 15 planten in potten laten zien.

3. Paragraaf nr. 25.15a (ordner delict 24 t/m 30), het relaas van hoofdagent van politie [verbalisant 1] :

Op 13 maart 2006 ontving ik uit handen van agent [verbalisant 4] een enveloppe inhoudende 5 hennepplanten. Ik zag aan de structuur, kleur en model van de plant dat die hennepplanten betroffen. Bovendien rook ik de mij bekende hennepgeur. Door mij zijn de stoffen getest met de “narco” testset. De resultaten: een positieve test op hennep.

4. Paragraaf nr. 25.3.b (ordner delict 24 t/m 30), het relaas van de hoofdagent van politie Panjoel:

Uit observaties en plaatsbepalingsgegevens bleek dat het bedrijfspand, gelegen op perceel [c-straat 1] te Mariaheide, gemeente Veghel, meerdere keren is bezocht door de verdachte [verdachte] .

Onderzoek leert dat op het adres het bedrijf [A] B.V. gevestigd was. Bestuurder/directeur van het bedrijf is [betrokkene 3] , wonende te Veghel, [c-straat 1] , is.

Plaatsbepalingsgegevens op basis van de apparatuur aangebracht in het voertuig van verdachte [verdachte] , te weten een Ford Courier met kenteken [AA-00-BB] : op de navolgende dagen werd de auto van [verdachte] op de locatie [c-straat 1] te Mariaheide gepeild: 25, 27 en 30 januari 2006, 1 (2x), 3, 6 (2x), 10, 13 en 17 februari 2006.

5. Paragraaf nr. 25.4.a (ordner delict 24 t/m 30), het relaas van de inspecteur van politie [verbalisant 5] en diverse onder nummer bekende opsporingsambtenaren:

Observatie op donderdag 29 december 2005, omstreeks 10.53: De Ford Courier [AA-00-BB] stond geparkeerd voor de toegangspoort van het bedrijf, gelegen aan de [c-straat 1] te Mariaheide. Ik (verbalisant 145) zag dat de bestuurder uitstapte en genoemde toegangspoort met een sleutel opende. Ik herkende de bestuurder als [verdachte] aan de hand van de door het rechercheteam Bosrank beschikbaar gestelde foto van [verdachte] . Op de loods, gelegen aan de [c-straat 1] te Mariaheide, stond “ […] ”. Ik (verbalisant 156) zag om 11.00 uur dat [verdachte] aan de voorzijde van de loods met opschrift “ […] ” naar buiten kwam.

6. Paragraaf nr. 25.6.a (ordner delict 24 t/m 30), het relaas van de inspecteur van politie [verbalisant 5] en diverse onder nummer bekende opsporingsambtenaren:

Observatie op dinsdag 10 januari 2006 omstreeks 10.33 uur: ik (verbalisant 160) zag dat de bedrijfsauto van het merk Ford, type Courier, met het kenteken [AA-00-BB] stond geparkeerd op het terrein behorende bij de [c-straat 1] te Mariaheide. Ik (verbalisant 162) zag dat [verdachte] uit het bedrijfspand aan dat adres kwam gekomen en in de Ford Courier stapte.

7. Paragraaf nr. 25.13.a (ordner delict 24 t/m 30), het relaas van hoofdagent van politie [verbalisant 3] , inzake de verklaring van [betrokkene 3] , afgelegd op 9 maart 2006:

Ik ben directeur van [A] . Ik woon op het adres [c-straat 1] te Mariaheide, gemeente Veghel. Het pand van mijn bedrijf huur ik van mijn moeder, die de directeur is van [B] B.V. Op de eerste verdieping is één ruimte die verhuurd wordt door mijn moeder. Ik ben het laatste jaar niet meer in die ruimte geweest. Ik weet dat mijn moeder die ruimte sinds 1 juli 2004 heeft verhuurd aan ene [betrokkene 4] .

8. Paragraaf nr. 25.14a (ordner delict 24 t/m 30), een schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid sub 5e, van het Wetboek van Strafvordering:

De huurovereenkomst kantoorruimte waaruit blijkt dat [B] B.V., vertegenwoordigd door [betrokkene 5] , met ingang van 17 mei 2004 een deel van de bovenverdieping van de bedrijfsruimte aan de [c-straat 1] te Mariaheide verhuurt aan [betrokkene 4] .

9. Paragraaf nr. 25.20.a (ordner delict 24 t/m 30), het relaas van brigadier van politie [verbalisant 6] , inzake de verklaring van [betrokkene 3] , afgelegd op 30 maart 2006:

Naar aanleiding van het aantreffen van een hennepkwekerij op het adres [c-straat 1] te Mariaheide heb ik al een verklaring afgelegd op 9 maart 2006. Ik heb begrepen dat u naar aanleiding daarvan vragen hebt. Ik wil een verklaring afleggen. Mijn roepnaam is [betrokkene 3] .

Als u mij vraagt of ik ene [verdachte] ken, kan ik u verklaren dat ik wel ene [verdachte] ken, ik weet alleen niet of hij [verdachte] heet. [verdachte] is ongeveer 40-45 jaar oud, getraind figuur, hij reed in een witte bestelauto van het type Volkswagen Caddy of Opel Combo of Ford Courier. Als u mij vraagt hoe vaak ik [verdachte] daar gezien heb, kan ik u verklaren dat dit ongeveer 10-15 keer geweest zal zijn. Wel zag ik vaker die witte bestelauto staan, maar ik weet niet of hij er dan ook was.

U toont mij een fotomap. De persoon op foto nummer 4 heb ik enkele keren gezien in het pand. De persoon op foto nummer 8 herken ik als [verdachte] waarover ik sprak.

U confronteert mij met een sms-bericht onder sessienummer 184. Ik heb die sms verstuurd aan [verdachte] omdat de gemeente op die dag met werkzaamheden in de straat bezig was. De gemeente had aangegeven dat de stroom er tussen kerst en oud en nieuw een keer af zou gaan. Ik heb dit aan [verdachte] doorgegeven en hij verzocht mij hem op de hoogte te houden als de stroom eraf zou moeten. Ik heb met [verdachte] over achterstallige huurbetaling gesproken.

U confronteert me met een telefoongesprek met sessienummer 574 op 24 januari 2006 tussen [verdachte] en mezelf. Ik kan me dit gesprek goed herinneren. Het ging over brandlucht boven. [verdachte] vertelde dat hij iemand zou regelen en toen is de man geweest die ik herken op fotonummer 4 uit de fotomap.

10. Paragraaf nr. 25.21.a (ordner delict 24 t/m 30), het relaas van brigadier van politie [verbalisant 8] en hoofdagent van politie [verbalisant 7] :

Op 30 maart 2006 werd [betrokkene 3] gehoord. Tijdens dat verhoor werd hem een fotomap getoond. Op foto nummer 4 staat [betrokkene 6] . Op foto nummer 8 staat [verdachte] .

11. Paragraaf nr. 25.5.a (ordner delict 24 t/m 30) een schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid sub 5e van het Wetboek van Strafvordering:

Gespreksgegevens 23 december 2005, 08.44 uur, tenaamstelling [A] , onderwerp: 184 sms stroom eraf.

Inhoud: stroom gaat er van af op 27 december van 8 tot 14 uur. Aanwezig zijn is niet nodig. Hoeven niet binnen te zijn. Prettige feestdagen.

12. Paragraaf nr. 25.7.a (ordner delict 24 t/m 30) een schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid sub 5e, van het Wetboek van Strafvordering:

Gespreksgegevens 24 januari 2006, 12.00 uur, tenaamstelling [A] , onderwerp: 574 brand lucht.

Inhoud: [verdachte] belt in bij NN man ( [betrokkene 3] ). NN man zegt dat hij een brandlucht ruikt bij jullie daar boven. Een hele lichte brandlucht. NN man vraagt of hij nog moet komen. [verdachte] zegt dat hij iemand gaat regelen en indien dit niet lukt hij zelf komt.

13. Paragraaf nr. 25.7.a (ordner delict 24 t/m 30) een schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid sub 5e, van het Wetboek van Strafvordering:

Gespreksgegevens 24 januari 2006, 12.01 uur, tenaamstelling [betrokkene 6] , beller [verdachte] , onderwerp: 575 brandlucht.

Inhoud: [verdachte] belt in bij [betrokkene 6] en vraagt of hij klaar is. [betrokkene 6] geeft aan dat hij klaar is. [verdachte] vraagt of hij waar zij die pomp gemaakt hebben naar toe kan rijden omdat hij daar naar brandlucht stinkt. [betrokkene 6] gaat er naar toe.

14. Paragraaf nr. 25.7.a (ordner delict 24 t/m 30) een schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid sub 5e, van het Wetboek van Strafvordering:

Gespreksgegevens 24 januari 2006, 12.16 uur, tenaamstelling [betrokkene 6] , beller [verdachte] , onderwerp: 576 ben je er al.

Inhoud: [verdachte] belt in bij [betrokkene 6] . [betrokkene 6] geeft aan dat hij nu bij de Mercedes garage is. [verdachte] zegt dat indien er iets is hij alles uit moet zetten.

15. Paragraaf nr. 25.7.a (ordner delict 24 t/m 30) een schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid sub 5e, van het Wetboek van Strafvordering:

Gespreksgegevens 24 januari 2006, 12.28 uur, tenaamstelling [betrokkene 6] , onderwerp: 577 sms alles oké.

Inhoud: alles ok.

16. Paragraaf nr. 1.28a (ordner delict 1), het relaas van hoofdagent van politie [verbalisant 9] en brigadier van politie [verbalisant 10], inzake de verklaring van [betrokkene 7] . afgelegd op 15 maart 2006:

U vertelt mij dat er op 15 december (het hof begrijpt: 2005) wederom een gesprek is opgenomen tussen [verdachte] en mij. In dat gesprek gaat het over een pomp die drooggelopen is. U vertelt mij dat op 19 december 2005 [verdachte] wederom contact heeft gelegd met mij via de telefoon. Het gesprek ging over de drooggelopen pomp. Ik begrijp van u dat op 16 december 2005 ik contact heb gelegd met [verdachte] met mijn gsm. In dit gesprek heb ik tegen [verdachte] gezegd dat er een pomp kapot was, dat die telkens aan en uit ging.

17. Het proces-verbaal van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank ’s-Hertogenbosch.

Op; 13 september 2006 heb ik rechter-commissaris gehoord [betrokkene 6] uit Lieshout, die verklaarde:

(1e blz.)

Mr. Boone houdt mij voor dat ik bij de politie heb verklaard dat de hennepkwekerij die is aangetroffen op de [d-straat 1] in Lieshout, dat dat mijn verantwoordelijkheid was. Mr. Boone vraagt of het klopt dat de kwekerij die op de [d-straat 1] is aangetroffen van mij was. Ja.

(2e blz.)

De raadsvrouwe (het hof begrijpt: mr. Harlequin) vraagt mij nog eens wat ik precies te verklaren heb over wat is aangetroffen in de ruimte in de achtertuin in de [d-straat 1] , of het klopt dat het mijn eigendom is. Ja, dat klopt. Ik had zelf alleen de sleutel die toegang gaf tot die ruimte. Ik heb voor die zaak straf gekregen. Mr. Harlequin vraagt mij nog eens aan te geven wat er in de teeltruimte achter de [d-straat 1] is aangetroffen. Het klopt dat ik die zelf heb gebouwd. De raadsvrouwe houdt mij voor dat ik die kwekerij heb opgezet en dat ik de kennis heb opgedaan via internet. Ik ben helemaal alleen op internet gaan zitten.

(3e blz.)

Ze hebben mij gepakt voordat ik geoogst had. Ik ken [verdachte] . Ik kom wel eens op de koffie. De kwekerij was van mezelf.

18. De verklaring van verdachte ter terechtzitting van het hof op 22 mei 2013, voorzover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

U, voorzitter, houdt mij voor dat het onder 2.3 ten laste gelegde ziet op een hennepkwekerij in het jaar 2006. Ik ben wel op het adres [c-straat 1] in Mariaheide geweest. Dat kan, dat dat in de ten laste gelegde periode was.

De Ford Courier, kenteken [AA-00-BB] is mijn auto en ik reed daarin.

[verdachte] is mijn naam.”

4.3. Het hof heeft voorts het volgende overwogen naar aanleiding van de door de verdediging bepleite integrale vrijspraak van het onder 2. 2.3 tenlastegelegde:

“Anders dan de advocaat-generaal, is het hof met de verdediging van oordeel dat op grond van de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld dat verdachte tezamen en in vereniging met één of meer anderen de ter plaatse aanwezige hennepplanten heeft geteeld dan wel aanwezig heeft gehad. Echter, het hof is van oordeel dat op grond van die bewijsmiddelen wel wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte op 9 maart 2006 de toen en aldaar aangetroffen 4000 hennepplanten alleen aanwezig heeft gehad. Daarbij heeft het hof, op basis van het procesdossier, de volgende feiten en omstandigheden vastgesteld.

Op 9 maart 2006 zijn in een bedrijfspand in Mariaheide aan de [c-straat 1] ca. 4000 hennepplanten aangetroffen (par. 25.9.A en 25.10.A). Uit observaties en plaatsbepalingsgegevens over de periode van 29 december 2005 en 17 februari 2006 (par. 25.3.B) is gebleken dat verdachte verschillende keren op het desbetreffende perceel is geweest. Zo is op 29 december 2005 waargenomen dat verdachte beschikte over een sleutel om het hek van het terrein van dat pand te openen. Tevens is die dag waargenomen dat verdachte alleen was en ook alleen de loods is ingegaan.

Op het adres [c-straat 1] te Mariaheide was tevens het bedrijf [A] B.V. gevestigd, waarvan [betrokkene 3] directeur is (par. 25.13.A). [betrokkene 3] heeft op 9 maart 2006 bij de politie verklaard dat hij aldaar woont en werkt, en dat hij een deel van het pand heeft gehuurd van de vennootschap van zijn moeder, [B] B.V. Een ander deel van hetzelfde pand, op de eerste verdieping, is door zijn moeder aan een ander verhuurd (paf. 25.14.A). [betrokkene 3] heeft voorts verklaard in die ruimte het laatste jaar niet meer te zijn geweest.

[betrokkene 3] heeft op 30 maart 2006 verklaard verdachte ongeveer 10 tot 15 keer bij het bedrijfspand te hebben gezien (par. 25.20.A). Tevens heeft hij een keer met verdachte gebeld over een brandlucht ter plaatse. Verdachte heeft toen gezegd dat hij iemand zou regelen; en vervolgens is er ook iemand - naar later blijkt [betrokkene 6] - geweest die er naar heeft gekeken. Deze verklaring van [betrokkene 3] vindt bevestiging in de opgenomen telefoongesprekken, waaruit blijkt dat [betrokkene 3] op 24 januari 2006 om 12.00 uur heeft gebeld met verdachte en het heeft over een brandlucht “bij jullie daar boven.” Verdachte zegt dat hij iemand gaat regelen en indien dit niet lukt hij zelf komt. Vervolgens heeft verdachte om 12.01 uur naar [betrokkene 6] gebeld met de vraag of hij ergens naar toe kon rijden, daar waar zij die pomp hebben gemaakt, omdat het daar naar een brandlucht stinkt. [betrokkene 6] gaat er naar toe. Op 24 januari 2006 om 12.16 uur belt verdachte wederom met [betrokkene 6] en zegt dat indien er iets is, hij (het hof begrijpt: [betrokkene 6] ), alles uit moet zetten. [betrokkene 6] heeft om 12.28 uur een sms-bericht naar verdachte verzonden met de tekst: “Alles ok”. Uit de verklaring van [betrokkene 3] volgt dat [betrokkene 6] toen ook is geweest.

Uit de verklaring van [betrokkene 6] bij de rechter-commissaris op 13 september 2006 blijkt dat [betrokkene 6] kennis heeft van de (op)bouw van een hennepkwekerij . Hij heeft namelijk zelf een eigen kwekerij gebouwd. Hij kent verdachte.

Ook heeft [betrokkene 3] verdachte een sms-bericht verstuurd en wel met de mededeling dat de stroom er op 27 december 2005 van 8:00 tot 14:00 uur af zou gaan in het pand. [betrokkene 3] heeft hierover verklaard dat verdachte hem had verzocht om hem op de hoogte te houden indien de stroom er af zou moeten, aangezien de gemeente had aangegeven dat dit een keer zou gebeuren tussen Kerst en Oud & Nieuw (par. 25.20.A).

De getuige [betrokkene 7] heeft tijdens zijn verhoor op 15 maart 2006 verklaard over een kapotte pomp, welke telkens aan en uit ging (par. 1.28.A). [betrokkene 7] en verdachte hebben hierover via de GSM contact gehad. In de kwekerij op de [c-straat 1] te Mariaheide zijn een waterpomp en een dompelpomp aangetroffen, terwijl een niet aan een hennepkwekerij gerelateerde pomp niet in het onderzoek is aangetroffen. Hierbij zij opgemerkt dat verdachte op 24 januari 2006 aan [betrokkene 6] heeft gevraagd te rijden naar waar zij die pomp hebben gemaakt.

Uit het voorgaande leidt het hof af dat verdachte zelf over een sleutel van de loods aan de [c-straat 1] in Mariaheide beschikte, alwaar een kwekerij met 4000 hennepplanten is aangetroffen, dat verdachte regelmatig ter plaatse is gezien door [betrokkene 3] die daar zijn bedrijfspand had en daar woonde, dat verdachte aan [betrokkene 6] , die als ter zake kundig met betrekking tot de (op)bouw van een hennepkwekerij heeft te gelden, opdracht verstrekte in geval van verdenking van brand ter plaatse en aan [betrokkene 3] in verband met mogelijke stroomuitval, en dat verdachte met [betrokkene 7] contact had over een kapotte pomp. Het hof overweegt daarbij dat voor een in werking zijnde hennepkwekerij stroom nodig is. Hennepplanten hebben licht en warmte nodig en moeten op gezette tijden van vocht worden voorzien. Tevens is stroom nodig voor de ventilatie van een kweekruimte. Pompen zijn een noodzakelijk hulpmiddel bij het proces. De afwezigheid van stroom, maar ook een niet-functionerende pomp, kan derhalve grote gevolgen hebben voor de oogst van hennep.

Hieruit volgt naar het oordeel van het hof dat verdachte zeggenschap had over het pand en de in het pand aangetroffen 4000 hennepplanten in zijn machtssfeer aanwezig heeft gehad en daarvoor ook verantwoordelijk was. Dat verdachte zijn schoondochter naar haar werk op het desbetreffende adres heeft gebracht, zoals door de verdediging is aangevoerd, doet niet aan bovenstaande omstandigheden en verdachtes betrokkenheid bij de opzettelijke aanwezigheid van hennepplanten af. Het verweer wordt derhalve verworpen.”

4.4. In de toelichting op het middel wordt ten eerste erover geklaagd dat niet, althans niet zonder meer, uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen dat de hennep is aangetroffen in de door de verdachte gehuurde ruimte op de eerste verdieping van de bedrijfsruimte aan de [c-straat 1] te Mariahout. Die klacht is op zichzelf terecht voorgesteld. Het als bewijsmiddel 1 gebezigde relaas van de hoofdagenten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] met betrekking tot de op 9 maart 2006 in genoemd pand aangetroffen hennepkwekerij houdt niet in waar in het bedrijfspand die hennepkwekerij precies is aangetroffen en ook de overige gebezigde bewijsmiddelen houden daaromtrent niets is. Dat is wel van belang nu uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat getuige [betrokkene 3] ook een deel van die bedrijfsruimte in gebruik had voor zijn onderneming en de gebezigde bewijsmiddelen en de bewijsoverweging dus niet uitsluiten dat de hennep is aangetroffen in dat door [betrokkene 3] gebruikte deel van het pand. Dat maakt dat de bewezenverklaring ten laste van de verdachte van het opzettelijk aanwezig hebben van die hennep niet zonder meer begrijpelijk of voldoende is gemotiveerd. Tot cassatie behoeft dat echter niet te leiden. De rechtbank heeft ook een deel van het hiervoor genoemde relaas van [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] tot bewijs gebezigd en uit dat door de rechtbank gebezigde deel kan wel volgen wel dat de hennep in een ruimte op de eerste verdieping is aangetroffen. De aanvulling verkort vonnis van de rechtbank vermeldt namelijk als dat tot bewijs gebezigde deel van het genoemd relaas en voor zover hier van belang dat de verbalisanten op 9 maart 2006 genoemd pand hebben betreden en op de bovenverdieping zich de toegang tot een ruimte hebben verschaft waar zij een groot aantal vuilniszakken aantroffen met voedingsbodems voor kennelijk hennepplanten en dat zij vervolgens in een ruimte achter een stellage en een deur de hennepkwekerij hebben aangetroffen. Nu het hof net als de rechtbank bewezen heeft geacht dat de verdachte (en niet genoemde [betrokkene 3] ) de aangetroffen hennep aanwezig heeft gehad, heeft het hof kennelijk bij vergissing dat deel van genoemd relaas niet tot bewijs gebezigd. Gelet daarop en nu het hof na een terug- of verwijzing die vergissing eenvoudig zal kunnen corrigeren door bedoeld deel van het relaas alsnog op te nemen in de bewijsmiddelen, zie ik niet welk belang de verdachte heeft bij vernietiging van het bestreden arrest naar aanleiding van deze klacht. De klacht behoeft daarom mijns inziens niet tot cassatie te leiden.

4.5. Daarnaast wordt geklaagd over de tot bewijs gebezigde verklaring van getuige [betrokkene 7] . Er wordt op gewezen dat die getuige heeft verklaard niet bekend te zijn geweest met (de hennepkwekerij in) het genoemde bedrijfspand hetgeen zou maken dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed. Kennelijk is bedoeld te klagen dat [betrokkene 7] tot bewijs gebezigde verklaring met betrekking tot een drooggelopen pomp waarover hij het zou hebben gehad met de verdachte, niet redengevend is voor de onderhavige bewezenverklaring nu die ziet op een hennepkwekerij waar die getuige niet mee bekend was. Het hof heeft naar aanleiding van die verklaring van [betrokkene 7] overwogen dat in de kwekerij op de [c-straat 1] te Mariaheide een waterpomp en een dompelpomp zijn aangetroffen terwijl een niet aan een hennepkwekerij gerelateerde pomp niet in het onderzoek is aangetroffen, en dat verdachte op 24 januari 2006 aan [betrokkene 6] heeft gevraagd te rijden naar waar zij (kennelijk eerder) die pomp hebben gemaakt. Daarmee heeft het hof kennelijk als zijn niet onbegrijpelijke oordeel tot uitdrukking willen brengen dat het niet anders kan zijn dan dat [betrokkene 7] verklaring betrekking heeft op een pomp in het pand aan de [c-straat 1] te Mariaheide en dat het [betrokkene 7] verklaring dat hij niet bekend was met een hennepkwekerij op dat adres, als niet geloofwaardig ter zijde schuift. Voor een verdere toetsing van die aan de feitenrechter voorbehouden waardering van het bewijsmateriaal is in cassatie geen plaats zodat ook deze klacht faalt.

4.6. Voor zover tenslotte wordt geklaagd over het oordeel van het hof dat de verdachte beschikte over de sleutel van de loods, stuit het eveneens af op de aan de feitenrechter voorbehouden waardering van het bewijsmateriaal. Het hof heeft kennelijk uit het feit dat is gezien dat de verdachte een aantal keren op het desbetreffende perceel is geweest, dat hij over een sleutel beschikte om het hek van het terrein van het pand te openen, en dat hij (alleen) de loods binnen is gegaan, afgeleid en ook kunnen afleiden dat de verdachte niet alleen een sleutel had van het hek maar ook van die loods aan de [c-straat 1] te Mariaheide.

5. Het middel faalt klaarblijkelijk in al zijn onderdelen en kan met toepassing van art. 80a RO worden afgedaan.

6. In het tweede middel wordt geklaagd dat in de cassatieprocedure de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden. Volgens vaste rechtspraak heeft de verdachte bij een dergelijk middel onvoldoende belang, als dit het enige middel is of als de andere middelen met toepassing van art. 80a RO kunnen worden afgedaan.1

6.1. In het middel wordt op deze rechtspraak ingegaan en wordt in de eerste plaats de stelling betrokken dat aan de verdachte niet kan worden tegengeworpen dat hij zelf de hand heeft gehad in de schending van de redelijke termijn, nu deze schending niet te wijten is aan de proceshouding van de verdachte, maar aan de late inzending van het dossier door het hof. De raadsman is immers pas in staat te bezien of het indienen van middelen zinvol is, nadat deze stukken hem zijn toegezonden. De schending van de redelijke termijn is veroorzaakt doordat tussen het instellen van het cassatieberoep op 5 maart 2014 en de ontvangst van de stukken door de Hoge Raad op 22 juli 2015 meer dan acht maanden is verlopen en daaraan moeten volgens de steller van het middel gelet op het structurele karakter van dergelijke schendingen consequenties worden verbonden.

6.2. In het overzichtsarrest over de toepassing van art. 80a RO van 10 september 2012 heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:

“2.2.4. Aandacht verdient in dit verband het in de memorie van toelichting op p. 19 genoemde voorbeeld dat een cassatieberoep voortaan met art. 80a RO kan worden afgedaan indien dat enkel ertoe strekt te klagen dat als gevolg van het instellen van het cassatieberoep na de bestreden uitspraak de redelijke termijn in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. In zo een geval, waarin de betrokkene kennelijk geen (cassatie)klachten heeft over de bestreden uitspraak noch over de behandeling van de zaak door de feitenrechter, en hij tot op zekere hoogte zelf ervoor heeft gekozen door het instellen, althans het niet-intrekken van het cassatieberoep langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging te moeten leven [onderstreping AG], is een beroep op schending van genoemde verdragsbepaling geen klacht die voldoende belang bij het cassatieberoep tot uitdrukking brengt. Van een verzuim dat invloed heeft gehad op de bestreden beslissing, is hier immers geen sprake. Dit is niet anders indien naast het middel betreffende de redelijke termijn slechts middelen zijn voorgesteld die aan toepassing van art. 80a RO niet in de weg staan.”

6.3. Kennelijk doelt de steller van het middel op de door mij onderstreepte passage van de hierboven aangehaalde overweging van de Hoge Raad en bedoelt hij te betogen dat pas op het moment dat de verdachte de beschikking krijgt over het uitgewerkte arrest en de uitgewerkte processen-verbaal van het hof die aan de Hoge Raad worden toegezonden, beoordeeld kan worden of er cassatieklachten zijn. De tijd die intussen verstreken is, kan niet aan de proceshouding van de verdachte worden geweten. Daarom heeft de verdachte, althans zo begrijp ik de klacht, zelfstandig belang bij het middel voor zover de redelijke termijn is geschonden door de periode die tussen de uitspraak van het hof en het moment dat het hof de stukken aan de Hoge Raad inzendt, ligt en de daardoor ontstane vertraging in de behandeling van de zaak door de Hoge Raad. Met andere woorden: is deze periode te lang, zoals in casu langer dan 8 maanden, dan kan niet gesteld worden dat klager geen belang heeft bij een vaststelling dat de redelijke termijn in zijn zaak is geschonden en zou het cassatieberoep niet op de voet van art. 80a RO niet-ontvankelijk mogen worden verklaard. Dit geldt volgens de steller van het middel temeer, nu naast de schending van de redelijke termijn, nog een andere klacht naar voren is gebracht over de inhoud van het arrest van het hof.

6.4. Ik kan deze redenering volgen voor zover daarin betoogd wordt dat voor de beoordeling of er cassatieklachten kunnen worden ingebracht tegen een arrest van een hof, van dit arrest een uitgewerkte versie beschikbaar moet zijn, zeker als het gaat om de bewijsmotivering zoals in de onderhavige zaak. De periode die gemoeid is met de inzending van een uitgewerkt arrest naar de Hoge Raad kan wat dat betreft moeilijk op het conto van de verdachte worden geschoven in die zin, dat de verdachte terwijl deze kennelijk geen cassatieklachten heeft, er zelf voor heeft gekozen door het instellen van cassatie langer dan redelijk onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging te leven.

6.5. De vraag is echter of een overschrijding van de inzendtermijn op zichzelf tot een schending van de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM zou moeten leiden. Want dat is in feite hetgeen in het middel wordt betoogd. Ik meen van niet en wel op twee gronden.

6.6. In de eerste plaats is het ook vaste rechtspraak dat een overschrijding van de inzendtermijn kan worden gecompenseerd door een voortvarende afdoening van het cassatieberoep.2 Daaruit kan worden afgeleid dat een overschrijding van de inzendtermijn op zichzelf nog geen schending van de redelijke termijn hoeft op te leveren als wat betreft de totale duur van de behandeling in cassatie niet kan worden gesproken van een overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM. Het ligt naar mijn mening op de weg van de raadsman in cassatie zijn cliënt te adviseren het cassatieberoep in te trekken als hij – na ontvangst van de stukken – moet concluderen dat er geen middelen kunnen worden geformuleerd die enige kans van slagen hebben. Ook het intrekken van het cassatieberoep maakt een einde aan de onzekerheid van de verdachte over de afloop van de vervolging en bekort daarmee de termijn van de totale duur van de behandeling in cassatie. Wil de verdachte desalniettemin het cassatieberoep voortzetten, dan wordt hem die mogelijkheid niet ontnomen. Blijkt het cassatieberoep inderdaad evident kansloos, dan is de duur die met de vaststelling hiervan gemoeid voor de rekening van de verdachte, zou ik zeggen. Dan doet zich de situatie voor dat de verdachte tot op zekere hoogte zelf ervoor heeft gekozen door het niet-intrekken van het cassatieberoep langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging te moeten leven.

6.7. Het tweede argument dat een overschrijding van de inzendtermijn nog niet tot een schending van art. 6 EVRM hoeft te leiden kan worden gevonden in de zaak Çelik tegen Nederland.3 In deze zaak werd bij het EHRM geklaagd over het feit dat een cassatieberoep wegens schending van de redelijke termijn in de cassatiefase vanwege te late inzending van de stukken door het hof door de Hoge Raad niet ontvankelijk was verklaard op grond van art. 80a RO. In cassatie was uitsluitend een middel ingediend dat betrekking had op de schending van de redelijke termijn en werd niet (inhoudelijk) geklaagd over het arrest van het hof. Het EHRM oordeelde in deze zaak dat de klager door deze gang van zaken geen wezenlijk nadeel in de zin van art. 35 lid 3 onder b EVRM had geleden.

6.8. Art. 35 lid 3 onder b EVRM luidt:

“Het Hof verklaart elk individueel verzoekschrift, ingediend op grond van artikel 34, niet ontvankelijk, wanneer het van oordeel is dat:

a[…]

b. de verzoeker geen wezenlijk nadeel heeft geleden, tenzij de eerbiediging van de in het Verdrag en de Protocollen daarbij omschreven rechten van de mens noopt tot onderzoek van het verzoekschrift naar de gegrondheid ervan en mits op deze grond geen zaken worden afgewezen die niet naar behoren zijn behandeld door een nationaal gerecht.”

c.[…]”

6.9. Uit deze bepaling kan worden afgeleid dat ook als een verdachte geen wezenlijk nadeel heeft geleden in de tegen hem aanhangige nationale procedure, bij wijze van uitzondering op de hoofdregel een klacht over een beweerde schending van het EVRM ontvankelijk zal zijn, als blijkt dat een dergelijke klacht niet voldoende inhoudelijk is behandeld door een nationale rechter.

6.10. In de Çelik-zaak overweegt het EHRM echter ten overvloede:

“40. As a more general point, the Court would add that, when examining whether the “significant disadvantage” admissibility criterion has been satisfied in cases where the applicant alleges a violation of the Convention by the last-instance judicial authority of the domestic legal system, it may dispense with the requirement laid down in Article 35 § 3 (b) of the Convention whereby no case may be rejected on that ground unless it has been “duly considered by a domestic tribunal”. To construe the contrary would prevent the Court from rejecting any claim, however insignificant, relating to alleged violations imputable to a final national instance. Such an approach would be neither appropriate nor consistent with the object and purpose of Article 35 § 3 (b) of the Convention (see Galović v. Croatia (dec.), no. 54388/09, § 77, 5 March 2013).”

6.11. Uit deze overweging blijkt dat de uitzondering die in art. 35 lid 3 onder b EVRM wordt geformuleerd – namelijk dat een klacht ondanks het ontbreken van een wezenlijk nadeel toch ontvankelijk moet worden verklaard als deze niet afdoende inhoudelijk is beoordeeld door een nationale rechter – niet hoeft te worden toegepast als de beweerde schending is ontstaan bij de hoogste rechterlijke instantie, in casu in de cassatieprocedure. Daarmee heeft het EHRM de 80a-afdoening door de Hoge Raad impliciet4 gesauveerd als het gaat om de schending van de redelijke termijn in de cassatiefase in een zaak waarin het cassatieberoep inhoudelijk evident kansloos is.

7. Het standpunt is dan ook dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het cassatieberoep op de voet van artikel 80a RO omdat het eerste middel klaarblijkelijk niet tot cassatie kan leiden en de verdachte bij het tweede middel onvoldoende belang heeft.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0132, NJ 2013/244 m.nt. F.W. Bleichrodt.

2 Zie bijvoorbeeld HR 8 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7903.

3 EHRM 27 augustus 2013, Çelik tegen Nederland, nr. 12810/13 (niet-ontvankelijkheidsbeslissing), waaraan ook in de cassatieschriftuur wordt gerefereerd.

4 Een hierop gebaseerde klacht zal immers door het EHRM wegens het ontbreken van belang niet ontvankelijk worden verklaard.