Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:182

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
09-02-2016
Datum publicatie
05-04-2016
Zaaknummer
15/01028
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:564, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag, voorgenomen teruggave ex art. 116.3 Sv. Ontvankelijkheid cassatieberoep door ander dan klager en tijdigheid oproeping belanghebbende ex art. 552a.5 Sv. Casus: Onder A is een snorfiets in beslag genomen, waarna deze een klaagschrift heeft ingediend tegen het voornemen van de OvJ de snorfiets terug te geven aan B. B is op de hoogte gesteld van de openbare behandeling van het klaagschrift maar is niet verschenen. Rb heeft het klaagschrift van A gegrond verklaard en de teruggave van de snorfiets aan hem gelast.

1. Ontvankelijkheid cassatieberoep. Cassatieberoep van B is gericht tegen beslissing tot teruggave aan A. B kan worden ontvangen in zijn cassatieberoep, nu zich hier de situatie voordoet dat de OvJ aan beslagene (A) mededeling heeft gedaan van zijn voornemen het inbeslaggenomen voorwerp ex art. 116.3 Sv aan B terug te geven.

2. Tijdigheid oproeping. B is niet eerder dan 2 dagen vóór de behandeling van het klaagschrift in raadkamer op de hoogte gesteld van die behandeling. Oordeel van de Rb dat B behoorlijk is opgeroepen, geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting. HR: Op de gronden die zijn vermeld in de CAG is het middel terecht voorgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/01028 B

Mr. Harteveld

Zitting 9 februari 2016

Conclusie inzake:

[B]

1. De Rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 9 januari 2015 een door [A] ingediend klaagschrift strekkende tot teruggave aan hem van een onder hem inbeslaggenomen snorfiets, merk Piaggio C38, met kenteken [AA-00-BB] , met bijbehorende papieren, gegrond verklaard.

2. Tegen deze beschikking is door [B] , beroep in cassatie ingesteld. Namens [B] heeft mr. A.J.M. Vélu, advocaat te Rotterdam, een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.


3.1. Ik schets kort de gang van zaken die aan deze beklagzaak ten grondslag liggen. [B] , die na het einde van zijn detentie hoorde van diefstal van zijn snorfiets, heeft op 13 juli 2013 aangifte bij de politie gedaan van die diefstal. Uit onderzoek is gebleken dat de snorfiets op 18 mei 2013 is overgeschreven op naam van ene [C] en dat de snorfiets vervolgens op 3 juni 2013 is overgeschreven op naam van [A] , onder wie de snorfiets op 23 november 2013 is inbeslaggenomen. [A] stelt eigenaar te zijn van de inbeslaggenomen snorfiets. Hij heeft de snorfiets naar zijn zeggen te goeder trouw geruild tegen zijn personenauto, een Volkswagen Golf. De officier van justitie heeft bij brief van 9 juli 2014 gericht aan [A] te kennen gegeven dat hij voornemens is om de inbeslaggenomen snorfiets, terug te geven aan [B] . Daarop heeft [A] een klaagschrift ingediend, dat is ingekomen bij de Rechtbank op 30 juli 2014, waarin hij aangeeft dat hij het niet eens is met de teruggave van de snorfiets aan [B] . Voorts verzoekt [A] teruggave van de snorfiets aan hem.

3.2.1. Het cassatieberoep is gericht tegen een beschikking die is gegeven op een klaagschrift van de beslagene, [A] , gericht tegen het voornemen van de officier van justitie om de inbeslaggenomen snorfiets terug te geven aan [B] . [B] is als belanghebbende derde (aangever) ingevolge het bepaalde in artikel 552a, vijfde lid, Sv, op de hoogte gebracht van het door [A] ingediende klaagschrift, van de datum en de tijd waarop de openbare behandeling van het klaagschrift zou plaatsvinden, alsmede van de mogelijkheid om tijdens de raadkamerbehandeling te worden gehoord. [B] heeft zelf geen klaagschrift ingediend en is evenmin in openbare raadkamer verschenen. De Rechtbank heeft geoordeeld dat [A] te goeder trouw is geweest bij de ruil van de snorfiets en heeft het klaagschrift van [A] gegrond verklaard en de teruggave aan hem gelast van de snorfiets. Tegen voormelde beschikking staat voor [B] – niet zijnde de klager - blijkens art. 552d, tweede lid, Sv in beginsel geen cassatieberoep open.1 Echter, een uitzondering op deze regel is door de Hoge Raad gemaakt wanneer sprake is van een voorgenomen teruggave als bedoeld in art. 116, derde lid, Sv.

3.2.2. In het onderhavige geval heeft de officier van justitie gebruik gemaakt van de hem in art. 116, derde lid, Sv gegeven bevoegdheid door aan [A] , de beslagene, mededeling te doen van zijn voornemen de inbeslaggenomen snorfiets aan een ‘ander’ (dan de beslagene), te weten [B] , terug te geven. Bij mij is daarop de vraag gerezen of het voor de ontvankelijkheid van het cassatieberoep ingesteld door de belanghebbende, niet-beslagene, vereist is dat de officier van justitie ook aan deze die mededeling heeft gedaan. Uit de voorliggende stukken kan immers niet worden afgeleid dat [B] - afgezien van de latere kennisgeving als bedoeld in art. 552a, vijfde lid, Sv - ook op de hoogte is gesteld van het voornemen van de officier van justitie.

Bij bestudering van de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie van soortgelijke zaken valt mij op dat de officier van justitie, naast de beslagene, telkens ook de ‘ander’ mededeling doet van zijn voornemen tot teruggave van het inbeslaggenomene.2 Die ‘ander’, die het cassatieberoep had ingesteld, maar zelf geen klaagschrift had ingediend, aan wie de officier van justitie mededeling heeft gedaan van zijn voornemen tot teruggave, dan wel omdat hij als zodanig moest worden beschouwd daar het inbeslaggenomene reeds aan hem was teruggegeven, werd ontvangen in zijn cassatieberoep.3

Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het cassatieberoep van M., belanghebbende, tegen de beschikking van de Rechtbank tot teruggave van de bromfiets aan A. overwoog de Hoge Raad in zijn arrest van 3 december 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0589, NJ 1997/387, met aanhaling van de toepasselijke wetsgeschiedenis, het volgende:

“5.1. De Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 12 april 1995 tot wijziging van enige bepalingen in het Wetboek van Strafvordering en enkele andere wetten inzake de bewaring en teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen (Stb. 254), waarbij onder meer art. 116, derde lid (nieuw), Sv in het Wetboek is opgenomen, houdt onder meer in (Kamerstukken II, 1993–1994, 23 692, nr. 3, blz. 3):

'Dit wetsvoorstel is er niet op gericht de regeling van bewaring en teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen op wezenlijk andere leest te schoeien. Wel wordt op de uitgangspunten een belangrijke nuance aangebracht: ik ben van oordeel dat in de bestaande regeling onvoldoende rekening wordt gehouden met de belangen van rechthebbenden — anderen dan de beslagene (…).'

5.2 Bij art. 116, derde lid (nieuw), in verbinding met het tweede lid onder a (nieuw), Sv is aan de officier van justitie — behoudens beklag door de beslagene — de bevoegdheid verleend om een inbeslaggenomen voorwerp te doen teruggeven aan een ander dan degene bij wie het is inbeslaggenomen indien die ander redelijkerwijze als rechthebbende kan worden aangemerkt. Bij de tweede in genoemd derde lid voorkomende volzin is op het beklag Titel IX van het Vierde Boek van overeenkomstige toepassing verklaard.

5.3 Mede gelet op het hiervoren onder 5.1 overwogene dient art. 116, derde lid, tweede volzin (nieuw), Sv aldus te worden verstaan,

A. dat het bij art. 552d, eerste lid, Sv gegeven voorschrift tot onverwijlde betekening van een ingevolge art. 552a Sv gegeven beschikking tevens noopt tot onverwijlde betekening daarvan aan de hiervoren onder 5.1 bedoelde 'ander' aan wie de officier van justitie mededeling heeft gedaan van zijn voornemen tot teruggave van het voorwerp aan hem; en

B. dat de bij art. 552d, tweede lid, Sv aan de klager gegeven bevoegdheid, om tegen een ingevolge art. 552a Sv gegeven beschikking binnen veertien dagen na de betekening daarvan cassatieberoep in te stellen, tevens toekomt aan de 'ander', bedoeld onder (A).”

De wetsgeschiedenis wijst in de richting van een constitutief vereiste, door het bezigen van de bewoordingen: “de (…) 'ander' aan wie de officier van justitie mededeling heeft gedaan van zijn voornemen tot teruggave van het voorwerp aan hem.” In zoverre lijkt het er op het eerste gezicht op dat de door mij opgeworpen vraag bevestigend dient te worden beantwoord.

Toch vraag ik mij af in hoeverre die strikte benadering doorgang moet vinden, mede gelet op de meer recentere uitspraak van de Hoge Raad, HR 23 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2772, waarin als volgt werd overwogen:

“In de onderhavige zaak doet zich niet de situatie voor dat de officier van justitie aan de beslagene mededeling heeft gedaan van zijn voornemen het inbeslaggenomen voorwerp met toepassing van art. 116, derde lid, Sv aan hem of aan een ander terug te geven, dan wel de situatie dat de beslagene moet worden beschouwd als een persoon aan wie een zodanige mededeling is gedaan. In dat geval zou (…) het cassatieberoep tegen de bestreden beschikking ontvankelijk zijn.”

Hieruit kan worden afgeleid dat het voldoende is als de officier van justitie mededeling heeft gedaan van zijn voornemen tot teruggave aan de beslagene. Over de omstandigheid dat die ‘ander’ op de hoogte moet worden gesteld door de officier van justitie wordt niet gerept. Ook mijn ambtsgenoten Vellinga4 en Knigge5 lijken te opteren voor een minder formalistische uitleg. Zo geeft Vellinga aan dat een belanghebbende pas reden heeft om op te treden wanneer de Rechtbank door haar beslissing de uitvoering van het voornemen van de officier van justitie belemmert. Tot dan toe had de belanghebbende derde niets te klagen want de officier van justitie was immers voornemens het inbeslaggenomene aan hem te retourneren. Knigge stelt dat wanneer de beklagprocedure die wordt ingeleid met een kennisgeving aan de beslagene dat het Openbaar Ministerie voornemens is het inbeslaggenomen voorwerp aan een ander terug te geven (art. 116 lid 3 Sv), die ‘ander’ niet veel te klagen heeft en dat hij er vaak van zal afzien om zijnerzijds een klaagschrift in te dienen. Als het klaagschrift van de beslagene gegrond wordt verklaard, kan de derde, hoewel hij zelf geen klaagschrift heeft ingediend, toch tegen die beschikking beroep in cassatie instellen.

Concluderend kan ik stellen dat de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie niet een eenduidig antwoord verschaffen op de vraag of het in het kader van de ontvankelijkheid vereist is dat de officier van justitie ook expliciet de ander/derde op de hoogte moet stellen van zijn voornemen tot teruggave. Ik kan mij goed vinden in een minder formalistische benadering, op de gronden genoemd door Vellinga en Knigge. Ook in de onderhavige zaak is de officier van justitie (aanvankelijk) opgekomen voor de belangen van [B] en had [B] geen redenen om te klagen totdat er ‘een kink in de kabel’ kwam in de uitvoering van het voornemen van de officier van justitie. De uitzondering op de in art. 552d, tweede lid, Sv gestelde regel dient mijns inziens dan ook als volgt te worden uitgelegd: Wanneer de officier van justitie toepassing geeft aan het bepaalde in art. 116, derde lid, Sv, zal in ieder geval aan de beslagene mededeling te worden gedaan van zijn voornemen het inbeslaggenomen voorwerp aan een ander terug te geven. Als het klaagschrift van de beslagene gegrond wordt verklaard, kan de derde, hoewel hij zelf geen klaagschrift heeft ingediend toch tegen die beschikking cassatieberoep instellen ex art. 552d, tweede lid, Sv. Door de beslissing van de Rechtbank heeft de derde immers belang bij het cassatieberoep.

3.3. Het vorenstaande brengt mee dat, naar mijn mening, [B] ontvankelijk is in zijn cassatieberoep.6

4.1. Dat leidt ertoe dat het middel voor bespreking in aanmerking komt. Dat middel komt op tegen het oordeel van de Rechtbank dat [B] behoorlijk is opgeroepen.

4.2. De bestreden beschikking houdt - voor zover van belang - in:

“De rechtbank heeft in openbare raadkamer van 9 januari 2015 gehoord de officier van justitie mr. L. Bonsel en de klager. De belanghebbende [B] is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.”

4.3. Bij de stukken van het geding bevindt zich een kennisgeving als bedoeld in artikel 552a, vijfde lid, Sv, van 7 januari 2015, afkomstig van de griffier van de Rechtbank Rotterdam, gericht aan [B] , [adres]. Deze kennisgeving bevat onder meer de volgende inhoud:

“Door [A] is een klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (tegen in beslaggenomen voorwerpen, snorfiets Piaggio) ingediend.

Op 9 januari 2015 te 10.35 uur zal bovenvermeld klaagschrift ter openbare terechtzitting van de raadkamer van deze rechtbank, zitting houdende aan de Wilhelminaplein 125, 3072 AL Rotterdam, worden behandeld. U wordt de gelegenheid geboden om, desgewenst, tijdens deze terechtzitting te worden gehoord.”

4.4. Het hier van toepassing zijnde vijfde lid van artikel 552a Sv luidt als volgt:

“5. De griffier van het gerecht dat tot afdoening bevoegd is, zendt aan degene bij wie het voorwerp is in beslag genomen, indien hij noch de klager is, noch afstand van het voorwerp heeft gedaan, en zijn adres bekend is, onverwijld een afschrift van het klaagschrift en deelt hem mee dat hij zijnerzijds een klaagschrift kan indienen. Op last van de voorzitter van het gerecht stelt de griffier tevens andere belanghebbenden van het klaagschrift in kennis, hun de gelegenheid biedende hetzij zelf binnen een in de kennisgeving te vermelden termijn een klaagschrift in te dienen, betrekking hebbend op hetzelfde voorwerp of dezelfde gegevens, hetzij tijdens de behandeling van het klaagschrift te worden gehoord. In het laatste geval geldt de kennisgeving als oproeping.”7

4.5. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat [B] zodanig laat is opgeroepen dat niet meer van een behoorlijke oproeping kan worden gesproken. De kennisgeving is immers niet eerder aan [B] verzonden dan op 7 januari 2015, terwijl de behandeling in raadkamer was gepland op 9 januari 2015. Daardoor kon [B] niet aanwezig zijn bij de behandeling van het klaagschrift en kon hij zich niet tijdig voorzien van juridisch bijstand, met als gevolg dat de Rechtbank geen kennis heeft kunnen nemen van zijn standpunt.

4.6. In aanmerking genomen de datum waarop de kennisgeving is gedateerd, kan worden afgeleid dat - zoals de steller van het middel terecht opmerkt - [B] niet eerder dan op 7 januari 2015 op de hoogte is gesteld van de behandeling van het ingediende klaagschrift in raadkamer op 9 januari 2015 (twee dagen later). Gelet hierop kan bezwaarlijk worden volgehouden dat is voldaan aan het stelsel van eisen zoals is bepaald in de eerste volzin van het vijfde lid van artikel 552a Sv. Die eisen houden immers in dat de belanghebbende tijdig op de hoogte moet worden gesteld van een ingediend klaagschrift en hem de mogelijkheid moet worden geboden om zelf een klaagschrift in te dienen8 dan wel in raadkamer te worden gehoord. Van een redelijke termijn voor het aanwenden van die processuele mogelijkheden is gelet op het tijdsbestek gelegen tussen het moment van kennisgeving en de behandeling in raadkamer in het onderhavige geval geen sprake. Dit betekent dat de kennisgeving niet voldoet aan de eisen die zijn gesteld in art. 552a, vijfde lid, Sv. Het oordeel van de Rechtbank dat [B] behoorlijk is opgeroepen, geeft aldus blijk van een onjuiste rechtsopvatting. 9 Voor zover het middel hierover klaagt is het mijns inziens terecht voorgesteld.

4.7. Het middel slaagt.

5. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden beschikking ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot verwijzing of terugwijzing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie voor de gevallen waarin de belanghebbende derde niet in het cassatieberoep werd ontvangen: o.m. HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3107, HR 23 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2772, HR 27 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5512, HR 31 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8268 en HR 3 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO0610.

2 Vgl. o.m. HR 3 december 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0589, NJ 1997/387, HR 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1656, HR 3 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC8660 (HR: art. 81 RO) en HR 24 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT8915.

3 Vgl. de onder voetnoot 2 genoemde uitspraken.

4 Zie de conclusie van A-G Vellinga (ECLI:NL:PHR:2012:BX5512, rov. 6) vóór HR 27 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5512.

5 Zie de conclusie van A-G Knigge (ECLI:NL:PHR:2014:1941, rov. 4.6) vóór HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3107.

6 Ik merk daarbij op dat uit de in cassatie kenbare stukken niet blijkt dat de beschikking van de Rechtbank van 9 januari 2015 ook aan [B] is betekend – hetgeen in mijn opvatting wel had moeten geschieden, zie het hierboven, onder 3.2.2. geciteerde arrest van de Hoge Raad, rov. 5.3. Daarin wordt de betekeningsplicht van art. 552d , eerste lid Sv uitgebreid tot de hier aan de orde zijnde ‘derden’. De termijn voor het instellen van cassatieberoep door de huidige verzoeker was dus nog niet verstreken op het moment van instellen daarvan, op 26 februari 2015. Ik teken daarbij aan dat de betekening aan de klager ( [A] ) blijkens de stukken eerst op 9 maart 2015 is geschied.

7 Zie ook HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823.

8 Ik teken aan dat niet wordt geklaagd dat in de oproeping ook is verzuimd [B] erop te wijzen dat hij een klaagschrift kan indienen tegen de inbeslagneming van de snorfiets.

9 Vgl. HR 24 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT8915.