Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:215

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
16-02-2016
Datum publicatie
13-04-2016
Zaaknummer
15/01215
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:624, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Profijtontneming. 1. Betekeningsperikelen. 2. Verstekverlening, afschrift oproeping, art. 588a en 590.3 Sv. 3. Verstekverlening, vertaling oproeping, art. 588.2 Sv . Ad 1 en 2: de middelen falen op de gronden vermeld in de CAG. Ad 3: Betrokkene heeft geen belang bij de klacht dat niet blijkt dat ex art. 588.2 Sv aan betrokkene een vertaling in de Bulgaarse taal van de oproeping in h.b. is toegezonden. Nu de oproeping onbestelbaar retour is gekomen is het belang van betrokkene bij de klacht niet evident. Ook indien de oproeping wel was voorzien van de o.g.v. art. 588.2 Sv vereiste vertaling in de Bulgaarse taal, zou deze betrokkene immers niet hebben bereikt. In gevallen waarin het belang bij de klacht niet evident is, mag van de verdediging in redelijkheid worden verlangd dat zij in de cassatieschriftuur een toelichting geeft m.b.t. dat belang. Nu zo een toelichting ontbreekt, is het middel tevergeefs voorgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2016/118 met annotatie van mr. J.W. Soeteman
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/01215 P

Zitting: 16 februari 2016

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[betrokkene]

1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij uitspraak van 6 september 2013 de betrokkene bij verstek met toepassing van art. 416, tweede lid, Sv, in verbinding met art. 511g, tweede lid, Sv, niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen de beslissing van de politierechter in de Rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 20 maart 2013, waarbij de betrokkene op tegenspraak de verplichting is opgelegd tot betaling van een bedrag van € 12.386,04 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

2. Deze zaak hangt samen met de strafzaak tegen de betrokkene (nr. 15/01212), waarin ik vandaag eveneens concludeer.

3. Namens de betrokkene is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte de “dagvaarding in hoger beroep”1 niet nietig heeft verklaard, aangezien uit de stukken van het geding niet blijkt dat is getracht de oproeping in hoger beroep uit te reiken op het verblijfadres van de betrokkene ( [c-straat 1] in Utrecht ), terwijl de betrokkene op de terechtzitting in eerste aanleg te kennen had gegeven op dat adres woonachtig te zijn.

5. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

(i) Op 31 januari 2012 is de betrokkene door de politie verhoord. In de aanhef van het proces-verbaal van het verhoor staat als adres van de betrokkene [a-straat 1] in Utrecht vermeld. Uit het verhoor blijkt niet dat de betrokkene toen nog een ander adres heeft opgegeven.

(ii) Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 20 maart 2013 vermeldt als adresgegevens van de betrokkene “zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland, thans verblijvende bij zijn vader te [c-straat 1] , [...] te Utrecht ”. De politierechter in de Rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, heeft bij op tegenspraak gewezen beslissing van 20 maart 2013 aan de betrokkene een betalingsverplichting opgelegd.2 De beslissing van de politierechter en de aanvulling bewijsmiddelen vermelden als adresgegevens van de betrokkene eveneens “zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland, thans verblijvende (bij zijn vader) te [c-straat 1] , [...] te Utrecht ”.

(iii) De raadsvrouwe van de betrokkene (mr. Hilhorst, advocaat te Utrecht) heeft door middel van een faxbericht van 27 maart 2013 een schriftelijke bijzondere volmacht zoals bedoeld in art. 450, eerste lid, aanhef en onder a, en derde lid, Sv, verleend om namens de betrokkene hoger beroep in te stellen tegen de beslissing van de politierechter. Deze volmacht houdt in dat een afschrift van de oproeping in hoger beroep kan worden toegezonden naar het kantooradres van de raadsvrouwe. Vervolgens is op diezelfde datum de “akte rechtsmiddel” opgemaakt, waaraan een uitdraai van de bijzondere volmacht is gehecht. De appelakte vermeldt als adres van de betrokkene: [a-straat 1] in Utrecht .

(iv) Een akte van uitreiking, gehecht aan de oproeping van de betrokkene in hoger beroep om te verschijnen op de terechtzitting van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 6 september 2013, houdt in dat de oproeping in hoger beroep op 1 juli 2013 is uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank Oost-Nederland, omdat van de betrokkene geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was. Voorts vermeldt deze akte van uitreiking dat op 1 juli 2013 een afschrift van de oproeping in hoger beroep is verzonden naar het adres van de betrokkene in Bulgarije ( [b-straat 1] in Plovdiv ).3 Daarnaast houdt een handgeschreven aantekening op de oproeping in hoger beroep in dat op 1 juli 2013 een afschrift van die oproeping is verzonden naar mr. Hilhorst.

(v) Een tweede akte van uitreiking, gehecht aan de oproeping in hoger beroep, vermeldt dat die oproeping op 4 juli 2013 tevergeefs is aangeboden op het adres [a-straat 1] in Utrecht en vervolgens - na niet te zijn afgehaald op het postkantoor - op 18 juli 2013 is uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank Oost-Nederland.4 Voorts is op 18 juli 2013 een afschrift van de oproeping in hoger beroep verzonden naar dit adres.5

(vi) De aan de oproeping in hoger beroep gehechte ID-staten SKDB betreffende de betrokkene van 1 juli 2013 en 21 augustus 2013 houden in dat de betrokkene niet was gedetineerd, dat hij sinds 10 mei 2012 in de GBA stond ingeschreven op het adres [b-straat 1] in Plovdiv (Bulgarije), dat hij vanaf 2 december 2009 tot 10 mei 2012 in de GBA stond ingeschreven op het adres [a-straat 1] in Utrecht en dat hij vanaf 18 juni 2009 tot 2 december 2009 in de GBA stond ingeschreven op het adres [d-straat 1] in Utrecht .

(vii) Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 september 2013 blijkt dat de betrokkene niet op die terechtzitting is verschenen maar dat op de terechtzitting wel aanwezig was mr. F. Visser, advocaat te Utrecht,6 die heeft verklaard niet uitdrukkelijk door de betrokkene te zijn gemachtigd om de verdediging te voeren. Het hof heeft verstek verleend tegen de niet verschenen betrokkene. Het proces-verbaal vermeldt geen adres van de betrokkene (“zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande”).

(viii) Bij uitspraak van 6 september 2013 heeft het hof de betrokkene op de voet van art. 416, tweede lid, Sv, in verbinding met art. 511g, tweede lid, Sv, niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep. Het hof heeft daartoe overwogen dat de betrokkene niet binnen veertien dagen na het instellen van het hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, heeft ingediend, de betrokkene evenmin ter terechtzitting in hoger beroep mondeling bezwaren tegen de beslissing van de politierechter heeft opgegeven en het hof ambtshalve geen redenen ziet voor een inhoudelijke behandeling van de zaak. Ook de uitspraak van het hof vermeldt geen adres van de betrokkene.

(ix) De cassatie-akte vermeldt als adres van de betrokkene: [a-straat 1] in Utrecht .

6. Indien op grond van het daartoe ingestelde onderzoek als vaststaand kan worden aangenomen dat de betrokkene niet in Nederland is gedetineerd, de betrokkene niet in Nederland als ingezetene is ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens7 en van hem evenmin een feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is maar wel een adres in het buitenland, geschiedt de betekening van de oproeping in hoger beroep ingevolge art. 588, tweede lid, Sv door toezending van die oproeping door het openbaar ministerie hetzij rechtstreeks aan het adres van de betrokkene in het buitenland, hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie. Door die toezending is de oproeping in hoger beroep rechtsgeldig betekend. Als datum waarop die betekening heeft plaatsgevonden, geldt de datum van de verzending van de oproeping in hoger beroep, waarvan aantekening dient te geschieden in de akte van uitreiking. De enkele omstandigheid dat de oproeping in hoger beroep daarnaast ook is uitgereikt aan de griffier, brengt niet mee dat de betekening nietig is.8

7. In geval van rechtstreekse toezending van de oproeping in hoger beroep aan het adres van de betrokkene in het buitenland geldt dat die toezending in de regel kan geschieden als gewone brief over de post. Dit is alleen anders indien een door Nederland aangegane verdragsverplichting jegens de staat waarheen de oproeping in hoger beroep moet worden verstuurd, zich daartegen verzet.9Indien het adres van de betrokkene in het buitenland een adres in een lidstaat van de Europese Unie, zoals in het onderhavige geval Bulgarije10, betreft, kan de rechtstreekse toezending van de oproeping in hoger beroep aan de betrokkene ingevolge art. 5, eerste lid, van de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie, gesloten te Brussel op 29 mei 2000 (Trb. 2000, 96; hierna ook EU-Rechtshulpovereenkomst) als gewone brief geschieden.11

8. Ten aanzien van de onbekendheid van een feitelijke woon- of verblijfplaats van de betrokkene in Nederland dient nog het volgende te worden voorop gesteld. Deze onbekendheid kan niet worden aangenomen indien niet is getracht de uitreiking van de oproeping in hoger beroep te doen plaatsvinden op een uit de stukken van het geding blijkend - voor de hand liggend en niet door een latere opgave achterhaald - adres dat redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van de betrokkene zou kunnen gelden. Daarbij kan worden gedacht aan het adres dat de betrokkene bij het instellen van het hoger beroep heeft opgegeven en - indien hij daarbij geen woon- of verblijfplaats heeft opgegeven - het adres dat hij bij de betekening van de uitspraak in eerste aanleg dan wel op de terechtzitting in eerste aanleg heeft opgegeven.12

9. De oproeping in hoger beroep is op 1 juli 2013 uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank Oost-Nederland en vervolgens op diezelfde datum als gewone brief verzonden naar het adres van de betrokkene in Bulgarije ( [b-straat 1] in Plovdiv ). Daarbij is voldaan aan de zogenoemde VIP-controle. Daarbij komt dat nadien (op 4 juli 2013) tevergeefs is getracht de oproeping in hoger beroep uit te reiken aan het in de appelakte vermelde adres van de betrokkene ( [a-straat 1] in Utrecht ). Gelet hierop geeft het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van het hof dat de oproeping in hoger beroep rechtsgeldig is betekend, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk.

10. Anders dan de steller van het middel aanvoert, doet aan de rechtsgeldigheid van de betekening van de oproeping in hoger beroep niet af dat niet is getracht de oproeping uit te reiken op het adres dat de betrokkene op de terechtzitting in eerste aanleg heeft opgegeven.

11. In de bestreden uitspraak ligt als het oordeel van het hof besloten dat het adres dat de betrokkene op de terechtzitting in eerste aanleg heeft opgegeven ( [c-straat 1] in Utrecht ), niet (meer) behoefde te worden aangemerkt als een uit de stukken blijkend adres dat redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van de betrokkene in Nederland zou kunnen gelden, omdat het door de latere opgave van een ander adres in de appelakte was achterhaald. Dit oordeel geeft in het licht van hetgeen hiervoor onder 8 is voorop gesteld geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is gelet op het navolgende niet onbegrijpelijk. Zoals gezegd, is tevergeefs getracht de oproeping in hoger beroep uit te reiken aan het in de appelakte vermelde adres van de betrokkene ( [a-straat 1] in Utrecht ). Dit adres komt overeen met het adres dat de betrokkene bij zijn verhoor door de politie heeft opgegeven (op dat moment ook zijn GBA-adres). Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat de vermelding in de appelakte van het adres [a-straat 1] in Utrecht is gegrond op een opgave van de feitelijke woon- of verblijfplaats van de zijde van de verdediging bij gelegenheid van het instellen van het hoger beroep. Die uitleg getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.13

12. De omstandigheid dat het adres [a-straat 1] in Utrecht een oud GBA-adres van de betrokkene betrof, doet daaraan niet af. In HR 15 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2436, NJ 2010/359 had de raadsman namens de verdachte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis in eerste aanleg. In de appelakte was een oud GBA-adres van de verdachte in De Meern opgenomen, terwijl de verdachte tijdens de terechtzitting in eerste aanleg een ander woonadres (in Putten) had opgegeven. Tussen de terechtzitting in eerste aanleg en de betekening van de dagvaarding in hoger beroep was de verdachte niet in de GBA ingeschreven. Mijn ambtgenoot Knigge was in zijn conclusie voorafgaand aan dit arrest (ECLI:NL:PHR:2010:BM2436, onder 9) van mening dat het hof de mogelijkheid dat het adres automatisch op de akte was geprint, omdat dit nog in de administratie van de griffie was opgenomen en de raadsman deze onjuistheid kennelijk niet was opgevallen, niet zonder meer had mogen uitsluiten. De Hoge Raad ging daarin niet mee. Het kennelijke oordeel van het hof dat het eerder opgegeven adres in Putten was achterhaald door de opgave van de raadsman van de verdachte bij het instellen van het hoger beroep getuigde volgens de Hoge Raad niet van een onjuiste rechtsopvatting en was niet onbegrijpelijk. Ik meen dat deze lijn in de onderhavige zaak kan worden doorgetrokken. De beide zaken hebben met elkaar gemeen dat uit de stukken niet blijkt hoe de vermelding van het adres in de appelakte tot stand is gekomen. In de onderhavige zaak geldt daarbij wel als bijzonderheid dat zich bij de stukken een schriftelijke bijzondere volmacht van de raadsvrouwe van de betrokkene bevindt om namens de betrokkene hoger beroep in te stellen. Daarin is geen adres vermeld. Het hoger beroep is bovendien ingesteld door een ambtenaar van de griffie van de rechtbank, die daartoe was gevolmachtigd door de raadsvrouwe van de betrokkene. Deze verschillen lijken mij niet doorslaggevend. In beide zaken biedt het dossier geen uitsluitsel over de vraag of (nader) contact heeft plaatsgevonden tussen de raadsman/raadsvrouwe en de griffie over het adres dat in de appelakte is vermeld. Voor beide gevallen geldt dat de wettelijke regeling tot uitgangspunt neemt dat contact plaatsvindt over het adres waaraan de appeldagvaarding/oproeping in hoger beroep (in Nederland) kan worden toegezonden (art. 451, eerste lid, en art. 450, derde lid, Sv). Aldus heeft het hof kunnen aannemen dat het eerder op de terechtzitting in eerste aanleg opgegeven adres door de latere opgave in de appelakte is achterhaald. Daarbij merk ik ten overvloede op dat het adres [a-straat 1] te Utrecht ook in de cassatieakte staat vermeld, terwijl deze akte namens de betrokkene door een advocaat is ondertekend.

13. Het middel faalt.

14. Het tweede middel bevat de klacht dat het aanwezigheidsrecht van de betrokkene in hoger beroep is geschonden, aangezien in strijd met art. 588a Sv geen afschrift van de oproeping in hoger beroep is verzonden naar het door de betrokkene op de terechtzitting in eerste aanleg opgegeven adres.

15. Indien door of namens de betrokkene bij het instellen van hoger beroep in de appelakte een ander adres is opgegeven dan dat waarop hij op dat moment stond ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en de oproeping in hoger beroep weliswaar volgens de wettelijke voorschriften aan de betrokkene is betekend, maar deze hem niet tevens aan dat in de appelakte vermelde adres is toegezonden, kan het hof niet op de enkele grond dat de betrokkene niet op de terechtzitting in hoger beroep is verschenen aannemen dat deze van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht vrijwillig afstand heeft gedaan. Om te kunnen aannemen dat de betrokkene vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht, is in dat geval vereist dat een afschrift van de oproeping in hoger beroep is toegezonden aan het in de appelakte vermelde adres van de betrokkene. Dit laatste geldt evenwel niet indien als vaststaand kan worden aangenomen dat het eerder opgegeven adres achterhaald is.14

16. Een aantal in de rechtspraak van de Hoge Raad geformuleerde regels (waaronder de hiervoor onder 14 genoemde regel) met betrekking tot de verzending van een afschrift van de dagvaarding aan een ander voorhanden adres van de betrokkene is bij wet van 23 maart 2005, Stb. 2005, 175 met ingang van 1 november 2005 (Stb. 2005, 293) gecodificeerd in art. 588a Sv en art. 590, derde lid, Sv.

17. Indien door of namens de betrokkene bij het instellen van een rechtsmiddel een ander adres in Nederland is opgegeven dan dat waarop hij is ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, dient ingevolge art. 588a, eerste lid, aanhef en onder c, Sv een afschrift van de oproeping in hoger beroep aan dat adres te worden toegezonden. Deze verzendplicht geldt op grond van art. 588a, eerste lid, aanhef en onder b, Sv ook indien de betrokkene bij het begin van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg een adres in Nederland heeft opgegeven waaraan mededelingen over de ontnemingszaak kunnen worden toegezonden. Ingevolge art. 588a, derde lid, aanhef en onder b, Sv kan deze verzending achterwege worden gelaten indien de betrokkene, nadat hij het adres heeft opgegeven, uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dit adres niet te willen handhaven. Art. 590, derde lid, Sv bepaalt dat het hof als niet aan de verzendplicht ingevolge art. 588a Sv is voldaan, de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting dient te bevelen, tenzij blijkt dat de betrokkene van de dag van de terechtzitting in hoger beroep op de hoogte was, dan wel blijkt dat de betrokkene kennelijk geen prijs stelt op berechting in zijn tegenwoordigheid.

18. De memorie van toelichting15 bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de invoering van art. 588a Sv houdt ten aanzien van voornoemde uitzondering op de verzendplicht het volgende in:

“Ingeval de verdachte bij een van de drie in het eerste lid omschreven gelegenheden een ander adres heeft opgegeven, zijn er drie gevallen waarin (ingevolge het derde lid) toch geen afschrift van de dagvaarding naar dat adres behoeft te worden gezonden:

(…)

– De verdachte heeft bijvoorbeeld aan de politie of ter zitting in eerste aanleg een ander adres opgegeven, maar geeft bij de volgende gelegenheid uitdrukkelijk te kennen dit adres niet te willen handhaven. De adresopgave bij de laatste, meest recente gelegenheid is bepalend voor de vraag of het OM nog een afschrift van de dagvaarding naar een ander adres dan het betekeningsadres moet sturen. Als de betrokkene te kennen geeft een eerdere adresopgave in te trekken – en niet een nieuwe opgave doet –, behoeft het OM uiteraard niet nog een brief naar het eerder opgegeven adres te sturen. De formulering van deze uitzondering is aangescherpt naar aanleiding van een opmerking van de NOvA in haar advies.”

19. De betrokkene heeft zelf hoger beroep doen instellen, nadat hij in eerste aanleg samen met zijn raadsvrouwe op de terechtzitting was verschenen. De betrokkene was dus op de hoogte van de tegen hem (in hoger beroep) lopende ontnemingsprocedure. Bij de bespreking van het eerste middel is geconcludeerd dat de oproeping in hoger beroep rechtsgeldig is betekend. Op de terechtzitting in hoger beroep is de betrokkene zelf niet verschenen, terwijl slechts een niet gemachtigde raadsman is verschenen. Uit de stukken van het geding blijkt niet dat de betrokkene zich in hoger beroep tot een raadsman heeft gewend. Bovendien is een afschrift van de oproeping in hoger beroep verzonden naar het in de appelakte vermelde adres van de betrokkene. Ten slotte houden de stukken van het geding niet in dat in hoger beroep door of namens de betrokkene aan het openbaar ministerie dan wel aan het hof, afgezien van het in de appelakte vermelde adres, een (ander) adres is medegedeeld met het oog op de betekening van gerechtelijke mededelingen.

20. In de bestreden uitspraak ligt als het oordeel van het hof besloten dat het op de terechtzitting in eerste aanleg door de betrokkene opgegeven adres niet behoefde te worden aangemerkt als de opgave van een adres in de zin van art. 588a, eerste lid, aanhef en onder b, Sv waaraan mededelingen over de ontnemingszaak konden worden toegezonden. Het hof heeft de opgave van de betrokkene in eerste aanleg dat hij “thans tijdelijk” verbleef bij zijn vader kennelijk en niet onbegrijpelijk niet uitgelegd als een opgave van een adres waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden, zoals bedoeld in art. 588a, eerste lid, aanhef en onder b, Sv. Zelfs als dat anders is, kan het op de terechtzitting in eerste aanleg door de betrokkene opgegeven adres worden aangemerkt als een opgegeven adres dat is achterhaald door de latere opgave van het (andere) adres in de appelakte. De toezending van een afschrift van de oproeping in hoger beroep aan dit adres kon aldus overeenkomstig art. 588a, eerste lid, aanhef en onder b, Sv op grond van art. 588a, derde lid, Sv achterwege blijven.

21. Het middel faalt.

22. Het derde middel behelst de klacht dat het hof de behandeling van de zaak ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, niet heeft aangehouden, aangezien niet blijkt dat aan de betrokkene een vertaling in de Bulgaarse taal van de oproeping in hoger beroep is toegezonden.

23. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

(i) Uit de aan de oproeping in hoger beroep gehechte ID-staten SKDB betreffende de betrokkene blijkt dat de betrokkene in Bulgarije is geboren, dat hij de Bulgaarse nationaliteit heeft en dat hij in de GBA stond ingeschreven op een adres in Bulgarije.

(ii) Zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 20 maart 2013, heeft het onderzoek in aanwezigheid van de betrokkene plaatsgevonden met bijstand van een tolk in de Bulgaarse taal, aangezien de betrokkene de Nederlandse taal niet (voldoende) beheerst. Hetgeen ter terechtzitting is gesproken of voorgelezen is door de tolk vertaald.

(iii) Bij brief van 19 augustus 2013 heeft de advocaat-generaal bij het hof een tolk in de Bulgaarse taal opgeroepen om te verschijnen op de zitting van het hof van 6 september 2013 teneinde ten behoeve van de betrokkene als tolk Bulgaars op te treden.

(iv) Uit de stukken van het geding blijkt niet dat een vertaling van de oproeping in hoger beroep in de Bulgaarse taal naar de betrokkene is verzonden.

(v) Op de terechtzitting in hoger beroep van 6 september 2013 is de betrokkene niet verschenen. Op die terechtzitting is slechts een niet gemachtigde raadsman verschenen.

(vi) Naar aanleiding van schriftelijke verzoeken van de raadsman van de betrokkene in cassatie, gericht aan de rolraadsheer van de Hoge Raad, van 30 april 2015 en 11 mei 2015, heeft een medewerker van de strafgriffie van de Hoge Raad bij brief van 12 mei 2015 aan de raadsman bericht dat een vertaling van de oproeping van de betrokkene in hoger beroep niet in het dossier is aangetroffen. Bij brief van diezelfde datum heeft de medewerker van de strafgriffie van de Hoge Raad het desbetreffende stuk opgevraagd bij het hof.

(vii) In reactie op laatstgenoemd verzoek heeft de griffier van het hof bij brief van 1 juni 2015, gericht aan de desbetreffende medewerker van de strafgriffie van de Hoge Raad, medegedeeld dat een vertaling van de oproeping in hoger beroep niet in het bezit is van het hof en derhalve niet (meer) kan worden verstrekt.

(viii) Voorts heeft de voorzitter van het hof, eveneens in reactie op voornoemd verzoek, bij e-mailbericht van 24 juli 2015, gericht aan de medewerker van de strafgriffie van de Hoge Raad, bericht dat het opgevraagde stuk niet in het ongerede is geraakt maar dat het stuk er ongetwijfeld nooit is geweest, aangezien 260, vijfde lid, Sv, in verbinding met art. 412, tweede lid, Sv, ten tijde van de berechting in hoger beroep nog niet in werking was getreden.

24. Ingevolge art. 260, vijfde lid, Sv, dat ingevolge art. 412, derde lid, Sv, in verbinding met art. 511g, tweede lid, Sv, ook in hoger beroep in ontnemingszaken van toepassing is, dient aan de betrokkene die de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, onverwijld een schriftelijke vertaling van de oproeping in hoger beroep te worden verstrekt, dan wel dient aan hem in een voor hem begrijpelijke taal schriftelijk (onder meer) mededeling te worden gedaan van de plaats, de datum en het tijdstip waarop de betrokkene ter terechtzitting moet verschijnen alsmede van een korte omschrijving van het feit.16 Art. 260, vijfde lid, Sv is ingevoerd bij de wet van 28 februari 2013, Stb. 2013, 85, tot implementatie van richtlijn nr. 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures (PbEU L 280). Deze wet is in werking getreden op 1 oktober 2013 (Stb. 2013, 268). Aangezien de terechtzitting in hoger beroep in de onderhavige ontnemingszaak voordien, te weten op 6 september 2013, heeft plaatsgevonden, is art. 260, vijfde lid, Sv hier (nog) niet van toepassing.17

25. Te dezen zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:

- Art. 588, tweede lid, Sv luidt als volgt:

"De uitreiking aan de geadresseerde van wie de woon- of verblijfplaats in het buitenland bekend is, geschiedt door toezending van de mededeling door het openbaar ministerie, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie en, voor zover een verdrag van toepassing is, met inachtneming van dat verdrag. Dagvaardingen worden vertaald in de taal of een van de talen van het land waar de geadresseerde verblijft dan wel, voor zover aannemelijk is dat hij slechts een andere taal machtig is, in die taal. Met betrekking tot andere gerechtelijke mededelingen kan volstaan worden met een vertaling van de essentiële onderdelen daarvan. Indien de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie bericht dat de mededeling aan de geadresseerde is uitgereikt, geldt deze uitreiking als betekening in persoon, zonder dat hiervan nog uit een afzonderlijke akte behoeft te blijken."

- Art. 5, derde en vierde lid, van de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie, gesloten te Brussel op 29 mei 2000 (Trb. 2000, 96; hierna EU-Rechtshulpovereenkomst)18 luidt als volgt:

“3. Wanneer aannemelijk is dat de geadresseerde de taal waarin het gerechtelijk stuk is gesteld niet beheerst, dient dit - althans de essentie ervan - te worden vertaald in de taal of één der talen van de lidstaat op het grondgebied waarvan de geadresseerde verblijft. Indien de autoriteit waarvan het gerechtelijk stuk uitgaat, weet dat de geadresseerde slechts een andere taal machtig is, dient het stuk - althans de essentie ervan - te worden vertaald in die andere taal.

4. Bij alle gerechtelijke stukken wordt de mededeling gevoegd dat de geadresseerde bij de autoriteit waarvan het stuk uitgaat of bij andere autoriteiten in die lidstaat inlichtingen kan inwinnen over zijn rechten en plichten met betrekking tot het stuk. Lid 3 is van toepassing op die mededeling.”

26. Bij de beoordeling van het middel dient voorts het volgende te worden voorop gesteld. Indien de oproeping in hoger beroep van de betrokkene, wiens adres in het buitenland bekend is, rechtsgeldig is betekend en noch de betrokkene noch zijn (gemachtigde) raadsman op de terechtzitting in hoger beroep is verschenen, kan het hof - behoudens duidelijke aanwijzingen van het tegendeel - uitgaan van het vermoeden dat de betrokkene vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. Wanneer aan de stukken of het verhandelde ter terechtzitting duidelijke aanwijzingen kunnen worden ontleend dat de betrokkene niet vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, behoort het onderzoek ter terechtzitting - dat op grond van een oproeping die op wettige wijze is betekend, rechtsgeldig is aangevangen - te worden geschorst teneinde de betrokkene in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek aanwezig te zijn. Die schorsing behoort in de regel plaats te vinden ingeval het adres van de betrokkene in het buitenland bekend is en blijkt dat bij de toezending van de oproeping in hoger beroep aan de betrokkene de ter zake geldende verdragsverplichtingen betreffende de taal waarin die oproeping moet zijn gesteld niet zijn nageleefd. In dat geval dient het onderzoek ter terechtzitting te worden geschorst opdat het desbetreffende verzuim wordt hersteld. Niet-naleving van de verdragsverplichtingen betreffende de taal waarin de oproeping in hoger beroep moet zijn gesteld, leidt niet tot nietigheid van die oproeping.19

27. Tot de hiervoor onder 26 bedoelde verdragsverplichtingen betreffende de taal waarin de oproeping in hoger beroep moet zijn gesteld behoort de verplichting (de essentie van) het toegezonden gerechtelijk stuk te vertalen in de taal of één der talen van de lidstaat op het grondgebied waarvan de geadresseerde verblijft, zoals bedoeld in art. 5, derde lid, EU-Rechtshulpovereenkomst. In het onderhavige geval betekent dit dat (de essentie van) de oproeping in hoger beroep in de Bulgaarse taal naar de betrokkene moet worden toegezonden.

28. Hoewel de betrokkene, die de Bulgaarse nationaliteit heeft, bij de politie zonder tolk is verhoord, kan uit de hiervoor onder 24 weergegeven stukken van het geding worden afgeleid dat de betrokkene de Nederlandse taal niet (voldoende) beheerst. Ter terechtzitting in eerste aanleg is de betrokkene immers bijgestaan door een tolk in de Bulgaarse taal, omdat hij de Nederlandse taal niet (voldoende) beheerst. Ook voor de terechtzitting in hoger beroep was een tolk in de Bulgaarse taal opgeroepen. Voorts blijkt uit de stukken niet dat aan de betrokkene een vertaling in de Bulgaarse taal van (de essentie van) het afschrift van de oproeping in hoger beroep is toegezonden. Het moet er dus voor worden gehouden dat dit in strijd met art. 588, tweede lid, Sv, in verbinding met art. 5, derde en vierde lid, EU-Rechtshulpovereenkomst, achterwege is gebleven.

29. Het hof, dat rekening behoorde te houden met de waarschijnlijkheid dat de betrokkene gebruik wilde maken van zijn recht ter terechtzitting in hoger beroep aanwezig te zijn, had in beginsel het onderzoek ter terechtzitting dienen te schorsen teneinde alsnog de bedoelde vertaling aan de betrokkene te doen toezenden, tenzij het hof aannemelijk had bevonden dat de betrokkene niet de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen had genomen om te voorkomen dat de inhoud van de oproeping in hoger beroep niet te zijner kennis zou komen. Van een zodanig onderzoek heeft het hof ten onrechte niet doen blijken. Bij dit onderzoek moet het hof alle omstandigheden van het geval betrekken, zoals de bekendheid van de buitenlandse betrokkene met de instantie waarbij hij inlichtingen kan inwinnen over zijn rechten en verplichtingen met betrekking tot het hoger beroep, eerdere correspondentie of zijn bijstand door een (Nederlandse) advocaat.20

30. Het middel slaagt.

31. Het derde middel slaagt. Het eerste en het tweede middel falen. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

32. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Bedoeld is kennelijk de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep. Ingevolge art. 511g, tweede lid, aanhef en onder a, Sv wordt een ontnemingszaak in hoger beroep aanhangig gemaakt door een oproeping van de advocaat-generaal, die aan de betrokkene wordt betekend.

2 Op de terechtzitting in eerste aanleg zijn zowel de betrokkene als zijn raadsvrouwe verschenen.

3 Deze oproeping is op 5 augustus 2013 retour gekomen bij het Ressortsparket Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem.

4 Op de akte van uitreiking is het “verkeerde hokje” aangevinkt. De reden voor de uitreiking van de oproeping in hoger beroep aan de griffier was gelegen in het feit dat van de betrokkene geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was.

5 Deze oproeping is op 23 juli 2013 retour gekomen bij het Ressortsparket Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, met de mededeling “woont hier niet, afzender retour, niet meer versturen!, kijk in de gba”.

6 Een kantoorgenoot van mr. Hilhorst.

7 Sinds 6 januari 2014 is de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) vervangen door de basisregistratie personen (BRP). Zie de wet van 10 juli 2013 houdende aanpassing van wetten aan de Wet basisregistratie personen (Aanpassingswet basisregistratie personen) (Stb. 2013, 316) in verbinding met het besluit van 28 november 2013 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet basisregistratie personen en het Besluit basisregistratie personen (Stb. 2013, 494). Vgl. HR 17 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3323, NJ 2016/19 m.nt. Schalken rov. 2.2.

8 Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317 m.nt. Schalken, rov. 3.19.

9 Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317 m.nt. Schalken, rov. 3.21.

10 Bulgarije is op 1 januari 2007 toegetreden tot de Europese Unie.

11 Bulgarije heeft de EU-Rechtshulpovereenkomst op 8 november 2007 geratificeerd, waarna de overeenkomst op 1 december 2007 in werking is getreden voor Bulgarije. Vgl. ten aanzien van een adres in Roemenië HR 16 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2774, rov. 2.3 (ten overvloede per aangetekende brief) en ten aanzien van een adres in België HR 28 augustus 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4491, rov. 2.4

12 Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317 m.nt. Schalken, rov. 3.23 en 3.24 onder b.

13 Vgl. HR 3 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3216, rov. 2.4 HR 15 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:919, rov. 2.3.2 en HR 15 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2436, NJ 2010/359, rov. 2.4.

14 Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317 m.nt. Schalken, rov. 3.38.

15 Zie Kamerstukken II 2004-2005, 29 805, nr. 3, p. 23 (Stb. 2005, 175).

16 Voor de toepassing van art. 260, vijfde lid, Sv is, anders dan voor de toepassing van art. 588, tweede lid, Sv, niet van belang of de betrokkene een adres in het buitenland heeft opgegeven.

17 Vgl. voor een zaak waarin art. 260, vijfde lid, Sv wel van toepassing was: HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:136.

18 Zoals bij de bespreking van het eerste middel reeds is opgemerkt, heeft Bulgarije de EU-Rechtshulpovereenkomst op 8 november 2007 geratificeerd, waarna de overeenkomst op 1 december 2007 in werking is getreden.

19 Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317 m.nt. Schalken, rov. 3.20 onder d, 3.33 en 3.34 onder c.

20 Zie HR 14 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8758, NJ 2012/188, rov. 2.5 (geen Engelse vertaling). Vgl. voorts HR 16 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2774, rov. 2 (geen Roemeense vertaling).