Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:210

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
16-02-2016
Datum publicatie
13-04-2016
Zaaknummer
14/00690
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:620, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Profijtontneming. Marktplaatsoplichting en gewoontewitwassen. Schatting w.v.v. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/00690 P

Zitting: 16 februari 2016

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[betrokkene]

1. Het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 23 januari 2014 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van € 20.141,77 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

2. Deze ontnemingszaak hangt samen met een andere ontnemingszaak tegen de betrokkene (nr. 14/00686 P) en met twee strafzaken tegen de betrokkene (nr. 14/00684 en nr. 14/00691), waarin ik vandaag eveneens concludeer.1

3. Namens de betrokkene is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. E.E.W.J. Maessen, advocaat te Maastricht, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ontoereikend heeft gemotiveerd, aangezien het hof ontoereikend gemotiveerd heeft aangenomen dat de betrokkene een bedrag van € 19.313,27 aan wederrechtelijk voordeel uit soortgelijke feiten heeft behaald.

5. Het hof heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene geschat op € 20.141,77 en aan de betrokkene tot datzelfde bedrag een betalingsverplichting opgelegd. Daartoe heeft het hof onder “schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel” het volgende overwogen:

“De veroordeelde is bij arrest van 23 januari 2014, parketnummer 20-001818-12, ter zake van 27 oplichtingen via marktplaats.nl en gewoontewitwassen veroordeeld tot straf.

Het hof ontleent aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen het oordeel, dat de veroordeelde door middel van het begaan van voormelde 27 oplichtingen en van soortgelijke feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door veroordeelde zijn begaan, namelijk vergelijkbare oplichtingen, een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft genoten.

Uit de 27 oplichtingen die het hof bewezen heeft verklaard, heeft de veroordeelde als voordeel verkregen:

Koper Bedrag

1) [betrokkene 1] € 97,00

2) [betrokkene 2] € 104,50

3) [betrokkene 3] € 105,00

4) [betrokkene 4] € 116,75

5) [betrokkene 5] € 107,00

6) [betrokkene 6] € 117,00

7) [betrokkene 7] € 110,00

8) [betrokkene 8] € 116,75

9) [betrokkene 9] € 116,75

10) [betrokkene 10] € 106,75

11) [betrokkene 11] € 106,75

12) [betrokkene 12] € 106,75

13) [betrokkene 13] € 101,75

14) [betrokkene 14] € 101,75

15) [betrokkene 15] € 111,75

16) [betrokkene 16] € 130,00

17) [betrokkene 17] € 131,75

18) [betrokkene 18] € 81,75

19) [betrokkene 19] € 110,00

20) [betrokkene 20] € 86,75

21) [betrokkene 21] € 100,00

22) [betrokkene 22] € 106,75

23) [betrokkene 23] € 116,75

24) [betrokkene 24] € 132,00

25) [betrokkene 25] € 30,00

26) [betrokkene 26] € 280,00

27) [betrokkene 27] € 272,00

Totaal € 3.117,25

Het bedrag dat de veroordeelde heeft terugbetaald aan koper [betrokkene 20] is niet meegerekend.

Met betrekking tot de soortgelijke feiten die het hof in de berekening van het wederrechtelijk voordeel betrekt, overweegt het hof het volgende.

Uit bankafschriften van rekeningen van de veroordeelde is gebleken dat in de periode van 1 januari 2010 tot en met 18 oktober 2011 op die rekeningen in totaal € 22.232,52 aan geldstortingen is binnengekomen, die in relatie staan tot Marktplaats, concertkaarten, onderdelen voor fietsen en hartslagmeters. Een deel van de stortingen is gedaan door de gedupeerden van de 27 oplichtingen waarvoor de veroordeelde is veroordeeld en die hiervoor zijn genoemd (voor zover de gedupeerden overboekingen hebben gedaan na 18 oktober 2011, zijn die niet verwerkt in het rekeningoverzicht). Het hof acht voldoende aanwijzingen aanwezig dat de overige gestorte bedragen, minus de door de veroordeelde gestorte verificatiebedragen, eveneens uit oplichtingen verkregen zijn. Het hof baseert dit op:

- de omstandigheid dat de overige stortingen qua omvang vergelijkbaar zijn en veel van deze stortingen bovendien - gelet op de omschrijvingen - lijken te dienen ter betaling van vergelijkbare goederen.

- de omstandigheid dat de veroordeelde geen logische verklaring heeft gegeven voor deze andere overboekingen, bijvoorbeeld dat hij aan anderen wel conform afspraak dergelijke goederen heeft geleverd.

- de omstandigheid dat veroordeelde de ontvangen bedragen waarvoor hij geen verklaring had - anders dan de volstrekt onaannemelijke verklaring dat die bedragen zijn betaald omdat een rancuneuze derde zijn rekeningnummers op marktplaats heeft gebruikt - niet heeft terugbetaald aan de betrokkenen (op [betrokkene 20] na).

Van het bedrag ad € 22.232,52 moeten worden afgetrokken:

1) de bedragen die door de gedupeerden van de in de strafzaak bewezen verklaarde oplichtingen zijn gestort in de periode tot en met 18 oktober 2011, aangezien deze bedragen reeds zijn betrokken in de berekening. Dit is een bedrag van € 2.712,25 (volledigheidshalve: op het rekeningoverzicht staat [betrokkene 2] vermeld als [betrokkene 28], [betrokkene 19] als [betrokkene 29], [betrokkene 20] als [betrokkene 30] [wordt ook hier in mindering gebracht], [betrokkene 21] als [betrokkene 31], [betrokkene 24] als [betrokkene 32], [betrokkene 27] als [betrokkene 33]).

2) het door [betrokkene 34] gestorte bedrag, omdat de veroordeelde in de andere strafzaak met parketnummer 03-703489-11 door de rechtbank is vrijgesproken van oplichting van [betrokkene 34]. Dit is een bedrag van € 207,00.

Uit soortgelijke delicten heeft de veroordeelde derhalve een voordeel verkregen van € 22.232,52 minus € 2.712,25 minus € 207,00 = € 19.313,27.

Kosten die in directe relatie staan met de delicten en als reële uitvoeringskosten kunnen worden gezien, dienen ten behoeve van de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering te worden gebracht op criminele inkomsten. Dergelijke kosten zijn in de onderhavige zaak niet gesteld of gebleken.

Bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, worden aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen - voor zover deze in rechtstreeks verband staan met de strafbare feiten waarvoor de veroordeelde is veroordeeld - in mindering gebracht. De veroordeelde is bij arrest van 23 januari 2014, parketnummer 20-001818-12, veroordeeld tot het betalen van schadevergoedingen aan de volgende benadeelde partijen:

Koper Bedrag

1) [betrokkene 1] € 97,00

2) [betrokkene 3] € 105,00

3) [betrokkene 4] € 116,75

4) [betrokkene 5] € 107,00

5) [betrokkene 6] € 117,00

6) [betrokkene 7] € 110,00

7) [betrokkene 8] € 116,75

8) [betrokkene 9] € 116,75

9) [betrokkene 11] € 106,75

10) [betrokkene 12] € 106,75

11) [betrokkene 14] € 101,75

12) [betrokkene 15] € 111,75

13) [betrokkene 17] € 125,00

14) [betrokkene 18] € 81,75

15) [betrokkene 19] € 110,00

16) [betrokkene 21] € 100,00

17) [betrokkene 23] € 116,75

18) [betrokkene 24] € 132,00

19) [betrokkene 25] € 30,00

20) [betrokkene 26] € 280,00

Totaal € 2.288,75

Het hof zal deze aan de benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 36e, achtste lid, van het Wetboek van Strafrecht, op het geschatte voordeel in mindering brengen en schat het wederrechtelijk verkregen voordeel derhalve op € 3.117,25 + € 19.313,27 - € 2.288,75 = € 20.141.77.”

6. Het hof heeft de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene aan de volgende bewijsmiddelen ontleend:

- Het arrest van het hof in de hoofdzaak van 23 januari 2014, onder meer inhoudende dat de betrokkene in 27 fraudegevallen is veroordeeld ter zake van ‘marktplaatsoplichting’ met betrekking tot de verkoop van concertkaarten en hartslagmeters, gepleegd in de periode van 10 februari 2010 tot en met 11 januari 2012, waarbij de vorderingen van 21 benadeelde partijen zijn toegewezen tot een totaalbedrag van € 2.288,75 (bewijsmiddel 1);

- Verschillende aangiftes tegen de betrokkene ter zake van ‘marktplaatsoplichting’ betreffende concertkaarten, begaan in de periode van 14 februari 2010 tot en met 9 oktober 2011 (bewijsmiddelen 2, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 26 en 27);

- Bankafschriften waaruit volgt dat de benadeelden geld hebben overgemaakt voor de aanschaf van concertkaarten (bewijsmiddelen 3, 4 en 14);

- Een proces-verbaal van politie betreffende de inzet van bijzondere bevoegdheden tot opsporing. Dit proces-verbaal houdt in dat de verschillende bankrekeningen waarnaar de benadeelden geld hebben overgemaakt op naam stonden van de betrokkene, dat de overboekingen betrekking hadden op de verkoop van concertkaarten, onderdelen voor fietsen en hartslagmeters via ‘marktplaats’, dat op diverse bankrekeningen op naam van de betrokkene minimaal € 22.232,52 aan overboekingen is binnengekomen en dat dit geld vervolgens is overgeboekt naar een andere bankrekening op naam van de betrokkene (bewijsmiddelen 28 en 29);

- Een overzicht van de transacties op de bankrekeningen op naam van de betrokkene die in verband staan met ‘marktplaatsoplichting’, inhoudende dat in de periode van 1 januari 2010 tot en met 1 oktober 2011 in totaal € 22.232,52 is overgemaakt naar deze bankrekeningen (bewijsmiddel 30).

7. Het middel is toegesneden op de overweging van het hof die betrekking heeft op de schatting van het wederrechtelijk voordeel dat de betrokkene uit soortgelijke feiten heeft verkregen. Zoals blijkt uit de toelichting, keert het middel zich in het bijzonder tegen de overweging van het hof dat op het totaalbedrag van € 22.232,52, dat is gebleken uit het overzicht van transacties op de bankrekeningen op naam van de betrokkene over de periode van 1 januari 2010 tot en met 18 oktober 2011, de bedragen die door de benadeelden van de in de bijbehorende strafzaak bewezen verklaarde oplichtingen in de periode tot en met 18 oktober 2011 zijn gestort (in totaal een bedrag van € 2.712,25), in mindering dienen te worden gebracht, aangezien deze bedragen reeds zijn betrokken in de berekening van het wederrechtelijk voordeel dat de betrokkene uit de bewezen verklaarde oplichtingen heeft verkregen. Volgens de steller van het middel had het hof in plaats van een bedrag van € 2.712,25 een bedrag van € 3.117,25 in mindering moeten brengen op het totaalbedrag van € 22.232,52, omdat alle benadeelden van de bewezen verklaarde oplichtingen hun geldstortingen vóór 18 oktober 2011 hebben gedaan.

8. De steller van het middel leest de bestreden uitspraak aldus dat het hof heeft bedoeld te oordelen dat alle bedragen die alle benadeelden vóór 18 oktober 2011 hebben overgeboekt naar de bankrekeningen van de betrokkene zonder meer op het totaalbedrag van € 22.232,52 in mindering moeten worden gebracht. Deze veronderstelling berust op een verkeerde lezing van de overwegingen van het hof en mist daardoor feitelijke grondslag. Met de hiervoor onder 5 weergegeven overwegingen heeft het hof immers beoogd de bedragen die reeds zijn betrokken bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit de bewezen verklaarde oplichtingen niet nogmaals te betrekken bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit soortgelijke feiten, teneinde dubbeltellingen te voorkomen. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat op het overzicht met bankafschriften van de betrokkene alleen overboekingen staan vermeld die hebben plaatsgevonden in de periode van 1 januari 2010 tot en met 18 oktober 2011, dat een deel van die overboekingen afkomstig is van de benadeelden van de 27 bewezen verklaarde oplichtingen en dat de overboekingen ná 18 oktober 2011 niet zijn verwerkt in het rekeningoverzicht.

9. De bestreden overweging van het hof, die van feitelijke aard is, acht ik niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik het volgende in aanmerking. Hoewel het overzicht van de transacties op de bankrekeningen op naam van de betrokkene die in verband staan met ‘marktplaatsoplichting’ (bewijsmiddel 30) slechts betrekking heeft op de overboekingen tot en met 18 oktober 2011, heeft de bewezenverklaring in de hoofdzaak betrekking op de periode van 10 februari 2010 tot en met 11 januari 2012. Van de 27 bewezen verklaarde oplichtingen komen er drie niet voor in het transactie-overzicht, te weten de overboekingen die afkomstig zijn van [betrokkene 3] (à € 105,-), [betrokkene 12] (à € 106,75) en [betrokkene 26] (à € 280). Uit de aanvulling bewijsmiddelen van de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak (nr. 14/00691) blijkt dat de oplichting van [betrokkene 3] in de periode van 16 januari 2011 tot en met 19 november 2011 heeft plaatsgevonden en dat deze het geldbedrag op 16 januari 2011 heeft overgemaakt (bewijsmiddelen 6 en 7 in de strafzaak), dat de oplichting van [betrokkene 12] in de periode van 2 maart 2011 tot en met 6 december 2011 heeft plaatsgevonden en dat deze het geldbedrag op 2 maart 2011 heeft overgemaakt (bewijsmiddel 16) en dat de oplichting van [betrokkene 26] in de periode van 8 oktober 2011 tot en met 20 oktober 2011 heeft plaatsgevonden en dat deze het geldbedrag op 9 oktober 2011 heeft overgemaakt (bewijsmiddel 34). De overgemaakte bedragen van de 24 overige benadeelden van de bewezen verklaarde oplichtingen komen wel voor in het transactie-overzicht en tellen op tot een bedrag van € 2.712,25.2 Uit dit overzicht blijkt dat deze bedragen zijn overgeboekt in de periode van 1 januari 2010 tot en met 18 oktober 2011. De drie resterende bedragen zijn weliswaar ook vóór 18 oktober 2011 overgeboekt maar staan niet vermeld in het overzicht. Gelet hierop was het hof, anders dan de steller van het middel aanvoert, niet gehouden die bedragen eveneens in mindering te brengen op het totaalbedrag uit het overzicht. Van een door het hof niet gewenste dubbeltelling met de bedragen die zijn betrokken bij de berekening van het voordeel uit de bewezen verklaarde feiten is geen sprake, aangezien deze bedragen niet voorkomen in het overzicht.

10. In het licht van hetgeen door de verdediging is aangevoerd, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering. Het oordeel van het hof dat de betrokkene voor een bedrag van € 19.313,27 wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit soortgelijke feiten, is niet onbegrijpelijk.

11. Het middel faalt.

12. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ontoereikend heeft gemotiveerd, aangezien het hof ontoereikend gemotiveerd heeft aangenomen dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel uit soortgelijke feiten heeft behaald.

13. In de hiervoor, bij de bespreking van het eerste middel, onder 5 weergegeven nadere bewijsoverwegingen heeft het hof geoordeeld dat de betrokkene (onder meer) wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit soortgelijke feiten, aangezien het hof voldoende aanwijzingen aanwezig acht dat de op de bankrekeningen van de betrokkene gestorte geldbedragen, die niet afkomstig zijn van de gedupeerden van de 27 bewezen verklaarde oplichtingen, eveneens uit door de betrokkene gepleegde oplichtingen zijn verkregen. Het hof heeft dit oordeel gegrond op de volgende drie argumenten: (i) deze overige stortingen zijn qua omvang vergelijkbaar met de geldbedragen in de bewezen verklaarde oplichtingen en dienen gelet op de omschrijvingen (deels) ter betaling van vergelijkbare goederen; (ii) de betrokkene heeft geen logische verklaring gegeven voor deze andere overboekingen; en (iii) de betrokkene heeft de ontvangen bedragen niet terugbetaald aan de benadeelden.

14. Zoals blijkt uit de toelichting, keert het middel zich tegen de overweging van het hof dat de betrokkene de ontvangen bedragen niet heeft terugbetaald aan de benadeelden. Volgens de steller van het middel is deze overweging in het licht van de verklaring van de betrokkene onbegrijpelijk.

15. Het middel doelt op de volgende verklaring van de betrokkene, zoals door hem in antwoord op vragen van de voorzitter van het hof afgelegd op de terechtzitting in hoger beroep van 9 januari 2014:

“De rekeningen waarop geld binnenkwam van personen die op marktplaats goederen hadden gekocht, stonden op mijn naam. Ik zeg nadrukkelijk dat de rekeningen op mijn naam stonden. Ik zeg dus niet dat de rekeningen van mij waren.

Ik heb geld dat op de rekeningen werd gestort wel doorgeboekt naar andere rekeningen van mij. Er moest iets met dat geld worden gedaan. Het geld werd vooral gestort op spaarrekeningen. Er moest dus iets mee worden gedaan, anders kon het ook niet worden teruggeboekt. Er is € 3.000,00 teruggeboekt.

De voorzitter vraagt waarom ik niet alle bedragen die ik heb ontvangen van kennelijke kopers van goederen heb teruggeboekt. Ik had er geen overzicht over. Ik wist niet welk bedrag van wie was. Het was een chaos. Er zijn veel dingen uit mijn naam gedaan, buiten mijn weten om. De stortingen door kennelijke kopers hebben driejaar geleden plaatsgevonden. In negen van de tien gevallen ben ik niet verantwoordelijk voor de transacties tussen mijn rekeningen.

De voorzitter houdt mij voor dat de teruggeboekte € 3.000,00 niet terecht is gekomen bij een van de personen die zich in dit strafproces als benadeelde partij hebben gevoegd. Kennelijk heb ik dat geld dus overgemaakt aan personen die geen aangifte hebben gedaan. Ik heb niets met de oplichting via Marktplaats te maken.”

16. Uit de nadere bewijsoverwegingen van het hof volgt dat diens oordeel dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit soortgelijke feiten, slechts ten dele steunt op de overweging die in de toelichting op het middel wordt aangevallen. Reeds daarom faalt het middel.3

17. De bestreden overweging van het hof, die van feitelijke aard is, acht ik overigens niet onbegrijpelijk. De verklaring van de betrokkene dat hij € 3.000,- heeft teruggeboekt en dat hij dat geld (kennelijk) heeft overgemaakt aan personen die geen aangifte hebben gedaan, is door de verdediging op geen enkele wijze onderbouwd. Deze niet onderbouwde stelling noopte het hof niet de door de betrokkene gewenste conclusie met betrekking tot het terugbetalen van de op zijn bankrekeningen gestorte geldbedragen tot de zijne te maken. Hoewel het op de weg van de verdediging had gelegen deze stelling nader te onderbouwen, zijn op de terechtzittingen in hoger beroep door de verdediging geen bankafschriften of andere bescheiden overgelegd waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de betrokkene deze geldbedragen heeft terugbetaald aan de benadeelden. Daarbij komt dat de raadsman van de betrokkene op dit punt geen verweer heeft gevoerd. Zoals blijkt uit de op de terechtzitting in hoger beroep van 9 januari 2014 overgelegde pleitnotities, heeft de raadsman slechts aangevoerd dat bijschrijvingen op bankrekeningen van de betrokkene zonder aangifte door de overschrijvende personen onvoldoende zijn om aan te nemen dat er andere oplichtingen als soortgelijke feiten hebben plaatsgevonden.

18. Anders dan de steller van het middel aanvoert, volgt uit de opmerking van de voorzitter van het hof op de terechtzitting in hoger beroep van 9 januari 2014, waarin deze de betrokkene heeft voorgehouden dat de teruggeboekte € 3.000,- niet terecht is gekomen bij één van de benadeelde partijen in de strafzaak, niet dat het hof is uitgegaan van de juistheid van de verklaring van de betrokkene. De bestreden uitspraak bevat geen aanwijzingen dat het hof geloof zou hebben gehecht aan deze verklaring, terwijl het hof de voornoemde verklaring in de aanvulling bewijsmiddelen evenmin voor het bewijs heeft gebruikt. Gelet op de vrije selectie en waardering van het bewijsmateriaal door de feitenrechter, stond het het hof vrij de verklaring van de betrokkene ter zijde te schuiven. In het licht van hetgeen door de verdediging is aangevoerd, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering. Het oordeel van het hof dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit soortgelijke feiten, is ook in zoverre niet onbegrijpelijk.4

19. Het middel faalt.

20. Het derde middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.

21. De betrokkene heeft op 3 februari 2014 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 4 juni 2015 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen, zodat de inzendingstermijn van acht maanden is overschreden. Voorts zal de Hoge Raad uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM inderdaad is overschreden. Het middel is terecht voorgesteld.

22. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Ook in de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak (nr. 14/00691) is de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden. De compensatie, tot welke de overschrijding van de redelijke termijn moet leiden, kan worden toegepast in de hoofdzaak. Gelet hierop is er geen aanleiding om in de onderhavige zaak aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en kan de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.5

23. Het derde middel is terecht voorgesteld maar behoeft niet tot cassatie te leiden. Het eerste middel en het tweede middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

24. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De strafzaak met nr. 14/00691 betreft de hoofdzaak die in verband staat met de onderhavige ontnemingszaak, terwijl de strafzaak met nr. 14/00684 de hoofdzaak is die hoort bij de andere ontnemingszaak tegen de betrokkene (nr. 14/00686 P).

2 Ten aanzien van de verhouding tussen het door het hof in aanmerking genomen bedrag en het door de steller van het middel gewenste bedrag merk ik het volgende op: € 2.712,25 (door het hof in mindering gebracht) + € 105 ([betrokkene 3]) + € 106,75 ([betrokkene 12]) + € 280 ([betrokkene 26]) - € 86,75 ([betrokkene 20]/[betrokkene 30]; terugbetaald en daarom niet meegerekend) = € 3.117,25 (totaalbedrag van 27 bewezen verklaarde oplichtingen; het door de steller van het middel gewenste bedrag).

3 Vgl. A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, achtste druk, Deventer: Kluwer 2015, p. 212, HR 26 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:105, rov. 6.2, HR 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:487, rov. 3.5, HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN1014, NJ 2010/464, rov. 4.3, HR 19 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH7284, NJ 2009/443, rov. 4.2 en HR 8 mei 1984, DD 84.416, rov. 6.

4 Uit de overwegingen van het hof kan worden afgeleid dat de betrokkene alleen het door [betrokkene 20] overgemaakte bedrag uiteindelijk wel heeft teruggestort, hetgeen wordt ondersteund door de aangifte van [betrokkene 20] (bewijsmiddel 26 in de strafzaak). Dit bedrag heeft het hof dan ook niet betrokken bij zijn schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

5 Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008, 358 m.nt. Mevis, rov. 3.6.3 onder B.