Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:188

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
15-03-2016
Datum publicatie
06-04-2016
Zaaknummer
15/03782
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:578, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Herziening. Persoonsverwisseling. Op verzoek van AG hebben verbalisanten een aanvullend p-v van bevindingen opgemaakt. Broer van aanvrager heeft zich uitgegeven voor aanvrager. Aanvraag gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/03782 H

Zitting: 15 maart 2016

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[aanvrager]

1. De aanvrager van herziening is bij arrest van 9 april 2014 in de zaak met parketnummer 20-002301-13 door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch wegens “overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de WVW 1994”, gepleegd op 21 maart 2013 te Sittard, veroordeeld tot een geldboete van € 650,-, subsidiair 13 dagen hechtenis, met een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden, met een proeftijd van twee jaren. Het arrest is onherroepelijk geworden.1

2. Namens de aanvrager heeft mr. B.A.M. Hendrix, advocaat te Sittard, een verzoek tot herziening van het arrest ingediend vanwege een persoonsverwisseling, omdat zich iemand anders als aanvrager heeft voorgedaan tijdens de aanhouding op 21 maart 2013 te Sittard op verdenking van overtreding van art. 8 van de Wegenverkeerswet 1994.

3. Als novum is hierbij aangedragen dat de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , na op 13 augustus 2013 met de aanvrager te zijn geconfronteerd, in een proces-verbaal van diezelfde datum met nummer PL233F 2013062202-3 hebben verklaard dat zij hoorden dat de aanvrager verklaarde dat hij op donderdag 21 maart 2013 te 23.10 uur niet door hen staande gehouden was aan de Doctor Nolenslaan te Sittard en dat de verbalisanten “de man die voor ons stond niet herkenden als zijnde de man die we staande gehouden hadden op voornoemde datum, tijd en plaats”.

4. De gang van zaken in de strafprocedure die heeft geleid tot de veroordeling waarvan nu herziening wordt gevraagd is als volgt geweest.

4.1. De aanvrager is door de politierechter in de rechtbank Limburg op 9 juli 2013 veroordeeld wegens dronken rijden op 21 maart 2013 te Sittard.

4.2. Ter terechtzitting van de rechtbank Limburg op 9 juli 2013 heeft de aanvrager, blijkens het proces-verbaal van de zitting het volgende aangevoerd:

"Ik ben niet degene geweest die op 21 maart 2013 te Sittard onder invloed van alcohol een auto heeft bestuurd. Het kan niet anders dan dat de bestuurder die daar wel gereden heeft, beschikte over mijn gegevens. Desgevraagd kan ik u, politierechter, zeggen dat ik mijn paspoort nog nooit ben kwijtgeraakt. In het verleden heb ik ook twee boetes gekregen; de daaraan ten grondslag liggende verkeersovertredingen heb ik niet begaan. Tegen deze boetes heb ik dan ook bezwaar gemaakt. Ik bezit een auto van het merk B&W met kenteken [AA-00-BB] . Desgevraagd kan ik u, politierechter, zeggen dat mijn paspoort nooit is gestolen. U, politierechter, houdt mij voor dat verkeersovertredingen worden geregistreerd op kenteken. Ik kan u, politierechter, zeggen dat ik de auto met kenteken [CC-00-DD] niet op mijn naam heb staan (noot griffier: verdachte toont desgevraagd zijn rijbewijs). U, politierechter, houdt mij voor dat het door mij overgelegde rijbewijs hetzelfde nummer heeft als het nummer van het rijbewijs dat in het dossier wordt genoemd. U, politierechter, houdt mij voor dat, indien ik naar waarheid zou verklaren, dit met zich brengt dat de persoon die beschikte over mijn gegevens ook het juiste adres heeft opgegeven. Ik kan u, politierechter, zeggen dat het wel een bekende van mij zal zijn. U, politierechter, houdt mij tevens voor dat de bestuurder van de auto moet hebben geweten dat ik de Nederlandse en de Tunesische nationaliteit heb. U, politierechter, houdt mij voor dat mijn verhaal, gelet op alle bewijsmiddelen in het dossier, ongeloofwaardig voorkomt. Ik kan u daarop zeggen dat u de beelden erop kunt nakijken. De politie heeft tegen mij in Sittard verteld dat de bestuurder die onder invloed heeft gereden op het politiebureau is geweest.

[….]

Ik ben het niet eens met het standpunt van de officier van justitie. Ik ben niet degene geweest die op 21 maart 2013 dronken heeft gereden. Ik weet niet hoe ik dat moet aantonen. De auto staat niet op mijn naam.”

4.3. Naar aanleiding van dit verweer heeft de politierechter overwogen:

"De politierechter acht de door verdachte afgelegde verklaring ter zitting, inhoudende dat hij op 21 maart 2013 niet als bestuurder van de auto is opgetreden, ongeloofwaardig. Daartoe overweegt de politierechter dat de lezing van verdachte geen objectieve steun vindt in de bewijsmiddelen in het dossier. Voorts betrekt de politierechter hierbij dat de persoon die is aangehouden en heeft meegewerkt aan het ademonderzoek en de ademanalyse, een woonadres, een dubbele nationaliteit (Nederlandse en Tunesische) en een mobiel nummer heeft opgegeven. Deze opgegeven gegevens stemmen overeen met de gegevens van verdachte. De politierechter is van oordeel dat de opgegeven gegevens zo specifiek zijn dat het niet anders kan zijn dan dat de bestuurder van de auto ook daadwerkelijk verdachte is geweest. Daarbij betrekt de politierechter ook het gegeven dat verdachte zelf heeft verklaard dat hij zijn rijbewijs nooit heeft verloren of uitgeleend."

4.4. Aanvrager is van deze veroordeling in hoger beroep gekomen en heeft in de akte instellen hoger beroep d.d. 9 juli 2013 daarvoor als reden opgegeven:

"Ik ben niet de bestuurder van de auto, er wordt misbruik gemaakt van mijn naam, adres, bsn-nummer en rijbewijs"

4.5. De aanvrager is ter terechtzitting van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch in hoger beroep op 9 april 2014 niet verschenen en is door het hof bij verstek veroordeeld, waarbij het hof heeft bewezenverklaard dat:

“hij op 21 maart 2013 te Sittard als bestuurder van een voertuig, personenauto, dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 450 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.”

4.6. Het hof heeft daarbij de volgende bewijsmiddelen gebezigd:

“2. een proces-verbaal ter zake artikel 8 WVW 1991, in de wettelijke vorm opgemaakt op 22 maart 2013 door [verbalisant 1] , adspirant van politie, [verbalisant 2] , hoofdagent van politie en [verbalisant 3] , brigadier van politie, inhoudende, zakelijk eergegeven, als relaas van verbalisanten:

Op 21 maart 2013 zag ik, verbalisant [verbalisant 1] , dat een persoon als bestuurder van een voertuig dit bestuurde op de Nusterweg te Sittard in de gemeente Sittard-Geleen. Ik heb de bestuurder het voertuig doen stilhouden. De bestuurder viel op vanwege zijn rijgedrag (snel rijden). De verdachte gaf mij. verbalisant [verbalisant 1] , op te zijn genaamd [aanvrager] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980. De verdachte heeft zich onder leiding van mij, verbalisant [verbalisant 3] , onderworpen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994. Dit heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek, genummerd 130321 854. Aan de verdachte is medegedeeld dat het onderzoeksresultaat van de analyse van zijn adem 450 ugJI bedroeg.

De verdachte verklaarde het volgende. Ik erken dat ik, na het nuttigen van alcoholhoudende drank, als bestuurder ben opgetreden.

3. Het geschrift, inhoudende, voor zover tot het bewijs gebezigd en zakelijk weergegeven, het navolgende:

Ademanalyseformulier (volgnummer 13-321854)

Verdachte: [aanvrager] . geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats] Onderzoeksresultaat: 450ug/l.”

5. In het herzieningsverzoek wordt gesteld dat de aanvrager zich na het instellen van het hoger beroep op 13 augustus 2013 bij de politie heeft gemeld en gevraagd heeft de verbalisanten te spreken die op 22 maart 2013 het proces-verbaal van het strafbare feit hadden opgemaakt. Twee van de drie verbalisanten waren aanwezig, te weten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en hebben daarop het proces-verbaal opgemaakt, dat als bijlage 7 bij het herzieningsverzoek is gevoegd. Daarvan is de volgende passage van belang:

"Op dinsdag 13 augustus 2013, omstreeks 12.00 uur, verscheen voor ons een man die zich opgaf te zijn middels een geldig Nederlands paspoort: [aanvrager] . Geboortedatum: [geboortedatum] 1980. Geboorteplaats: [geboorteplaats] . Bsn nummer: [001] . Wij hoorden dat deze persoon verklaarde dat hij op 21 maart 2013 te 23.10 uur niet staande gehouden was door ons aan de Doctor Nolenslaan te Sittard. Wij herkenden de man die voor ons stond niet als zijnde de man die we staande gehouden hadden op voornoemde datum, tijd en plaats.”

5.1. Volgens de aanvrager heeft hij aan de verbalisanten gevraagd dit proces-verbaal aan het hof te doen toekomen, kennelijk in de verwachting dat het hof hem zou vrijspreken. Dat was de reden dat de aanvrager niet zelf voor het hof is verschenen.

5.2. In het dossier van het hof heeft de raadsman van aanvrager het proces-verbaal d.d. 13 augustus 2013 echter niet aangetroffen, zodat het hof hiervan in hoger beroep ook geen kennis van heeft kunnen nemen. Desbetreffend proces-verbaal wordt in onderhavige herzieningsprocedure als novum opgevoerd. Daarbij wordt gesteld dat indien het hof van het proces-verbaal op de hoogte was geweest het onderzoek van de zaak zou hebben geleid tot vrijspraak van de aanvrager.

6. Omdat naar mijn mening de verklaring van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 13 augustus 2013, dat zij “de man die voor hen stond niet herkenden als zijnde de man die zij staande gehouden hadden op voornoemde datum, tijd en plaats” nadere toelichting behoeft heb ik op 21 december 2015 verzocht om in een nader proces-verbaal zo concreet mogelijk de volgende vragen te beantwoorden:

“1. Op grond waarvan zij op 13 augustus 2013 tot de conclusie zijn gekomen dat zij de aanvrager niet herkenden als degene die zij bijna vijf maanden voorheen op 21 maart 2013 hadden staande gehouden op de Doctor Nolenslaan te Sittard en voor het afnemen van een ademanalyse hebben overgebracht naar bureau Sittard.

2. Hoe verklaard kan worden dat in het proces-verbaal van 13 augustus 2013 staat vermeld dat de staandehouding plaatshad op de Doctor Nolenslaan te Sittard terwijl uit het proces-verbaal van 21 maart 2013 blijkt dat de staandehouding plaatshad op de Nusterweg te Sittard.

3. Op welke grond verbalisant [verbalisant 2] op 13 augustus 2013 verklaart aanvrager niet te herkennen, nu uit het proces-verbaal van 21 maart 2013 weliswaar blijkt dat [verbalisant 2] dit proces-verbaal heeft ondertekend, maar daaruit niet blijkt dat de verbalisant [verbalisant 2] op enigerlei wijze betrokken is geweest bij de staandehouding van de bestuurder, het verhoor van de bestuurder of de ademanalyse.”

6.1. In een aanvullend proces-verbaal van bevindingen van 26 januari 2016 hebben de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] verklaard dat zij zich de zaak nog goed konden herinneren en dat de broer van aanvrager, [betrokkene], zich had uitgegeven voor aanvrager. De gestelde vragen beantwoorden zij als volgt:

“In het In de stukken wordt door Mr. T.N.B.M. Spronken, Advocaat-Generaal Hoge Raad, gevraagd om drie vragen te beantwoorden in een aanvullend proces-verbaal. Onder benoeming 1, 2 en 3 staat de vraag omschreven, waarop door ons, [verbalisant 2] en [verbalisant 1] , wordt gereageerd in de daarop volgende alinea.

1. Er wordt gevraagd op grond waarvan wij op 13 augustus 2013 tot de conclusie zijn gekomen dat wij de aanvrager niet herkenden als degene die wij bijna vijf maanden voorheen op 21 maart 2013 hadden staande gehouden op de Doctor Nolenslaan te Sittard en voor het afnemen van een ademanalyse hebben overgebracht naar bureau Sittard. De persoon die zich op 13 augustus 2013 meldde op het politiebureau te Echt was absoluut niet de persoon die wij vijf maanden eerder, op 21 maart 2013, hadden staande gehouden en gecontroleerd.

Dit wisten wij op dat moment, en staan er nog steeds achter. Van beide personen hadden we destijds foto’s gemaakt. Op bijlage 1 ziet u de persoon die wij staande gehouden hadden op 21 maart 2013. Op bijlage 2 ziet u de persoon die zich op 13 augustus 2013 meldde op het politiebureau te Echt.

2. Hoe verklaard kan worden dat in het proces—verbaal van 13 augustus 2013 staat vermeld dat de staandehouding plaatshad op de Doctor Nolenslaan te Sittard, terwijl uit het proces—verbaal van 21 maart 2013 blijkt dat de staandehouding plaatsvond op de Nusterweg te Sittard. Dit betreft abusievelijk een fout door ons, [verbalisant 2] en [verbalisant 1] . De juiste staandehouding was op de Nusterweg te Sittard. Op de Doctor Nolenslaan te Sittard zagen wij verdachte, voor de eerste maal, in het voertuig die hij bestuurde gevaarlijke manoeuvres maken.

3. Op welke grond verbalisant [verbalisant 2] op 13 augustus 2013 verklaarde de aanvrager niet te herkennen, nu uit het proces-verbaal van 21 maart 2013 weliswaar blijkt dat [verbalisant 2] dit proces—verbaal had ondertekend, maar daaruit niet blijkt dat de verbalisant [verbalisant 2] op enigerlei wijze betrokken is geweest bij de staandehouding van de bestuurder, het verhoor van de bestuurder of de ademanalyse. In het proces—verbaal artikel 8 wegenverkeerswet 1994 heb ik, [verbalisant 2] , aan het einde van het proces—verbaal mijn handtekening gezet. Hieruit blijkt, dat ik aanwezig ben geweest als verbalisant in deze zaak. Echter wordt dit niet zo gezien, zoals ik het lees uit de vraag die wordt gesteld door Mr. T.N.3.M. Spronken, Advocaat-Generaal Hoge Raad. Ik, [verbalisant 2] , ben aanwezig geweest bij het gehele proces en trad op als verbalisant in deze zaak.

7. Gelet op de bevindingen van de politie, waaronder hetgeen is gerelateerd over aanhouding en het proces-verbaal van bevindingen van 26 januari 2016 en de daarbij behorende bijlagen, de foto’s van respectievelijk [betrokkene] , de broer van de aanvrager en van de aanvrager zelf, bestaat er een ernstig vermoeden dat er sprake is geweest van een persoonsverwisseling, namelijk dat [betrokkene] zich heeft uitgegeven voor de aanvrager en dat indien deze verwisseling bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de strafzaak zou hebben geleid tot vrijspraak van de aanvrager.

8. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvraag gegrond zal verklaren en de zaak zal verwijzen naar een gerechtshof, opdat deze op de voet van art. 472, tweede lid, Sv opnieuw zal worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 In dit verband wordt verwezen naar de bijlagen 2 tot en met 3 bij het herzieningsverzoek waaruit blijkt dat een oorspronkelijk ingesteld cassatieberoep tegen het arrest van het hof is ingetrokken.