Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:185

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
02-02-2016
Datum publicatie
06-04-2016
Zaaknummer
14/05823
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:575, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Strafbare poging tot invoer van hasjiesj? Begin van uitvoering van het binnen het grondgebied van Nederland brengen van hasjiesj door met een speciaal daartoe geprepareerde auto naar Marokko te vertrekken om aldaar hasjiesj op te halen met als doel deze naar Nederland te brengen. ’s Hofs oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbare poging is bij uitstek erop gebaseerd dat het begin van uitvoering is gesitueerd "op het moment dat de verdachte met een speciaal daartoe geprepareerde auto naar Marokko vertrok". Dat oordeel is niet begrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat ook van de overige bewezenverklaarde gedragingen niet kan worden gezegd dat deze naar hun uiterlijke verschijningsvorm reeds in voldoende concrete mate gericht waren op de voltooiing van de invoer in Nederland van hasjiesj. CAG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/05823

Zitting: 2 februari 2016

D.J.C. Aben

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Bij arrest van 14 november 2014 heeft het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch zich – behoudens de opgelegde straf, de gebruikte bewijsmiddelen en de bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde – verenigd met het vonnis van de rechtbank Maastricht van 14 juli 2010, waarbij de verdachte was veroordeeld wegens feit 1.1 “medeplegen van poging tot opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod”, feit 1.2 “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” en feit 2 “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, vierde lid, van de Opiumwet”. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden.

2. Mr. A.A.T.X. Vonken, advocaat te Maastricht, heeft namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld. Mr. E. Maessen, advocaat te Maastricht, heeft namens de verdachte een schriftuur ingediend houdende een middel van cassatie.

3. De zaak hangt samen met die tegen M. Ould Hnini, nr. 14/06014, waarin ik vandaag ook concludeer.

4. Het middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte heeft overwogen “dat er sprake is van een begin van uitvoering ter zake van de invoer van hasjiesj”.

5. Ten laste van de verdachte is als feit 1.1 en feit 1.2 bewezenverklaard dat zij:

“Feit 1.1

in de periode van 7 november 2008 tot en met 10 januari 2009 te Susteren, gemeente Echt-Susteren en te Sittard, gemeente Sittard-Geleen en te Tanger tezamen en in vereniging met anderen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland te brengen een hoeveelheid hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, immers hebben verdachte en, haar mededaders een voertuig (Seat Toledo gekentekend [AA-00-BB]) gekocht en op naam gesteld en - voornoemd voertuig laten voorzien van een dubbele bodem en - zich ter beschikking gesteld om als koerier verdovende middelen te vervoeren en - door een of meer mededaders zijnde [betrokkene 1] en [betrokkene 2] gegeven aanwijzingen opgevolgd en - voornoemd voertuig in ontvangst genomen van [betrokkene 1] en - voornoemd voertuig naar Marokko gereden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en

feit 1.2 op meerdere tijdstippen gelegen in de periode van 01 december 2007 tot en met 21 december 2008 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied heeft gebracht hoeveelheden hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II”

6. Met betrekking tot de vraag of de bewezenverklaarde gedragingen kunnen worden aangemerkt als een begin van uitvoering, heeft het hof als volgt overwogen:

“Evenals de rechtbank constateert het hof dat in deze zaak vast staat dat de verdachte en haar partner, [betrokkene 3], en een ander stel zich met auto’s van hetzelfde type naar Marokko hebben begeven om aldaar hasjiesj op te halen en deze hasjiesj naar Nederland te smokkelen. Met dat doel waren beide auto’s van een verborgen ruimte voorzien. Op een gegeven moment is het andere stel vanuit Marokko naar Nederland vertrokken. Kort nadat dit stel in Nederland was gearriveerd bleek dat zij inderdaad hasjiesj binnen het grondgebied van Nederland hadden gebracht. Een aantal personen werd daarop door de politie aangehouden. Toen de verdachte dit hoorde vermoedde zij naar eigen zeggen direct dat het ging om het stel dat reeds met de andere auto vanuit Marokko naar Nederland was gereisd. De verdachte besloot daarop niet langer in Marokko te blijven en terug te vliegen naar Nederland. Naar het oordeel van het hof waren de even weergegeven gedragingen van meerdere betrokken personen, onder wie de verdachte, ontegenzeggelijk gericht op het transporteren van hasjiesj van Marokko naar Nederland. Er was dan ook reeds sprake van een begin van uitvoering van het invoeren van hasjiesj op het moment dat de verdachte met een speciaal daartoe geprepareerde auto naar Marokko vertrok om aldaar hasjiesj op te halen met als doel deze naar Nederland te brengen. Deze gedraging was naar haar uiterlijke verschijningsvorm immers gericht op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf, te weten het binnen het grondgebied van Nederland brengen van hasjiesj.”

7. In artikel 1, vierde lid, Opiumwet is als volgt uitbreiding gegeven aan het toepassingsbereik van het (feitelijke) binnen het grondgebied van Nederland brengen van middelen, waaronder hasjiesj, als bedoeld in artikel 3 Opiumwet.

“Onder binnen het grondgebied van Nederland brengen van middelen, bedoeld in de artikelen 2 en 3, is begrepen: het binnen het grondgebied van Nederland brengen van de voorwerpen of goederen, waarin die middelen verpakt of geborgen zijn en elke op het verder vervoer, de opslag, de aflevering, ontvangst of overdracht gerichte handeling, met betrekking tot die middelen, die binnen het grondgebied van Nederland zijn gebracht, of tot de voorwerpen of goederen, waarin die middelen verpakt of geborgen zijn.”

8. In cassatie kan ervan worden uitgegaan dat de verdachte naar Marokko is gereden met een auto die speciaal was geprepareerd om daarin hasjiesj te verbergen, en dit met de intentie deze hasjiesj met die geprepareerde auto binnen Nederland te brengen. Zo een auto kan worden aangemerkt als een voorwerp waarin hasjiesj zijn verpakt of geborgen, als bedoeld in artikel 1, vierde lid, Opiumwet.

9. De vraag rijst of de verdachte hiermee een begin van uitvoering heeft gemaakt van het hier bedoelde misdrijf. Die vraag laat zich nog niet zo makkelijk beantwoorden. Ik zal te dien einde een poging doen het recht vergelijkenderwijs te vinden.

10. Doordat de verdachte met het geprepareerde voertuig naar Marokko is gereden, verschilt deze zaak van de zaak die leidde tot HR 15 februari 2011 waarin de verdachte met een auto naar Roemenië was gereden om met een daar gereedstaande vrachtwagen waarin de verdovende middelen zich bevonden, terug naar Nederland te rijden.1 Het met een auto naar Roemenië rijden is “naar haar uiterlijke verschijningsvorm” een veel neutralere, bijna alledaags te noemen, gedraging dan het naar Marokko rijden met een voor de smokkel van verdovende middelen geprepareerd voertuig.

11. Ook verschilt de onderhavige zaak van de zaak die leidde tot HR 20 juni 1989,2 waarop eveneens een beroep wordt gedaan in de toelichting op het middel. Het “enkele zich begeven naar de gemeente” waar de verdachte de heroïne in ontvangst zou nemen, kon naar het oordeel van de Hoge Raad “niet worden aangemerkt als een gedraging die naar haar uiterlijke verschijningsvorm moet worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van dat voorgenomen misdrijf”.3 Bij “dat voorgenomen misdrijf” ging het echter in die strafzaak om het vervoeren van heroïne en dat is een andere gedraging dan het binnen Nederland brengen waar het in de onderhavige zaak om gaat. Vanwege het “delictsgebonden karakter van de uitvoeringshandelingen” kan dezelfde gedraging voor het ene delict wel en voor het andere delict niet als uitvoeringshandeling worden gekwalificeerd.4

12. De onderhavige zaak vertoont enkele overeenkomsten met HR 18 december 1986.5 Twee mannen waren vanuit Nederland in een door hen gekochte auto naar Turkije gereden waar in die auto heroïne is verstopt. Daarna is een van de mannen met het vliegtuig naar Nederland teruggekeerd, terwijl de ander met de auto richting Nederland is gereden. Hij werd echter aangehouden bij de Oostenrijks-Duitse grens. De man die met het vliegtuig naar Nederland was teruggekeerd is veroordeeld wegens poging tot het binnen het grondgebied van Nederland brengen van heroïne. Het verschil met de onderhavige zaak is met name gelegen in het terugrijden met de auto met heroïne. De vraag is daarmee of het aanvangen van de terugreis (in het bezit van de verdovende middelen) de drempel is die moet zijn overschreden wil een begin van uitvoering mogen worden aangenomen. Ik meen dat dit niet het geval is.

13. Meijers schreef in zijn conclusie voor het hiervoor besproken arrest: “Juist bij een langetermijnoperatie als een in Nederland opgezet heroïnetransport van Turkije naar Nederland zal de feitenrechter het begin van uitvoering al in een vroeg stadium van het handelen kunnen aannemen.” In die zin zit de bewezen-verklaarde gedraging “dicht tegen het misdrijf” aan, zoals mijn ambtgenoot Knigge opmerkte in zijn conclusie voor HR 17 november 2009.6

14. In HR 2 juni 19927 werd het huren van een auto voor het verdere vervoer van hasjiesj binnen Nederland, onder verwijzing naar artikel 1, vierde lid, Opiumwet gekwalificeerd als het binnen het grondgebied van Nederland brengen, zonder dat daarbij werd betrokken dat de verdachte met die gehuurde auto was gereden naar Stavoren waar het schip was aangekomen met daarin de door de verdachte verder te vervoeren hasjiesj.

15. Uit de gebezigde bewijsmiddelen in de onderhavige zaak kan worden opgemaakt dat de verdachte deel uitmaakte van een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, te weten internationale handel in verdovende middelen. In dat kader heeft de verdachte meerdere smokkeltransporten uitgevoerd en ook anderen bewogen als koerier voor die organisatie te werken. Met het oog op het transport uit Marokko naar Nederland, dat in Marokko strandde, heeft de verdachte de auto laten prepareren en op haar naam laten stellen. In Marokko aangekomen is de auto volgestopt met drugs. Het vertrek ervan is afgeblazen nadat de verdachte vermoedde dat een in Nederland ontdekt drugstransport, het eerder uit Marokko vertrokken transport betrof dat werd uitgevoerd door mensen die zij als koerier had geronseld. Vervolgens is de verdachte met haar zoon naar Nederland teruggevlogen.

16. Uit deze feiten en omstandigheden heeft het hof kunnen afleiden dat de bewezenverklaarde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht waren op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf, te weten het binnen Nederland brengen van hasjiesj.

17. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak zou moeten leiden.

18. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

de procureur-generaal bij
de Hoge Raad der Nederlanden


a-g

1 ECLI:NL:HR:2011:BO9971, r.o. 2.4.

2 NJ 1990/32.

3 HR 20 juni 1989, NJ 1990, 32, r.o. 5.1.

4 J. de Hullu, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 391.

5 NJ 1987/276 m.nt. A.C. ’t Hart.

6 ECLI:NL:PHR:2009:BJ3566, sub 9.

7 NJ 1992/774 r.o. 6.2.