Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:173

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
22-03-2016
Datum publicatie
01-04-2016
Zaaknummer
15/03542
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2122, Gevolgd
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Vrijstelling voor pensioenlichamen (art. 5(1)b) Wet Vpb jo art. 3 UB Vpb)

Pensioenfonds houdt zich op basis van profit share met een commerciële vermogensbeheerder bezig met dividendarbitrage met als verdienmodel teruggave van buitenlandse bronbelasting op grond van haar vrijgestelde status. Stelt zo’n fonds zich (nagenoeg) uitsluitend ten doel de verzorging van (gewezen) werknemers bij invaliditeit en ouderdom? Stemt haar werkzaamheid overeen met dat doel? Ondernemingsfictie ex art. 4(b) Wet Vpb.

Zijn ten onrechte op de zaak betrekking hebbende stukken niet overgelegd?

Integrale proceskostenvergoeding?

Feiten: De belanghebbende is een pensioenfonds (stichting) verbonden aan een BV. Tussen 9 en 16 werknemers van die BV bouwden in 2009 t/m 2013 bij de belanghebbende pensioen op over het variabele deel van hun loon. Sinds 1 januari 2009 beheert de BV belanghebbendes vermogen. Tot 1 januari 2011 betaalde de belanghebbende een prestatiegerelateerde vergoeding aan de BV. Vanaf die datum delen zij de winst, hetgeen tot significant groter voordeel dan voorheen voor de BV leidt. De belanghebbende houdt zich met hulp van de BV bezig met cash & carry dividendarbitrage. De belanghebbende heeft daarmee in 2010 – 2012 voor een pensioenfonds ongebruikelijk grote voordelen behaald. Haar verdienmodel steunt voornamelijk op het uitgangspunt dat zij is vrijgesteld van vennootschapsbelasting en daarom restitutie van buitenlandse (voornamelijk Belgische) dividendbelasting kan vragen die ingehouden is op door haar genoten dividenden.

In geschil is of de belanghebbende ex art. 5(1)(b) Wet Vpb 1969 juncto art. 3 Uitvoeringsbesluit Vpb 1971 als pensioenfonds is vrijgesteld van vennootschapsbelastingplicht. Subsidiair stelt de belanghebbende dat als zij niet voldoet aan de toets ex art. 5(1)(b) Wet Vpb (pensioenverzorging), zij evenmin valt onder de wetsfictie van art. 4(b) Wet Vpb 1969 (pensioenverzekering is ondernemingsactiviteit) en dus op die grond niet-belastingplichtig is, nu zij (stichting) overigens geen onderneming drijft. Ook maakte zij aanspraak op integrale proceskostenvergoeding. In cassatie klaagt zij voorts over niet-overlegging aan de feitenrechter van op de zaak betrekking hebbende stukken

De Rechtbank Noord Holland oordeelde dat de belanghebbende in 2010 en 2011 naast haar statutaire doel het bevoordelen van de BV nastreefde op een schaal die niet bijkomstig genoemd kon worden zodat de vrijstelling ex art. 5 Wet Vpb niet van toepassing was.

Het Hof Amsterdam oordeelde daarentegen dat de belanghebbende de arbitrage (wel) voor eigen rekening en risico uitvoerde, maar ook dat die activiteit meer of iets anders is dan eenvoudig vermogensbeheer, en dat zij zich meer dan bijkomstig ten doel stelde een commerciële onderneming in effecten te drijven samen met de BV, zodat om die reden de vrijstelling ex art. 5(b) Wet Vpb 1969 niet van toepassing was. Voorts oordeelde het Hof dat de belanghebbende evenmin voldeed aan art. 3 UB Vpb (werkzaamheid moet overeenstemmen met het doel van pensioenverzorging), omdat zij zich tot aanzienlijke bedragen met andere middelen dan premie-inleg en normale beleggingsopbrengst op de markt begaf en de premies en depositorente noch nodig waren, noch gebruikt werden voor haar arbitrage-activiteiten. Het Hof verwierp belanghebbendes subsidiaire standpunt (als de doelstelling niet pensioenverzorging is, dan is ook art. 4(b) Wet Vpb niet van toepassing en bestaat om die reden geen belastingplicht) vanwege de ruime betekenis van “pensioenwerkzaamheid” in art. 4(b) Wet Vpb.

In cassatie: de belanghebbende acht art. 5(1)(b) Wet Vpb 1969 juncto art. 3 UB Vpb 1971 geschonden (middel I) door ’s Hofs oordeel dat zij niet aan de doelstellingstoets voldoet omdat haar bezigheden meer of iets anders zouden zijn dan eenvoudig vermogensbeheer; zij meent bovendien dat het Hof buiten de rechtsstrijd is getreden. Zij acht (middel II) art. 5(1)(b) Wet Vpb 1969 juncto art. 3 UB Vpb 1971 eveneens geschonden door ’s Hofs oordeel dat zij evenmin aan de werkzaamhedentoets voldoet doordat zij met aanzienlijk meer middelen dan premiegelden en het depositoresultaat opereerde; het Hof is bovendien voorbij gegaan aan haar bewijsaanbod. Subsidiair meent zij (middel III) dat als zij geen vrijgesteld pensioenfonds is, zij evenmin onder de ondernemingsfictie van art. 4(b) Wet Vpb valt. Middel IV betreft het niet-ambtshalve bij de Inspecteur opvragen door het Hof van volgens de belanghebbende op de zaak betrekking hebbende stukken en middel V de niet-toekenning van (volledige) proceskostenvergoeding.

Volgens A-G Wattel verraadt ‘s Hofs oordeel dat de belanghebbende niet aan de doelstellingstoets van art. 5(1)(b) Wet Vpb voldoet geen onjuiste rechtsopvatting, met name niet in het licht van (het regeringsstandpunt ter zake van) de criteria in het rapport van de Commissie Staatsen en met name geen verkeerde invulling van de term ‘simpel’ of ‘normaal vermogensbeheer’. De belanghebbende gaat er ten onrechte aan voorbij dat ‘s Hof zeven redenen in hun onderlinge verband bezien en als geheel beoordeeld moeten worden. Zij bestrijdt voorts een vooral feitelijk oordeel dat geenszins onbegrijpelijk is en evenmin onvoldoende is gemotiveerd.

Middel II, dat de werkzaamhedentoets ex art. 3 UB Vpb betreft, mist volgens de A-G voorwerp als de belanghebbende al niet voldoet aan de doelstellingeis die de wet stelt. Ziet de Hoge Raad dat anders, dan meent hij dat ook middel II vooral feitelijke oordelen bestrijdt die niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd zijn. Rechtskundig bestrijdt het de relevantie en ’s Hofs interpretatie van HR BNB 1993/89, maar dat arrest acht de A-G (nog steeds) relevant voor de werkzaamhedentoets en ’s Hofs toepassing ervan komt hem rechtskundig correct voor, ook met betrekking tot de invulling van de term ‘andere middelen’ (dan premiegelden en daarop verschenen depositorente). De belanghebbende gebruikt in significante mate andere middelen dan premie en daarop verschenen depositorente. Uit HR BNB 1993/89 blijkt dat niet ter zake doet hoe die andere middelen gefinancierd zijn. Evenmin doet ter zake of sprake was van echte of synthetische leningen of van securities lending of van multiplying, zodat het Hof voorbij kon gaan aan bewijsaanbod ter zake van securities lending. Hij acht ‘s Hofs feitenvaststelling niet verrassend en diens oordeel over de werkzaamhedentoets in lijn met HR BNB 1993/89, zodat hij belanghebbendes klacht dat zij overvallen is met “een andere en nieuwe invulling” van het werkzaamhedencriterium die niet strookt met de feiten ongegrond acht.

Ad middel III meent de A-G dat, nu de belanghebbende een effectenhandel en arbitrage-onderneming drijft naast pensioenverzorging, en geen andere activiteiten heeft, zij ofwel vanwege het ondernemingskarakter van haar bezigheid, ofwel vanwege het pensioen-verzorgingskarakter van haar bezigheid belastingplichtig is, in het eerste geval ex art. 2 Wet Vpb, in het tweede geval ex art. 4 Wet Vpb. Zij treedt bovendien in concurrentie met belastingplichtige ondernemingen, zodat de A-G ook teleologisch belastingplicht op haar plaats acht.

Ad middel IV maakt de A-G uit HR BNB 2008/161 en HR BNB 2012/251 op dat de feitenrechter bij constatering dat de Inspecteur niet voldaan heeft aan zijn verplichting om de op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen, slechts verplicht is om overlegging van ontbrekende stukken te vragen of te onderzoeken of niet-overlegging een beroep op art. 8:29 Awb inhoudt en of dat dan gerechtvaardigd is, als de belanghebbende klaagt over schending van art. 8:42 Awb of de rechter anderszins reden heeft stukken op te vragen. Kennelijk heeft het Hof niet gemeend dat de desbetreffende stukken (rechtelijke uitspraken in procedures die de belanghebbende zelf voerde resp. stukken over gegevensuitwisseling met België) op de zaak betrekking hadden. Evenmin heeft de belanghebbende gesteld dat er enige aanslag (mede) op gebaseerd is, of anderszins gesteld dat het om op de zaak betrekking hebbende stukken zou gaan of om hun overlegging gevraagd. Aangenomen kan overigens worden dat haar de (gepubliceerde) uitspraken in haar eigen procedures bekend waren.

Ad middel V meent de A-G dat de gestelde wanverhouding tussen procesbelang en proceskosten niet is gesubstantieerd en in cassatie niet onderzocht kan worden, en dat op belanghebbendes geval noch het Unierecht, noch art. 6 EVRM van toepassing is.

Het kennelijk voorwaardelijke incidentele cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën behoeft volgens de A-G geen behandeling.

Conclusie: principaal cassatieberoep ongegrond; voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep buiten behandeling laten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/727
V-N 2016/39.12 met annotatie van Redactie
FutD 2016-0855
NTFR 2016/1118 met annotatie van Drs. N.E. Vis
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

mr. P.J. Wattel

Advocaat-Generaal

Conclusie van 22 maart 2016 inzake:

Nr. Hoge Raad: 15/03542

Stichting [X]

Nr. Gerechtshof: 14/00567;14/00568;14/00569

Nr. Rechtbank: AWB 14/550;14/820;14/1201

Derde Kamer A

tegen

Vennootschapsbelasting 2010 en 2011

Staatssecretaris van Financiën

1 Overzicht

1.1

De belanghebbende is een pensioenfonds dat verbonden is aan [A] BV (de BV). Tussen 9 en 16 werknemers van de BV bouwden in 2009 tot en met 2013 pensioen op bij de belanghebbende over het variabele deel van hun loon. Over het vaste deel van hun loon bouwden zij elders pensioen op.

1.2

Sinds 1 januari 2009 beheert de BV het vermogen van de belanghebbende. Tot 1 januari 2011 heeft de belanghebbende op grond van een Vermogensbeheersovereenkomst een prestatie-gerelateerde vergoeding aan de BV betaald voor dat vermogensbeheer. De Vermogensbeheerovereenkomst is per die datum vervangen door een Samenwerkings-overeenkomst tussen de belanghebbende en de BV. Vanaf die datum betaalt de belanghebbende geen vermogensbeheervergoeding meer, delen de BV en zij de winst (“Profit Share”), hetgeen tot significant groter voordeel dan voorheen voor de BV leidt.

1.3

De belanghebbende houdt zich met hulp van haar vermogensbeheerder (de BV) bezig met cash & carry dividendarbitrage. Dat houdt in dat zij tegelijk een long positie inneemt in effecten cum dividend en een short positie in derivaten van dezelfde effecten ex dividend. Daardoor ontstaat een volledig gedekte positie (r.o. 2.31 Rechtbank). Omdat de derivaten een uitoefenprijs ad € 0,01 hebben, is wederverkoop van de gekochte effecten gegarandeerd.

1.4

Met deze transacties heeft de belanghebbende in de jaren 2010 – 2012 voor een pensioenfonds ongebruikelijk grote voordelen behaald. Haar verdienmodel steunt voornamelijk op de veronderstelling dat zij is vrijgesteld van vennootschapsbelasting en (daarom) recht heeft op restitutie van buitenlandse (voornamelijk Belgische) dividendbelasting die ingehouden is op door haar genoten dividenden.

1.5

In 2010 en 2011 stond belanghebbendes gehele vermogen (ingelegde premies en winstbijschrijvingen) op depositorekeningen bij Investec Bank Plc, een Britse dochter van een Zuid-Afrikaanse bank. Dit vermogen (balanspost ‘cash and cash equivalents’; r.o. 2.38 en 2.39 Rechtbank) bedroeg ultimo 2010 circa € 1 miljoen en ultimo 2011 circa € 2,1 miljoen en was mede beschikbaar voor arbitrage (‘de actieve strategie’) via de BV. Volgens haar commerciële balans had de belanghebbende een totaal vermogen op 31 december 2010 ad € 106.800.277 en op 31 december 2011 ad € 38.350.828.

1.6

In feitelijke instanties was in geschil of de belanghebbende ex art. 5(1)(b) Wet Vpb 1969 juncto art. 3 Uitvoeringsbesluit Vpb 1971 als pensioenfonds is vrijgesteld van vennootschapsbelastingplicht. Subsidiair stelde de belanghebbende dat als zij niet voldoet aan de werkzaamhedentoets ex art. 5(1)(b) Wet Vpb, zij desondanks is vrijgesteld omdat zij dan evenmin valt onder de wetsfictie van art. 4(b) Wet Vpb 1969 (pensioenverzekering is ondernemingsactiviteit) en zij overigens geen onderneming drijft. Ook maakte zij aanspraak op integrale proceskostenvergoeding.

1.7

De Rechtbank oordeelde dat de belanghebbende in 2010 en 2011 naast haar statutaire doel nog een ander doel nastreefde: het bevoordelen van de BV door een aanzienlijk deel van haar “bruto trade income” aan de BV ten goede te doen komen. Gelet op de omvang van de betalingen kon die nevendoelstelling niet zo bijkomstig genoemd worden dat de belanghebbende zich nagenoeg uitsluitend de verzorging van (gewezen) werknemers en hun verwanten ten doel stelde. De Rechtbank achtte de vrijstelling niet van toepassing. Voor een aantal zaaknummers heeft zij de Inspecteur veroordeeld in de forfaitaire proceskosten ex het Besluit proceskosten bestuursrecht; zij heeft belanghebbendes verzoek om integrale proceskostenvergoeding afgewezen.

1.8

Het Hof is er “veronderstellenderwijs” van uitgegaan dat de omzetting van de vermogensbeheerovereenkomst (fee) in een samenwerkingsovereenkomst (profit share) ook voor de belanghebbende zakelijk was, nu de Inspecteur noch belanghebbendes winstbestemming, noch de zakelijkheid van (de omvang van) haar financiële vergelding van de diensten van de BV heeft betwist. Het Hof achtte niet aannemelijk dat de belanghebbende de cash & carry transacties niet voor eigen rekening en risico maar voor anderen uitvoerde. Wel oordeelde hij dat de cash & carry activiteiten meer of iets anders zijn dan eenvoudig vermogensbeheer, en dat de belanghebbende een meer dan bijkomstig ander oogmerk dan pensioenverzorging had, nl. het drijven van een commerciële onderneming, samen met [A] , in effecten en arbitrage. Dat niet-bijkomstige oogmerk staat in de weg aan toepassing van de vrijstelling ex art. 5(b) Wet Vpb 1969 omdat de belanghebbende zich niet nagenoeg geheel ten doel stelt pensioen te verzorgen. Voor zoveel na dat oordeel nog nodig, oordeelde het Hof vervolgens dat de belanghebbende evenmin voldoet aan het werkzaamheidscriterium ex art. 3 UB Vpb 1971 (werkzaamheid moet overeenstemmen met het doel van pensioenverzorging), met name doordat zij zich tot aanzienlijke bedragen met andere middelen dan premie-inleg en normale beleggingsopbrengst op de markt begeeft en doordat die inleg en depositorente noch gebruikt worden, nog nodig zijn voor belanghebbendes arbitrage-activiteiten.

1.9

Met betrekking tot belanghebbendes subsidiaire standpunt (als haar doelstelling niet pensioenverzorging is, dan valt zij ook niet onder art. 4(b) Wet Vpb en is zij dus om die reden niet belastingplichtig) oordeelde het Hof dat, gezien de ruime betekenis van “pensioenwerk-zaamheid” in art. 4(b) Wet Vpb dit begrip mede belanghebbendes werkzaamheden voor haar nevendoelstelling omvat. Het Hof achtte de belanghebbende volledig belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. Hij heeft belanghebbendes hogere beroep ongegrond verklaard en geen proceskostenvergoeding toegekend voor de in hoger beroep gemaakte kosten.

1.10

De belanghebbende heeft daartegen cassatieberoep ingesteld. Zij acht (middel I) art. 5(1)(b) Wet Vpb 1969 juncto art. 3 UB Vpb 1971 geschonden door ’s Hofs oordeel dat zij niet aan de doelstellingstoets voldoet omdat haar bezigheden meer of iets anders zijn dan eenvoudig vermogensbeheer; zij meent bovendien dat het Hof buiten de rechtsstrijd is getreden. Zij acht (middel II) art. 5(1)(b) Wet Vpb 1969 juncto art. 3 UB Vpb 1971 eveneens geschonden door ’s Hofs oordeel dat zij evenmin aan de werkzaamhedentoets voldoet doordat zij met aanzienlijk meer middelen dan premiegelden en het beleggingsresultaat daarop opereerde. De belanghebbende meent dat het Hof bovendien ten onrechte voorbij is gegaan aan haar bewijsaanbod. Subsidiair meent zij (middel III) dat als zij geen vrijgesteld pensioenfonds is, zij evenmin onder de ondernemingsfictie van art. 4(b) Wet Vpb valt. Middel IV betreft het niet-ambtshalve bij de Inspecteur opvragen door het Hof van volgens de belanghebbende op de zaak betrekking hebbende stukken en middel V de niet-toekenning van (volledige) proceskostenvergoeding.

1.11 ‘

‘s Hofs oordeel houdt in dat de belanghebbende niet aan de doelstellingstoets (oogmerktoets) van art. 5(1)(b) Wet Vpb voldoet omdat zij zich niet "uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ten doel (…) (stelt) de verzorging van werknemers en gewezen werknemers bij invaliditeit (etc.)” (r.o. 4.8.4 Hof). Hij baseert dat op een catalogus van feiten. De belanghebbende bestrijdt die één voor één, maar mijns inziens (i) verraadt ‘s Hofs redengeving geen onjuiste rechtsopvatting, met name niet in het licht van (het regeringsstandpunt ter zake van) de criteria in het rapport van de Commissie Staatsen en met name geen verkeerde invulling van de term ‘simpel’ of ‘normaal vermogensbeheer’, (ii) gaat de belanghebbende er ten onrechte aan voorbij dat ‘s Hof gronden in hun onderlinge verband bezien en als geheel beoordeeld moeten worden, en (iii) bestrijdt de belanghebbende een vooral feitelijk oordeel dat geenszins onbegrijpelijk is en evenmin onvoldoende is gemotiveerd.

1.12

Ad middel II, dat de werkzaamhedentoets ex art. 3 UB Vpb betreft, meen ik dat die toets niet ter zake doet als het pensioenfonds al niet voldoet aan de doelstellingseis die de wet stelt. Voor het geval u de werkzaamhedentoets wel nog relevant acht, meen ik dat middel II vooral feitelijke oordelen bestrijdt die niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd zijn en die in cassatie niet met vrucht bestreden kunnen worden. Het bestrijdt voorts rechtskundig de relevantie en ’s Hofs interpretatie van HR BNB 1993/89, maar dat arrest is mijns inziens (nog steeds) relevant voor de werkzaamhedentoets ex art. 3 UB Vpb en ’s Hofs toepassing ervan komt mij rechtskundig correct voor; ook de invulling van de term ‘andere middelen’ (dan premiegelden en daarop verschenen depositorente). Op basis van de vastgestelde feiten is duidelijk dat de belanghebbende in significante mate andere middelen dan premie en daarop verschenen depositorente inzet. Uit HR BNB 1993/89 blijkt dat niet ter zake doet hoe die andere middelen gefinancierd zijn. Evenmin doet ter zake of sprake was van echte of synthetische leningen dan wel van securities lending of van multiplying, zodat het Hof kon voorbijgaan aan een bewijsaanbod ter zake van securities lending. ‘s Hofs feitenvaststelling is niet verrassend en zijn oordeel over de werkzaamhedentoets strookt met HR BNB 1993/89, zodat belanghebbendes klacht dat zij overvallen is met “een andere en nieuwe invulling” van het werkzaamhedencriterium die niet strookt met de feiten mijns inziens ongegrond is.

1.13

Ad middel III kan de belanghebbende toegegeven worden dat ’s Hofs verwerping van haar subsidiaire standpunt onnodig moeizaam lijkt. Nu zij een effectenhandel en arbitrage-onderneming drijft naast haar pensioenverzorging en geen andere activiteiten ontplooit, is zij ofwel vanwege het ondernemingskarakter van haar bezigheid, ofwel vanwege het pensioenverzorgingskarakter van haar bezigheid belastingplichtig, in het eerste geval ex art. 2 Wet Vpb, in het laatste geval ex art. 4 Wet Vpb. De belanghebbende treedt met het ‘bijzonder profijtelijke kunstje van dividendarbitrage’ bovendien in concurrentie met belastingplichtige ondernemingen, zodat ook teleologisch belastingplicht op haar plaats is.

1.14

Middel IV houdt in dat art. 8:42 Awb is geschonden c.q. dat het Hof zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd doordat hij, hoewel ter zitting constaterende dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken waren overgelegd, niet ambtshalve het dossier heeft gecompleteerd. Ik maak uit HR BNB 2008/161 en HR BNB 2012/251 op dat de feitenrechter bij constatering dat de Inspecteur niet voldaan heeft aan zijn verplichting ex art. 8:42 Awb om de op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen, slechts verplicht is om overlegging van ontbrekende stukken te vragen of te onderzoeken of de niet-overlegging een beroep op art. 8:29 Awb inhoudt en of dat dan gerechtvaardigd is, als de belanghebbende klaagt over schending van art. 8:42 Awb of de rechter anderszins reden heeft stukken op te vragen. Kennelijk meende het Hof niet dat de desbetreffende stukken (rechtelijke uitspraken in procedures die de belanghebbende zelf voerde resp. stukken over gegevensuitwisseling met België) op de zaak betrekking hadden; in elk geval heeft de belanghebbende niet gesteld dat er enige aanslag (mede) op gebaseerd is, noch overigens gesteld dat het om op de zaak betrekking hebbende stukken zou gaan. Aangenomen kan worden dat haar de uitspraken in haar eigen procedures bekend waren; zij waren bovendien gepubliceerd.

1.15

Middel V tenslotte houdt in dat de Inspecteur (volledig) in de schade en de (proces) kosten veroordeeld had moeten worden omdat een bijzondere omstandigheid is dat de werkelijke kosten in een wanverhouding staan tot het belang van de procedure, althans tot de omvang van de forfaitaire vergoeding. De belanghebbende beroept zich daartoe op EU-recht en op art. 6 EVRM, althans op een daaraan ten grondslag liggend algemeen rechtsbeginsel. De gestelde wanverhouding tussen procesbelang en proceskosten is niet gesubstantieerd en kan in cassatie niet onderzocht worden, en op belanghebbendes geval zijn noch het Unierecht, noch art. 6 EVRM van toepassing (EHRM Ferrazzini en HR BNB 2010/57).

1.16

De Staatssecretaris van Financiën heeft bij verweer – kennelijk voorwaardelijk – incidenteel beroep in cassatie ingesteld, dat echter geen behandeling behoeft, nu mijns inziens het beroep van de belanghebbende ongegrond is.

2 De feiten en het geding in feitelijke instanties

De feiten

2.1

Aan feiten geen gebrek in deze procedure. Beide partijen blijven ook in cassatie verwikkeld in feitelijke stellingen en uiteenzettingen.

2.2

De belanghebbende is opgericht op 18 november 2008. Haar statuten (art. 3) bepalen:

“Het pensioenfonds [de belanghebbende; PJW] stelt zich ten doel het uitvoeren van toezeggingen van de werkgever aan de werknemers of gewezen werknemers en hun nagelaten betrekkingen ter zake van pensioenen, zoals vastgelegd in het pensioenreglement.”

2.3

De belanghebbende is als pensioenfonds verbonden aan [A] BV en met die BV gelieerde bedrijven (hierna: [A] ). Van en met 2009 tot en met 2013 namen tussen de 9 en 16 werknemers van [A] deel aan de door de belanghebbende uitgevoerde pensioenregeling, een beschikbare-premieregeling. Bij de belanghebbende bouwen zij uitsluitend pensioen op over het variabele deel van hun loon (de winstafhankelijke bonus). Over het vaste deel van hun salaris bouwen zij elders pensioen op.

2.4

Art. 6(2) van belanghebbendes statuten bepalen dat haar beleggingen worden uitbesteed aan een vermogensbeheerder. Per 1 januari 2009 heeft zij bij overeenkomst [A] voor vijf jaar aangesteld als haar vermogensbeheerder. [A] had de volledige bevoegdheid en verantwoordelijkheid voor de (her)belegging van de activa, maar het was [A] zonder belanghebbendes voorafgaande schriftelijke goedkeuring niet toegestaan het beleggingsprogramma te wijzigen of rechtstreeks te beleggen buiten de grenzen van belanghebbendes beleggingsrichtlijnen. Het beleggingsprogramma was opgenomen in de Vermogensbeheerovereenkomst. Bijlage A bij die overeenkomst vermeldde dat [A] in hoofdzaak gebruik maakte van:

"laag-risico, delta-neutrale arbitragestrategieën, zoals ADR/ORD arbitrage, conversies/ reversals, Index arbitrage, cash versus SSF, enzovoorts enzovoorts. Deze posities zijn posities met een uiterst laag risico. Alle handel kan op of buiten de beurzen plaatsvinden".

2.5

De belanghebbende was aan [A] een prestatiegerelateerde vergoeding verschuldigd ad 40% van de 'Netto Nieuwe Winsten'. Art. 6 van de Vermogensbeheer-overeenkomst bepaalde daaromtrent:

"(b) "Netto Nieuwe Winsten" is het (eventueel) verschuldigde bedrag waarmee de "Netto Vermogenswaarde" van de Account vanaf een datum vaststelling prestatie-gerelateerde vergoeding de hoogste Netto Vermogenswaarde vanaf de meest recente vorige datum vaststelling prestatie-gerelateerde vergoeding overschrijdt (...)

(c) De "Netto Vermogenswaarde" is gelijk aan de waarde van de te Beleggen Activa van de Account minus de relevante en gerelateerde passiva van de Account, per de laatste werkdag van de maand (...)."

2.6

De Vermogensbeheerovereenkomst is in 2011 met terugwerkende kracht omgezet in een Samenwerkingsovereenkomst. Het Hof heeft daaromtrent de volgende feitenvaststelling van de Rechtbank overgenomen:

“2.21. Op 15 april 2011 hebben eiseres en [A] met terugwerkende kracht tot 1 januari 2011 een vierjarige ‘Profit Share and Cooperation Agreement’ (hierna: de Samenwerkingsovereenkomst) gesloten. Artikel 3 van die overeenkomst bepaalt inzake de ‘Joint Account’ het volgende:

"3.1 This cooperation between the Parties is to be referred to as the "Joint Account".

3.2

All rights and obligations relating to the Approved Activities shall be assumed in the name of the Pension Fund but for the risk of the Joint Account. All profits and losses resulting from the Approved Activities shall be for the Joint Account.

3.3

The Pension Fund shall make available to the Joint Account, capital, the infrastructure of the Pension Fund, including but not limited to, its assets booked on cleared trading accounts, clearing facilities, and financing.

3.4

[A] shall make available to the Joint Account its expertise and know how relating to the Approved Activities, the actual implementation and execution of the Approved Activities."

De ‘Approved Activities’ zijn op grond van artikel 2 van de Samenwerkingsovereenkomst “[a] 11 activities, as described by [A] , either verbally or in writing, from time to time, as approved by both Parties”. De ‘Approved Activities’ zijn niet schriftelijk vastgelegd.

2.22.

Artikel 4 van de Samenwerkingsovereenkomst bepaalt aangaande de ‘Duties, Rights and Obligations’ het volgende:

‘"4.6 It is intended and agreed that this Agreement constitutes a real and true profits share agreement regarding the Approved Activities and that, except as otherwise provided herein. [A] shall not have authority to act for. represent or bind in any way the Pension Fund"

2.23.

Wat betreft de verdeling van de winst, de zogenoemde 'Profit Share', wordt in artikel 7 van de Samenwerkingsovereenkomst het volgende bepaald:

“(…) 7.2 To the extent the Profit and Loss Calculation at the end of each quarter results in net cash profits ("Net Profits"), such Net Profits shall on a quarterly basis be subject to the following:

(a) [A] shall be entitled to thirty five (35) per cent and the Pension Fund for sixty five (65) per cent of the Net Profits for the first € 400KNet Profits ("Profit Share 1"). Above the amount of 400K Net Profits the split will range from sixty (60) until seventy five (75) per cent for [A] and forty (40) per cent until twenty five (25) per cent for the Pension Fund ("Profit Share 2“). The Profit Share shall be debited from the Joint Account and be paid to [A] into a designated account.

(b) Payment to [A] will immediately and unconditionally be executed the moment the cash will be submitted to the bank account and/or be at the disposal of the Company without any right of set off.

(c) Losses resulting from the Approved Activities whether in the future or in the past will be covered by the results of the accounting year in which the losses have occurred.”

(…).

2.36.

Over de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2010 is eiseres voor de door [A] verrichte beleggingsactiviteiten een vermogensbeheervergoeding verschuldigd op basis van de Vermogensbeheerovereenkomst. Over de periode vanaf 1 januari 2011 is er sprake van winstdeling, de zogenoemde ‘Profit Share’, tussen eiseres en [A] op basis van de Samenwerkingsovereenkomst. In zijn e-mail van 13 april 2011 aan medebestuurders [C] en [G] merkt bestuurder van eiseres [H] in dezen het volgende op:

"De hogere AJV1 vergoeding regelen we via een aanpassing van het AM-contract. Dit zou geen probleem moeten zijn."

2.37.

Over het jaar 2010 brengt [A] aan eiseres een vermogensbeheervergoeding in rekening van 175.687. Over de jaren 2011 en 2012 ontvangt [A] gelet op de overgelegde facturen als ‘Profit Share’ een bedrag van onderscheidenlijk € 1.124.978 en € 1.951.561 De daadwerkelijk gefactureerde vermogensbeheervergoeding over het jaar 2010 en de ‘Profit Shares’ over de jaren 2011 en 2012 wijken af van de bedragen genoemd in een door eiseres aan verweerder verstrekt overzicht betreffende de beleggingsactiviteiten:

Bedragen in €

2010

2011

Gefactureerd door [A]

175.687

1.124.978

Verstrekt overzicht door eiseres

225.214

1.083.359

Verschil

-/- 49.527

41.619

Uitgaande van het door eiseres verstrekte overzicht bedraagt de vermogensbeheersvergoeding respectievelijk ‘Profit Share’ als percentage van het in onderdeel 2.33 bedoelde “Totaal trade income” 23,8% (2010) respectievelijk 65,3% (2011). Ook voor het jaar 2012 is dit percentage ten opzichte van' het jaar 2010 minimaal verdubbeld.”

2.7

Ter zake van belanghebbendes activiteit en inkomens- en vermogensposities heeft het Hof de volgende feitenvaststelling van de Rechtbank overgenomen:

“2.31. De beleggingen van eiseres bestaan enkel uit een longpositie in aandelen met daartegenover een shortpositie in derivaten. Er is sprake van een volledig gedekte positie waarbij geen marktrisico wordt gelopen. In 2010 en 2011 koopt eiseres aandelen en verkoopt zij gelijktijdig de derivaten (callopties) met een uitoefenprijs van 0,01. Ook koopt eiseres aandelen en sluit zij een zogenoemde 'Price Return Swap' af ter afdekking van het marktrisico. De tegenpartij bij de beleggingsactiviteiten is in het overgrote deel van de gevallen Investec.

2.32.

In een aantal van de hiervoor bedoelde transacties, zijn de callopties aan Investec verkocht op een tijdstip waarop het op de onderliggende aandelen te betalen dividend reeds was aangekondigd. (…)

2.33.

Uit onderstaand overzicht blijkt dat de belangrijkste inkomstenbron van eiseres over de jaren 2010 tot en met 2012 is het bruto resultaat behaald met Belgische aandelen (zijnde het resultaat voor toerekening van de vermogensbeheervergoeding en de ‘Profit Shares’):

Trade income eiseres (in €)

2010

2011

Totaal trade income

946.277

1.658.537

Trade income België

806.022

1.378.692

Percentage trade België

85%

83%

Het totale “trade income” is in 2012 verder gestegen.

2.34.

De dividendbelasting die eiseres als vrijgesteld lichaam heeft geïncasseerd, is een veelvoud van het uiteindelijke netto resultaat. Ook blijkt dat het resultaat van eiseres op elke afzonderlijke ‘trade’ en in totaal op ongeveer 4% van het bruto dividend uitkomt:

(…)

Dividend België (x €1000)

2010

2011

2012

Totaal

Dividend

19.582

32.269

54.875

106.726

Dividendbelasting

4.896

8.067

13.719

26.682

Bruto resultaat België

821

1.358

1.889

4.068

Resultaat % dividend

4,19%

4,21%

3,44%

3,81%

Netto resultaat [X]

721

575

927

2.223

2.35

In het volgende overzicht is de omvang van de beleggingsactiviteiten gedurende het boekjaar 2011 weergegeven:

Bedragen in €

2011

Aankopen aandelen

1.188.697.718

Verkopen aandelen

1.141.232.198

Aankopen derivaten

2.070.878.630

Verkopen derivaten

2.180.353.983

(…)

2.38

De commerciële balans van eiseres per 31 december 2010 is als volgt (bedragen in €):

Equity

103.852.714

Other reserves

18.812

Derivatives

1.215.509

Technical provisions

for pension

1.202.033

Other receivables

654.813

Other liabilities, accruals

and deferred income

105.579.432

Cash and cash equivalents

1.077.241

Total assets

106.800.277

Total liabilities

106.800.277

De post ‘Other liabilities, accruals and deffered income’ is als volgt te specificeren:

Debts to banks

18.637.598

Options

86.876.910

Payable auditor’s fee

8.500

Amounts due from related parties

49.577

Other

6.847

Totaal

105.579.432

2.39

De commerciële balans van eiseres per 31 december 2011 is als volgt (bedragen in €):

Equity 35.399.969

Other reserves 28.264

Derivatives 0

Technical provisions

for pension 1.945.909

Other receivable 819.560

Other liabilities, accruals

and deferred income 36.376.654

Cash and cash equivalent 2.131.299

Total assets 38.350.828

Total liabilities 38.350.828

De post ‘Other liabilities, accruals and deffered income’ is als volgt te specificeren:

Debts to banks

652.557

Options

35.372.975

Payable auditor’s fee

10.115

Other

341.007

Totaal

36.376.654

2.40.

De financiering van de longposities in aandelen door eiseres geschiedt hetzij door de verkoop van derivaten, hetzij door middel van een lening van Investec. Op de eerste manier dienen de derivaten die een uitoefenprijs van € 0,01 hebben tevens als afdekkingsinstrument en garanderen zij de verkoop van de gekochte aandelen. Op de tweede manier worden de gekochte aandelen afgedekt door een zogenoemde ‘Price return swap’. De tweede manier van financieren loopt gedurende het jaar 2010 op tot bijna € 400 miljoen in oktober. In mei 2012 is er nog sprake van een dergelijke financiering van bijna € 140 miljoen.”

2.8

Het Hof heeft de feitenvaststelling van de Rechtbank als volgt aangevuld:

“2.2.1. De onder 2.38 van de uitspraak van de rechtbank vermelde balanspost ‘Other receivables’ bestaat geheel (2010: € 654.813), dan wel voor het (over)grote deel (2011: € 793.781) uit terug te vorderen dividendbelasting. In de post ultimo 2011 waren nog alle claims uit 2010 begrepen.

2.2.2.

Belanghebbende heeft met de cash & carry transacties in de jaren 2010-2012 variabele marges (bruto resultaten op de afzonderlijke transacties, uitgedrukt in een percentage van het bruto dividend, zie 2.34 van de uitspraak van de rechtbank) behaald; haar gemiddelde marge bedroeg 4% (4,3% in 2010, 4,21 % in 2011 en 3,44% in 2012), op individueel niveau liepen de marges uiteen. Het gaat om de volgende marges:

alle transacties

‘Belgische’ transacties

2010

2,84% tot 10,79%

3,26% tot 7,69%

2011

3,58% tot 4,61%

3,71% tot 4,58%

2012

-1,53% tot 11,61%

3,30% tot 8,71%

2.2.3.

Blijkens de commerciële jaarrekeningen van belanghebbende beliepen de pensioenpremies in 2009 een bedrag van € 348.322, in 2010 een bedrag van € 153.729 en in 2011 een bedrag van € 215.379. De winstbijschrijving ten behoeve van de deelnemers van de deelnemers van belanghebbende beliep in die jaren respectievelijk € 63, € 699.199 en
€ 528.497.

2.2.4.

In de jaren 2010 en 2011 was 100% van het vermogen van belanghebbende (ingelegde premies en winstbijschrijvingen) geplaatst op depositorekeningen bij Investec Bank Plc, een (ook in de uitspraak van de rechtbank genoemde) Britse dochtervennootschap van een Zuid- Afrikaanse bank. Deze gelden (de balanspost ‘cash and cash equivalents’ als vermeld in 2.38 en 2.39 van de uitspraak van de rechtbank) bedroegen ultimo 2010 circa € 1 miljoen en ultimo 2011 circa € 2,1 miljoen en waren mede beschikbaar voor arbitrage (‘de actieve strategie’) via [A] . Vanaf 2012 heeft belanghebbende een deel van het pensioenvermogen afgezonderd en op depositorekeningen geplaatst bij Rabobank en ING Bank. Zij is toen haar dividendbelastingclaims gaan ‘factoreren’. Deze ‘factoring’ kosten beliepen aanzienlijke bedragen van circa 30 à 40% van het bruto ‘trade income’.

2.3.

Investec fungeert als ‘clearing bank’ van belanghebbende. Tot de gedingstukken behoort een tussen Investec en belanghebbende gesloten Custody and Settlement Agreement van 22 december 2009 welke erin voorziet dat Investec de koop- en verkooptransacties van aandelen ten behoeve van belanghebbende afwikkelt (‘settlet’) en dat, ingeval van een tekort aan liquide middelen bij belanghebbende, Investec die middelen aan belanghebbende leent en belanghebbende de desbetreffende aandelen aan Investec uitleent waarbij “all right, title and interest” ter zake van die aandelen door Investec zal worden gehouden.

(…).

2.4.2

Op 31 oktober 2013 heeft DNB een besluit tot het geven van een aanwijzing (in de zin van artikel 171 lid 1 van de Pensioenwet) aan belanghebbende genomen (hierna: het DNB-besluit). In het DNB-besluit is onder meer het volgende vermeld:

Korte toelichting op vastgestelde overtredingen

DNB is van oordeel dat [belanghebbende], naast de uitvoering van een premiepensioen- regeling voor de werkgever [ [A] ], activiteiten verricht die niet gerelateerd zijn aan activiteiten in verband met pensioen en werkzaamheden die daarmee verband houden (overtreding van artikel 116 Pw). Deze nevenactiviteiten betreffen de aankoop van long posities in combinatie met short selling teneinde bronbelasting te kunnen terugvorderen, en wel in volumes die de pensioenreserves tot wel een factor 1000 overtreffen. Deze nevenactiviteiten worden gezamenlijk verricht door [belanghebbende] en [A] (hierna: het Samenwerkingsverband).

Naar het oordeel van DNB handelt [belanghebbende] door aard en opzet van de nevenactiviteiten ook in strijd met het leningenverbod (...). Verder is DNB van oordeel dat [belanghebbende] een beleggingsbeleid voert dat niet in overeenstemming is met de prudent- person regel (...).

(…).

3 Besluit (...)

DNB heeft (...) besloten om aan [belanghebbende] op grond van artikel 171, lid 1 Pw een aanwijzing te geven tot het volgen van de hiernavolgende gedragslijn:

(1) Beëindiging van alle nevenactiviteiten

(…) In ieder geval houdt dat in dat [belanghebbende] de samenwerkingsovereenkomst met [A] beëindigt. Tevens zullen de activiteiten van het Samenwerkingsverband niet (meer) door [belanghebbende] mogen worden voortgezet.

(2) Beperken van de feitelijke beleggingen van [belanghebbende] tot het beleggen van de premiereserve en alle overige long en short posities beëindigen

(…) Het totale bedrag aan beleggingen in de vorm van activa zal dan gelijk moeten zijn aan het bedrag van de premiereserve.

(3) Aanpassing strategisch beleggingsbeleid om te voldoen aan de prudent-person regel

(…).

(4) (…).

(5) (…).

2.5

Belanghebbende heeft tegen het DNB-besluit bezwaar gemaakt en (na afwijzing daarvan) beroep aangetekend bij de rechtbank Rotterdam. Deze rechtbank heeft op 16 februari 2015 uitspraak gedaan en daarbij het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard (vgl. ECLI:NL:RBROT:2015:940). De rechtbank was onder meer van oordeel dat de door belanghebbende verrichte beleggingsactiviteiten niet kwalificeren als activiteiten in verband met pensioen en werkzaamheden die daarmee verband houden. (…)

2.6.

Belanghebbende heeft in de jaren 2010, 2011 en 2012 41 aankopen van aandelen gedaan. In 17 van de gevallen heeft ‘de beurs’ de aandelen geleverd; in 24 gevallen (40 ‘trades’ of deeltransacties) zijn de aandelen geleverd door een broker, [I] Litd. (hierna: [I] of [I] ). Tot de gedingstukken behoort een verklaring van [I] van 1 september 2014, waarin zij het volgende bevestigt:

For the years 2010, 2011 and 2012; [belanghebbende] & [ [A] ] has executed against [ [I] ] 40 trades in which [belanghebbende] & [ [A] ] bought Belgian shares (across 15 names) and Austrian shares (across 7 names) from [I] with a total notional value equal to] approximately €3 billion. In each of these transactions [I] was the counterparty to [ [belanghebbende] & [ [A] ]. (…) As broker, [I] only enters into transactions as a result of a client order. To facilitate the sale of the stock to [belanghebbende] & [ [A] ], [I] covered these positions by buyng the necessary stock in the open market. For 37 of these trades we can confirm that Investec Bank PLC was not the counterpart of [I] , with whom it executed the purchase of these equities to cover the sale to [belanghebbende] & [ [A] ]; (…) The remaining 3 trades were equal to a notional amount of approximately € 200 million.” (…).

2.7

De bestuurder en grootaandeelhouder van [A] , [B] , heeft ter zitting van het Hof onder meer het volgende verklaard:

“(…) Fiscaliteit is een factor die altijd meegenomen wordt door degene die aan arbitrage doet. [I] is gevraagd om een positieve verklaring wie partij was bij de transacties, maar zo’n verklaring kon niet afgegeven worden. Een broker brengt partijen bij elkaar, maar geeft geen openheid over die partijen. [I] heeft wel gezegd een negatieve verklaring te kunnen geven; dat heeft zij ook gedaan. Bij 3 transacties kon [I] ook geen negatieve verklaring afgeven, maar daarmee is niet gezegd dat Investec de verkopende partij was. Ik begrijp dat dit betekent dat [I] niet met zekerheid kon zeggen wie wel de verkopende partij was en daarom ook niet kon verklaren dat dit niet Investec was. We weten het gewoon niet. (…).””

2.9

Het Hof heeft de feiten, relevant voor de toepassing van de oogmerk- en werkzaamhedentoetsen ex art. 5(1)(b) Wet Vpb resp. art. 3 UB Vpb als volgt vastgesteld:

“4.6.1. Vaststaat dat belanghebbende zich, met behulp van [A] als vermogensbeheerder, bezighoudt met cash & carry dividendarbitrage en dat dit inhoudt dat zij tegelijkertijd een longpositie inneemt in effecten/aandelen ‘cum dividend’ (hetgeen meebrengt dat de effecten/aandelen economisch voor rekening en risico van belanghebbende komen) en een short positie in derivaten (met name callopties) ter zake van dezelfde effecten/aandelen ‘ex dividend’ (hetgeen een verplichting voor belanghebbende meebrengt). Vaststaat voorts, dat weliswaar door belanghebbende callopties worden geschreven doch dat deze opties, door de vorm waarin zij zijn gegoten (hun zeer hoge koopprijs en zeer lage uitoefenprijs), de facto fungeren als putopties: tevoren staat zo goed als zeker vast dat zij zullen worden uitgeoefend.

4.6.2.

Het Hof stelt voorts vast dat dit type transacties wordt uitgevoerd omdat de calloptie, in de visie van de schrijver van de optie, ‘te hoog’ is geprijsd: deze partij kan (alleen) winst behalen omdat haar kostprijs van het (te zijner tijd te verkopen) aandeel ex dividend minder bedraagt dan de verkoopprijs/opbrengst van de calloptie plus de uitoefenprijs. In het ‘gestileerde’ voorbeeld van belanghebbende realiseert zij winst omdat haar uiteindelijke kostprijs van het aandeel (aankoop ad 100 minus dividend ad 5) minder bedraagt dan de verkoopprijs van de calloptie (in hetzelfde voorbeeld: 95,25) plus de uitoefenprijs (0,01). Voor de koper van de optie is de optie ‘laag’ geprijsd indien, om welke reden ook, ingeval van een aankoop van het aandeel cum dividend voor hem een hogere kostprijs van het aandeel ex dividend zou resulteren omdat hij met een lager bedrag dan 4,74 aan netto dividend rekening houdt. Bij, bijvoorbeeld, een niet-terugvorderbare of niet-verrekenbare bronheffing van 10% is dat het geval en is het lonend om de calloptie van belanghebbende te kopen. Dat, aldus, bij de prijsvorming van de opties (zoals de inspecteur heeft gesteld) de elementen aandelenkoers, rente en volatiliteit steeds nagenoeg geheel zijn uitgesloten en uitsluitend het verwachte (netto) dividend de prijs van de optie beïnvloedt, ligt - bij dividendarbitrage - in de lijn der verwachting.

4.6.3.

Het Hof acht op zich aannemelijk (en de inspecteur heeft dit ook erkend) de stellingen van belanghebbende dat er voor dit soort arbitragetransacties als zodanig ‘een markt’ is in die zin dat dividendarbitrage ‘in de markt’ plaatsvindt en dat het daarbij (vrijwel steeds) mede gaat om enige vorm van belastingarbitrage, waarbij gebruik wordt gemaakt van de verschillende posities die de diverse marktpartijen hebben ten opzichte van de diverse, betrokken binnenlandse of buitenlandse belastingdiensten. Aannemelijk is voorts dat die markt in het algemeen zeer liquide is (zodat prijsstellingen doorgaans geen grote afwijkingen vertonen, transacties koersneutraal zijn en het resultaat ten opzichte van het transactievolume klein is) en dat daarbij niet alleen de belastingpositie van de transigerende partijen een rol speelt, maar dat andere verwachtingen omtrent het dividend mede relevant zijn en dat, ook indien het dividend bekend is, er risico’s en onzekerheden blijven bestaan die ‘in de markt verhandelbaar’ zijn (“indien een dividend onverhoopt geannuleerd wordt dan is de impact op het resultaat zeer groot”, aldus belanghebbende), doch dat zonder (dividend)belasting- arbitrage (waaronder mogelijke ‘dividendstripping’) de marge voor beide betrokken partijen (aanzienlijk) kleiner zal zijn. De inspecteur heeft dit een en ander niet betwist.

4.6.4.

Vaststaat dat de opties/derivaten door belanghebbende in de onderhavige jaren uitsluitend otc (‘over the counter’) aan Investec worden verkocht, hetgeen inhoudt dat de prijs van de opties niet door ‘de markt’ wordt bepaald maar een onderhandelingsresultaat is. Aangenomen mag worden dat Investec daarbij niet (alleen) voor eigen rekening, maar (mede) ten behoeve van haar cliënten optreedt.

Vaststaat voorts dat de aandelen in de onderhavige jaren door belanghebbende voor het merendeel (circa 85%, Belgische aandelen) worden gekocht via haar ‘broker’ [I] / [I] , die eveneens (mede) voor rekening en ten behoeve van haar cliënten optreedt. Voor het resterende gedeelte (Tsjechische en Spaanse aandelen) doet belanghebbende haar aankopen op de beurs.

4.6.5.

Belanghebbende heeft in verband met het voorgaande gesteld dat een transactie wordt opgezet door tegelijkertijd de beide ‘tegengestelde’ onderdelen daarvan met verschillende partijen te onderhandelen. Het Hof acht zulks aannemelijk, met dien verstande dat aangenomen moet worden dat belanghebbende de verkoopopbrengst van de derivaten/callopties nodig heeft om de aankoopprijs van de effecten/aandelen te financieren (zie ook 2.40 uitspraak rechtbank). Het Hof verwijst hiervoor mede naar onderdeel 1.2.2 van het DNB-besluit; het aldaar gestelde komt het Hof aannemelijk voor. Belanghebbende dient het - niet door de koper van de derivaten/callopties ‘gefinancierde’ - dividendbedrag zelf te financieren. Het Hof leidt uit de gedingstukken af dat belanghebbende dit bedrag zonodig van Investec leent, in de vorm van ‘echte’ leningen of in de vorm van ‘securities lending’ ingevolge de Custody and Settlement Agreement (zie 2.3).

4.6.6.

Vaststaat dat de ingelegde premies en de jaarlijks daarop behaalde rendementen op depositorekeningen (in de onderhavige jaren bij Investec) zijn geplaatst (zie 2.2.4); deze deposito’s worden in de jaren 2010 en 2011 (mede) gebruikt om te voldoen aan de zogeheten marginverplichting van belanghebbende (de aan de bank/tussenpersoon te verschaffen dekking in verband met de financiële verplichtingen uit hoofde van onder meer de derivaten/ opties). Belanghebbende streeft naar een delta neutrale positie; de optieverplichtingen (short posities) en aandelenportefeuille (long posities) sluiten ‘zo naadloos mogelijk’ op elkaar aan. In de commerciële balansen van belanghebbende zijn de optieverplichtingen (of andere short posities) opgenomen als ‘synthetische’ leningen: “[derivatives with negative market value (recorded as liabilities in the balance sheet)”.”

De Rechtbank Noord-Holland 1

2.10

De Rechtbank heeft geoordeeld dat de belanghebbende naast haar statutaire doel nog een tweede doel nastreefde, dat bovendien, gezien de ermee gemoeide bedragen, niet bijkomstig was, nl. om aanzienlijke delen van haar bruto trade income ten goede te doen komen aan [A] door betalingen aan [A] die in feite vergoedingen waren voor diensten die [A] via de belanghebbende aan Investec leverde, bestaande uit het brengen van Investec in een gunstiger buitenlandse dividendbelastingpositie:

“4.6. In zijn arrest van 21 september 2001, nr. 35857, ECLI:NL:HR:2001:ZC8110, BNB 2002/51, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat aan de invoering van de vrijstellingsmogelijkheid voor pensioenlichamen in artikel 5, eerste lid, van de Wet ten grondslag heeft gelegen de overweging van de wetgever dat het onbelast laten van de winst van het pensioenlichaam aanvaardbaar voorkomt op basis van de veronderstelling dat deze winst van tijdelijke aard zal zijn en dat zij ten goede komt aan de verzekerden, een andere pensioeninstelling of aan het algemeen nut. Deze overweging, die naar het oordeel van de Hoge Raad in laatstbedoeld arrest de hoeksteen van de vrijstelling voor pensioenlichamen vormt, geldt naar het oordeel van de rechtbank onder de vigeur van de huidige wettekst onverkort.

4.7.

De statutaire doelstelling van eiseres is op grond van artikel 3 van de Statuten het uitvoeren van toezeggingen van [A] aan de werknemers of gewezen werknemers en hun nagelaten betrekkingen ter zake van pensioenen, zoals vastgelegd in het Pensioenreglement (zie onderdeel 2.2). Die doelstelling is, gelet op de duidelijke bewoordingen waarin zij is gesteld, naar het oordeel van de rechtbank in overeenstemming met de vrijstellingsvereisten van artikel 5, eerste lid, aanhef en letter b, van de Wet.

4.8.

Niettegenstaande het feit dat statutair wordt voldaan aan de vereisten van artikel 5, eerste lid, aanhef en letter b, van de Wet, kunnen er feiten of omstandigheden zijn op grond waarvan een pensioenlichaam zoals eiseres moet worden geacht een nevendoelstelling te hebben, waardoor het geen recht heeft op de vrijstelling (zie HR 21 oktober 1992, nr. 27365, ECLI:NL:HR: 1992:ZC5128, BNB 1993/88). (…)

4.9.

Aangaande de aanwezigheid van een nevendoelstelling van eiseres overweegt de rechtbank als volgt. (…).

(…).

4.11.

De Vermogensbeheerovereenkomst waarin de prestatie-afhankelijke vergoeding is geregeld, is, (…), in 2009 gesloten voor een periode van vijf jaar. In het licht van de sterke stijging van de ‘Profit Shares’ als percentage van het bruto trade income, rijst de vraag waarom eiseres bij de op 15 april 2011 gesloten Samenwerkingsovereenkomst heeft ingestemd met een beloning van [A] in de vorm van die ‘Profit Shares’ met terugwerkende kracht tot 1 januari 2011. Dit klemt naar het oordeel van de rechtbank temeer nu, naar eiseres in onderdeel 22 van haar nadere stuk zelf stelt, een vergelijking van de in beide overeenkomsten neergelegde beloningsvormen tot de conclusie leidt dat vanaf een bruto trade income variërend tussen € 584.000 en € 810.000, een beloning van [A] in de vorm van ‘Profit Shares’ voor eiseres steevast ongunstiger is dan een beloning in de vorm van een prestatie-afhankelijke vergoeding. Reeds in 2010 beliep het bruto trade income meer dan € 810.000. De rechtbank acht onder deze omstandigheden, behoudens door eiseres te leveren tegenbewijs, aannemelijk dat de wijziging van de beloningsvorm van [A] heeft plaatsgevonden met het oogmerk om een aanzienlijk deel van het door eiseres behaalde bruto trade income aan [A] ten goede te doen komen.

(…).

4.13. (…)

Wat er van de mogelijke niet-verschuldigdheid van omzetbelasting ook zij, de rechtbank acht niet aannemelijk dat met het oog daarop eiseres heeft berust in een stijging van de beloning van [A] met een hoogte als hier aan de orde. (…)

4.14.

Ten slotte betoogt eiseres, naar de rechtbank mede gelet op onderdeel 22 van haar nadere stuk begrijpt, dat de beloning van [A] onder de Samenwerkingsovereenkomst tot een bruto trade income van ten hoogste € 810.000 minder beloopt dan onder de Vermogensbeheerovereenkomst en dat deze lagere beloning naar de inschatting van het bestuur van eiseres opwoog tegen de vergoeding over het meerdere inkomen. De rechtbank kan eiseres ook op dit punt niet volgen. Reeds in 2010 bedroeg het bruto trade income meer dan € 900.000 en derhalve ook meer dan € 810.000. Gedurende de jaren 2011 en 2012 is het bruto trade income sterk gestegen ten opzichte van 2010. Naar het oordeel van de rechtbank was voor eiseres ten tijde van de wijziging van de beloningsvorm dan ook voorzienbaar dat de beloningsvorm onder de Samenwerkingsovereenkomst (zijnde de ‘Profit Shares’) tot aanzienlijk hogere beloningen van [A] zou leiden dan wanneer de beloningsvorm onder de Vermogensbeheerovereenkomst ongewijzigd zou zijn gebleven. Steun hiervoor vindt de rechtbank voorts in de inhoud van de e-mail van 13 april 2011 van de bestuurder van eiseres [H] aan zijn medebestuurders. In die e-mail wordt het volgende opgemerkt: “De hogere AM vergoeding regelen we via een aanpassing van het AM-contract. Dit zou geen probleem moeten zijn”.

(…).

4.17.

Bij gebreke van overtuigende aanwijzingen voor het tegendeel acht de rechtbank; verweerder geslaagd in het bewijs van zijn stelling dat de gewraakte transacties geen ander doel hebben dan het door eiseres in haar hoedanigheid van (een in een lidstaat van de Europese Unie gevestigd) pensioenfonds vrij van bronbelasting (‘roerende voorheffing’) laten ontvangen van dividenden (mede) ten behoeve van Investec. De rechtbank neemt hierbij tevens in aanmerking dat de bestuurder van eiseres [C] in een e-mail van 18 oktober 2012 aangaande de onderwerpelijke transacties heeft opgemerkt dat: “ook de vermogensbeheerder en de oorspronkelijke eigenaar van het aandeel meeprofiteren van de opbrengsten”. De stelling van eiseres dat zij niet wist wie die oorspronkelijke eigenaars van de aandelen waren en dat derhalve van een meeprofiteren in voornoemde zin door hen geen sprake kan zijn, acht de rechtbank niet geloofwaardig. Daarnaast zij erop gewezen dat de mogelijkheid tot volledige verrekening van buitenlandse bronbelasting voor andere binnenlandse (bijvoorbeeld [A] ) en buitenlandse aandeelhouders (bijvoorbeeld Investec) met relatief kleine belangen in beursvennootschappen doorgaans beperkter is dan voor pensioenfondsen die van belastingheffing zijn vrijgesteld.

4.18

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiseres in zowel 2010 als 2011 naast haar statutaire doel nog een ander doel heeft nagestreefd, namelijk het bevoordelen van [A] door aanzienlijke delen van het door eiseres gerealiseerde bruto trade income aan [A] ten goede te doen komen. De aan [A] betaalde bedragen behelzen naar het oordeel van de rechtbank feitelijk vergoedingen voor door laatstgenoemde door tussenkomst van eiseres aan Investec verrichte diensten, bestaande uit het brengen van laatstgenoemde in een gunstiger positie waar het gaat om de heffing van buitenlandse bronbelasting op dividenden. Gelet op de hier aan de orde zijnde bedragen kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat die nevendoelstelling dermate bijkomstig is, dat eiseres desalniettemin zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ten doel stelt de verzorging van werknemers en gewezen werknemers en hun verwanten, als omschreven in artikel 5, aanhef en letter b, van de Wet. De toepassing van de vrijstelling stuit hierop, behoudens een geslaagd beroep door eiseres op het vertrouwensbeginsel (zie de onderdelen 4.19 en 4.20 hierna), in haar geheel af. De overige stellingen van eiseres in dezen behoeven geen behandeling.”

2.11

De Rechtbank heeft de Inspecteur op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht veroordeeld in de forfaitair bepaalde proceskosten. Voor vergoeding van de werkelijke proceskosten zag zij geen aanleiding.

Het Hof Amsterdam 2

2.12

Het Hof heeft het toetsingskader van de Rechtbank voor de beoordeling van belanghebbendes aanspraak op de vrijstelling van vennootschapsbelasting overgenomen. Hij heeft daaraan toegevoegd dat ook HR BNB 1993/893 van belang is, welk arrest volgens het Hof zijn gelding heeft behouden

“in dier voege dat de Hoge Raad hiermee tot uitdrukking heeft gebracht dat een pensioen-lichaam, teneinde voor de belastingvrijstelling in aanmerking te komen, zich dient te beperken tot het beleggen van de door hem verkregen pensioenpremies en de daarmee behaalde rendementen welke zijn bestemd voor de pensioenverplichtingen, en niet daarnaast middelen ter belegging dient aan te trekken. Niet valt in te zien waarom dit vereiste niet meer relevant zou zijn; de ratio daarvan ̶ de vrijstelling niet te verlenen voor commerciële beleggingsactiviteiten ̶ is immers nog steeds actueel.”

2.13

Ook het Hof achtte de vrijstelling ex art. 5 Wet Vpb niet op de belanghebbende van toepassing, maar zijn redengeving is niet dezelfde als die van de Rechtbank:

“4.7.1 (…) Aannemelijk is (…) dat belanghebbende mede of met name door haar positie als in Nederland gevestigd - veronderstellenderwijs: vrijgesteld - pensioenfonds ten opzichte van veel marktpartijen in dit opzicht ‘in het voordeel’ verkeert (zij kan in beginsel de buitenlandse dividendbronbelasting geheel terugclaimen) en dat zij daardoor in staat is om relatief hoge marges te verwezenlijken, hoger dan [A] zelf zou kunnen.

(…)

4.7.4.4 (…) Het Hof zal, veronderstellenderwijs, tot uitgangspunt nemen dat deze omzetting [PJW; van de Vermogensbeheersovereenkomst in de Samenwerkingsovereenkomst] (ook) voor belanghebbende als zakelijk is te beschouwen. De inspecteur heeft voorts de zakelijkheid van de omvang van de vergoeding voor [A] noch de winstbestemming van belanghebbende (uiteindelijk) betwist (…).

4.7.5.1. Het Hof acht niet aannemelijk geworden dat, zoals de inspecteur heeft gesteld, de koper (in casu: Investec) van een calloptie zoals door belanghebbende geschreven in het algemeen en per definitie een verlies zal realiseren. In het ‘gestileerde’ voorbeeld van belanghebbende bestaat immers (ook) voor de koper een positieve marge (…) indien de ten laste van hem in te houden buitenlandse dividendbronheffing 10% of meer zal bedragen.

4.7.5.2. Evenmin acht het Hof aannemelijk geworden dat in het onderhavige geval sprake is van de door de inspecteur gestelde constructie van ‘dividendstripping als dienstverlening’, waarbij de koper van de opties en de verkoper van de aandelen een en dezelfde persoon zijn, (…). Weliswaar staat vast dat Investec de koper van de opties (en andere derivaten) is, doch niet is aannemelijk geworden dat zij eveneens de verkoper van de aandelen is. Uit de verklaring van [I] / [I] (zie 2.6) blijkt immers dat Investec in verreweg de meeste gevallen niet de verkoper van de aandelen was, en dat in 3 gevallen onduidelijk is wie de verkoper was. Het Hof heeft geen reden om aan de juistheid van de verklaring van [I] / [I] te twijfelen. De inspecteur heeft die verklaring ook niet (voldoende concreet) gemotiveerd betwist. Diens stelling, dat er in de gegeven omstandigheden maar één verklaring kan zijn voor het feit dat Investec bereid is belanghebbende telkens “een opslag van 4% op de theoretische prijs van de opties” te betalen - te weten, dat de 4% marge geen handelsmarge is maar een dienstverleningsvergoeding - acht het Hof in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen en tegenover de gemotiveerde betwisting van belanghebbende niet voldoende om aannemelijk te achten dat Investec - ook - de wederpartij van belanghebbende was bij de aandelentransacties. Bovendien moet in dit verband bedacht worden dat feitelijk ook geen sprake is van een ‘vaste’ fee van 4% (zie 2.2.2); de marge van belanghebbende varieert per transactie en kan ook negatief zijn (zoals in 2012 daadwerkelijk is voorgekomen). (…)

4.7.5.3. Bij zijn voorgaande oordelen heeft het Hof in aanmerking genomen dat het naar zijn oordeel voor belanghebbende, in het kader van de (winstgevendheid van haar) arbitragetransacties, ook niet noodzakelijk of relevant is te weten wie bij de aandelentransacties haar tegenpartij is. Indien en voor zover de koper van de opties en de verkoper van de aandelen zich in een minder gunstige (dividend)belastingpositie bevinden dan belanghebbende, is duidelijk dat er een ‘spread’ bestaat waarover valt te arbitreren. Indien belanghebbende de opties heeft geschreven en aldus de verkoopprijs van de aandelen ex dividend heeft vastgelegd, is voor haar ̶ bij een tevoren door haar bepaalde dividendverwachting – uitsluitend de aankoopprijs van het aandeel cum dividend van belang. Wie daarbij feitelijk de verkoopbereide tegenpartij is, kan belanghebbende onverschillig laten.

Aldus acht het Hof het voor belanghebbende evenmin noodzakelijk dat de koper van de opties en de verkoper van de aandelen een en dezelfde persoon is. Aannemelijk is immers dat de meeste (markt)partijen zich in een slechtere (dividend)belastingpositie bevinden dan belanghebbende en dat belanghebbende reeds daarom in potentie een keur aan mogelijke (achterliggende) wederpartijen heeft en (via Investec en/of [I] / [I] dan wel een andere tussenpersoon) met deze tot transacties kan komen. Niet aannemelijk is daarom te achten dat belanghebbende uitsluitend via een vooropgezette constructie met Investec winstgevende transacties kan realiseren; dat niet valt uit te sluiten dat de facto cliënten van Investec zowel de opties van belanghebbende kopen als de aandelen aan haar verkopen, maakt dat niet anders. De inspecteur heeft mitsdien niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende beoogt niet alleen het belang van haar deelnemers te dienen, maar tevens dat van Investec.

(…)

4.7.6.

Het Hof is voorts van oordeel dat belanghebbende met haar cash & carry activiteiten risico’s heeft genomen die een dienstverlener niet zou hebben aanvaard. De transacties komen juridisch en, in eerste instantie, ook economisch voor rekening en risico van belanghebbende, en niet van Investec of van [A] (zij het dat [A] uiteindelijk wel in verliezen zal meedelen, zie artikel 7.1 sub (c) van de Samenwerkingsovereenkomst, in 2.23 uitspraak rechtbank). Weliswaar is door de verkoop van de opties de financiering van de aandelen grotendeels verzekerd en is het koersrisico op de aandelen afgedekt, doch belanghebbende dient het dividendbedrag inclusief de (veronderstellenderwijs:) uiteindelijk terug te ontvangen dividendbelasting op andere wijze voor te financieren; haar eigen liquide middelen zijn daartoe ontoereikend.

In de onderhavige jaren heeft zij klaarblijkelijk mede daarom ‘echte’ bankleningen bij Investec moeten opnemen. Voorts financiert zij haar long posities deels ook volledig door middel van leningen van Investec - de ‘tweede manier’ van financieren, zie uitspraak rechtbank sub 2.40.

Als gevolg van een en ander bedroeg de balanspost ‘debts to banks’ van belanghebbende ultimo 2010 en 2011 respectievelijk circa € 18,6 miljoen en € 0,7 miljoen (zie 2.38 en 2.39 uitspraak rechtbank). De op deposito geplaatste premiegelden en bijgeschreven baten fungeerden in de onderhavige jaren (mede) als zekerheid voor Investec.

Naar het oordeel van het Hof is bepaald niet uitgesloten te achten dat belanghebbende op de transacties verliezen lijdt. In dit verband wijst het Hof op de mogelijkheid dat haar dividendbelastingclaims, uiteindelijk, door een betrokken buitenlandse belastingdienst geheel of gedeeltelijk zullen worden geweigerd. De claims over 2010 waren in 2011 in elk geval nog niet gehonoreerd (…). Het Hof onderschrijft derhalve de door DNB in 2.1.2.5 van het DNB-besluit getrokken conclusies; belanghebbende loopt een reëel (ondernemers)risico.

(…)

4.8.1.

Op grond van hetgeen is vastgesteld en overwogen in 4.6 en 4.7 oordeelt het Hof dat niet aannemelijk is geworden dat belanghebbende de cash & carry transacties niet voor eigen rekening en risico, maar als enigerlei vorm van dienstverlening aan of ten behoeve van Investec en/of [A] , verricht.

4.8.2.

Daarmee is evenwel niet komen vast te staan dat de relatie van belanghebbende tot [A] niet in strijd komt met de oogmerktoets. Uit het voorgaande volgt naar ‘s Hofs oordeel immers dat de samenwerking tussen belanghebbende en [A] erop is gericht om, gebruikmakend van de (veronderstelde) status van belanghebbende als vrijgesteld pensioenfonds en van de expertise van [A] als dividend(belasting)arbitrageant, gezamenlijk profijtelijke effectentransacties met derden aan te gaan en de daarbij gegenereerde winst te delen.

4.8.3.

Het Hof volgt belanghebbende in haar stelling dat, ook voor zover haar activiteiten als ‘maatschappelijk onwenselijk’ zouden moeten worden aangemerkt, zulks op zichzelf nog niet inhoudt dat belanghebbende in de aan de orde zijnde jaren (een) nevendoelstelling(en) heeft nagestreefd of in strijd heeft gehandeld met haar doelstelling. Uit het arrest BNB 1993/88 volgt immers dat ook in dat geval - eerst - tot het bestaan van een nevendoelstelling kan worden geconcludeerd indien die activiteiten méér of iets anders inhouden dan (naar het Hof veronderstelt: hedendaags) ‘eenvoudig vermogensbeheer’. Of daarvan in casu sprake is, valt als volgt te bezien.

4.8.4.

Het Hof stelt vast dat belanghebbende via haar ‘managed account’ (waaronder het Hof mede verstaat de in de Samenwerkingsovereenkomst genoemde ‘joint account’) actief deelneemt aan het economische (beurs)verkeer, dat zij met behulp van deze wijze van vermogensbeheer (het onderhandelen met marktpartijen) een meer dan ‘autonoom’ rendement kan creëren, dat zij ter zake van het beheer van haar vermogen relatief (zeer) hoge kosten beloopt en dat de voor haar aan dit vermogensbeheer gerelateerde risico’s en daarmee gegenereerde revenuen die van een normale, min of meer ‘passieve’ belegger - dan ook - aanzienlijk te boven gaan. Bovendien acht het Hof, gelet op (onderdeel 1.3.1 van) het DNB- besluit (zie 2.3.2), aannemelijk dat andere pensioenfondsen niet een vergelijkbare wijze van beleggen hanteren (hetgeen, desgevraagd, niet concreet door de bestuurder van [A] ter zitting is ontkend, zie 2.7, derde alinea) en evenmin overigens vergelijkbare risico’s aanvaarden. Naar ’s Hofs oordeel kan op grond van het voorgaande voorts niet worden gezegd dat belanghebbende zich op een verzekeringstechnisch verantwoorde wijze gedraagt: er is geen sprake van risicospreiding; haar beleggingsstrategie steunt nagenoeg geheel op de fiscale kwalificatie van haar als vrijgesteld pensioenlichaam en die kwalificatie heeft niet zonder meer als vanzelfsprekend te gelden.

Onder deze omstandigheden, in samenhang en onderling verband bezien, moet naar het oordeel van het Hof worden geconcludeerd dat de cash & carry activiteiten van belanghebbende méér of iets anders inhouden dan (hedendaags) ‘eenvoudig vermogensbeheer’. Daarmee is de doelstelling van belanghebbende niet, zoals vereist in artikel 5, eerste lid, aanhef en letter b, van de Wet, (nagenoeg) uitsluitend die van een pensioenfonds maar heeft zij een nevendoelstelling - bestaande uit het (gezamenlijk met [A] ) drijven van een commerciële/professionele effectenhandel- en arbitrageonderneming - waardoor zij de vrijstelling van artikel 5, aanhef en letter b, van de Wet niet deelachtig kan worden. Zulks is ook in overeenstemming met het doel en de strekking van de vrijstelling zoals deze blijkt uit de wetsgeschiedenis van dit artikelonderdeel (MvT Belastingplan 2004, Kamerstukken II, 2003/04, 29 210, nr. 3, p. 23-24, aangehaald in onderdeel 4.5 van de uitspraak van de rechtbank).

4.8.5.

Met betrekking tot (de grens met) de werkzaamhedentoets overweegt het Hof dat bedacht moet worden dat deze diffuus is in die zin, dat de cash & carry activiteiten ook kunnen wijzen op het bestaan van ‘wezensvreemde’ werkzaamheden, hetzij (in het verlengde van de oogmerktoets) vanwege hun aard, hetzij vanwege het beschikken over (naast de ingelegde premiegelden en de daarmee behaalde voordelen) andere beschikbare beleggingsmiddelen, analoog aan de casus die in het arrest BNB 1993/89 aan de orde was.

Uit dit arrest volgt dat het een pensioenfonds, wil het de vrijstelling van artikel 5, eerste lid, aanhef en letter b, van de Wet deelachtig worden, niet is toegestaan - structureel - te beleggen met andere middelen dan de ingelegde premiegelden.

4.8.6.

Vaststaat dat in casu belanghebbende de haar als premies ter beschikking gestelde gelden (in 2010 een bedrag van € 153.729 en in 2011 een bedrag van € 215.379, zie 2.2.3) op deposito heeft geplaatst, (mede) als dekking voor haar handelsverplichtingen, en dat de door haar gerealiseerde winst in die jaren een veelvoud van de premiebedragen beliep (in 2010 € 699.199 en in 2011 € 528.497). Dat daarmee het rendement in een ongebruikelijke verhouding staat tot de ingelegde middelen en voor een pensioenfonds bepaald omvangrijk is, acht het Hof buiten kijf te staan. Ook acht het Hof komen vast te staan dat “voor zeer hoge bedragen aan- en verkopen van derivaten en aandelen plaats(vinden) die voor een pensioenfonds in relatie tot de jaarlijkse ontvangen pensioenpremies en de aanwezige pensioenverplichtingen onverklaarbaar zijn”, zoals in het DNB-besluit onder 1.3.1 is vermeld. Het Hof acht althans de omvang van zowel de transacties als de rendementen van belanghebbende uitsluitend verklaarbaar vanwege, zoals belanghebbende keer op keer heeft gesteld, het ‘multiplier effect’ (waarbij de aangehouden margin fungeert als zekerheid voor verplichtingen en/of investeringen die het marginbedrag vele malen overtreffen).

(…)

4.8.8.

Wat er zij van de juistheid van de stelling van belanghebbende dat haar long en short posities ‘gesaldeerd’ moeten worden bezien, zulks neemt naar het oordeel van het Hof niet weg dat de door de deelnemers ingelegde premiegelden zelf niet worden gebruikt en ook niet nodig zijn voor de door belanghebbende aangegane arbitragetransacties; de op de depositorekeningen staande middelen zijn immers steeds aanzienlijk groter (zie 2.2.4: ultimo 2010 circa € 1 miljoen en ultimo 2011 circa 2,1 miljoen) dan de ingelegde premiegelden (zie 2.2.3, cumulatief: ultimo 2010 circa 0,5 miljoen en ultimo 2011 circa € 0,7 miljoen).

Voorts zou een andere balanspresentatie ook niet afdoen aan het feitelijke gegeven dat belanghebbende naast de premiegelden nog andere middelen aantrekt - en wel ‘in de markt’- teneinde haar long posities te financieren. Dat er door de arbitrage in beginsel een neutrale (balans)positie ontstaat, maakt dit niet anders.

4.8.9.

Daarnaast kan naar het oordeel van het Hof niet eraan voorbij worden gegaan dat bij de ‘tweede manier’ van financieren van haar long posities - zie uitspraak rechtbank sub 2.40

- belanghebbende structureel en tot aanzienlijke bedragen ‘echte’ bankleningen (‘debts to banks’) bij, in de onderhavige jaren, Investec heeft opgenomen:

- gedurende het jaar 2010 fluctueerden deze van circa € 360 miljoen in juli tot circa € 400 miljoen in oktober en € 18,6 miljoen per 31 december;

- in 2011 liepen zij in januari op tot ruim € 90 miljoen en waren zij per 31 december gedaald tot circa € 0,7 miljoen;

- in mei 2012 beliep deze vorm van financiering bijna € 140 miljoen en ultimo 2012 circa € 1 miljoen.

Ook hierdoor beschikt belanghebbende over andere en méér te beleggen middelen dan (enkel) de pensioengelden van haar deelnemers.

4.8.10

In hoeverre in de onderhavige jaren door belanghebbende nog ‘securities lending’ transacties zijn aangegaan (naast of als onderdeel van de hiervoor bedoelde ‘synthetische’ en ‘echte’ leningen) en tot welke bedragen, acht het Hof in het licht van het vorenstaande voor de beslechting van het onderhavige geschil niet relevant. (…)

4.8.11.

In de hiervoor omschreven omstandigheden kan de conclusie van het Hof geen andere zijn dan dat belanghebbende in de onderhavige jaren tot aanzienlijke bedragen beschikte over andere middelen dan premiegelden en deze ter belegging aanwendde (in de zin van het arrest BNB 1993/89) en dat zij daarom niet voldeed aan de in artikel 3 van het Besluit gestelde eis dat haar werkzaamheden in overeenstemming zijn met haar doelstelling.”

2.14

Het Hof heeft belanghebbendes beroep op de vrijstelling ex art. 5(1)(b) Wet Vpb 1969 daarom voor beide jaren ongegrond verklaard.

2.15

Ter zake van belanghebbendes subsidiaire standpunt heeft het Hof overwogen dat in het systeem van de Wet Vpb de verzorging van (gewezen) werknemers of hun (gewezen) partners door uitkeringen op grond van een pensioenregeling als onderneming geldt en dat dit blijkens de wetgeschiedenis door de wetgever uitdrukkelijk is beoogd.4 De belanghebbende moet daarom – als de vrijstelling niet geldt – in elk geval voor de werkzaamheden tot uitvoering van pensioentoezeggingen in de vennootschapsbelasting worden betrokken, maar ook voor de “nevenwerkzaamheden”:

“4.10.4 (…). Gezien de ruime invulling van het begrip ‘pensioenwerkzaamheid’ als bedoeld in artikel 4, aanhef en letter b, van de Wet is het Hof van oordeel dat dit begrip mede omvat de werkzaamheden ten behoeve van de hiervoor in 4.8.4 bedoelde ‘nevendoelstelling’ van belanghebbende dan wel haar ‘wezensvreemde’ werkzaamheden als bedoeld in 4.8.8 tot en met 4.8.11. Belanghebbende houdt zich immers uitsluitend bezig met, in haar woorden, “de vorming van voldoende vermogen ter dekking van de aangegane pensioenverplichting” en zij bezigt haar rendementen ook feitelijk uitsluitend ten behoeve van de jegens de deelnemers bestaande pensioentoezeggingen. Mitsdien is belanghebbende volledig belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting.”

2.16

Het Hof heeft belanghebbendes hogere beroep daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.

De Rechtbank Rotterdam (bestuursrechtelijke procedure tegen DNB-besluit)

2.17

De belanghebbende heeft ook geprocedeerd tegen de afwijzing van haar bezwaar tegen aan haar gerichte aanwijzingen van De Nederlandsche Bank (DNB) (zie r.o. 2.4.2 Hof in onderdeel 2.9 hierboven). De Rechtbank Rotterdam5 heeft haar beroep tegen het DNB-besluit ongegrond verklaard (zie r.o. 2.5 Hof in onderdeel 2.9 hierboven) op de volgende gronden:

“De overtreding van artikel 116 van de PW [Pensioenwet; PJW]

(…) 4.3. Met DNB is de rechtbank van oordeel dat de op naam van eiseres door [f] verrichtte beleggingsactiviteiten, die onweersproken vrijwel volledig bestonden uit dividendarbitrage, niet kwalificeren als activiteiten in verband met pensioen en werkzaamheden die daarmee verband houden. Een van de kernactiviteiten van een pensioenfonds betreft het beleggen en beheren van de financiële middelen, te weten de ingelegde pensioenpremies en het daarop behaalde rendement. Zoals eiseres zelf in haar beroepsgronden benadrukt, stond een groot deel, zo niet het merendeel, van het pensioenvermogen evenwel op een depositorekening en had dit vermogen aldus niets met de dividendarbitrage te maken. De dividendarbitrage werd, naar evenmin weersproken, gefinancierd met op naam van eiseres geleend geld of de verkoop van derivaten. De omvang van dit vermogen overschreed de omvang van de ingelegde pensioenpremies vele malen, soms tot wel 800 keer. De stelling van eiseres dat haar ‘long’ en ‘short’ posities elkaar nivelleerden tot nihil en dat de effectieve belegging hierdoor was beperkt tot de ingelegde premies, maakt dit, wat daarvan ook zij, niet anders. Feit blijft dat met een omvangrijke hoeveelheid vreemd vermogen beleggingsactiviteiten werden verricht waarvoor de eigen premiereserve volstrekt ontoereikend was en waarbij, naar onweersproken, de behaalde opbrengsten uitsluitend bestonden uit de teruggave van dividendbelasting, waarvan in 2011 65,3% aan [f] en in 2012 circa 75% aan [f] tezamen met haar zusteronderneming [g] ten goede kwam. Met DNB is de rechtbank van oordeel dat eiseres zich met deze beleggingsstrategie niet als pensioenfonds, maar als ondernemer gedroeg en dat dus sprake was van nevenactiviteiten. Met haar stelling dat, ondanks de gelden die naar [f] en [g] gingen, de aanwas van het pensioenvermogen bovengemiddeld was, gaat eiseres eraan voorbij dat het risico van de beleggingsstrategie, waarbij niet alleen kan worden gedacht aan weigering van de teruggave van dividendbelasting maar ook aan terugvordering van al uitgekeerde bedragen, geheel lag bij de pensioendeelnemers, die bij het openbaren van dit risico hun volledige aanspraken op pensioen konden, en bij terugvordering in de toekomst ook thans nog kunnen, verliezen. Dat dit een reëel risico is, blijkt uit de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 25 juni 2014 (ECLI:NL:RBNHO:2014:5669) inzake een geschil tussen eiseres en de Nederlandse belastingdienst.

(…)

De overtreding van artikel 135 van de PW

(…) 5.2 Zoals blijkt uit de memorie van toelichting bij de Pw (TK, 2005-2006, 30 413, nr. 3, p. 258) moet het bepaalde onder a van het eerste lid van artikel 135 van de Pw aldus worden gelezen dat de waarden uitsluitend dienen te worden belegd in het belang van aanspraak- en pensioengerechtigden; de waarden mogen in de regel niet voor andere doeleinden worden gebruikt dan ter verstrekking van pensioenuitkeringen. Met DNB is de rechtbank van oordeel dat nog daargelaten dat geen sprake was van een ‘fee’ maar van winstdeling op basis van de samenwerkingsovereenkomst aan [f] (tezamen met [g]) een dermate substantieel deel van de behaalde opbrengsten ten goede kwam dat niet kan worden volgehouden dat het beleggingsbeleid uitsluitend was gericht op het belang van de pensioendeelnemers en niet tevens op het belang van [f] en [g], hetgeen overigens ook de conclusie was van de rechtbank Noord-Holland in de hiervoor genoemde uitspraak van 25 juni 2014.”

2.18

Telefonische navraag heeft mij geleerd dat de belanghebbende tegen deze uitspraak hoger beroep heeft ingesteld op het College van Beroep voor het Bedrijfsleven, zaaknr AWB 15/219. Bij mijn weten heeft het CBB nog geen uitspraak gedaan.

3 Het geding in cassatie

Principaal beroep (belanghebbende)

3.1

De belanghebbende heeft tijdig en regelmatig cassatieberoep ingesteld. De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend en daarbij – kennelijk voorwaardelijk – incidenteel cassatieberoep ingesteld. De belanghebbende heeft bij één geschrift gerepliceerd in het principale beroep en zich verweerd tegen het incidentele beroep. De Staatssecretaris heeft daarop bij één geschrift gedupliceerd in het principale beroep en gerepliceerd in het incidentele. De belanghebbende heeft niet gedupliceerd in het incidentele beroep van de Staatssecretaris.

3.2

De belanghebbende schetst in een uitgebreide inleiding de context van de cassatiemiddelen en de feiten en omstandigheden waaruit zij opmaakt dat men ’s Hofs uitspraak tussen de regels moet lezen en dat ’s Hofs argumenten om het beroep af te wijzen gezocht zijn, naar de belanghebbende vermoedt om een in ‘s Hofs ogen maatschappelijk onwenselijke bezigheid van de belanghebbende te bestrijden. De belanghebbende acht het duidelijk dat zij “een van de norm afwijkend fonds is, dat zich toelegt op het bijzonder profijtelijke ‘kunstje’ van dividendarbitrage”, maar dat dit geen invloed mag hebben op de toepassing van de vrijstelling ex art. 5(1)(b) Wet Vpb 1969. Uit HR BNB 1993/886 blijkt dat maatschappelijke onwenselijkheid niet relevant is voor de vrijstelling. De dividendarbitrage die zij beoefent, wordt volgens haar ook door andere pensioenfondsen beoefend en past daarmee haars inziens binnen de normale activiteiten van een pensioenfonds.

3.3

Mede omdat de wetgever nooit is afgekomen met een omschrijving van het begrip “beleggen”, staat volgens de belanghebbende de beleggingsvrijheid van pensioenfondsen voorop. Het Hof daarentegen lijkt volgens haar aan te sluiten bij het prudent person criterium uit de Pensioenwet en is daarmee strenger dan de relevante fiscaalrechtelijke maatstaf, waarvoor de belanghebbende verwijst voor het genoemde arrest HR BNB 1993/88: maatschappelijke (on)wenselijkheid doet niet ter zake.

3.4

Principaal middel I betreft het doelstellingscriterium in art. 5(1)(b) Wet Vpb en houdt in dat art. 5(1)(b) Wet Vpb 1969 juncto art. 3 UB Vpb 1971 is geschonden en dat het Hof buiten de rechtsstrijd is getreden met zijn oordeel dat belanghebbende tot oogmerk heeft méér of iets anders dan (hedendaags) ‘eenvoudig vermogensbeheer’ en een nevendoelstelling heeft die aan vrijstelling in de weg staat. Middel I omvat diverse klachten die ik als volgt samenvat. Het Hof heeft HR BNB 1993/88 ten onrechte relevant geacht omdat die zaak de fiscale status van een directiepensioen-BV betrof. Het Hof heeft dat arrest te breed uitgelegd. Voor zover het thans nog relevant is, houdt het slechts in dat alleen ‘actieve groepsfinanciering’ in de weg staat aan de vrijstelling. Daarvan is in belanghebbendes geval geen sprake. Het Hof heeft de term ‘eenvoudig vermogensbeheer’ dan ook onjuist opgevat. Het Hof acht daarmee kennelijk onverenigbaar (r.o. 4.8.4): (i) actief deelnemen aan het economische (beurs)verkeer; (ii) meer dan ‘autonoom’ rendement creëren; (iii) relatief (zeer) hoge kosten maken; (iv) risico’s aangaan en revenuen genereren die afwijken van de min of meer ‘passieve’ belegger; (v) anders beleggen dan andere pensioenfondsen; (vi) met andere pensioenfondsen onvergelijkbare risico’s aanvaarden; (vii) zich verzekeringstechnisch onverantwoord gedragen door onvoldoende risicospreiding en door het verdienmodel te baseren op de niet vanzelfsprekende status van vrijgesteld pensioenlichaam. De belanghebbende bestrijdt elk van deze argumenten separaat.

3.5

De belanghebbende meent dat HR BNB 1993/88 weinig houvast biedt voor invulling van de term ‘eenvoudig vermogensbeheer’, maar zij leidt uit de verwerping van het cassatieberoep van de Staatssecretaris af dat u daarvoor in elk geval niet beslissend of relevant acht ‘verzekeringstechnisch (on)verantwoord handelen’, ‘solide beleggen’, vermijden van ‘speculatieve beleggingen’ en ‘verantwoorde risicospreiding’. Wat ‘actief deelnemen aan het economische (beurs)verkeer’ betreft, is volgens de belanghebbende niet in geschil dat zij passief is gebleven en haar deelname aan het beursverkeer volledig heeft uitbesteed. Overigens kan juist van pensioenfondsen worden verwacht dat zij actief deelnemen aan het economische (beurs)verkeer. Niet bestreden is dat dividendarbitrage gebruikelijk is in de beleggingswereld. Het Hof heeft onvoldoende feiten vastgesteld of is onvoldoende ingegaan op hetgeen de belanghebbende hierover heeft aangevoerd. Wat ‘meer dan ‘autonoom’ rendement creëren’ is, heeft het Hof niet duidelijk gemaakt, noch waar deze maatstaf vandaan komt en waarom hij voor ‘eenvoudig vermogensbeheer’ van belang is. Wat de ‘relatief (zeer) hoge kosten’ betreft, meent de belanghebbende dat die slechts relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de vergoeding aan [A] , de zakelijkheid waarvan het Hof echter al tot uitgangspunt had genomen (r.o. 4.7.4.4), dus niet voor de werkzaamhedentoets of een toets ‘eenvoudig vermogensbeheer’. De belanghebbende wijst op mijn conclusie voor HR BNB 2014/144,7 over de belastingplicht van een thuiszorginstelling. De belanghebbende acht de beleggingsrisico’s niet relevant bij de werkzaamhedentoets en de toets ‘eenvoudig vermogensbeheer’, die volgens haar op concurrentieverstoring door commerciële dienst-verlening zien. Risico’s aangaan en daarmee corresponderende revenuen genereren is geen toets die vermogensbeheer onderscheidt van commerciële activiteiten. De belanghebbende beroept zich op literatuur8 en een uitspraak van Hof Den Haag.9 Dat de belanghebbende ‘niet op vergelijkbare wijze’ belegt als andere pensioenfondsen, is volgens de belanghebbende, gezien HR BNB 1993/88, niet relevant voor de vraag of sprake is van ‘eenvoudig vermogensbeheer’. De belanghebbende trekt overigens in twijfel dat haar wijze van beleggen substantieel afwijkt van die van andere pensioenfondsen. Uit de vastgestelde feiten volgt dat zij volledig gedekte posities inneemt, waardoor zij hoogstens een beperkt risico loopt. De behoefte aan voorfinanciering van die posities is kleiner dan het Hof doet voorkomen en levert klaarblijkelijk geen groot risico op, nu zij haar transacties steeds probleemloos heeft kunnen uitvoeren. Het risico van niet-honorering van haar verzoeken om restitutie van (buitenlandse) dividendbelasting bestaat volgens haar alleen als haar de vrijstelling wordt onthouden, zodat het een cirkel- of drogredenering is om haar de vrijstelling te weigeren wegens het ‘dividendrisico’. Met opnieuw verwijzing naar HR BNB 1993/88 betoogt de belanghebbende dat noch verzekeringstechnisch (on)verantwoord gedrag, noch risicospreiding onderdeel zijn van de door de Hoge Raad aangelegde maatstaf voor ‘belegging’ van pensioenkapitaal.

3.6

De belanghebbende betoogt in middel I tenslotte dat zij, gelet op (i) de processtukken, waarin de Inspecteur ‘eenvoudig vermogensbeheer’ niet heeft geconcretiseerd en (ii) de bestaande jurisprudentie en literatuur, geen rekening hoefde te houden met ’s Hofs verrassingsinvulling van ‘eenvoudig vermogensbeheer’, welke verrassing zij in strijd acht met een goede procesorde, temeer nu de juridische invulling deels van feitelijke invulling afhangt die in cassatie niet aan de orde kan komen. Met name dat voldaan zou zijn aan de criteria ‘meer dan ‘autonoom’ rendement creëren’, ‘niet op vergelijkbare wijze beleggen als andere pensioenfondsen’ en ‘met andere pensioenfondsen onvergelijkbare risico’s aanvaarden’, volgt volgens de belanghebbende niet zonder meer uit de vastgestelde feiten en met die criteria is het Hof volgens de belanghebbende bovendien buiten de rechtsstrijd getreden.

3.7

Principaal middel II betreft het werkzaamhedencriterium in art. 3 UB Vpb en houdt in dat art. 5(1)(b) Wet Vpb 1969 juncto art. 3 UB Vpb 1971 zijn geschonden door ‘s Hofs oordeel dat belanghebbendes werkzaamheden niet in overeenstemming zijn met de in eerstgenoemde bepaling vereiste doelstelling omdat zij over aanzienlijke andere middelen dan premiegelden beschikte die zij voor haar activiteiten inzette. Het Hof is bovendien ten onrechte voorbij gegaan aan een bewijsaanbod. Ook dit middel heeft diverse onderdelen, die ik als volgt samenvat:

(i) het Hof heeft (ook) HR BNB 1993/8910 ten onrechte relevant geacht, om vergelijkbare redenen als HR BNB 1993/88. De belanghebbende bestrijdt ’s Hofs interpretatie van dit arrest; volgens haar is de ratio van HR BNB 1993/89 niet dat commerciële beleggingsactiviteiten niet vrijgesteld behoren te worden.

(ii) het Hof heeft de term ‘andere middelen’ verkeerd ingevuld door ten onrechte ook het beleggingsresultaat tot de ‘andere middelen’ te rekenen. Zij bestrijdt primair aanzienlijke ‘andere middelen’ in de zin van HR BNB 1993/89 op de balans te hebben staan. Subsidiair betoogt zij dat ’s Hofs invulling strijdt met de doelstelling van de vrijstelling omdat die invulling het onmogelijk maakt om met aanzienlijk meer middelen te beleggen dan noodzakelijk ter dekking van de pensioenverplichting, hoewel HR BNB 1993/89 geen onderscheid maakt tussen aanvullend eigen vermogen en aangetrokken vreemd vermogen.

(iii) uit HR BNB 1993/89 blijkt niet dat niet relevant is of sprake is van een ‘echte’ banklening en het bestaan van een ‘echte’ lening volgt niet uit de feiten. Het Hof had moeten ingaan op belanghebbendes aanbod te bewijzen dat slechts werd gefinancierd door bestaande deposito’s en ‘securities lending’. Het Hof had als tussen partijen vaststaand moeten aannemen dat geen sprake is van ‘echte’ leningen, maar van ‘synthetische’ leningen. Bij ‘synthetische’ leningen resteert slechts de vraag of het met derivaten aanbrengen van een multiplier kwalificeert als het aantrekken van middelen in de door de Hoge Raad bedoelde zin.

(iv) Niet elk nevendoel of wezensvreemde activiteit staat in de weg aan de vrijstelling. Van belang is slechts of de nevendoelstelling of wezensvreemde activiteit een belang van meer dan 10% van het geheel vertegenwoordigt. Voor zover het Hof daar (wel) van is uitgegaan, acht de belanghebbende ‘s Hofs motivering ondeugdelijk.

3.8

Principaal middel III houdt in dat het Hof ten onrechte belanghebbendes werkzaamheden, ook voor zover nevengeschikt of wezensvreemd, als ‘pensioenwerk-zaamheid’ ex art. 4(b) Wet Vpb 1969 juncto 2(1)(e) Wet Vpb 1969 heeft aangemerkt, waardoor volledige belastingplicht voor de vennootschapsbelasting ontstaat. Het Hof heeft ten onrechte belanghebbendes statutaire doelstelling doorslaggevend geacht hoewel uit de parlementaire geschiedenis volgt dat ook de feiten en omstandigheden relevant zijn voor de kwalificatie van de werkzaamheid. Voor zover het Hof zijn oordeel (wel) op die basis heeft geveld, betoogt de belanghebbende subsidiair dat het Hof op basis van de hoofdregel van art. 2(a) en (e) Wet Vpb 1969 had moeten beoordelen of de belanghebbende met de nevenactiviteiten/wezensvreemde werkzaamheden een onderneming drijft. De ‘pensioenwerkzaamheden’ en de nevenactiviteiten/wezensvreemde werkzaamheden moeten dan van elkaar onderscheiden worden en alleen de laatste zijn dan niet vrijgesteld.

3.9

Principaal middel IV houdt in dat 8:42 Awb c.q. ‘s Hofs motiveringsplicht is geschonden doordat het Hof ter zitting heeft geconstateerd dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd, doch desondanks niet (ambtshalve) om completering van het dossier heeft gevraagd. Uit het proces-verbaal van ‘s Hofs zitting van 18 februari 2015 volgt dat een rechterlijke uitspraak waarop de Inspecteur zich beroept – en die volgens de belanghebbende wel op rechtspraak.nl is gepubliceerd – niet in het procesdossier zit. Daarnaast ontbreken stukken over de informatie-uitwisseling met de Belgische autoriteiten. Hoewel geen expliciet verzoek is gedaan om toevoeging van die stukken aan het procesdossier, leidt de belanghebbende uit HR BNB 2015/12911 en een uitspraak van Hof Amsterdam12 af dat het Hof de Inspecteur had moeten verzoeken het dossier aan te vullen, hem daartoe de gelegenheid had moeten bieden en bij niet-aanvulling zich had moeten beraden op het gevolg daarvan. De belanghebbende acht voorts (principaal middel V) art. 8:73 en art. 8:75 Awb geschonden doordat het Hof de Inspecteur niet (volledig) in de schade en de (proces)kosten heeft veroordeeld, nu sprake is van een ‘bijzondere omstandigheid’ doordat de kosten in een wanverhouding staan tot het vennootschapsbelastingbelang van de procedure, althans in wanverhouding staan tot de forfaitaire vergoeding. Het procesrisico is onevenredig bij de belanghebbende gelegd, waardoor toegang tot de (bestuurs)rechter in strijd met art. 6 EVRM wordt belemmerd. Door een forfait dat de werkelijke kosten alleen in simpele en niet-tijdrovende procedures benadert, wordt de toegang tot de rechter in alle overige zaken wezenlijk bemoeilijkt. HR BNB 2005/23913 en HR BNB 2005/37414 sluiten niet uit dat het forfait onder omstandigheden de toegang tot de rechter ontoelaatbaar belemmert. De belanghebbende wijst op de EHRM-zaak Airey,15 het arrest van uw eerste kamer HR NJ 2012/201,16 mijn conclusie voor HR BNB 2005/239,17 de BNB-noot van Feteris daarbij, en de HvJ EU-zaak D. v Belastingdienst.18 Art. 2(3) Besluit proceskosten bestuursrecht biedt de mogelijkheid om in bijzondere gevallen af te wijken en daarvan moet volgens de belanghebbende gebruik gemaakt worden bij onevenredige procesrisicoverdeling door een wanverhouding tussen de kosten van procederen en het procesbelang of tussen de (redelijke) daadwerkelijke kosten en het forfait.

Verweer, tevens incidenteel beroep (staatssecretaris)

3.10

Ook de Staatssecretaris begint zijn verweer, dat tevens een – kennelijk voorwaardelijk – incidenteel cassatieberoep inhoudt, met een uitgebreide inleiding. Ook als de belanghebbende formeel aan alle voorwaarden voor de vrijstelling zou voldoen, zou vrijstelling in casu volgens hem in strijd kunnen komen met doel en strekking van art. 5(1)(b) Wet Vpb 1969 omdat belanghebbendes cash & carry transacties er volgens hem op neer komen dat buitenlandse dividenden alleen maar langs de belanghebbende worden omgeleid om reeds ingehouden buitenlandse dividendbelasting te kunnen terugvragen. Die omleiding heeft geen enkele (andere) economische betekenis. Met een voorbeeld19 wil de Staatssecretaris laten zien (i) dat uitoefening van de – gelijktijdig met de aankoop van de aandelen – geschreven opties van te voren vaststaat door hun zeer lage uitoefenprijs, zodat (ii) de belanghebbende slechts juridisch eigenaar van de aandelen is en dat (iii) belanghebbendes verdienmodel uitsluitend is gebaseerd op het terugvragen van dividendbelasting:

“De tot stand gekomen beleggingen betreffen uitsluitend de Cash en Carry arbitrage in verschillende markten. Een voorbeeld om te verduidelijken hoe deze trade werkt: De koers van aandeel A bedraagt € 100, het (verwachte) dividend bedraagt € 5 en een Call Optie met een uitoefenprijs van € 0,01 doet een premie van € 95,25. Als op deze prijzen gehandeld wordt, bedraagt het resultaat van deze arbitrage:

- koop aandeel

€ (100)

- verkoop optie

95,25

- ontvangst dividend

5

- assignment optie

0,01

- resultaat

€ 0,26”

Volgens de Staatssecretaris wordt door gebruikmaking van de belanghebbende en haar vrijstelling in feite de teruggevraagde dividendbelasting verdeeld tussen de oorspronkelijke aandeelhouder, Investec (de financier) en de belanghebbende. Bij een aandeelhouder die de dividendbelasting niet kan verrekenen of terugvragen is normaal gesproken dividendbelasting ad € 1,25 als eindheffing verschuldigd, die de belanghebbende echter kan terugvragen. In het voorbeeld houdt zij daar zelf € 0,26 van over; de rest komt naar alle waarschijnlijkheid ten goede aan de oorspronkelijke aandeelhouder en Investec. Volgens de Staatssecretaris staat vast dat belanghebbendes nering niet dividendarbitrage maar dividendbelastingarbitrage is. Kenmerkend voor dividendarbitrage is dat kleine verschillen in dividendverwachting worden verzilverd; de belanghebbende zet echter haar transacties op als het dividend al vaststaat. De Staatssecretaris wijst op diverse uitlatingen in processtukken van de belanghebbende waarmee zij erkend zou hebben dat het om dividendbelastingarbitrage gaat. Ook ‘s Hofs voorbeeld (r.o. 4.6.2) duidt volgens de Staatssecretaris op dividendbelastingarbitrage, nu zonder dividendbelastingrestitutie onwaarschijnlijk is dat Investec het optierecht wil kopen voor € 95,25 hoewel het een theoretische waarde heeft van slechts € 94,99. De Staatssecretaris deelt niet de opvatting van het Hof (r.o. 4.6.3) dat ook als het dividend al vaststaat partijen daar nog een verschillende inschatting van zouden kunnen maken. Het Hof heeft zelf in r.o. 4.6.3 overwogen dat:

“zonder (dividend)belastingarbitrage (waaronder mogelijke ‘dividendstripping’) de marge voor beide betrokken partijen (aanzienlijk) kleiner zal zijn.”

De Staatssecretaris acht ‘s Hofs eindoordeel niet-begrijpelijk wegens tegenstrijdigheid.

3.11

De Staatssecretaris betoogt voorts dat vergelijkbare dividendbelastingarbitrage plaatsvindt bij belanghebbendes transacties waarbij geen optie wordt geschreven maar een Price Return Swap (SWAP) wordt gesloten. Alsdan wordt de winst op de arbitrage verdeeld door de vergoeding voor de SWAP. De Staatssecretaris geeft het volgende voorbeeld:

“Aankoop aandeel

-100,00

Lening Investec

100,00

Ontvangst dividend

5,00

Afrekening SWAP

0,20

Verkoop aandeel

95,00

Aflossing lening

-100,00

Resultaat

0,20 gelijk aan 4% dividend”

3.12

De Staatssecretaris meent, anders dan het Hof, dat de belanghebbende aldus, door verdeling van de dividendbelastingbesparing, diensten verleent aan houders van buitenlandse aandeelhouders, of aan hun vermogensbeheerders, die de dividendbelasting niet (volledig) kunnen verrekenen. Over ’s Hofs overweging (r.o. 4.7.4.4) over de omzetting van de Vermogensbeheerovereenkomst in de Samenwerkingsovereenkomst merkt de Staatssecretaris op dat afhankelijkheid tussen de belanghebbende en [A] geen rol mag spelen omdat het arm’s length beginsel anders zinledig zou worden. De Staatssecretaris wijst er voorts op dat de Inspecteur zijn standpunt over die omzetting (onzakelijk) niet heeft ingetrokken en het Hof slechts veronderstellenderwijs uitgaat van de zakelijkheid ervan.

3.13

Als verweer tegen het eerste principale middel voert de Staatssecretaris aan dat de belanghebbende miskent dat de zeven door het Hof aangevoerde omstandigheden die ‘eenvoudig vermogensbeheer’ onaannemelijk maken (zie 3.4 hierboven) niet elk separaat, maar in hun onderlinge samenhang bezien moeten worden. Bij het begrip ‘eenvoud’ speelt ook de omvang van de activiteiten een rol en die is bij de belanghebbende enorm in verhouding tot de ingelegde pensioenpremies. Het Hof heeft de activiteiten van de belanghebbende dan ook terecht ook positief gekwalificeerd, nl. als commercieel. Indien waardecreatie relevant is voor het onderscheid tussen ondernemen en beleggen, zoals de belanghebbende stelt, dan acht de Staatssecretaris evident dat de belanghebbende waarde voor dividendbelastingarbitragecliënten creëert. Ook de overige onderdelen van het eerste cassatiemiddel worden door de Staatssecretaris bestreden.

3.14

Als verweer tegen principaal middel II wijst de Staatssecretaris erop dat bij een stichting inbreng van eigen vermogen niet mogelijk is, waardoor de ‘andere middelen’-toets in casu vanzelf uitkomt op een vreemd-vermogenstoets. In welke vorm dat vreemde vermogen aan de belanghebbende beschikbaar wordt gesteld doet niet ter zake, zodat ook synthetische financiering onder ‘andere middelen’ valt. Aantrekking van welk vreemd vermogen dan ook leidt volgens HR BNB 1993/89 tot verlies van de vrijstelling voor pensioenlichamen. De belanghebbende heeft dit voorschrift overtreden. De Staatssecretaris wijst op Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving kader 610.206 (regelgeving voor pensioenfondsen). Ook de overige onderdelen van het tweede principale cassatiemiddel worden door de Staatssecretaris bestreden.

3.15

Het derde principale middel acht de Staatssecretaris ongegrond omdat belanghebbendes werkzaamheden volgens hem een kopie zijn van de commerciële activiteit die [A] daarvóór met een commerciële marktpartij uitvoerde, zodat vast staat dat de belanghebbende in concurrentie treedt met commerciële marktpartijen. Nu de belanghebbende die werkzaamheden in het kader van haar statutaire doelstelling heeft uitgevoerd, heeft het Hof terecht geoordeeld dat de belanghebbende niet gesplitst, maar volledig belastingplichtig is voor de vennootschapsbelasting.

3.16

Belanghebbendes vierde middel is volgens de Staatssecretaris een ontoelaatbaar novum omdat de belanghebbende zich pas in cassatie beroept op niet-overlegging van stukken door de Inspecteur. De Staatssecretaris ziet geen steun in het recht voor de stelling dat het Hof de Inspecteur van ambtswege had moeten vragen het dossier aan te vullen. Over belanghebbendes vijfde middel merkt de Staatssecretaris op dat, gezien HR BNB 1996/373,20 het Hof niet gehouden was zijn beslissing over de proceskosten uitgebreider te motiveren.

Conclusie van repliek/reactie op het incidentele beroep (belanghebbende)

3.17

De belanghebbende acht het verweer van de Staatssecretaris grotendeels feitelijk van aard. Zij meent dat diens feitelijke stellingen nieuw, onjuist of bestreden zijn of door het Hof in tegenovergestelde zin zijn vastgesteld en noemt daarvan diverse voorbeelden. De voorbeelden van de Staatssecretaris gaan over hypothetische gevallen en niet over daadwerkelijk uitgevoerde transacties. De Staatssecretaris heeft zijn bewering dat het “bespaarde” dividend verdeeld wordt tussen de belanghebbende en “naar alle waarschijnlijk-heid” Investec en de oorspronkelijke aandeelhouder niet onderbouwd. De belanghebbende weerspreekt dat vast zou staan dat het om dividendbelastingarbitrage gaat of dat zij dat zou hebben erkend. Behalve voor verkopers die geen bronheffing terug kunnen krijgen, kunnen de transacties ook gunstig zijn voor verkopers voor wie de administratieve belasting een belemmering is. De belanghebbende weerspreekt dat alle opties over the counter zijn geschreven. Bij de Oostenrijkse transacties gaat het om beurshandel. Met betrekking tot het beroep van de Staatssecretaris dat ’s Hofs oordeel het arm’s length beginsel zinloos maakt, merkt de belanghebbende op dat zulks alleen zo zou zijn als met afhankelijkheid zou zijn bedoeld gelieerdheid, maar van gelieerdheid is in haar geval geen sprake. Ter zake van het beroep van de Staatssecretaris op fraus legis stelt de belanghebbende dat uit HR BNB 2001/19621 volgt dat dividendarbitrage niet impliceert dat de belanghebbende de transacties niet voor het voor haarzelf te behalen transactieresultaat heeft verricht maar voor de verijdeling van dividendbelasting. Aan het motiefvereiste noch aan het normvereiste wordt voldaan, aldus de belanghebbende, nu dividendbelasting-arbitrage, als daar al sprake van zou zijn, niet in strijd is met doel en strekking van de vrijstelling ex art. 5 Wet Vpb. Doel en strekking van die bepaling betreffen slechts het adequaat functioneren als pensioenfonds.

Dupliek principaal/tevens repliek incidenteel (Staatssecretaris)

3.18

De Staatssecretaris blijft erbij dat het gaat om dividendbelastingarbitrage, nu de aankoopprijs van de callopties onverklaarbaar hoog is, tenzij de oorspronkelijke aandeelhouder na dividenduitkering de aandelen terugkoopt of een beperkt verrekeningsgerechtigde aandeelhouder in direct verband staat met de koper van de calloptie. De Staatssecretaris wijst er opnieuw op dat het dividend al is vastgesteld op het moment van de transacties. Het feitencomplex is volgens de Staatssecretaris zelfs voldoende om dividendstripping aannemelijk te achten. Hij acht dividendbelastingarbitrage wel degelijk in strijd met doel en strekking van art. 5(1)(b) van de Wet Vpb 1969. De Staatssecretaris bestrijdt ook de overige door de belanghebbende bij repliek/verweer incidenteel ingenomen stellingen.

4 De subjectieve vrijstelling van vennootschapsbelasting voor pensioenlichamen

Wet en wetsgeschiedenis

4.1

Art. 5(1)(b) van de Wet Vpb 1969 luidt als volgt (tekst 2010 en 2011):

“1. Wij behouden Ons voor bij algemene maatregel van bestuur onder daarbij te stellen voorwaarden van de belasting vrij te stellen:

(…)

b. lichamen welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ten doel stellen de verzorging van werknemers en gewezen werknemers bij invaliditeit en ouderdom en de verzorging van hun echtgenoten en gewezen echtgenoten, dan wel partners en gewezen partners en van hun kinderen en pleegkinderen die de leeftijd van 30 jaar nog niet hebben bereikt, een en ander door middel van pensioen krachtens een pensioenregeling of van uitkeringen krachtens een regeling voor vervroegde uittreding, behoudens voorzover zij voordelen behalen uit bij algemene maatregel van bestuur aangewezen werkzaamheden die niet rechtstreeks verband houden met het uitvoeren van bedoelde regelingen.”

4.2

Art. 3 van het UB Vpb 1971 luidt als volgt (tekst 2010 en 2011):

“Een in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, van de wet omschreven lichaam is van de belasting vrijgesteld mits de werkzaamheden van het lichaam in overeenstemming zijn met het in voormelde onderdeel b aangegeven doel en bovendien de winst, behoudens een uitkering tot ten hoogste vijf percent per jaar over het gestorte kapitaal of over de inleggelden, uitsluitend kan worden aangewend ten bate van de verzekerden, een ingevolge het onderhavige artikel vrijgesteld lichaam, of een algemeen maatschappelijk belang.”

4.3

De MvT bij de Wet wijziging van het fiscale regime voor onderhoudsvoorzieningen en spaarvormen alsmede van het fiscale regime voor verzekeraars en directiepensioen-lichamen vermeldt:22

“De vrijstelling is, zo kan uit de wetsgeschiedenis worden afgeleid, ingegeven door de overweging dat het hier gaat om activiteiten die normaliter niet tot het behalen van winst zullen leiden. Zo er al winst wordt behaald, zal die ten hoogste van tijdelijke aard zijn en dan toch niet ten goede komen aan de onderneming, maar aan de pensioengerechtigden.”

4.4

Het verslag van het mondeling overleg bij de Wet Vpb 1969 vermeldt:23

“De vrijstelling voor pensioenfondsen (artikel 5, letter b) berust op de gedachte dat het hier een activiteit van een onderneming betreft die, in eigen beheer gehouden, normaliter niet tot het behalen van winst leidt. Wanneer om wettelijke (Pensioen- en spaarfondsenwet) of organisatorische redenen het „eigen beheer" wat wordt verzelfstandigd (door de oprichting van b.v. een eigen pensioenstichting of pensioen-n.v.), behoort dit niet tot belastingverzwaring te leiden. De in deze gevallen behaalde „winst" zal immers van tijdelijke aard zijn en niet aan de onderneming ten goede komen; de (thans) in de Vrijstellingsbeschikking Vennootschaps-belasting vervatte voorwaarden (welke in de bij A.M.v.B. te stellen voorwaarden zullen worden overgenomen) bewerkstelligen dat - afgezien van een normale rente op de ingebrachte kapitalen - de baten uiteindelijk aan de verzekerden, aan een andere pensioeninstelling of aan het algemeen nut ten goede komen. Bij de commerciële verzekeraars ligt dit geheel anders. De behaalde winst komt hunzelf of de aandeelhouders ten goede. Er is derhalve geen reden de vrijstelling om te vormen tot een objectieve vrijstelling, die voor commerciële verzekeraars zou moeten leiden tot afsplitsing van een vrijgesteld winstgedeelte.

(…).

Het is de bedoeling te voorkomen, dat onder een vrijstelling zou vallen winst uit activiteiten waarmede in concurrentie wordt getreden met andere ondernemingen, ook al wordt die winst aangewend voor het doel van het lichaam.”

4.5

Een brief van de Staatssecretaris van Financiën ter zake van de Aanpassing van de Wet op de loonbelasting 1964 en andere wetten aan Brede Herwaardering vermeldt:24

“Dat niettemin pensioenpremies en -aanspraken zijn vrijgesteld van loon- en inkomstenbelasting en pensioenfondsen zijn vrijgesteld van vennootschapsbelasting, is gegrond op het eerder aangeduide maatschappelijke belang van het vormen van oudedagsvoorzieningen. Pensioenvorming is een wijze van inkomensuitstel waarvan wij vinden dat die fiscaal moet worden begeleid.”

4.6

Het algemene deel van de MvT bij het Belastingplan 2004 vermeldt:25

“Deze vrijstelling is enerzijds gebaseerd op de gedachte dat pensioenfondsen naar hun aard geen winst maken omdat resultaten steeds ten goede komen aan de uitkeringsgerechtigden, hetzij in de vorm van lagere premies hetzij in de vorm van hogere uitkeringen. Anderzijds wordt de vrijstelling gedragen door de maatschappelijke functie die de fondsen kenmerkt: de verzorging van werknemers en gewezen werknemers voor de gevolgen van ouderdom en ziekte op basis van solidariteit en collectiviteit. In de praktijk ontplooien pensioenfondsen echter ook activiteiten die geen rechtstreeks verband houden met deze functie. Dit betreft commerciële activiteiten die worden uitgeoefend met de toevertrouwde middelen alsmede dienstverlenende activiteiten die geen verband houden met het uitvoeren van pensioen- of VUT-regelingen. Door de bestaande vrijstelling hebben pensioenfondsen met betrekking tot dergelijke activiteiten een concurrentievoordeel. Dit verhoudt zich niet goed met de achtergrond van de vrijstelling, die niet bedoeld is om commerciële of ondernemingsactiviteiten van de belastingheffing vrij te stellen. In het Strategisch Akkoord van het vorige kabinet is daarom aangegeven dat voorstellen zullen worden gedaan om te komen tot belastingheffing over de commerciële activiteiten van pensioenfondsen met ingang van 2004.

De thans voorgestelde wijziging houdt in dat pensioenfondsen in de belastingheffing worden betrokken voorzover zij commerciële activiteiten uitoefenen. Hiermee wordt het geconstateerde verschil in concurrentiepositie tussen vrijgestelde en belaste lichamen weggenomen. Voor het aanbieden van pensioenproducten blijven de fondsen vrijgesteld, mits zij in niet meer dan beperkte mate commerciële activiteiten verrichten. In dit verband is van belang dat in het kader van de nieuwe Pensioenwet door het kabinet de Commissie conglomeraatvorming pensioenfondsen (Commissie Staatsen) is ingesteld. De commissie heeft in het kader van de Pensioenwet als opdracht gekregen om de nevenactiviteiten van pensioenfondsen te analyseren en concreet aan te geven welke werkzaamheden tot de kernactiviteiten van pensioenfondsen behoren. Het onderzoek heeft twee invalshoeken, de bescherming van de belangen van de pensioengerechtigden en het voorkomen van ongewenste concurrentie-vervalsing ten opzichte van bijvoorbeeld banken en verzekeraars. De tweede invalshoek heeft sterke raakvlakken met de redenen voor introductie van de belastingplicht voor commerciële activiteiten van pensioenfondsen. In overleg met de bewindslieden van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is ervoor gekozen om in dit stadium nog niet voor te sorteren op de invulling van commerciële activiteiten van pensioenfondsen. Uitgangspunt is dat via een nota van wijziging deze invulling alsnog plaats zal vinden aan de hand van de conclusies van de Commissie Staatsen. Mochten deze conclusies niet tijdig (…) beschikbaar komen of niet voldoende helder zijn om de noodzakelijke concretisering van het begrip commerciële activiteiten van pensioenfondsen in dit wetsvoorstel te realiseren, dan zal het kabinet zelfstandig bij nota van wijziging invullen welke activiteiten van pensioenfondsen per 1 januari 2004 aan vennootschapsbelasting onderworpen zullen worden.”

4.7

Diezelfde MvT vermeldt in het artikelsgewijze gedeelte:26

“Met de voorgestelde wijziging van artikel 5, onderdeel b, wordt bewerkstelligd dat de commerciële activiteiten van pensioenfondsen voortaan in de belastingheffing worden betrokken. De vrijstelling voor pensioenfondsen blijft gehandhaafd voor de kernactiviteiten van lichamen die zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend bezighouden met de uitvoering van pensioen- of VUT-regelingen. Wel wordt thans voorgesteld om resultaten die worden behaald met werkzaamheden die buiten deze kerntaak vallen, in de heffing te betrekken. Hiertoe wordt een werkzaamhedentoets voorgesteld. Dit betekent dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen vrijgestelde en belaste werkzaamheden. Zoals in het algemene deel van de toelichting is aangegeven, zal dit onderscheid nog worden geconcretiseerd aan de hand van de conclusies van de Commissie conglomeraatvorming pensioenfondsen. Indien deze conclusies onverhoopt te laat beschikbaar komen of onvoldoende helder zijn dan zal het kabinet zelfstandig bij nota van wijziging invullen welke activiteiten van pensioenfondsen per 1 januari 2004 aan vennootschapsbelasting onderworpen zullen worden.”

4.8

De NnavV bij het Belastingplan 2004 verklaart waarom een omschrijving van “werkzaamheden die niet rechtstreeks verband houden met uitvoering van pensioenregelingen” er niet gekomen is:27

“Wij zijn (…) tot de conclusie gekomen dat met een enigszins andere aanpak meer recht kan worden gedaan aan het tweede van de bovengenoemde doelstellingen [rekening houden met de uitkomsten van de commissie Staatsen; PJW]. Die andere aanpak houdt in, dat wordt afgezien van een nadere invulling van het begrip «werkzaamheden die niet rechtstreeks verband houden met het uitvoeren van pensioen- of VUT-regelingen» bij nota van wijziging. De consequentie daarvan is dat dit begrip in artikel 5 van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 moet worden uitgelegd aan de hand van de maatschappelijke opvattingen op dit punt. De aanbevelingen die Commissie Staatsen zal doen, het standpunt dat het kabinet terzake zal innemen, en de discussie daarover met de Kamer, spelen daarbij uiteraard een belangrijke rol. Dat geldt ook voor mogelijke toekomstige wijzigingen in de Pensioenwet op dit punt. Met deze aanpak wordt uitvoering gegeven aan het Hoofdlijnenakoord, zonder dat vooruit wordt gelopen op de uitkomsten van de maatschappelijke discussie over commerciële activiteiten. Onzes inziens wordt hiermee tegemoet gekomen aan de aarzelingen die de leden van de bovengenoemde fracties op dit punt hadden.”

4.9

Diezelfde NnavV vermeldt:28

“Ten aanzien van de toepassing van artikel 5, onderdeel b, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is er altijd van uitgegaan dat beleggen door pensioenfondsen rechtstreeks verband houdt met hun doelstelling. Dat zij daarbij een ruime mate van vrijheid hebben, staat niet ter discussie. Voor wat betreft het onderscheid tussen beleggen en ondernemen gaan wij ervan uit dat de rapportage van de commissie Staatsen hierover duidelijkheid zal geven.”

4.10

Op vragen vanuit de Eerste Kamer antwoordde de Staatssecretaris van Financiën eind 2003 als volgt:29

“Invoering van belastingplicht voor pensioenfondsen lijkt de leden van de fractie van de PvdA bijzonder riskant met het oog op de mogelijkheid dat dit buitengewoon nadelige consequenties kan hebben voor de rendementen van de pensioenfondsen en hun premiestelling. Deze leden vragen in dit verband of de beleggingsresultaten die worden behaald met participaties in fiscale beleggingsinstellingen en andere complexe beleggingsstructuren in de heffing van vennootschapsbelasting worden betrokken. Ook wijzen zij erop dat pensioenfondsen het risico lopen van onmiddelijke afwaardering van hun participatieportefeuille als gevolg van een impairment-test. Gelet op de belangen van pensioenfondsen in de sfeer van vastgoed en private equity gaat het hier om zeer omvangrijke bedragen.

Antwoord

Primair geldt dat pensioenfondsen voor de heffing van vennootschapsbelasting subjectief vrijgestelde lichamen blijven. De wijziging van de wet op de vennootschapsbelasting houdt in dat pensioenfondsen voor een klein gedeelte van hun activiteiten belastingplichtig worden, te weten voorzover zij commerciële activiteiten verrichten. Om die reden kunnen zij nog steeds participeren in fiscale beleggingsinstellingen en andere complexe beleggingsstructuren. Slechts indien het houden van een participatie bij een pensioenfonds niet kan worden aangemerkt als een vrijgestelde activiteit zullen deze in de heffing worden betrokken. Verder wijs ik erop dat de beleggingsactiviteiten van pensioenfondsen niet in de heffing van vennootschapsbelasting worden betrokken. Wanneer de door deze leden genoemde activiteiten tot de beleggingssfeer moeten worden gerekend, en ik zie geen directe aanleiding waarom dit niet het geval zal zijn, zal ten aanzien van deze activiteiten geen sprake zijn van belastingplicht en zal dus geen sprake zijn van afwaardering van de participatieportefeuille.”

4.11

De reactie van de regering op het rapport van de hierboven veel genoemde Commissie Staatsen houdt onder meer het volgende in:30

“Hierbij bied ik u, mede namens de minister van Financiën, mijn reactie aan op het rapport van de Commissie Staatsen over nevenactiviteiten en conglomeraatvorming bij pensioenfondsen.

(…)

De visie van het vorige kabinet, waaraan in de opdracht van de commissie werd gerefereerd, (…) bevat de volgende hoofdelementen:

(…)

Uitgangspunt is dat pensioenfondsen zich concentreren op hun kernactiviteiten, d.w.z. doen waarvoor zij zijn opgericht, namelijk het uitvoeren van de afspraken van sociale partners omtrent ouderdoms-, invaliditeits- en nabestaandenpensioen. Activiteiten die niet in verband staan met deze vormen van pensioen horen in principe niet bij een pensioenfonds thuis. Als richtsnoer zou kunnen gelden dat alleen nevenactiviteiten worden verricht die dicht bij de primaire taken (i.e. de kernactiviteiten) van het fonds liggen en voorzover die vallen binnen het eigen domein van het fonds. De uitvoering van nevenactiviteiten mag nimmer ten koste gaan van de primaire taken en deze zullen beperkt in omvang dienen te zijn.

(…)

Kern- en nevenactiviteiten

De opvatting van de commissie dat een pensioenfonds dient te worden beschouwd als een specifieke taakorganisatie, waarvan de taken en bevoegdheden nauwkeurig in wet- en regelgeving zijn vastgelegd en die daaraan haar bijzondere positie ontleent, deel ik. Al het handelen van een pensioenfonds dient dus in overeenstemming te zijn met die bijzondere wettelijke positie. Het overeenkomstig die wettelijke taken en bevoegdheden opereren kan dus, in de terminologie van de commissie, worden aangemerkt als «buitengrens» van de activiteiten van een pensioenfonds. De commissie heeft getracht om het begrip «kernactiviteit» te preciseren. In overeenstemming met de bestaande praktijk onderscheidt de commissie een viertal kernactiviteiten:

• algemene risicobeheersing en fondsbeheer;

• de administratieve uitvoering van een pensioenregeling;

• het beleggen en beheren van de financiële middelen;

• de informatieverschaffing aan de deelnemers.

(…)

Geconstateerd kan dus worden dat de ruimte voor nevenactiviteiten beperkt is. Gegeven dit feit en indachtig genoemd artikel 7 zou zelfs kunnen worden overwogen om in het geheel geen nevenactiviteiten toe te staan. Dit heeft niet mijn voorkeur. Zowel de kernactiviteit «het beleggen van de financiële middelen», als de uitvoering van werkzaamheden die «verband houden met» pensioenuitkeringen, brengt mee dat er een «grijs gebied» is. Beleggen kan bijvoorbeeld overlopen in ondernemen, in de administratieve uitvoering van pensioenen komt het voor dat verregaand wordt samengewerkt met een of meer pensioenuitvoerders uit een ander domein en er is sprake van een aanzienlijke diversiteit van pensioenproducten. Kortom, er is sprake van een dynamische situatie, zowel wat betreft de inhoud van pensioenregelingen, de uitvoering en de activiteiten van pensioenfondsen op de financiële markten. Dit vergroot de noodzaak om wettelijke bepalingen in verband met de taak en positie van pensioenfondsen zorgvuldig te handhaven en om nieuwe ontwikkelingen te kanaliseren.

(…)

Samenvattend: tot de kernactiviteiten van een pensioenfonds worden gerekend al die activiteiten die noodzakelijk zijn om uitvoering te geven aan de wettelijk verankerde pensioentaken, alsmede de daarmee rechtstreeks verband houdende activiteiten. Alle overige activiteiten (die dus niet met de wettelijk verankerde pensioentaken zijn verbonden) zijn nevenactiviteiten.

De praktijk in beeld

In overeenstemming met het eerste deel van haar taak (bezien of de praktijk zoals die tot nu toe bij pensioenfondsen ontwikkeld is, in lijn is met de door het kabinet aangegeven visie), schetst de commissie een beeld van de huidige praktijksituatie. Zij constateert dat, in het algemeen, de aangetroffen nevenactiviteiten niet volkomen los staan van de kernactiviteiten van een pensioenfonds. De commissie signaleert dat het vooral gaat om kwesties van grensafbakening en noemt hiervan met name drie voorbeelden die in de praktijk spelen:

(…)

c. Het komt voor dat sprake is van «beleggend ondernemen» in plaats van «ondernemend beleggen». Dit is volgens de commissie het geval als een belegging wordt aangehouden op zodanige wijze dat, juridisch of feitelijk, gesproken kan worden van het (mede) drijven van een onderneming. Het pensioenfonds gaat dan ondernemersrisico en -verantwoordelijkheid dragen (zeggenschap in, resp. verbondenheid met, een onderneming en/of betrokkenheid bij de governance ervan). Het overgrote deel van de beleggingen van pensioenfondsen kan naar het oordeel van de commissie «zonder aarzeling» worden gekwalificeerd als «gewone» beleggingen. Met name bij beleggingen in vastgoed, private equity of venture capital wordt volgens de commissie de grens tussen ondernemend beleggen en beleggend ondernemen niet altijd scherp getrokken.

Ik onderschrijf de conclusie van de commissie dat het feit dat bepaalde nevenactiviteiten in het belang van de deelnemers zijn, op zich een onvoldoende redengeving is om die activiteiten toe te staan. Ook het simpele feit dat een nevenactiviteit inkomsten of andere materiële voordelen voor het fonds of de deelnemers oplevert is een onvoldoende redengeving. Centraal criterium dient steeds te zijn dat de activiteiten van een pensioenfonds (of een dochteronderneming) noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een pensioenregeling, of daarmee rechtstreeks verband houden. M.a.w.: een pensioenfonds dient binnen zijn kernactiviteiten en binnen zijn domein te blijven. Alleen dan handelt een pensioenfonds in overeenstemming met zijn bijzondere karakter als specifieke taakorganisatie. Het optreden als algemene onderneming staat hiermee op gespannen voet.

(…)

De voorgestelde criteria

Zoals hiervoor werd aangegeven, gelden de (eventuele) activiteiten van een pensioenfonds die niet met de wettelijke taakopdracht zijn verbonden als nevenactiviteiten. Dergelijke nevenactiviteiten zijn niet toegestaan, tenzij na toetsing aan wettelijke criteria uitdrukkelijk wordt vastgesteld dat zij wél kunnen worden toegestaan.

(…)

De «nee tenzij-formule» heeft geen betrekking op situaties waarin evident sprake is van «normaal» beleggen. Dit is immers een kernactiviteit en de beleggingsvrijheid van pensioenfondsen dient naar mijn oordeel te worden gerespecteerd, uiteraard met inachtneming van noodzakelijke prudentiële regels. Het «nee tenzij» heeft alleen betrekking op activiteiten waarbij zeker is (of het vermoeden gerechtvaardigd is) dat de grens tussen beleggen en ondernemen wordt overschreden. Dat beleggen niet dient te leiden tot een zodanig omvangrijke deelneming dat het pensioenfonds ondernemersrisico gaat dragen, behoort naar mijn mening tot de beleggingsbeginselen zoals bedoeld in artikel 12 van de richtlijn; overeenkomstig artikel 13 dienen deze beginselen periodiek aan de bevoegde autoriteiten (i.c. de toezichthouder) te worden voorgelegd.

(…)

In hoofdstuk 5 benoemt de commissie een aantal specifieke criteria waaraan nevenactiviteiten naar haar oordeel zouden moeten worden getoetst. Het gaat om de volgende criteria:

(…)

c. Wat betreft het productaanbod zijn de Regeling taakafbakening pensioenfondsen en de domeinomschrijving van de Pensioenwet maatgevend. Ik voeg hier aan toe dat uiteraard ook de Pensioenrichtlijn doorwerkt in het productaanbod. Zo verbiedt de richtlijn het aangaan van een lening door een pensioenfonds en het namens derde partijen optreden als garant; wel kan worden toegestaan dat een tijdelijke lening uitsluitend voor liquiditeitsdoelstellingen wordt aangegaan (art. 18, tweede lid). Er is naar mijn oordeel overigens geen grond voor de interpretatie van de Stichting van de Arbeid dat een achtergestelde lening van de sponsor geen lening in de zin van de Pensioenrichtlijn zou zijn.

(…)

e. Er dient sprake te zijn van een prudente spreiding van beleggingen, met inachtneming van de structuur van de verplichtingen en het risicoprofiel van het fonds.

f. De verplichtingen die voortvloeien uit het aangaan van een belegging mogen niet uitgaan boven de beschikbaar gestelde middelen.

(…)

Ik constateer, mede op basis van de reactie van de Stichting van de Arbeid, dat deze criteria in belangrijke mate op draagvlak kunnen rekenen. Dit vloeit ook reeds voort uit het feit dat de commissie zich baseert op raadpleging van diverse deskundigen en belangenorganisaties. Deze criteria zullen (met in achtneming van de daarbij geplaatste kanttekeningen) worden betrokken in de voorbereiding van de Pensioenwet, hetgeen overigens nog niet wil zeggen dat op al deze punten formele regelgeving noodzakelijk is.”

Jurisprudentie

4.12

Uw door Rechtbank en Hof mede als toetsingskader aangemerkte arrest HR BNB 1993/8831 betrof de overdracht van een pensioenverplichting jegens de directeur van een werkmaatschappij aan een nieuwe BV (de belanghebbende), die de voordien in eigen beheer gehouden pensioenverplichting overnam tegen cessie aan haar van een vordering op de BV van de zoon van de pensioengerechtigde. De pensioenverplichting bedroeg ultimo 1981 f 268.340 terwijl die vordering toen slechts f 144.655 waard was. U overwoog:

“3.5. (…) De wijze van beleggen door een pensioenlichaam kan meebrengen dat het een nevendoelstelling heeft, waardoor het de vrijstelling van artikel 5, letter b, van de Wet niet deelachtig kan worden. Artikel 3 van het Besluit staat evenwel niet er aan in de weg dat het pensioenlichaam het hem toevertrouwde kapitaal belegt - hoezeer uit maatschappelijk oogpunt onwenselijk - in een vordering op een werkmaatschappij of aanverwante maatschappij. Dit is slechts anders indien de activiteiten van het pensioenlichaam met betrekking tot deze vordering meer of iets anders zouden inhouden dan eenvoudig vermogensbeheer. 's Hofs uitspraak en de stukken van het geding geven echter geen aanleiding tot de veronderstelling dat dit laatste het geval was. Voorts brengt de enkele omstandigheid dat het pensioenlichaam voor zijn pensioenverplichting onvoldoende dekking verkrijgt, niet mee dat het afwijkt van zijn doelstelling.”

N.H. de Vries (noot in BNB 1993/88) betreurde uw oordeel:

“Ik betreur deze beslissing (…) aangezien daarmee - en zonder daarvoor een overtuigende motivering te verschaffen - aan pensioenlichamen een vrijbrief wordt gegeven een riskante, ja zelfs een onbezonnen, beleggingspolitiek te voeren, waardoor de betaling der pensioenen aan de gerechtigden geenszins meer gegarandeerd mag heten. Merkwaardig is mijns inziens dan ook dat de Hoge Raad in een tussenzin een dergelijke handelwijze van het directiepensioen-lichaam met zoveel woorden als ,,maatschappelijk onwenselijk'' kwalificeert, doch dit gedrag desondanks honoreert met de gevraagde vrijstelling. In dit opzicht verwijdert de Hoge Raad zich tevens van de in de ook reeds sub a vermelde resolutie van 27 januari 1989, BNB 1989/70, waarin door de staatssecretaris criteria voor directiepensioenlichamen met betrekking tot een solide beleggingspolitiek zijn ontwikkeld (Bijlage A, punt b). Naar mijn oordeel had de Hoge Raad juist op grond van de tekst van art. 3 Uitvoeringsbesluit Vpb. 1971 kunnen beslissen dat een redelijke wetstoepassing meebrengt - zulks met het oog op de belangen van de pensioengerechtigden, zie tevens sub a hiervoor - dat de gevoerde beleggingspolitiek moet passen bij de aard en omvang van de door het pensioenlichaam op zich genomen uitkeringsverplichtingen. (…).”

De Redactie van V-N 1992/3489, p. 13 merkte op:

“De eis, dat de werkzaamheden van het pensioenlichaam in overeenstemming dienen te zijn met zijn doel, heeft zozeer het karakter van een open deur dat men hier bezwaarlijk via een extensieve interpretatie eisen aan kan ontlenen voor het beleggingsbeleid.”

4.13

HR BNB 1993/8932 betrof, andersom, een pensioen-BV met overdekking waarvan de aandelen werden gehouden door de kinderen van de pensioengerechtigde. Per 1 januari 1984 bedroeg de pensioenverplichting f 471.225,33, maar de bezittingen bestonden toen uit obligaties ad in totaal f 1.526.959,20 die voor f 926.052,53 waren aangekocht met geleend geld. In deze zaak achtte u de vrijstelling ex art. 5(1)(b) Wet Vpb 1969 niet van toepassing:

“3.3. Een lichaam dat zich volgens zijn statuten ten doel stelt de verzorging van werknemers en gewezen werknemers en hun verwanten, als omschreven in artikel 5, letter b, van de Wet, voldoet niet aan de in artikel 3 van het Besluit gestelde eis dat zijn werkzaamheden in overeenstemming zijn met vorenomschreven doelstelling indien het, naast de middelen die het heeft verkregen ter dekking van de pensioenverplichtingen en de met de belegging van deze middelen behaalde voordelen, tot aanzienlijke bedragen over op andere wijze verkregen, ter belegging bestemde middelen beschikt, zulks ongeacht of deze middelen met eigen of met vreemd vermogen zijn gefinancierd.”

4.14

N.H. de Vries zag verschil tussen deze redenering en die in HR BNB 1993/88:

“Opvallend acht ik het feit dat de Hoge Raad in dit arrest - en zulks in tegenstelling tot zijn arrest van 21 oktober 1992, nr. 27 365 - op generlei wijze gewaagt van de aanwezigheid van een nevendoelstelling bij belanghebbende - zoals de Inspecteur ten overstaan van het Hof had betoogd - hieruit bestaande dat belanghebbende in feitelijk opzicht niet uitsluitend dan wel nagenoeg uitsluitend als pensioenlichaam wenste te fungeren, doch tevens, en los daarvan, als een op winst gerichte beleggingsmaatschappij. Indien de Hoge Raad in dit arrest de aanwezigheid van een dergelijke nevendoelstelling in zijn rechtsoverweging 3.3 wel centraal zou hebben gesteld, zou reeds op die grond de uitspraak van het Hof hebben kunnen zijn gecasseerd. Ik kan dan ook maar moeilijk uit de voeten met het feit dat onze hoogste nationale belastingrechter in geval van ,,onderdekking'' van pensioenverplichtingen en bij afwezigheid van ,,pensioenvreemde'' activiteiten - zoals in de casus van HR 21 oktober 1992, nr. 27 365 - wel refereert aan een nevendoelstelling die aan het verlenen van een subjectieve vrijstelling in de weg staat, terwijl in het onderhavige arrest, alwaar bij belanghebbende duidelijk wel een dergelijke ,,pensioenvreemde'' nevendoelstelling (de winstgevende exploitatie van een surplus-beleggingsvermogen van aanzienlijke omvang) valt te constateren, een verwijzing naar zo'n nevendoelstelling geheel ontbreekt. Vergelijking van de overwegingen van de Hoge Raad zou bijna het vermoeden doen rijzen dat de desbetreffende rechtsoverwegingen in de beide arresten zijn verwisseld.

In mijn noot bij HR 21 oktober 1992, nr. 27 365, ben ik evenwel - gelet op de in dat geval geldende feitelijke omstandigheden - tot de conclusie gekomen dat de aldaar wel voorkomende verwijzing naar een nevendoelstelling bij het pensioenlichaam aldus moet worden opgevat, dat het op de dekking van de aangegane pensioenverplichtingen gerichte beleggingsbeleid geen daaraan wezensvreemde werkzaamheden mag omvatten. Indien mijn conclusie daaromtrent juist is, zou de aanwezigheid van een aanzienlijk surplus-beleggingsvermogen, hetwelk niet benodigd is ter nakoming van de pensioenverplichtingen, a fortiori als een nevenactiviteit in de door mij bedoelde zin moeten worden beschouwd, zodat de subjectieve vrijstelling reeds om die reden niet zou kunnen worden verleend.

(…).

Het wil mij dan ook voorkomen dat, gelet op de samenhang tussen de in beide arresten aan de orde zijnde problematiek, de Hoge Raad onnodig verwarring heeft gezaaid in zijn rechtsoverwegingen, als gevolg waarvan (helaas) geen duidelijkheid is geschapen omtrent de vereisten, waaraan een vrijgestelde directiepensioen-BV moet voldoen.”

4.15

De belanghebbende beroept zich bij repliek tot afweer van de doel-en-strekking-stelling van de Staatssecretaris op HR BNB 2001/196,33 welk arrest soortgelijke transacties betrof als die van de belanghebbende (nl. gelijktijdige aankoop van aandelen en schrijven van putopties op die aandelen, met uitoefening van de puts meteen na dividendontvangst), uitgevoerd door een belanghebbende die weliswaar niet was vrijgesteld, maar die wel ex art. 25 Wet Vpb 1969 gerechtigd was tot verrekening van ingehouden dividendbelasting met door haar verschuldigde vennootschapsbelasting. In geschil was of het gebruikmaken van de mogelijkheid tot verrekening van de (Nederlandse) dividendbelasting met de (Nederlandse) vennootschapsbelasting fraus legis opleverde. U overwoog:

“3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat nu het (bruto) dividend C een bestanddeel vormt van de winst van belanghebbende in de zin van artikel 25 van de Wet, terwijl tevens vaststaat dat het dividend netto, na inhouding van dividendbelasting, aan belanghebbende is uitbetaald, de verrekening van de ingehouden dividendbelasting met de door belanghebbende verschuldigde vennootschapsdbelasting rechtstreeks uit het in artikel 25 van de Wet bepaalde voortvloeit. Veronderstellenderwijs aannemende dat de beweegreden voor het aangaan van de transacties voor de wederpartijen van belanghebbende was gelegen in het vermijden van Nederlandse dividendbelasting en dat zulks voor belanghebbende duidelijk moet zijn geweest, heeft het Hof voorts geoordeeld dat desniettemin de verrekening door belanghebbende van de te harer laste geheven dividendbelasting als zodanig niet in strijd komt met doel en strekking van artikel 25 van de Wet.

Tegen laatstvermeld oordeel richt zich het middel met het betoog dat belanghebbendes weder-partijen bij het samenstel van de transacties in strijd met doel en strekking van de Wet op de dividendbelasting 1965 dividendbelasting hebben ontlopen en dat de bereidheid van belanghebbende daaraan mee te werken meebrengt dat ook belanghebbende zelf het motief heeft gehad dat heffing van dividendbelasting werd ontgaan. Dit betoog kan evenwel niet als juist worden aanvaard. De bereidheid van belanghebbende mee te werken aan een op verijdeling door derden van dividendbelasting als eindheffing gerichte constructie, is geen grond om aan te nemen dat voor de in het kader van die medewerking door belanghebbende verrichte transacties niet het voor zichzelf te behalen transactieresultaat maar die verijdeling van dividendbelasting de doorslaggevende beweegreden is geweest.”

4.16

Hoewel het net als in belanghebbendes zaak gaat over een faciliteit die de betrokkene voor de dividendbelasting in een voordeliger positie brengt dan personen voor wie de dividendbelasting eindheffing is (in HR BNB 2001/196: het verrekeningsrecht ex art. 25 Wet Vpb 1969; in belanghebbendes zaak de vrijstelling ex art. 5(1)(b) Wet Vpb 1969), verschillen beide zaken doordat het in HR BNB 2001/196 ging om (indirecte) restitutie van Nederlandse dividendbelasting terwijl het bij onze belanghebbende gaat om teruggaaf van in het buitenland ingehouden buitenlandse dividendbelasting. Daardoor gaat het in casu niet om doel en strekking van de Nederlandse dividendbelasting, maar om doel en strekking van de vrijstelling van vennootschapsbelasting ex art. 5 Wet Vpb.

Literatuur

4.17

Verburg, Vennootschapsbelasting, leidt uit de door de partijen veel bediscussieerde arresten HR BNB 1993/88 en 89 af dat de fiscus niet het beleggingsbeleid toetst, maar wel of het fonds meer onderneemt dan strookt met zijn primaire (verzorgings)doelstelling:34

“De vrijstelling voor pensioenlichamen is gebonden aan de voorwaarden vermeld in art. 3 Uitv. besl. Vpb. 1971. Zo dienen de werkzaamheden van het pensioenlichaam in overeenstemming te zijn met het in art. 5, letter b, Wet Vpb. 1969 nader omschreven verzorgingsdoel, (…). Eerstgenoemde voorwaarde houdt niet in dat er ruimte zou zijn om het beleggingsbeleid als zodanig te toetsen, maar zou de wijze waarop het pensioenlichaam belegt, erop duiden dat dit lichaam, al beleggende, meer doet dan strookt met zijn primaire (verzorgings)doelstelling, dan dient te worden aangenomen dat aan de gestelde voorwaarde niet is voldaan. Vgl. HR 21 oktober 1992, BNB 1993/88 en 89.”

4.18

Lieverse en Van ’t Westeinde menen dat pensioenfondsen heel wel in de weer kunnen met effectenderivaten:35

“Derivaten kunnen door pensioenfondsen niet alleen worden ingezet om bepaalde risico's die samenhangen met door het fonds verrichte beleggingen hanteerbaar te maken, doch het gebruik daarvan kan tevens bijdragen aan verhoging van het behaalde beleggingsrendement, dan wel verbetering van de kwaliteit van de aangehouden beleggingsportefeuille. In beginsel mogen we dan ook aannemen dat het verrichten van derivatentransacties als zijnde secundaire handelingen binnen de doelomschrijving van een (stichting) pensioenfonds vallen. Dit ongeacht of de transacties zijn verricht in het kader van het afdekken van bepaalde risico's of zijn aangegaan met een speculatief oogmerk gericht op het behalen van een zo hoog mogelijk beleggingsrendement.

(…)

Uit het voorgaande is duidelijk geworden dat in beginsel de PSW [Pensioen- en spaarfondsenwet;PJW], noch de regels uitgevaardigd door de PVK [Pensioen- en Verzekeringskamer; PJW] met zoveel woorden het gebruik van (bepaalde soorten) derivaten door pensioenfondsen verbieden. Nu geen sprake is van een verbod, mag worden aangenomen dat een pensioenfonds in beginsel elk soort derivatentransactie mag aangaan. Deze constatering betekent echter niet dat door een pensioenfonds ongelimiteerd allerlei derivatentransacties mogen worden aangegaan. Zoals ook hiervoor is gebleken, moeten dergelijke instrumenten dienstig kunnen zijn tot verwezenlijking van het doel van het pensioenfonds en moet het gebruik geschieden met inachtneming van de randvoorwaarden neergelegd in de circulaire van de PVK. Zorgvuldig gebruik staat voorop.

Een zuiver speculatief gebruik waarbij de aan het beleggingsbeleid gestelde eisen van soliditeit en prudentie volkomen uit het oog worden verloren, is – terecht ̶ uit den boze. De derivatentransacties moeten bovendien passen binnen de rendementseisen en het risicoprofiel zoals deze zijn geformuleerd in het eerder vastgestelde beleggingsbeleid.”

4.19

Gielink en Bergervoet schrijven:36

“Als onderdeel van het Belastingplan 2004 is per 1 januari 2004 een wijziging aangebracht in de subjectieve vrijstelling van pensioenfondsen. Pensioenfondsen zijn vanaf deze datum niet langer vrijgesteld voorzover zij voordelen behalen uit bij AMvB aangewezen werkzaamheden die niet rechtstreeks verband houden met het uitvoeren van pensioen- en VUT-regelingen. Het gevolg van de wetswijziging is dat de nevenwerkzaamheden direct belast gaan worden, terwijl onveranderd blijft dat bij overschrijding van de 10%-grens de kernactiviteit eveneens belast wordt.

(…)

Hierbij dient te worden opgemerkt dat de staatssecretaris heeft aangegeven dat voor de VPB-plicht sprake dient te zijn van ‘commerciële’ nevenactiviteiten. Uit de parlementaire geschiedenis kan worden afgeleid dat de staatssecretaris hiermee activiteiten bedoelt waarmee een pensioenfonds in concurrentie treedt met anderen. Ondernemersactiviteiten zullen echter vrijwel steeds ‘commercieel’ van aard zijn. Het is immers inherent aan het begrip ‘ondernemen’ dat activiteiten worden ontplooid op een bepaalde markt.

(…)

Uit een hierboven reeds aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat de kerntaak van het pensioenfonds betreft het ‘eenvoudig vermogensbeheer’ van de ontvangen middelen. Een nadere invulling van dit begrip wordt echter niet gegeven door de Hoge Raad, niet in het genoemde arrest en evenmin in andere arresten ten aanzien van pensioenfondsen. Echter, de vraag of bepaalde activiteiten moeten worden beschouwd als het beleggen van vermogen dan wel als het uitoefenen van een onderneming, speelt ook op andere terreinen van het belastingrecht een rol. Interessant is hierbij met name de regeling ten aanzien van de fiscale beleggingsinstellingen van art. 28 Wet VPB 1969.

(…)

Uit de parlementaire geschiedenis ten aanzien van de wijziging van het regime voor beleggingsinstellingen valt af te leiden dat onder ‘het beleggen van vermogen’ hetzelfde verstaan dient te worden als in de Wet IB. Dit betekent dat er sprake is van het beleggen van vermogen indien de werkzaamheden normaal vermogensbeheer niet te boven gaan, welk criterium inmiddels is opgenomen in art. 3.91, lid 1, onder c, Wet IB 2001. De staatssecretaris merkte ten aanzien van het begrip ‘normaal vermogensbeheer’ het volgende op:

‘De omloopsnelheid van een beleggingsportefeuille kan naar mijn mening niet het onderscheidende criterium zijn voor de vraag of er sprake is van beleggen of ondernemen. Voor het onderscheid zal (...) veel meer van betekenis zijn het antwoord op de vraag of de verrichte werkzaamheden naar hun aard of relatieve omvang onmiskenbaar ten doel hebben het behalen van voordelen naast het uit de beleggingen genoten rendement dan wel het behalen van voordelen uit de beleggingen, die het aan een belegger in zodanige objecten normaliter opkomende rendement te boven gaan. Een actieve beleggingspolitiek kan, onafhankelijk van de gekozen beleggingscategorie, zeer zeker plaatsvinden zonder dat de grenzen van normaal vermogensbeheer worden overschreden.’37

In een andere formulering maar met dezelfde strekking achtte de Hoge Raad dat er niet langer sprake is van normaal vermogensbeheer indien op de voorgrond staat ‘een kennelijk streven om, in grotere omvang of kwaliteit dan bij vermogensbeheer gebruikelijk is, eigen arbeidskracht, eigen ervaring of eigen relaties rendabel te maken’.38

Het gaat bij de invulling van het begrip ‘normaal beleggingsbeheer’ derhalve niet alleen om de omvang van de arbeid, maar eveneens om de kwaliteit, de aard en het karakter van de arbeid. Een ondernemer heeft de intentie om met behulp van kapitaal en arbeid een meerwaarde te creëren door een prestatie op de markt aan te bieden. Een belegger stelt slechts uitsluitend zijn vermogensbestanddelen ter beschikking van anderen en ontvangt daarvoor een vergoeding. Hij creëert derhalve zelf geen meerwaarde.39 Normaal vermogensbeheer houdt tegenwoordig echter méér in dan het streven naar periodiek rendement, naast vermogensgroei. Bij de parlementaire behandeling van de wijziging van het regime voor beleggingsinstellingen merkte de staatssecretaris het volgende op:

‘Het normaal vermogensbeheer heeft ten opzichte van het verleden een ontwikkeling doorgemaakt, die nauw samenhangt met de maatschappelijke ontwikkelingen. Vermogens-beheer is niet langer een statisch gebeuren; het heeft zich ontwikkeld tot een activiteit waarbij de belegger probeert met behulp van diverse instrumenten een optimaal resultaat te behalen. Dat resultaat is opgebouwd uit rendementen en vermogensgroei. Tot de instrumenten behoren ook het gebruik maken van opties, termijncontracten, futures, warrants en dergelijke.’40

Toepassing; beoordeling van de principale middelen I, II en III

4.20

Het Hof heeft niet aannemelijk geacht dat de belanghebbende zich – meer dan bijkomstig – ten doel stelde [A] te bevoordelen, noch dat zij zich vooral bezig hield met dividendstripping. Wel meent hij dat belanghebbendes verdienmodel is gebaseerd op de mogelijkheid om als (hopelijk) vrijgesteld pensioenfonds restitutie te verkrijgen van buitenlandse dividendbelasting. Het Hof heeft niet – mijns inziens ook niet tussen de regels – geoordeeld of geïmpliceerd dat zulks een maatschappelijk foute bezigheid is, noch dat maatschappelijke onwenselijkheid van de beleggingsstrategie van een pensioenfonds (zoals belegging in clusterbommen, plutonium, staatsobligaties van foute regimes, kinderarbeid, of tabaksindustrie) van belang is bij de vraag of zijn volstrekt overwegende doelstelling pensioenverzorging is. Het Hof heeft voorts tot uitgangspunt genomen dat de overstap van een procentuele fee naar een profit share ten gunste van vermogensbeheerder [A] (ook) voor de belanghebbende zakelijk was. Voor cassatiedoeleinden staat daarmee mijns inziens vast dat de belanghebbende het belang van haar deelnemers diende en zich niet ten doel stelde het belang van Investec of van [A] te dienen. Daarmee staat echter nog niet vast dat de belanghebbende zich nagenoeg uitsluitend pensioenverzorging ten doel stelde zoals bedoeld in art. 5(1)(b) Wet Vpb.

4.21

De belanghebbende is een stichting en dus slechts belastingplichtig voor zover zij een onderneming drijft (art. 2(1)(e) Wet Vpb). Om discussie daarover te vermijden, bepaalt art. 4(b) Wet Vpb dat pensioen- en levensverzekering en pensioenverzorging en -uitkering hoe dan ook geldt als het ‘drijven van een onderneming’ in de zin van art. 2(1)(e) Wet Vpb, zodat rechtspersonen die pensioen verzekeren/verzorgen, zoals de belanghebbende, in beginsel belastingplichtig zijn. Volgens het Hof (zie 2.15 hierboven) is zij een dergelijke rechtspersoon en daarmee als uitgangspunt belastingplichtig voor de vennootschaps-belasting. Art. 5(1)(b) Wet Vpb stelt haar echter subjectief vrij als zij voldoet aan de in die bepaling geformuleerde doelstellings- of oogmerktoets. Volgens het Hof (r.o. 4.8.4) voldoet zij daar niet aan (heeft zij meer dan bijkomstig ook een ander oogmerk, nl. meer dan bijkomstig een commerciële arbitrage-onderneming drijven, samen met [A] om de ruim boven normaal vermogensbeheerrendement uitgaande winsten daaruit te delen), zodat zij niet is vrijgesteld.

4.22

Ik meen dat daarmee kan worden volstaan en dat men dan – bij gebrek aan kwalificerende doelstelling (nagenoeg uitsluitend pensioenverzorging) en daarmee gebrek aan ‘een in art. 5(1)(b) van de wet omschreven lichaam’ – niet meer toekomt aan de vragen of belanghebbendes werkzaamheden (i) overeenstemmen met de volgens art. 5(1)(b) Wet Vpb vereiste doelstelling, zoals bedoeld in art. 3 UB Vpb (die vereiste doelstelling ontbreekt immers, zodat niet ter zake doet of de werkzaamheden ermee overeenstemmen, c.q. daarmee niet kunnen overeenstemmen) dan wel (ii) gesplitst kunnen worden in een vrijgesteld deel (pensioenverzorging op basis van pensioenregelingen) en een belast deel (werkzaam-heden die niet rechtstreeks verband houden met uitvoering van pensioenregelingen) volgens de laatste zinsnede van art. 5(1)(b) Wet Vpb (nu de belanghebbende immers in het geheel niet onder die bepaling valt). Toch gaat het Hof ook nog in op de werkzaamhedentoets van art. 3 UB Vpb en constateert in r.o. 4.8.11 dat de belanghebbende (ook) niet voldoet aan de eis dat haar werkzaamheden overeenstemmen met het doel dat art. 5(1)(b) Wet Vpb eist. Ook het Hof overweegt al dat de verhouding tussen die twee bepalingen niet erg helder is en dat de grens tussen (i) het doelstellingsvereiste (art. 5(1)(b) Wet Vpb; Hof ‘de oogmerktoets’) en (ii) het werkzaamhedenvereiste (art. 3 UB Vpb) ‘diffuus’ is (r.o. 4.8.5).

4.23

Hoe dan ook, volgens het Hof zakt de belanghebbende voor beide toetsen omdat zij (i) voor meer dan 10% tot oogmerk heeft om samen met [A] een commerciële effectenhandel/arbitrage-onderneming te drijven, hoezeer zij ook – voor mogelijk bijna 90% – mede tot oogmerk heeft pensioen te verzorgen, en (ii) haar handel- en arbitrage-werkzaamheid niet overeenstemt met het in art. 5(1)(b) Wet Vpb vereiste pensioen-verzorgingsoogmerk, zulks vanwege haar zeer omvangrijke, buiten de premiebelegging (die vooral uit depositoparkering bestaat) om gaande commerciële arbitrage-activiteiten, waarvoor zeer omvangrijke andere middelen gebruikt worden dan premie-inleg en deposito-opbrengst.

4.24

Waar het bij de doelstellingstoets of oogmerktoets (middel I) op neer komt is de vraag: is de belanghebbende nagenoeg geheel aan het beleggen of is zij voor meer dan 10% aan het ondernemen? Dat is vooral een feitelijke vraag omdat de wetgever nauwelijks juridische criteria heeft gegeven. Dat de beleggingsvrijheid gerespecteerd moet worden, is geen verhelderend gezichtspunt, omdat beleggingsvrijheid niet relevant is bij personen die niet beleggen maar ondernemen. Ook de ondernemersvrijheid moet trouwens gerespecteerd worden. De belangrijkste bron van concrete criteria lijkt mij het door de wetgever (althans de regering) op dit punt overgenomen rapport van de Commissie Staatsen (zie 4.11 hierboven), waaruit volgt dat ‘ondernemend beleggen’ aanvaardbaar kan zijn, maar niet moet ontaarden in ‘beleggend ondernemen’, dat wil zeggen dat juridisch en feitelijk een onderneming (mede) wordt gedreven en het pensioenfonds (dus) ondernemersrisico en -verantwoordelijkheid draagt (“zeggenschap in, resp. verbondenheid met, een onderneming en/of betrokkenheid bij de governance ervan”). Dat bepaalde nevenactiviteiten in het belang van de deelnemers zijn, of dat een nevenactiviteit inkomsten of andere materiële voordelen voor het fonds of de deelnemers oplevert is volgens de Commissie Staatsen en de medewetgever onvoldoende reden om die activiteiten toe te staan. De activiteiten van een pensioenfonds moeten noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een pensioenregeling, of daarmee rechtstreeks verband houden. Een pensioenfonds moet binnen zijn kernactiviteiten en binnen zijn domein blijven, want anders handelt hij niet in overeenstemming met zijn bijzondere karakter als specifieke taakorganisatie. Het optreden als algemene onderneming staat hiermee, aldus nog steeds de regering in navolging van de Commissie Staatsen, op gespannen voet.

4.25

Het heeft weinig zin de feiten en omstandigheden te herhalen die het Hof ten grondslag heeft gelegd aan zijn oordeel (r.o. 4.8.4) dat de belanghebbende zich voor meer dan 10% iets anders ten doel stelt dan beleggen/pensioenverzorging, nl. ondernemen in commerciële effectenhandel en dividendarbitrage, of, zoals de belanghebbende het zelf formuleert: “het bijzonder profijtelijke ‘kunstje’ van dividendarbitrage”. De belanghebbende bestrijdt in middel I één voor één de zeven hoofdredenen die het Hof aanvoert voor zijn oordeel dat de belanghebbende zich meer dan bijkomstig ten doel stelt te ondernemen in arbitrage, maar

(i) ‘s Hofs redengeving verraadt geen onjuiste rechtsopvatting, met name niet in het licht van het enige voorhanden houvast, het (regeringsstandpunt inzake het) rapport van de Commissie Staatsen, integendeel: de belanghebbende doet juist bijna alles wat de Commissie Staatsen verboden heeft; zij loopt onmiskenbaar ondernemersrisico en heeft onmiskenbaar ondernemersverantwoordelijkheid;’s Hofs oordeel over belanghebbendes nering en profit partnership verraadt met name geen verkeerde invulling van de term ‘simpel vermogensbeheer’ of ‘normaal vermogensbeheer’;

(ii) de belanghebbende gaat er ten onrechte aan voorbij dat, zoals de Staatssecretaris terecht stelt en het Hof ook heeft overwogen, dat de door hem voor zijn oordeel aangevoerde gronden in hun onderlinge verband bezien en als geheel beoordeeld moeten worden en

(iii) de belanghebbende bestrijdt een vooral feitelijk oordeel dat geenszins onbegrijpelijk is, gezien het beeld dat oprijst uit de door het Hof vastgestelde feiten en omstandigheden ter zake van belanghebbendes activiteiten en motieven. Dat oordeel is evenmin onvoldoende gemotiveerd. Het is juist concreet en gedetailleerd en mijns inziens overtuigend gemotiveerd. Een verdere toetsing is in cassatie niet aan de orde.

4.26

Het Hof zou volgens de belanghebbende bij de toepassing van de doelstellingstoets buiten de rechtsstrijd zijn getreden, maar zij maakt niet duidelijk waar de schoen in dat opzicht wringt. Dit onderdeel van middel I (1.54 – 1.57) klaagt kennelijk over een verrassings-beslissing. De belanghebbende stelt dat zij ’s Hofs invulling van ‘eenvoudig vermogensbeheer’ niet hoefde te verwachten. Zij vindt kennelijk dat het Hof die invulling (zijn uitleg van door de partijen ook voor het Hof bediscussieerde relevante rechtspraak, met name HR BNB 1993/89) aan de partijen had moeten voorleggen alvorens uitspraak te doen. Die stelling vindt geen steun in het recht. ’s Hofs invulling van ‘eenvoudig vermogensbeheer’ is mijns inziens geenszins verrassend, maar strookt juist met de bestaande rechtspraak, met name met het veel bediscussieerde arrest HR BNB 1993/89.

4.27

Middel I faalt daarom naar mijn mening.

4.28

Wat de werkzaamhedentoets betreft (middel II) gaat het – zoals het Hof ook overweegt – om deels dezelfde vraag: passen de feitelijke activiteiten bij pensioenverzorging (belegging) zoals de Commissie Staatsen en de regering die zagen?

4.29

Ik merk op dat mijns inziens niet ter zake doet of middel II hout snijdt of niet, nu wij mijns inziens (zie 4.22 hierboven) niet toekomen aan de werkzaamhedentoets als de belanghebbende strandt op de doelstellingstoets, en dat is mijns inziens het geval (zodat middel I doel mist). Ik ga niettemin – mijns inziens ten overvloede – in op middel II.

4.30

Het Hof maakt uit het boven geciteerde HR BNB 1993/89 op dat het een vrijgesteld pensioenfonds niet is toegestaan structureel te beleggen met andere middelen dan de ingelegde premiegelden. Het Hof gaat er kennelijk vanuit dat in casu sprake is van ‘beleggen’ en dus niet van ondernemen. Hij lijkt de werkzaamhedentoets dus alleen – mijns inziens terecht – als subsidiair te beschouwen, dus als alleen relevant indien de doelstellingstoets met succes is gepasseerd: ervan uitgaande dat wél sprake is van (een doelstelling om te) beleggen, dan blijft de vrijstelling alsnog buiten toepassing als de beleggingsactiviteit onvoldoende strookt met een pensioenverzorgingsdoelstelling. Het Hof oordeelt dat zulks in casu het geval is. Dat oordeel is mijns inziens, zoals gezegd, ten overvloede gegeven.

4.31

De redenen die het Hof geeft voor dit oordeel, zijn de volgende: (i) de premies worden op deposito geplaatst (en dienen mede tot dekking bij belanghebbendes arbitragehandels-verplichtingen), (ii) belanghebbendes winst bedroeg een veelvoud van de premie-inleg, (iii) er worden voor zeer hoge bedragen derivaten en aandelen gekocht en verkocht die volgens DNB voor een pensioenfonds in relatie tot de jaarlijkse ontvangen pensioenpremies en de aanwezige pensioenverplichtingen onverklaarbaar zijn, (iv) de belanghebbende streeft naar eigen zeggen naar een ‘multiplier effect’, (v) de ingelegde premiegelden worden niet gebruikt en zijn ook niet nodig voor belanghebbendes hoofdbezigheid, de arbitrage, nu de deposito’s steeds aanzienlijk groter zijn dan de ingelegde premies, (vi) de belanghebbende trekt (dus) in de markt andere middelen aan om haar long posities te financieren, (vii) zij trekt daarnaast structureel en tot aanzienlijke bedragen ‘echte’ bankleningen (‘debts to banks’) aan; ook daardoor beschikt zij over aanzienlijke andere te beleggen middelen dan pensioenpremies.

4.32

De belanghebbende bestrijdt ook in middel II vooral feitelijke oordelen die niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd zijn en dus in cassatie niet met vrucht bestreden kunnen worden. Zij bestrijdt voorts rechtskundig de relevantie en subsidiair ’s Hofs interpretatie van HR BNB 1993/89; mijns inziens eveneens vergeefs: dat arrest is mijns inziens (nog steeds) algemeen relevant voor de werkzaamhedentoets ex art. 3 UB Vpb en niet slechts ter zake van een mogelijk lek bij directiepensioenfondsen. ’s Hofs toepassing ervan op belanghebbendes geval komt mij voorts rechtskundig correct voor, met name met betrekking tot de invulling van de term ‘andere middelen’ (dan premiegelden en daarop verschenen depositorente). Het is op basis van de vastgestelde feiten en omstandigheden duidelijk dat de belanghebbende – vergeleken met de ingelegde premies en daarop behaalde depositorente – jaarlijks indrukwekkende bedragen omzet, dat zij een verbazingwekkend balanstotaal toont, dat zij haar posities minstens deels moet voorfinancieren en dat zij significant andere middelen dan premie en daarop verschenen depositorente inzet voor haar ‘zeer profijtelijke kunstje’. Hoe die andere dan premiebedragen gefinancierd zijn en of haar posities al dan niet afgedekt zijn, doet niet ter zake, zoals uit HR BNB 1993/89 blijkt. Dat een verplichting afgedekt is, wil niet zeggen dat zij er niet is, noch dat nooit afdekkingsfouten gemaakt worden. Nu blijkens HR BNB 1993/89 de wijze van financiering van die andere middelen dan premies en depositorente niet ter zake doet voor de werkzaamhedentoets, doet ook niet ter zake of sprake was van echte of synthetische leningen of van securities lending of van multiplying. Het gaat om het blote feit dat de belanghebbende belegt (of onderneemt) met significante andere middelen dan premie-inleg en de opbrengst van het parkeren van die inleg. Dat niet elk nevendoel of wezensvreemde activiteit in de weg staat aan de vrijstelling laat zich horen, maar dat heeft het Hof ook niet gezegd. ’s Hofs oordeel dat belanghebbendes werkzaamheid onvoldoende strookt met pensioenverzorging acht ik niet onvoldoende gemotiveerd.

4.33

Nu niet ter zake doet of sprake was van securities lending, kon het Hof voorbijgaan aan een bewijsaanbod te dier zake.

4.34

Ik meen primair dat middel II niet relevant is na het falen van middel I en subsidiair dat ook middel II doel mist.

4.35

Middel III herhaalt belanghebbendes standpunt dat als zij niet in aanmerking komt voor de vrijstelling omdat zij zakt voor de doelstellingstest van art. 5(1)(b) Wet Vpb, daarmee vaststaat dat zij dus geen pensioenverzekeraar of verzorger is in de zin van art. 4(b) Wet Vpb en dus niet belastingplichtig is.

4.36

Art. 2(1)(e) Wet Vpb 1969 luidt als volgt (tekst 2010 en 2011):

“1. Als binnenlandse belastingplichtigen zijn aan de belasting onderworpen de in Nederland gevestigde:

(…)

e. hiervoor niet genoemde verenigingen en stichtingen alsmede andere dan publiekrechtelijke rechtspersonen, indien en voor zover zij een onderneming drijven;”

4.37

Art. 4(b) Wet Vpb 1969 luidt als volgt (tekst 2010 en 2011):

“Onder het drijven van een onderneming als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel e, wordt mede verstaan:

(…)

b. een werkzaamheid die bestaat uit de verzorging van werknemers of gewezen werknemers, van hun echtgenoten of gewezen echtgenoten, dan wel hun partners of gewezen partners en van hun kinderen of pleegkinderen door middel van uitkeringen op grond van een regeling voor vervroegde uittreding (VUT-uitkeringen) of pensioen, uit het verzekeren van dergelijke uitkeringen, dan wel uit het verzekeren van lijfrenten of kapitaalsuitkeringen uit levensverzekering.”

4.38

De NnavV bij de Wet modernisering Vpb-plicht overheidsondernemingen vermeldt:41

“De leden van de fractie van het CDA vragen voorts of, als een bescheiden bestaan mogelijk is, er automatisch sprake is van belastingplicht op grond van het concurrentiecriterium. Indien er sprake is van een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid en deelname aan het economische verkeer, is het voor de vraag of er sprake is van een onderneming nog van belang of er voordelen worden beoogd en redelijkerwijs te verwachten zijn. Hiervan is in elk geval sprake indien structurele overschotten worden behaald. Indien er voordelen worden beoogd of structurele overschotten worden behaald, is er sprake van een onderneming. Indien er geen voordelen worden beoogd of structurele overschotten worden behaald is het de vraag of er sprake is van (potentiële) concurrentie met andere belastingplichtigen. Als dat niet het geval is, is er geen onderneming en geen belastingplicht. Indien er wel sprake is van (potentiële) concurrentie met andere belastingplichtigen dan is het de vraag of de resultaten van zodanige omvang zijn dat een particulier er een bescheiden bestaan aan kan ontlenen. Als dat het geval is, is sprake van een onderneming en ontstaat een belastingplicht.”

4.39

De MvT bij de Wet wijziging van het fiscale regime voor onderhoudsvoorzieningen en spaarvormen alsmede van het fiscale regime voor verzekeraars en directiepensioen-lichamen vermeldt:42

“Dit onderdeel strekt ertoe de belastingplicht van 'eigen' pensioenlichamen die niet de rechtsvorm (…) (NV), (…) (BV) of coöperatieve vereniging hebben uitdrukkelijk in de wet vast te leggen (bij een rechtsvorm van NV, BV of coöperatie volgt de belastingplicht reeds uit artikel 2 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969).

(…)

Met de voorgestelde toevoeging van onderdeel b aan artikel 4 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt voorkomen dat voor de belastingplicht van directiepensioenstichtingen de vraag aan de orde moet komen of deze fondsen al dan niet een onderneming drijven.

(…)

Indien door een stichting een werkzaamheid wordt verricht zoals in de voorgestelde bepaling is omschreven, is het lichaam voor dat deel van haar activiteiten belastingplichtig. Een stichting directiepensioenfonds die zich uitsluitend bezighoudt met de verzorging van werknemers of gewezen werknemers, van hun echtgenoten of partners en van hun kinderen of pleegkinderen door middel van pensioenuitkeringen, is volledig belastingplichtig. Een stichting die naast andere activiteiten, die niet tot belastingplicht leiden, pensioenvoorzieningen voor een of meer werknemers verzorgt, is alleen belastingplichtig voor deze laatste werkzaamheid. Heffing van vennootschapsbelasting blijft dan beperkt tot winst ter zake van de pensioenvoorzieningen.”

4.40

De belanghebbende kan toegegeven worden dat ’s Hofs verwerping van haar betoog onnodig moeizaam is. Uit ’s Hofs feitelijke vaststellingen, overwegingen en oordeel waartegen middel I zich (vergeefs) richt blijkt dat de belanghebbende (samen met [A] ) een effectenhandel en arbitrage-onderneming drijft naast haar pensioenverzorging. Zij ontplooit geen andere activiteiten. Zij is dus ofwel vanwege het ondernemingskarakter van haar bezigheid, ofwel vanwege het pensioenverzorgingskarakter van haar bezigheid belastingplichtig, in het eerste geval ex art. 2 Wet Vpb, in het laatste geval ex art. 4 Wet Vpb. ’s Hofs vaststellingen laten voorts geen andere conclusie toe dan dat de belanghebbende met haar ‘bijzonder profijtelijke kunstje van dividendarbitrage’ in concurrentie treedt met belastingplichtige ondernemingen (en in oneerlijke concurrentie als zij vrijgesteld zou worden), zodat ook teleologisch belastingplicht op haar plaats is.

4.41

Ook middel III faalt mijns inziens.

5 Op de zaak betrekking hebbende stukken (middel IV)

5.1

Het proces-verbaal van ’s Hof zitting vermeldt onder meer het volgende:

(p. 2)

De inspecteur:

(…).

U houdt mij voor dat de uitspraak van de rechtbank Amsterdam in de zaak waarin belanghebbende een schadevergoeding eist van DNB, niet is overgelegd. In onderdeel 8.5 van mijn pleitnota heb ik een passage uit die uitspraak opgenomen. Het gaat in die passage over de financiering met vreemd vermogen. De uitspraak is overigens gepubliceerd op rechtspraak.nl.”

(p. 4)

De gemachtigde:

De uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 februari 2015 betrof een bestuursrechtelijke zaak. De uitspraak is niet eerder overgelegd. Er is ook een civiele zaak. Deze gaat over de schadeclaim, namelijk over de vraag of belanghebbende schade heeft geleden in de periode dat zij uitgeschreven was uit het register.

U houdt mij voor dat de uitspraak van de Rotterdamse voorzieningenrechter van 30 mei 2013 ook bestuursrechtelijk was en ging over de vraag of de beleggingswerkzaamheden van belanghebbende van dien aard waren dat belanghebbende niet meer als pensioenfonds aan te merken was. Dat klopt. Er is getracht bij voorlopige voorziening het doorhalen van belanghebbende in het pensioenfondsregister terug te draaien. Die vordering is toegewezen. DNB heeft toen aanwijzingen gegeven wat belanghebbende moest doen om als pensioenfonds gekwalificeerd te blijven. Daar gaat de procedure bij de bestuursrechter over, waarin op 16 februari 2015 uitspraak is gedaan.

U vraagt mij om een reactie op de uitspraak van de bestuursrechter. Ik heb die procedure niet gevoerd, maar ik heb er wel kennis van genomen. Er is sprake van een soort cirkelredenering of ‘self fulfilling prophecy’. De bestuursrechter verwijt belanghebbende dat zij gebruik maakt van fiscale faciliteiten en baseert zich op de uitspraak van de rechtbank Noord- Holland waartegen dit hoger beroep is gericht. De inspecteur haalt vervolgens de uitspraak van de bestuursrechter aan als bevestiging van zijn standpunt in de onderhavige zaak. Dan is de cirkel rond. De civiele procedure over de schadeclaim heeft weinig overlap met de onderhavige zaak. De toets van de toezichthouder is strenger dan de fiscale toets. Ik kan me voorstellen dat DNB wil dat er veiliger belegd wordt in obligaties of met een goede spreiding.”

(p. 7)

“De gemachtigde:

De naheffingsaanslag van de Belgische fiscus waaraan gerefereerd wordt in de bijlage bij de pleitnota van de inspecteur, heb ik niet gezien. Ik ken het stuk in de bijlage niet, maar wel een stuk dat erop voortborduurt. Ik meen dat er afgelopen vrijdag een kennisgeving van het voornemen tot het opleggen van een boete is binnengekomen. Dat was het eerste stuk vanuit België dat ik doorgestuurd heb gekregen.”

(p. 8)

De inspecteur:

Op uw vraag of het inlichtingenverzoek van 21 augustus 2014, waarnaar in de bijlage bij mijn pleitnota verwezen wordt, is overgelegd, antwoord ik ontkennend. Ik vroeg mij af of het een relevant stuk was. De achtergrond van het inlichtingenverzoek is de volgende. Belanghebbende had aan de Belastingdienst Heerlen gevraagd een verklaring af te geven dat zij inwoner van Nederland was. In die tijd werden geregeld dergelijke verklaringen ten behoeve van een andere staat afgegeven. Hierin werd vermeld dat het pensioenfonds was vrijgesteld van Vpb. Nadien is de Belgische fiscus geïnformeerd dat de verklaring niet meer in stand kon blijven, omdat de Belastingdienst van mening was dat belanghebbende niet vrijgesteld was. Belanghebbende heeft van deze correspondentie geen kopie gekregen. Dat hoeft ook niet. Artikel 7 van de Wet op de internationale bijstandsverlening is vervallen. De Belgische fiscus is ongeveer een jaar geleden geïnformeerd. In augustus 2014 is vervolgens gevraagd hoe het met de behandeling stond. U houdt mij voor dat de onderliggende stukken bij de bijlage bij de pleitnota wel eens 8:42-stukken zouden kunnen zijn. Ik doe geen beroep op artikel 8:29 Awb als uw Hof om die stukken zou vragen. Er zijn nog geen andere buitenlandse belastingdiensten geïnformeerd over de status van belanghebbende. De uitspraak van de rechtbank Noord-Holland is met de Belgische fiscus gedeeld.”

5.2

De belanghebbende betoogt onder verwijzing naar HR BNB 2015/12943 en een uitspraak van het Hof Amsterdam dat het Hof ex art. 8:42 Awb de Inspecteur ambtshalve had moeten verzoeken het dossier aan te vullen, hem daartoe de gelegenheid had moeten bieden en bij niet-aanvulling zich had moeten beraden op het gevolg daarvan.

5.3

De belanghebbende stelt zelf vast dat HR BNB 2015/129 een geval betrof waarin de belanghebbende gemotiveerd verzocht stukken toe te voegen aan het procesdossier en dat daarvan in haar geval geen sprake is.44 Het Hof Amsterdam oordeelde in de door de belanghebbende bedoelde uitspraak45 dat als de Rechtbank constateert dat de Inspecteur niet voldaan heeft aan zijn verplichting ex art. 8:42 Awb om de op de zaak betrekking hebbende stukken aan haar over te leggen, zij ofwel moet toezien op overlegging van de ontbrekende stukken, ofwel moet onderzoeken of een beroep van de Inspecteur op art. 8:29 Awb gerechtvaardigd is. Het Hof Amsterdam verwijst daarbij naar HR BNB 2012/251.46 In dat arrest stond echter feitelijk vast dat de litigieuze aanslagen mede waren gebaseerd op een intern memo dat niet was overgelegd. Ook van een dergelijke situatie is in casu geen sprake. De belanghebbende betoogt dat de feitenrechter niettemin van ambtswege om overlegging van stukken had moeten vragen.

5.4

Het gaat om (i) een civiele uitspraak van de Rechtbank Amsterdam op belanghebbendes schadevordering tegen DNB en om (een uitspraak in) bestuursrechtelijke procedures van de belanghebbende tegen het DNB-besluit en (ii) correspondentie tussen de Nederlandse en de Belgische fiscus.

5.5

Ad (i): de belanghebbende zal met die civiele uitspraak bekend zijn geweest. De uitspraak is bovendien op rechtspraak.nl gepubliceerd en de Inspecteur heeft daarnaar verwezen. Niet gesteld is dat de bestreden aanslagen mede op die civiele uitspraak gebaseerd zijn. De belanghebbende heeft het voorts over ‘stukken uit aanverwante bestuursrechtelijke procedures’ (aanverwant kennelijk aan haar bestuursrechtelijke procedure tegen het DNB-besluit), maar (i) dat is veel te vaag, (ii) gaat kennelijk over belanghebbendes eigen procedures (zodat zij die stukken zal kennen), en (iii) in feitelijke instanties is niet gesteld dat de aanslagen er mede op gebaseerd zijn. Over de uitspraak in de bestuursrechtelijke procedure tegen het DNB-besluit heeft de gemachtigde ter zitting verklaard dat hij er kennis van genomen heeft; ook de belanghebbende zelf zal er kennis van dragen. Niet gesteld is dat de aanslagen mede op die bestuursrechtelijke uitspraak gebaseerd zijn.

5.6

Ad (ii) De gegevensuitwisseling met België ging over belanghebbendes fiscale status in Nederland. Die uitwisseling ligt niet ten grondslag aan de aanslagen, maar is eerder een gevolg ervan: de Nederlandse fiscus heeft de Belgische in kennis gesteld van het feit dat de Nederlandse fiscus de belanghebbende niet (langer) als vrijgesteld pensioenfonds beschouwt. Het Hof heeft die gegevensuitwisseling ter zitting ter sprake gebracht en de Inspecteur heeft – hoewel hij de betrekking met de zaak betwijfelde – aangeboden de desbetreffende stukken aan het Hof over te leggen, dat daaraan echter kennelijk geen behoefte had; de belanghebbende kennelijk evenmin, want zij heeft niets gesteld of gevraagd toen het Hof de vraag opwierp of dit mogelijk ‘8:42-stukken’ zouden kunnen zijn.

5.7

Mijns inziens kan onder deze omstandigheden niet gezegd worden dat het Hof enig verzuim begaan heeft met betrekking tot op de zaak betrekking hebbende stukken waardoor de belanghebbende enig nadeel geleden kan hebben. Ik merk ten overvloede op dat u in HR BNB 2008/16147 overwoog dat (mijn curs.)

“artikel 8:42 Awb aldus [dient] te worden uitgelegd dat, behoudens gevallen van gerechtvaardigde weigering op grond van artikel 8:42 Awb en uitzonderingsgevallen als misbruik van procesrecht, tegemoet dient te worden gekomen aan een verzoek van de belanghebbende tot overlegging van een bepaald stuk indien deze voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat het stuk van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak.”

Kors annoteerde in NTFR 2008/874 deze uitspraak als volgt:

“In eerste instantie is het dus de inspecteur die bepaalt wat de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn. Maar als belanghebbende zich op het standpunt stelt dat een stuk moet worden overgelegd (dan moet belanghebbende er wel eerst achter komen, dat dat stuk bestaat), zal dat stuk in beginsel ook moeten worden overgelegd. In de hierna genoemde drie situaties hoeft dat volgens de Hoge Raad echter niet. In de eerste plaats hoeft het stuk niet overgelegd te worden als de belanghebbende onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld dat het stuk van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming van de zaak. Het gaat hier dus niet om het belang van belanghebbende bij kennisneming van het stuk, maar het gaat erom of het desbetreffende stuk van enig belang kan zijn (geweest) bij de besluitvorming van de zaak. De door de Hoge Raad gebruikte ruime formulering ‘van enig belang kan zijn (geweest)' doet mij denken aan die van art. 47 AWR, waarin (in de spiegelbeeldige situatie) voor de belanghebbende de verplichting is opgenomen om stukken te verstrekken die voor zijn belastingheffing ‘van belang kunnen zijn'. In de tweede plaats hoeft het stuk niet overgelegd te worden als er sprake is van misbruik van procesrecht. De Hoge Raad noemt dit een uitzonderingsgeval. Hiervan is volgens de Hoge Raad alleen sprake als het belang van belanghebbende bij de inbreng niet opweegt tegen het belang van de inspecteur dat door inbreng wordt geschaad en als belanghebbende vervolgens, die onevenredigheid in aanmerking nemende, naar redelijkheid op de inzage geen aanspraak kan maken. De Hoge Raad legt hier een strenge dubbele toets aan (onevenredigheid belangen en onredelijkheid aanspraak) en dat is ook wel logisch. De conclusie dat een belanghebbende misbruik maakt van het procesrecht mag niet snel worden getrokken. In de derde plaats hoeft het desbetreffende stuk niet overgelegd te worden bij een geslaagd beroep op art. 8:29 Awb.”

5.8

Ik meen dat ook principaal middel IV faalt.

6 Geen integrale proceskostenvergoeding (middel V)

6.1

De belanghebbende beroept zich in verband met een niet door haar gespecificeerde ‘wanverhouding’ tussen (kennelijk) de proceskosten en het procesbelang – die volgens haar een ‘bijzondere omstandigheid’ oplevert in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht – op het Unierecht en op (een algemeen rechtsbeginsel ten grondslag liggend aan) art. 6 EVRM ten betoge dat haar volledige proceskosten vergoed moeten worden, kennelijk onafhankelijk van de vraag of haar beroep vrucht draagt. Gezien de winstbedragen die het Hof heeft vastgesteld, springt de gestelde wanverhouding tussen het procesbelang (wel of niet belastingplichtig) en de proceskosten niet aanstonds in het oog, al moet toegegeven worden dat wij de rekening van de gemachtigde niet kennen. De belanghebbende heeft mijns inziens gelijk dat ook in belastingzaken onvermijdbare proceskosten niet zodanig hoog mogen zijn dat effectieve toegang tot de rechter illusoir is, en u heeft u dan ook recent aan een griffierechtverminderingsstelsel voor min- en onvermogenden gezet,48 maar een dergelijk geval is niet aan de orde, en het internationale recht waarop de belanghebbende zich beroept, is op haar geval niet van toepassing.

6.2

Het Unierecht is niet van toepassing omdat belanghebbendes geval uitsluitend de internrechtelijke bepaling van subjectieve belastingplicht betreft voor de niet-geharmoniseerde vennootschapsbelasting.

6.3

Ook art. 6 EVRM is niet van toepassing. Dat blijkt uit de zaak EHRM Ferrazzini.49

6.4

U heeft in de zaak HR BNB 2010/5750 over de verhouding tussen proceskosten en procesbelang in belastingzaken en art. 6 EVRM overwogen:

“3.2.1. De tweede klacht betoogt dat de geringe hoogte van de proceskostenvergoeding een beperking van de toegang tot de rechter vormt, en de desbetreffende regeling daardoor in strijd is met artikel 6 EVRM. In het onderhavige geval gaat het om kosten in verband met de behandeling van het bezwaar tegen een belastingaanslag. Op geschillen die uitsluitend een belastingaanslag betreffen, is het bepaalde in artikel 6 EVRM niet van toepassing (EHRM 12 juli 2001, Ferrazzini tegen Italië, nr. 44759/98, BNB 2005/222). Daardoor kan bij dergelijke geschillen aan artikel 6 EVRM geen recht op toegang tot de rechter worden ontleend. Reeds daarom kan niet worden gezegd dat de hoogte van de kostenvergoeding in dit geval een met artikel 6 EVRM strijdige beperking van de toegang tot de rechter vormt.

3.2.2.

De tweede klacht betoogt verder dat het recht op een volledige proceskostenvergoeding kan worden aangemerkt als een burgerlijk recht in de zin van artikel 6 EVRM. Ook dit betoog kan niet worden gevolgd. Gelet op de samenhang met het fiscale geschil, waarop artikel 6 EVRM niet van toepassing is, moet worden aangenomen dat het onderhavige geschil over de kosten van die hoofdprocedure evenmin onder de werkingssfeer van deze verdragsbepaling valt (vgl. EHRM 29 februari 2000, Amis de St. Raphaël et de Fréjus tegen Frankrijk, nr. 45053/98).”

Ook belanghebbendes zaak is een zuivere belastingzaak, waarin dus geen criminal charge of determination of civil rights and obligations aan de orde is, en evenmin een verzoek om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn.51

6.5

In de zaak HR BNB 2005/37452 heeft u geoordeeld dat hogere werkelijke proceskosten dan de forfaitaire vergoeding op zichzelf geen bijzondere omstandigheid is in de zin van art. 2(3) van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

6.6

Nu belanghebbendes beroep in beide feitelijke instanties ongegrond is verklaard, was het Hof, gegeven deze jurisprudentie, niet gehouden zijn beslissing te motiveren om geen integrale proceskostenvergoeding toe te kennen.

7 (Voorwaardelijk) incidenteel beroep (Staatssecretaris)

De Staatssecretaris heeft bij verweer – kennelijk voorwaardelijk – incidenteel cassatieberoep ingesteld. Hij meent dat het Hof ten onrechte niet heeft geoordeeld dat de belanghebbende diensten verkoopt aan aandeelhouders of vermogensbeheerders die de te hunnen laste ingehouden (vooral Belgische) dividendbelasting niet (volledig) kunnen verrekenen. Hij acht voorts toekenning van de vrijstelling aan de belanghebbende in strijd met doel en strekking van art. 5(1)(b) Wet Vpb 1969. Nu mijns inziens geen van belanghebbendes middelen slaagt, meen ik dat het incidentele beroep geen behandeling behoeft.

8 Conclusie

Ik geef u in overweging belanghebbendes beroep ongegrond te verklaren en het incidentele beroep van de Staatssecretaris buiten behandeling te laten.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

Advocaat-Generaal

1 Rechtbank Noord-Holland 25 juni 2014, nr. AWB 14/550, 14/820 en 14/1201, ECLI:NL:RBNHO:2014:5669, FutD 2014-1715, V-N 2014/45.2.2 en PJ 2014/156.

2 Gerechtshof Amsterdam 18 juni 2015, nr. 14/00567, 14/00568 en 14/00569, ECLI:NL:GHAMS:2015:3142 (niet gepubliceerd).

3 Hoge Raad 21 oktober 1992, nr. 27527, ECLI:NL:HR:1992:ZC5130, BNB 1993/89 met noot De Vries, WFR 1992/1579, FED 1993/9 met noot Spek en V-N 1992/3493, 14.

4 Het Hof wijst op “Kamerstukken II 1988/89, 21 198, MvT, nr. 3, p. 110; zie ook Nota van wijziging en Tweede nota van wijziging, nrs. 10 en 16)”.

5 Rechtbank Rotterdam 16 februari 2015, nr. ROT 14-3775, ECLI:NL:RBROT:2015:940, PJ 2015/53 met noot Witte.

6 HR 21 oktober 1992, nr. 27365, ECLI:NL:1992:ZC5128, BNB 1993/88 met noot De Vries, WFR 1992/1578, FED 1993/8 met noot Spek, V-N 1992/3489,13 en FED 1992/827.

7 HR 28 maart 2014, nr. 13/00923, ECLI:NL:HR:2014:666, na conclusie Wattel, BNB 2014/144 met noot Van der Geld, V-N 2014/5.22, V-N 2014/16.18, NJB 2014/748, FutD 2014-0705.

8 J. Verburg, Vennootschapsbelasting (Fiscale Hand- en Studieboeken), Kluwer Deventer: 2000, p. 517 en J.A.G. van der Geld, Hoofdzaken vennootschapsbelasting (Fed Fiscale Studiereeks), Kluwer Deventer: 2007, p. 304.

9 Gerechtshof ’s-Gravenhage 23 mei 1990, nr. 2730/88-M1, te kennen uit HR 21 oktober 1992, nr 27 525, ECLI:NL:HR:1992:ZC5130, BNB 1993/89.

10 Hoge Raad 21 oktober 1992, nr. 27527, ECLI:NL:HR:1992:ZC5130, BNB 1993/89 met noot De Vries, WFR 1992/1579, FED 1993/9 met noot Spek en V-N 1992/3494, 14.

11 HR 10 april 2015, nr. 14/01189, ECLI:NL:HR:2015:874, FutD 2015-0928 met noot FutD, V-N 2015/20.17, NJB 2015/886 en BNB 2015/129.

12 Gerechtshof Amsterdam 25 oktober 2012, nr. 11/00632, 11/00633 en 11/00634, ECLI:NL:GHAMS:2012:BY2886, V-N 2013/6.12 en FutD 2012-2841 met noot Redactie.

13 HR 17 december 2004, nr. C03/114HR, ECLI:NL:HR:2004:AQ3810, na conclusie A-G Wattel, RvdW 2005,2, AB 2005, 111 met noot Widdershoven, BNB 2005/239 met noot Feteris, FED 2005/26 met noot Redactie, NTFR 2005, 313 met noot Kors, Belastingblad 2005/832, NJ 2005/361met noot Mok, PW 2005, 21875, V-N 2005/5.4, FED 2005/38 met noot Van Eijsden en FutD 2005-0111 met noot Redactie.

14 HR 7 oktober 2005, nr. 35729, ECLI:NL:HR:2005:AU3929, JB 2005/317, BNB 2005/374, FED 2005/100 met noot Van Eijsden, NTFR 2005, 1329 met noot Van der Merwe, V-N 2005/49.5 en FutD 2005-1920.

15 EHRM 9 oktober 1979, zaak 6289/73 (Airey/Ierland), ECLI:NL:XX:1979:AC1044, NJ 1980/376 met noot Alkema.

16 HR 27 januari 2012, nr. 11/03496, ECLI:NL:HR:2012:BV2020, na conclusie Langemeijer, NJB 2012/354, RvdW 2012/448, JBPR 2012/37 met noot Smits en NJ 2012/201.

17 HR 17 december 2004, nr. C03/114HR, ECLI:NL:HR:2004:AQ3810, RvdW 2005, 2, AB 2005, 111, BNB 2005/239 met noot Feteris, FED 2005/26, NTFR 2005, 313 met noot Kors, Belastingblad 2005/832.

18 HvJ EG 5 juli 2007, zaak C-376/03 (D. vs. Belastingdienst), ECLI:EU:C:2005:424, Jur. EG 2005, p. I-5821, conclusie Ruiz-Jarabo Colomer, BNB 2006/1 met noot Meussen, V-N 2005/35.12, NTFR 2005/949 met commentaar Van Beelen, NJ 2005/412 met noot Mok.

19 Afkomstig uit belanghebbendes processtukken voor het Hof (onderdeel 2.32 van bijlage B bij haar beroepschrift voor het Hof).

20 Hoge Raad 30 augustus 1996, nr. 30881, ECLI:NL:HR:1996:AA2060, BNB 1996/373 met noot Ilsink, WFR 1996/1305, FED 1997/19 met noot Niessen-Cobben, WFR 1996/1305,2, V-N 1996/3910, 6 en FED 1996/722.

21 Hoge Raad 21 februari 2001, nr. 35415, ECLI:NL:HR:2001:AB0156, na conclusie A-G Van den Berge, BNB 2001/196 met noot Cornelisse, FED 2001/159, WFR 2001/260 en NTFR 2001,331 met noot Hemels.

22 Kamerstukken II 1988/89, 21198, nr. 3 (MvT), p. 32.

23 Kamerstukken II 1968/69, 6000, nr. 25, p. 27. Vgl. HR 21 september 2001, nr. 35857, ECLI:NL:HR:2001:ZC8110, na conclusie Van Kalmthout, BNB 2002/51 noot Van der Geld, WFR 2001/1371, FED 2001/664 noot Meussen, NTFR 2001, 1347 noot De Jonge, FED 2001/522, V-N 2001/52.7 en FutD 2001-1800: u beschouwt als hoeksteen van de vrijstelling ex art. 5(1)(b) Wet Vpb 1969 dat bij pensioenlichamen de winst normalerwijs van tijdelijke aard is en ten goede komt aan de verzekerden.

24 Kamerstukken II 1993/94, 23046, nr. 9, p. 2.

25 Kamerstukken II 2003/04, 29210, nr. 3, p. 23-24.

26 Kamerstukken II 2003/04, 29210, nr. 3, p. 68-69.

27 Kamerstukken II 2003/04, 29210, nr. 22, p. 59.

28 Kamerstukken II 2003/04, 29210, nr. 22, p. 60.

29 Brief Staatssecretaris van Financiën van 9 december 2003, nr. AFP 2003/901M, V-N 2003/62.9.

30 Brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid mede namens de Minister van Financiën, Kamerstukken II 2003/04, 28294, nr. 3, p. 1-10.

31 HR 21 oktober 1992, nr. 27365, ECLI:NL:1992:ZC5128, BNB 1993/88 met noot N.H. de Vries, WFR 1992/1578, FED 1993/8 met noot Spek, V-N 1992/3489,13 en FED 1992/827.

32 Hoge Raad 21 oktober 1992, nr. 27527, ECLI:NL:HR:1992:ZC5130, BNB 1993/89 met noot N.H. de Vries, WFR 1992/1579, FED 1993/9 met noot Spek en V-N 1992/3493, 14.

33 Hoge Raad 21 februari 2001, nr. 35415, ECLI:NL:HR:2001:AB0156, na conclusie A-G Van den Berge, BNB 2001/196 met noot Cornelisse, FED 2001/159, WFR 2001/260 en NTFR 2001,331 met noot Hemels.

34 J. Verburg, Vennootschapsbelasting (Fiscale Hand- en Studieboeken), Deventer: Kluwer 2000, p. 125.

35 C.W.M. Lieverse en M.G. van ’t Westeinde, ‘Capacity vraagstukken bij derivatentransacties’, Tijdschrift voor Effectenrecht 6/2004, p. 111-112.

36 J.A. Gielink en J.C.J. Bergervoet, ‘Pensioenfondsen: vastgoed en vennootschapsbelasting’, Vastgoed Fiscaal & Civiel jaargang 3/2004, p. 1-3.

37 Voetnoot in origineel: ”TK 20 701, nr. 9, p. 9”.

38 Voetnoot in origineel: “Zie HR 1 februari 1995, BNB 1995/79”.

39 Voetnoot in origineel: “J.E.A.M. van Dijk, Vermogensbeheer, WFR 1976, nr. 5258”.

40 Voetnoot in origineel: “Memorie van Antwoord, TK 20 701, nr, 6, p 10-11. Zie ook: Mededeling minister van Financiën, 27 augustus 1990, nr. DB90/4725, V-N 1990/3295”.

41 Kamerstukken II 2014/15, 34003, nr. 6, p. 16.

42 Kamerstukken II 1988/89, 21198, nr. 3, p. 110.

43 HR 10 april 2015, nr. 14/01189, ECLI:NL:HR:2015:874, BNB 2015/129, V-N 2015/20.17, FutD 2015-0928 met noot redactie en NJB 2015/886.

44 Vgl. ook HR 15 januari 2016, nr. 14/03387, ECLI:NL:HR:2016:42, FutD 2016-0108, V-N 2016/6.17.21 en NTFR 2016-565 met noot Djebali.

45 Hof Amsterdam 25 oktober 2012, nr. 11/00632, 11/00633 en 11/00634, ECLI:NL:GHAMS:2012:BY2886, V-N 2013/6.12 met noot redactie en FutD 2012-2841 met noot redactie.

46 HR 29 juni 2012, nr. 11/00558, ECLI:NL:HR:2012:BW9873, NTFR 2012/1638 met noot Amersfoort, FED 2012/90 met noot Van der Wal, BNB 2012/251, V-N 2012/34.8 en FutD 2012-1721.

47 HR 25 april 2008, nr. 43448, ECLI:NL:HR:2008:BA3823, na conclusie A-G Wattel, BNB 2008/161 met noot Albert, NTFR 2008/873 met noot Kors, AB 2009, 407 met noot Damen, V-N 2008/21.8, NJB 2008, 1042, FutD 2008-0892 met noot FutD en Ars Aequi AA20080635 met noot Damen. Zie ook HR 25 april 2008, nr. 43791, ECLI:NL:HR:2008:BB5868 na conclusie A-G Wattel, BNB 2008/162 met noot Albert, NTFR 2008/874 met noot Kors, V-N 2008/22.7, JB 2008/123, en FutD 2008-0891 met noot redactie.

48 HR 28 maart 2014, nr. 12/03888, ECLI:NL:HR:2014:699, na conclusie IJzerman, BNB 2014/135 met noot Bartel, V-N 2013/48.8, NJB 2014/744, USZ 2014/158, JB 2014/101, FED 2014/41 met noot Thomas, Belastingblad 2014/220 met noot Schep, FutD 2014/0702 en HR 20 februari 2015, nr. 14/05176, ECLI:NL:HR:2015:354, BNB 2015/197 met noot Van Eijsden, V-N 2015/12.7, NJB 2015/467, FED 2015/29 met noot Van der Wal, Belastingblad 2015/143 met noot Monsma, JG 2015/19 met noot de Jong, FutD 2015-0425.

49 EHRM 12 juli 2001, zaak 44759/98 (Ferrazzini), ECLI:NL:XX:2001:AP0818, BNB 2005/222 met noot Langereis, V-N 2001/44.5, EHRC 2001/57 met noot Heringa, NJ 2004/435 met noot Alkema, AB 2004/400 met noot Barkhuysen.

50 HR 11 december 2009, nr. 08/04645, ECLI:NL:HR:2009:BK5986, BNB 2010/57, NJB 2010, 60, V-N 2009/63.9, NTFR 2009/2681 met noot Snitker en FutD 2009-2651.

51 Zie daarover HR 10 juni 2011, nr. 09/05112, na conclusie A-G Wattel, ECLI:NL:HR:2011:BO5080, BNB 2011/233 met noot Van Amersfoort, V-N 2011/31.5, FED 2011/63 met noot Thomas, NTFR 2011/1367 met commentaar Van der Vegt, AB 2011/184 met noot Barkhuysen en Van Emmerik, FutD 2011/1345.

52 HR 7 oktober 2005, nr. 35729, ECLI:NL:HR;2005:AU3929, BNB 2005/374, FED 2005/100 met noot Van Eijsden, NTFR 2005,1329 met noot Van de Merwe, V-N 2005/49.5, FutD 2005-1920.