Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:214

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
22-03-2016
Datum publicatie
13-04-2016
Zaaknummer
14/02276
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:625, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bewijsklachten t.a.v. een veroordeling t.z.v. aanwezig hebben van hennep en hashish. HR: art. 80a RO. Overig: CAG over belang van verdachte bij klacht dat in de cassatieprocedure de redelijke termijn is overschreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/02276

Zitting: 22 maart 2016 (bij vervroeging)

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De Hoge Raad heeft bij uitspraak van 20 september 2011 het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 10 april 2009 vernietigd ter zake van het onder 1, 2 en 3 aan verdachte tenlastegelegde feiten en de strafoplegging en heeft de zaak in zoverre teruggewezen. De verdachte is vervolgens bij het thans bestreden arrest van 28 februari 2014 door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens onder meer feit 2, “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot 27 maanden gevangenisstraf. Het hof heeft daarnaast een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor 1 jaar opgelegd en onttrekking aan het verkeer en teruggave en bewaring van inbeslaggenomen voorwerpen gelast, zoals in het arrest vermeld.

  2. Er bestaat samenhang met de zaken 14/03756, 15/03441 en 15/03642. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Namens de verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, twee middelen van cassatie voorgesteld.

  4. In het eerste middel wordt geklaagd over het onder 2 bewezenverklaarde aanwezig hebben van een hoeveelheid hennep en hashish.

4.1. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:

“hij op na te noemen tijdstippen en in na te noemen plaatsen tezamen en in vereniging met een ander, (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad:

- 2.13. op 7 maart 2006 te Mariahout, gemeente Laarbeek, 121,5 kilogram hennep en

- 2.14: op 7 maart 2006 te Helmond hennep (in de vorm van 26 kilogram henneptoppen en 2035 hennepstekken) en 401 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hashish) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hennep en hashish middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.”

4.2. Het hof heeft ten aanzien van die bewezenverklaring, op basis van de gebezigde bewijsmiddelen, het volgende overwogen:

Ten aanzien van feit 2.2.13

Op 7 maart 2006 is bij de woning van verdachte 121,5 kilogram hennep aangetroffen. Het hof is van oordeel dat deze hennep zich in de machtssfeer van verdachte en zijn levenspartner, medeverdachte [betrokkene 1], heeft bevonden en overweegt daartoe het volgende.

In een grote ondergrondse ruimte in één van de bijgebouwen bij de woning op het perceel [a-straat 1] in Mariahout, alwaar verdachte en [betrokkene 1] wonen, zijn dertien grote tassen met gedroogde henneptoppen met een totaal gewicht van 121,5 kg aangetroffen. Deze ruimte was speciaal ingericht ten behoeve van de verwerking van hennepplanten en hennep. Het aangetroffen materiaal is ook positief getest op hennep.

Het hof is van oordeel dat de aangetroffen hennep van een dergelijk hoge waarde en grote fysieke omvang was, dat het niet anders kan zijn dan dat deze hennep door of met wetenschap en instemming/toestemming van verdachte en [betrokkene 1], de eigenaren van de woning, daar is geplaatst en aanwezig was. Het hof overweegt daarbij nog dat de verbouwing van de woning, waaronder begrepen de ondergrondse ruimte waar de hennep is aangetroffen, is uitgevoerd in opdracht van verdachte en [betrokkene 1].

Het hiervoor overwogene maakt naar het oordeel van het hof dat verdachte de 121,5 kg hennep tezamen en in vereniging met [betrokkene 1] opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Ten aanzien van feit 2.2.14

Verdachte en medeverdachte [betrokkene 2] zijn via rechtspersonen eigenaren van de growshop aan de [b-straat 1] in Helmond. Bij de inval op 7 maart 2006 in die growshop is een aanzienlijke hoeveelheid hennep en hashish aangetroffen. Anders dan de verdediging, is het hof van oordeel dat verdachte die aangetroffen hennep en hashish tezamen en in vereniging met [betrokkene 2] opzettelijk aanwezig heeft gehad. Het hof neemt daarbij de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking.

De omvangrijke hoeveelheid hennep en hashish is aangetroffen in een ruimte die bij de growshop in gebruik was. Verdachte en zijn medeverdachte [betrokkene 2] hadden als eigenaren van de growshop toegang tot die ruimte. Dat zij ook vaak in de growshop aanwezig waren volgt uit het verhoor van [betrokkene 2] bij de politie d.d. 7 maart 2006. [betrokkene 2] heeft toen immers verklaard dat hij zelf zes dagen per week werkzaam was in het bedrijf en dat verdachte daar meestal ook aanwezig was. Uit de verklaring van [betrokkene 3] d.d. 15 maart 2006 (13.49 uur) blijkt dat hij de indruk had dat verdachte het in de growshop voor het zeggen had. In dat kader heeft medeverdachte [medeverdachte] in zijn verhoor van 9 maart 2006 verklaard dat hij door [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) is aangenomen in de growshop.

Voorts stelt het hof vast dat er vóór 7 maart 2006 al twee keer eerder een inval in de growshop had plaatsgevonden, waarbij hennep is aangetroffen. Verdachte had, evenals [betrokkene 2], wetenschap van die eerdere invallen en de herhaalde aanwezigheid van hennep. Dit brengt naar het oordeel van het hof mee dat verdachte en [betrokkene 2] extra waakzaamheid hadden moeten betrachten.

De omvangrijke hoeveelheid aangetroffen hennep in de growshop van verdachte en medeverdachte [betrokkene 2], de omstandigheid dat zij als eigenaren vaak ([betrokkene 2] zes dagen per week en verdachte meestal) in de growshop aanwezig waren, dat verdachte het daar voor het zeggen had en dat zij beiden toegang hadden tot de ruimte alwaar de hennep is aangetroffen, alsmede de omstandigheid dat zij extra waakzaam hadden moeten zijn op de aanwezigheid van hennep in de growshop na twee eerdere invallen c.q. inbeslagnames, maakt dat verdachte en zijn medeverdachte bekend moeten zijn geweest met de aanwezige hennep en daarover ook zeggenschap hadden. Naar het oordeel van het hof kan het dan ook niet anders dan dat verdachte en [betrokkene 2] de in de growshop aangetroffen hennep in hun machtssfeer aanwezig hebben gehad.

(…)

Conclusie

Het hof verwerpt het verweer van de verdediging en acht het onder 2.2.13 en 2. 2.14 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.”

4.3. Ten aanzien van de te Mariahout aangetroffen hennep wordt in het middel gesteld dat niet, althans niet zonder meer, uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte ook daadwerkelijk in de desbetreffende woning op perceel [a-straat 1] in Mariahout verbleef. De gebezigde bewijsmiddelen houden dat inderdaad niet expliciet in. Daaruit blijkt echter wel dat de verdachte de desbetreffende woning in eigendom had (bewijsmiddel 1), dat hij op dat adres samenwonend is met medeverdachte [betrokkene 1] (bewijsmiddel 1), dat bedoelde woning op 7 maart 2006 werd betreden onder meer ter aanhouding van de verdachte (bewijsmiddel 2) en dat er aan de verdachte en medeverdachte [betrokkene 1] gestuurde facturen zijn aangetroffen met betrekking tot een verbouwing van de woning op het adres [a-straat 1] te Mariahout (bewijsmiddel 11). Gelet daarop en nu in hoger beroep niet is betwist dat de verdachte in die woning verbleef, heeft het hof uit gebezigde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bekeken kunnen afleiden dat verdachte daadwerkelijk in die woning verbleef. Deze klacht faalt.

4.4. Met betrekking tot de in Helmond aangetroffen hennep en hasjiesj wordt in het middel ten eerste gesteld dat de overweging van het hof dat de hennep en hasjiesj zijn aangetroffen in een ruimte bij de growshop onbegrijpelijk is in het licht van het tot bewijs gebezigde proces-verbaal (bewijsmiddel 16) dat inhoudt dat in de laadruimte van een bij die growshop aangetroffen bestelauto in totaal 14 dozen met hennepstekken zijn aangetroffen. De steller van de klacht merkt terecht op dat uit dat bewijsmiddel niet, althans niet zonder meer, kan volgen dat de betreffende hennep is aangetroffen in een ruimte die bij de growshop in gebruik was. Hij gaat echter eraan voorbij dat daarnaast ook een politierelaas tot bewijs is gebezigd (bewijsmiddel 14) dat inhoudt dat op 7 maart 2006 in de growshop op het adres [b-straat 1] te Helmond een hoeveelheid gedroogde henneptoppen, twee plakken hashish (van 208 en 197 gram) en 2089 hennepstekken zijn aangetroffen, en een politierelaas (bewijsmiddel 15) dat inhoudt dat er kartonnen dozen met plantenmateriaal zijn aangetroffen in het bedrijfspand aan de [b-straat 1] te Helmond en dat na onderzoek is vastgesteld dat het in totaal ruim 26 kilogram gedroogde henneptoppen en netto 401 gram hashish betrof. Daaruit heeft het hof zonder meer kunnen afleiden dat de in de bewezenverklaarde bedoelde hennep en hashish is aangetroffen in een bij de growshop behorende ruimte. Ik merk nog op dat de in bewijsmiddel 16 genoemde, in de bestelauto aangetroffen hennepstekken niet zijn opgenomen in de bewezenverklaring zodat dat bewijsmiddel niet redengevend is voor de bewezenverklaring. De gebezigde bewijsmiddelen kunnen daarom worden gelezen met weglating van dat proces-verbaal, zonder dat de motivering van de bewezenverklaring wordt aangetast. Over die motivering wordt overigens niet geklaagd.

4.5. Anders dan de steller van het middel, meen ik dat het hof zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting bij zijn bewijsmotivering heeft kunnen betrekken dat al twee keer eerder een inval in de growshop had plaatsgevonden waarbij hennep was aangetroffen en dat verdachte daar wetenschap van heeft gehad. Het hof heeft daarmee kennelijk bedoeld aan te geven dat de verdachte wist dat er eerder hennep was aangetroffen in zijn bedrijfspand en dat dit voor hem reden had moeten zijn om beter te letten op hetgeen in de growshop lag opgeslagen. Dat deze wetenschap bijdraagt aan het oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte op de hoogte was van de op 7 maart 2006 in de growshop aangetroffen hennep en hashish acht ik niet onbegrijpelijk. Daaraan doet niet af dat de verdachte (of medeverdachte [betrokkene 2]) niet is veroordeeld voor betrokkenheid bij die eerder aangetroffen hennep, zoals de steller van het middel aanvoert. Het gaat het hof er kennelijk niet om of de verdachte al dan niet betrokken was bij die eerdere aangetroffen hennep maar om het feit dat de verdachte in ieder geval achteraf op de hoogte is gekomen van die in zijn bedrijfspand aangetroffen hennep hetgeen hem, aldus kennelijk het hof, extra oplettend had moeten maken.

4.6. Voor zover er tenslotte nog over wordt geklaagd dat de overweging van het hof dat de verdachte vaak in de growshop aanwezig was onbegrijpelijk is gelet op observaties waaruit zou blijken dat de verdachte slechts zelden bij de growshop aanwezig is geweest, stuit het middel af op de aan de feitenrechter voorbehouden selectie en waardering van het bewijsmateriaal. Uit de bewijsoverweging blijkt dat het hof uit de verklaring van de medeverdachte en mede-eigenaar van de growshop [betrokkene 2] dat de verdachte meestal ook in de growshop aanwezig was (bewijsmiddel 17) heeft afgeleid dat de verdachte vaak in de growshop aanwezig was. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat de genoemde observaties daaraan niet afdoen. Dat is niet onbegrijpelijk nu het feit dat de verdachte wellicht tijdens de observaties niet vaak is gezien in de growshop, niet direct betekent dat hij niet vaak aanwezig was. De overweging van het hof is niet onbegrijpelijk en voor een verdere toetsing is in cassatie geen plaats.

5. Het middel faalt in al zijn onderdelen en is klaarblijkelijk ongegrond.

6. In het tweede middel wordt geklaagd dat in de cassatieprocedure de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden. Volgens vaste rechtspraak heeft de verdachte bij een dergelijk middel onvoldoende belang, als dit het enige middel is of als de andere middelen met toepassing van art. 80a RO kunnen worden afgedaan.1

6.1. In het middel wordt op deze rechtspraak ingegaan en wordt in de eerste plaats de stelling betrokken dat aan de verdachte niet kan worden tegengeworpen dat hij zelf de hand heeft gehad in de schending van de redelijke termijn, nu deze schending niet te wijten is aan de proceshouding van de verdachte, maar aan de late inzending van het dossier door het hof. De raadsman is immers pas in staat te bezien of het indienen van middelen zinvol is, nadat deze stukken hem zijn toegezonden. De schending van de redelijke termijn is veroorzaakt doordat tussen het instellen van het cassatieberoep op 14 maart 2014 en de ontvangst van de stukken door de Hoge Raad op 22 juli 2015 meer dan acht maanden is verlopen en daaraan moeten volgens de steller van het middel gelet op het structurele karakter van dergelijke schendingen consequenties worden verbonden.

6.2. In het overzichtsarrest over de toepassing van art. 80a RO van 10 september 2012 heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:

“2.2.4. Aandacht verdient in dit verband het in de memorie van toelichting op p. 19 genoemde voorbeeld dat een cassatieberoep voortaan met art. 80a RO kan worden afgedaan indien dat enkel ertoe strekt te klagen dat als gevolg van het instellen van het cassatieberoep na de bestreden uitspraak de redelijke termijn in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. In zo een geval, waarin de betrokkene kennelijk geen (cassatie)klachten heeft over de bestreden uitspraak noch over de behandeling van de zaak door de feitenrechter, en hij tot op zekere hoogte zelf ervoor heeft gekozen door het instellen, althans het niet-intrekken van het cassatieberoep langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging te moeten leven [onderstreping AG], is een beroep op schending van genoemde verdragsbepaling geen klacht die voldoende belang bij het cassatieberoep tot uitdrukking brengt. Van een verzuim dat invloed heeft gehad op de bestreden beslissing, is hier immers geen sprake. Dit is niet anders indien naast het middel betreffende de redelijke termijn slechts middelen zijn voorgesteld die aan toepassing van art. 80a RO niet in de weg staan.”

6.3. Kennelijk doelt de steller van het middel op de door mij onderstreepte passage van de hierboven aangehaalde overweging van de Hoge Raad en bedoelt hij te betogen dat pas op het moment dat de verdachte de beschikking krijgt over het uitgewerkte arrest en de uitgewerkte processen-verbaal van het hof die aan de Hoge Raad worden toegezonden, beoordeeld kan worden of er cassatieklachten zijn. De tijd die intussen verstreken is, kan niet aan de proceshouding van de verdachte worden geweten. Daarom heeft de verdachte, althans zo begrijp ik de klacht, zelfstandig belang bij het middel voor zover de redelijke termijn is geschonden door de periode die tussen de uitspraak van het hof en het moment dat het hof de stukken aan de Hoge Raad inzendt, ligt en de daardoor ontstane vertraging in de behandeling van de zaak door de Hoge Raad. Met andere woorden: is deze periode te lang, zoals in casu langer dan 8 maanden, dan kan niet gesteld worden dat klager geen belang heeft bij een vaststelling dat de redelijke termijn in zijn zaak is geschonden en zou het cassatieberoep niet op de voet van art. 80a RO niet-ontvankelijk mogen worden verklaard. Dit geldt volgens de steller van het middel temeer, nu naast de schending van de redelijke termijn, nog een andere klacht naar voren is gebracht over de inhoud van het arrest van het hof.

6.4. Ik kan deze redenering volgen voor zover daarin betoogd wordt dat voor de beoordeling of er cassatieklachten kunnen worden ingebracht tegen een arrest van een hof, van dit arrest een uitgewerkte versie beschikbaar moet zijn, zeker als het gaat om de bewijsmotivering zoals in de onderhavige zaak. De periode die gemoeid is met de inzending van een uitgewerkt arrest naar de Hoge Raad kan wat dat betreft moeilijk op het conto van de verdachte worden geschoven in die zin, dat verdachte terwijl deze kennelijk geen cassatieklachten heeft, er zelf voor heeft gekozen door het instellen van cassatie langer dan redelijk onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging te leven.

6.5. De vraag is echter of een overschrijding van de inzendtermijn op zichzelf tot een schending van de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM zou moeten leiden. Want dat is in feite hetgeen in het middel wordt betoogd. Ik meen van niet en wel op twee gronden.

6.6. In de eerste plaats is het ook vaste rechtspraak dat een overschrijding van de inzendtermijn kan worden gecompenseerd door een voortvarende afdoening van het cassatieberoep.2 Daaruit kan worden afgeleid dat een overschrijding van de inzendtermijn op zichzelf nog geen schending van de redelijke termijn hoeft op te leveren als wat betreft de totale duur van de behandeling in cassatie niet kan worden gesproken van een overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM. Het ligt naar mijn mening op de weg van de raadsman in cassatie zijn cliënt te adviseren het cassatieberoep in te trekken als hij – na ontvangst van de stukken – moet concluderen dat er geen middelen kunnen worden geformuleerd die enige kans van slagen hebben. Ook het intrekken van het cassatieberoep maakt een einde aan de onzekerheid van de verdachte over de afloop van de vervolging en bekort daarmee de termijn van de totale duur van de behandeling in cassatie. Wil de verdachte desalniettemin het cassatieberoep voortzetten, dan wordt hem die mogelijkheid niet ontnomen. Blijkt het cassatieberoep inderdaad evident kansloos, dan is de duur die met de vaststelling hiervan gemoeid is voor de rekening van de verdachte, zou ik zeggen. Dan doet zich de situatie voor dat de verdachte tot op zekere hoogte zelf ervoor heeft gekozen door het niet-intrekken van het cassatieberoep langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging te moeten leven.

6.7. Het tweede argument dat een overschrijding van de inzendtermijn nog niet tot een schending van art. 6 EVRM hoeft te leiden kan worden gevonden in de zaak Çelik tegen Nederland.3 In deze zaak werd bij het EHRM geklaagd over het feit dat een cassatieberoep wegens schending van de redelijke termijn in de cassatiefase vanwege te late inzending van de stukken door het hof door de Hoge Raad niet ontvankelijk was verklaard op grond van art. 80a RO. In cassatie was uitsluitend een middel ingediend dat betrekking had op de schending van de redelijke termijn en werd niet (inhoudelijk) geklaagd over het arrest van het hof. Het EHRM oordeelde in deze zaak dat de klager door deze gang van zaken geen wezenlijk nadeel in de zin van art. 35 lid 3 onder b EVRM had geleden.

6.8. Art. 35 lid 3 onder b EVRM luidt:

“Het Hof verklaart elk individueel verzoekschrift, ingediend op grond van artikel 34, niet ontvankelijk, wanneer het van oordeel is dat:

a[…]

b. de verzoeker geen wezenlijk nadeel heeft geleden, tenzij de eerbiediging van de in het Verdrag en de Protocollen daarbij omschreven rechten van de mens noopt tot onderzoek van het verzoekschrift naar de gegrondheid ervan en mits op deze grond geen zaken worden afgewezen die niet naar behoren zijn behandeld door een nationaal gerecht.”

c.[…]”

6.9. Uit deze bepaling kan worden afgeleid dat ook als een verdachte geen wezenlijk nadeel heeft geleden in de tegen hem aanhangige nationale procedure, bij wijze van uitzondering op de hoofdregel een klacht over een beweerde schending van het EVRM ontvankelijk zal zijn, als blijkt dat een dergelijke klacht niet voldoende inhoudelijk is behandeld door een nationale rechter.

6.10. In de Çelik-zaak overweegt het EHRM echter ten overvloede:

“40. As a more general point, the Court would add that, when examining whether the “significant disadvantage” admissibility criterion has been satisfied in cases where the applicant alleges a violation of the Convention by the last-instance judicial authority of the domestic legal system, it may dispense with the requirement laid down in Article 35 § 3 (b) of the Convention whereby no case may be rejected on that ground unless it has been “duly considered by a domestic tribunal”. To construe the contrary would prevent the Court from rejecting any claim, however insignificant, relating to alleged violations imputable to a final national instance. Such an approach would be neither appropriate nor consistent with the object and purpose of Article 35 § 3 (b) of the Convention (see Galović v. Croatia (dec.), no. 54388/09, § 77, 5 March 2013).”

6.11. Uit deze overweging blijkt dat de uitzondering die in art. 35 lid 3 onder b EVRM wordt geformuleerd – namelijk dat een klacht ondanks het ontbreken van een wezenlijk nadeel toch ontvankelijk moet worden verklaard als deze niet afdoende inhoudelijk is beoordeeld door een nationale rechter – niet hoeft te worden toegepast als de beweerde schending is ontstaan bij de hoogste rechterlijke instantie, in casu in de cassatieprocedure. Daarmee heeft het EHRM de 80a-afdoening door de Hoge Raad impliciet4 gesauveerd als het gaat om de schending van de redelijke termijn in de cassatiefase in een zaak waarin het cassatieberoep inhoudelijk evident kansloos is.

7. Het standpunt is dan ook dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het cassatieberoep op de voet van artikel 80a RO omdat het eerste middel klaarblijkelijk niet tot cassatie kan leiden en de verdachte bij het tweede middel onvoldoende belang heeft.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0132, NJ 2013/244 m.nt. F.W. Bleichrodt.

2 Zie bijvoorbeeld HR 8 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7903.

3 EHRM 27 augustus 2013, Çelik tegen Nederland, nr. 12810/13 (niet-ontvankelijkheidsbeslissing), waaraan ook in de cassatieschriftuur wordt gerefereerd.

4 Een hierop gebaseerde klacht zal immers door het EHRM wegens het ontbreken van belang niet ontvankelijk worden verklaard.