Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:169

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
25-03-2016
Datum publicatie
17-06-2016
Zaaknummer
15/02301
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:1231, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Procesrecht. Klachten over uitleg grieven tegen verjaringsoordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. 15/02301

mr. De Bock

Zitting 25 maart 2016

Conclusie inzake

[eiser],

eiser tot cassatie,

advocaat: mr. H.J.W. Alt

tegen

Coca Cola Enterprises Nederland B.V.,

niet verschenen.

1 Feiten

Het hof Den Haag heeft in zijn arrest van 20 januari 2015 de feiten die reeds door de rechtbank in haar vonnis van 30 augustus 2013 waren vastgesteld (rov. 2.1-2.5) tot uitgangspunt genomen (rov. 2.2 van het arrest). Het gaat om het volgende.

(i) [eiser], geboren op [geboortedatum] 1968, is van 1 juni 1990 tot 1 november 2004 in dienst geweest van Coca Cola, laatstelijk in de functie van planner/administrator op de afdeling Training & Development.

(ii) Het dienstverband tussen [eiser] en Coca Cola is in het kader van een door Coca Cola opgestarte ontbindingsprocedure via een minnelijke regeling d.d. 6 oktober 2004 beëindigd. In die minnelijke regeling is in bepaling IV het volgende opgenomen:

“partijen verlenen elkaar over en weer finale kwijting met betrekking tot alle rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst met uitzondering van het tussen partijen geldende geheimhoudings- en concurrentiebeding, dan wel – na uitvoering van bovenstaande – de beëindiging daarvan, met uitzondering van het recht van [eiser] om een vergoeding te eisen van CCE-NL terzake van zijn vermeende specifieke innovatie en CCE-NL bevoordelende gedachten inzake Werkplek Gerichte Opleidingen (WGO) en Praktijk Opleidingen (PO), zonder dat CCE-NL hiermee enige rechten of verweren prijsgeeft.”

(iii) Bij brief van 31 januari 2008, welke brief op 9 februari 2008 nogmaals is verzonden, heeft de gemachtigde van [eiser] – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – onder meer het volgende aan Coca Cola bericht:

“Geachte heer, mevrouw,

In oktober van het jaar 2004 werd een regeling gesloten tussen partijen aangaande de beëindiging van een arbeidsovereenkomst tussen mijn cliënt [eiser] en Coca Cola Enterprises Nederland.

Uiteindelijk werd in de regeling ook een finale kwijting opgenomen, welke tot stand kwam tijdens onderhandeling op de gang waarbij mijn cliënt niet aanwezig is geweest, maar wel zijn toenmalige advocate.

Aan deze finale kwijting is cliënt dan ook niet gebonden, daar hij nooit enig stuk heeft ondertekend waaruit dit zou mogen blijken, noch mondeling zijn goedkeuring heeft gegeven. Daarbij is er nooit sprake geweest van opschaling en/of aanpassing van zijn loon, in de jaren dat hij in dienst is geweest. Hiervoor wenst hij alsnog een redelijke vergoeding van uw onderneming te mogen ontvangen.

(…)

Uw productielijnen – meer specifiek de snelheid daarvan – zijn door zijn innovatieve ideeën en handboeken verbeterd. De productielijnen werden ook daadwerkelijk aangepast, naar aanleiding hiervan. De productiviteit van uw onderneming is hierdoor enorm gestegen. (…)

Cliënt treedt graag met u in overleg om alsnog een vergoeding van uw onderneming te ontvangen, voor zijn bijdrage aan het verdere ontwikkelen daarvan. (…)”

(iv) Bij brief van 18 februari 2008 heeft Coca Cola – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – onder meer het volgende aan de gemachtigde van [eiser] bericht:

“(…)

Na lezing van uw brieven concludeer ik dat uw cliënt thans kennelijk een probleem heeft met zijn voormalige gekozen advocaat en diens handelswijze. (…)

Wat CCE-NL betreft is de destijds bestaande arbeidsovereenkomst ontbonden door de Kantonrechter nadat tussen partijen een beëindigingsregeling, waaronder het door u geduide finale kwijtingsbeding, is getroffen. De inhoud van uw brief doet daaraan geen afbreuk. Het standpunt van CCE-NL over de beloning die uw cliënt vordert voor – naar zijn zeggen – bemoeienis met een tweetal binnen CCE-NL gehanteerde opleidingssystemen is uw cliënt bekend. CCE-NL heeft in correspondentie en het inhoudelijk verzoekschrift strekkende tot ontbinding van de destijds bestaande arbeidsovereenkomst haar standpunt duidelijk uiteengezet en handhaaft dit standpunt nog steeds. Uw brief brengt daar geen verandering in.”

(v) In 2009 heeft er op verzoek van [eiser] een voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden ter zake van twee ideeën die [eiser] – naar eigen zeggen – tijdens zijn dienstverband met Coca Cola heeft ontwikkeld en ter zake waarvan Coca Cola hem toezeggingen zou hebben gedaan over een beloning.


2. Procesverloop

2.1

Bij inleidende dagvaarding van 31 augustus 2012 heeft [eiser] gevorderd dat Coca Cola wordt veroordeeld tot betaling aan hem van € 653.645,38, vermeerderd met rente en kosten, als vergoeding voor de door hem tijdens zijn dienstverband bij Coca Cola geleverde ideeën en geschreven handboeken voor machine instructies. De vordering is primair gebaseerd op het niet nakomen van toezeggingen door Coca Cola (grondslag a). Subsidiair beroept [eiser] zich op ongerechtvaardigde verrijking (grondslag b) en meer subsidiair op onrechtmatig handelen van Coca Cola (grondslag c). Coca Cola heeft verweer gevoerd en betoogt, voor zover in cassatie nog relevant, dat de vordering is verjaard.

Na een comparitie te hebben gelast, heeft de rechtbank Rotterdam, sector kanton (verder: de rechtbank) bij eindvonnis van 30 augustus 2013 geoordeeld dat de door [eiser] gepretendeerde vordering is verjaard, zowel voor wat betreft grondslag (a), het niet nakomen van gedane toezeggingen (rov. 5.4 – 5.8), als voor wat betreft grondslag (b) en (c), ongerechtvaardigde verrijking en onrechtmatige gedraging (rov. 5.9 – 5.11). Om die reden heeft de rechtbank de vordering afgewezen.

2.2

[eiser] heeft bij exploot van 25 oktober 2013 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Met een viertal grieven bestrijdt [eiser] het oordeel van de rechtbank dat zijn vordering is verjaard. Bij arrest van 20 januari 2015 heeft het hof Den Haag het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Het hof heeft daartoe als volgt overwogen.

“2.5 De rechtbank heeft de verjaring van de vordering beoordeeld aan de hand van de te onderscheiden mogelijk grondslagen van die vordering. Dat is in hoger beroep niet bestreden. Aangezien de grief betrekking heeft op de toepassing van art. 3:310 BW en hetgeen daarover in het vonnis onder 5.10 is overwogen, staat de verjaring van de vordering voor zover die is gegrond op de niet-nakoming van gedane toezeggingen in hoger beroep niet ter discussie.”

Vervolgens heeft het hof een uiteenzetting gegeven van art. 3:310 BW en de daarover ontwikkelde rechtspraak (rov. 2.6). Het hof overweegt dan als volgt:

“2.7 Het hof kan het argument van [eiser] dat hij eerst in 2011 enigszins bekend is geworden met de aard en de omvang van de schade niet plaatsen, aangezien uit de stellingen van [eiser] niet volgt dat hij door toedoen van Coca Cola schade (in de zin van artikel 6:162 BW) heeft geleden of (in de zin van artikel 6:212 BW) is verarmd. Voor zover hij bedoelt dat zijn schade of verarming heeft bestaan uit door hem verrichte arbeid waar geen toereikende beloning tegenover heeft gestaan, staat dat argument aan verjaring niet in de weg, reeds omdat de arbeid voor 1 november 2004 is verricht hetgeen [eiser], net als de hoogte van zijn loon, niet kan zijn ontgaan.

2.8

Voor zover [eiser] met zijn grief bedoelt dat hij aanspraak heeft op een deel van het door Coca Cola van zijn arbeid genoten voordeel en de omvang van dat voordeel voor Coca Cola hem eerst in 2011 enigszins bekend is geworden, berust zijn vordering op een andere grondslag dan onrechtmatige daad of onverschuldigde betaling, doch is het – mede gelet op hetgeen de rechtbank in hoger beroep onbestreden onder 5.4. heeft overwogen – een vordering tot nakoming, waarvan blijkens hetgeen hiervoor onder 2.5 is overwogen, onbetwist is dat die is verjaard.

2.9

Ten overvloede wordt overwogen dat, nu vast staat [dat] [eiser] reeds op 7 oktober 2004 (zie vonnis onder 2.2.) van oordeel was dat hij jegens Coca Cola een recht op een vergoeding had, de vordering hoe dan ook is verjaard, aangezien de verjaring dan uiterlijk op 7 oktober 2004 is aangevangen en uit het in zoverre niet bestreden vonnis van de rechtbank volgt dat de verjaring nadien niet in gestuit. Aan het oordeel dat de verjaring uiterlijk op 8 oktober 2004 is aangevangen staat niet in de weg (…) dat [eiser] mogelijk vanwege het uitblijven van inlichtingen van Coca Cola over de omvang van het door [eiser] bedoelde voordeel uit diens arbeid eerst in 2011 in staat was om de hoogte van zijn claim te berekenen. [eiser] had Coca Cola vanaf 7 oktober 2004 in rechte kunnen betrekken en daarbij in voorkomend geval tevens van Coca Cola kunnen vorderen inlichtingen over het vermeende voordeel te verstrekken.”

Ook de grieven 2 tot en met 4 zijn voor het hof geen aanleiding om het bestreden vonnis te vernietigen. Grief 2 berust naar het oordeel van het hof op een onjuiste lezing van het vonnis, grief 3 mist belang omdat de vordering is verjaard en dus geen inhoudelijke beoordeling behoefde en grief 4 faalt omdat de eerste drie grieven falen.

2.3

[eiser] heeft bij cassatiedagvaarding van 20 april 2015 (en derhalve tijdig) cassatieberoep doen instellen tegen ’s hofs arrest van 20 januari 2015. Tegen Coca Cola is verstek verleend.


3. Bespreking van het cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel van [eiser] bestaat uit een drietal middelonderdelen (genummerd 2.1 tot en met 2.3). De klachten komen erop neer dat het hof de grieven te beperkt heeft gelezen en daardoor ten onrechte heeft geoordeeld dat de verjaring van de vordering voor zover die is gebaseerd op de niet-nakoming van gedane toezeggingen in hoger beroep niet ter discussie staat (rov. 2.5). Bovendien heeft het hof zich ten onrechte, eveneens door een te beperkte uitleg van de grieven, niet uitgelaten over de vraag of de verjaring van de vordering op de genoemde grondslag tijdig is gestuit.

3.2

Bij de bespreking van de middelonderdelen is voorop te stellen dat de vraag naar de uitleg van grieven een vraag van feitelijke aard is, die in beginsel is voorbehouden aan de feitenrechter en in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst.1

3.3

Middelonderdeel 2.1 richt klachten tegen rov. 2.5, 2.8 en 2.10, die hiervoor onder punt 2.2 zijn aangehaald. Het middelonderdeel stelt dat het hof de reikwijdte van de grieven 1 en 2 en aldus de omvang van het debat in hoger beroep heeft miskend, althans op dit punt een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven, dan wel een oordeel dat onvoldoende met redenen is omkleed. Ten onrechte heeft het hof overwogen dat de verjaring van de vordering voor zover die is gebaseerd op de niet-nakoming van gedane toezeggingen in hoger beroep niet ter discussie staat (rov. 2.5). Dit is – eveneens ten onrechte – door het hof herhaald in rov. 2.8.

3.4

Grief 1 luidt als volgt: “Ten onrechte, dan wel onvoldoende gemotiveerd, heeft de Rechtbank Rotterdam in haar eindvonnis (althans in haar tussenvonnis) in dezen gemeend dat de vordering door Appellant ingediend in eerste aanleg zouden verjaard.” In deze grief is niet te lezen dat [eiser] zich in hoger beroep beperkt tot het aan de orde stellen van het oordeel van de rechtbank over verjaring van de vordering voor zover die is gebaseerd op de grondslagen (b) en (c), ongerechtvaardigde verrijking en onrechtmatige daad. Ook in de – niet heel heldere – toelichting op grief 1 is niet te lezen dat [eiser] zijn grief tot die grondslagen beperkt en grondslag (a) buiten beschouwing laat. Weliswaar wordt in de toelichting op de grief vooral aandacht besteed aan de vraag naar het aanvangstijdstip van de verjaring in verband met de bekendheid van [eiser] met de (omvang van) de schade. Deze vraag is relevant in het kader van art. 3:310 BW, en dus voor de grondslagen (b) en (c). De vraag wanneer [eiser] bekend was met de (omvang van de) schade speelt echter geen rol bij de verjaring van de vordering wegens het niet nakomen van een toezegging, grondslag (a), die beoordeeld moet worden aan de hand van art. 3:307 BW. Dit laatste is voor het hof kennelijk aanleiding geweest om aan te nemen dat grondslag (a) in hoger beroep niet meer ter discussie stond. Echter, in de toelichting op grief 1 wordt onder punt 8 van de memorie van grieven expliciet melding gemaakt van ‘het nadeel dat hij heeft geleden, door het niet nakomen van de toezegging’, terwijl in punt 9 van de memorie van grieven wordt gesteld dat ‘van een verjaring in het jaar 2009 geen sprake [kan] zijn.’ Aangezien alleen de vordering gebaseerd op het niet-nakomen van toezeggingen (volgens de rechtbank) verjaard was in 2009 (rov. 5.5 en 5.8), terwijl de vordering gebaseerd op de grondslagen (b) en (c) volgens de rechtbank verjaard waren in 1996/1997 (rov. 5.10), kan de toelichting op de grief redelijkerwijs niet anders worden gelezen dan dat óók is bedoeld om het oordeel over het verjaren van grondslag (a) in hoger beroep aan de orde te stellen.

3.5

Dat [eiser] heeft bedoeld om ook het oordeel van de rechtbank over de verjaring van de vordering gebaseerd op grondslag (a) in het hoger beroep te betrekken, blijkt bovendien, zoals in de toelichting op het middelonderdeel terecht wordt opgemerkt, uit de formulering van grief 2. Deze grief luidt als volgt: “Ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft de Rechtbank Rotterdam, in haar voornoemde vonnis gemeend dat er geen sprake is geweest van een toezegging aan appellant voor een vergoeding van hetgeen hij heeft bedacht voor Coca Cola, dan wel dat die toezegging is verjaard.” Het hof overweegt over deze grief dat zij berust op een onjuiste lezing van het vonnis (rov. 10). Verondersteld kan worden dat het hof met deze overweging – die verder niet is toegelicht – bedoeld heeft dat de rechtbank zich in het bestreden vonnis niet heeft uitgelaten over de vraag of Coca Cola een toezegging heeft gedaan; de rechtbank heeft zich beperkt tot het oordeel dat een dergelijke, veronderstelde, toezegging, is verjaard. Dit is op zichzelf juist, maar daarmee heeft het hof niet gerespondeerd op het slot van grief 2, waarin het gaat over de verjaring van (de vordering tot nakoming van) de toezegging. Redelijkerwijs had het hof deze grief, gelezen in samenhang met grief 1, niet anders kunnen opvatten dan dat óók beoogd werd aan het hof voor te leggen de juistheid van het oordeel van de rechtbank, dat de vordering gegrond op niet-nakoming van de toezegging was verjaard. Daaraan doet niet af dat in de toelichting op grief 2 niet nader op de verjaringsvraag is ingegaan.

3.6

Dat [eiser] dit bedoelde met zijn hoger beroep, wordt bevestigd door de omstandigheid dat ook Coca Cola de reikwijdte van de grieven in deze zin heeft opgevat. In haar memorie van antwoord is Coca Cola onder punt 12 tot en met 21 immers uitvoerig ingegaan op de vraag of de vordering tot nakoming van een (veronderstelde) toezegging is verjaard.

3.7

De conclusie is dat het hof een te beperkte en daarmee onbegrijpelijke uitleg aan de grieven 1 en 2 heeft gegeven. Daardoor heeft het hof ten onrechte geoordeeld dat de verjaring van de vordering gegrond op niet-nakoming van een toezegging van Coca Cola aan [eiser] in appel niet meer aan de orde was. Het middelonderdeel slaagt derhalve. Zoals hierna blijkt, schiet [eiser] daarmee echter niet veel op.

3.8

Middelonderdeel 2.2 vervolgt met klachten tegen rov. 2.7 (en 2.5, 2.8 en 2.9) van het bestreden arrest. Volgens het middelonderdeel had het hof bij een juiste uitleg van de grieven 1 en 2 opnieuw moeten beoordelen of de vordering wegens niet-nakoming van toezeggingen door Coca Cola tijdig was gestuit door de brief van 31 januari 2008 en/of het entameren van het voorlopig getuigenverhoor in mei 2008. Op grond van de brief van 31 januari 2008, de minnelijke regeling van 2004 en het geëntameerde voorlopig getuigenverhoor van mei 2008 had het voor Coca Cola voldoende duidelijk had moeten zijn dat [eiser] zijn recht op het eisen van een vergoeding voor zijn ideeën voorbehield. Het hof had deze feiten bij zijn oordeel over de verjaringsvraag moeten betrekken, althans heeft zonder nadere toelichting op dit punt een onbegrijpelijk oordeel gegeven, zo stelt het middelonderdeel.

3.9

In het kader van de beoordeling van de vraag of de vordering gebaseerd op het niet nakomen van een toezegging is verjaard, bespreekt de rechtbank in rov. 5.5 - 5.7 van het vonnis of [eiser] de verjaring tijdig heeft gestuit. Volgens de rechtbank is dat niet het geval, omdat de brief van 31 januari 2008 geen geldige stuitingshandeling inhoudt. De brief heeft de (nieuwe) verjaringstermijn die op 7 oktober 2004 is gaan lopen (toen partijen de minnelijke regeling hebben getroffen), dan ook niet gestuit (rov. 5.6). Ook de indiening van een verzoek tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor heeft volgens de rechtbank geen stuitende werking (rov. 5.7).Tegen deze overwegingen heeft [eiser] geen grief gericht. Ook in de meest welwillende lezing van de memorie van grieven is uit die memorie niet te destilleren dat [eiser] in hoger beroep aan de orde stelt de juistheid van het oordeel dat noch de brief van 31 januari 2008 noch het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor de verjaring heeft gestuit; het hele begrip ‘stuiting van de verjaring’ komt niet voor de memorie van grieven.

3.10

Het in het middelonderdeel verdedigde standpunt, dat [eiser] met de grieven 1 en 2 de kwestie van de verjaring in volle omvang aan het hof wilde voorleggen, zodat het hof óók had moeten beoordelen of zijn vordering door de brief van 31 januari 2008 en/of door het entameren van het voorlopig getuigenverhoor in 2008 was gestuit, gaat niet op. Als [eiser] dit aan het hof had willen voorleggen, had hij een grief moeten richten tegen het oordeel van de rechtbank over de stuiting, dan wel had uit de memorie van grieven op zijn minst naar voren moeten komen dat [eiser] de juistheid van dit oordeel betwistte. Nu hij dit heeft nagelaten, kon het hof niet, zonder de grenzen van de rechtsstrijd te overschrijden, ingaan op de vraag of [eiser] tijdig de verjaring had gestuit.

3.11

Ook Coca Cola heeft in de grieven van [eiser] niet gelezen dat deze ook zagen op het oordeel van de rechtbank over de vraag of de verjaring was gestuit en, meer specifiek, of de brief van 31 januari 2008 als een stuitingshandeling moest worden aangemerkt. Integendeel, Coca Cola merkt in haar memorie van antwoord op ‘dat [eiser] geen (specifieke) grief heeft gericht tegen de beslissing van de kantonrechter dat de brief d.d. 31 januari 2008 (…) niet als stuitingshandeling kan worden betiteld’ (punt 19).

3.12

Het voorgaande brengt mee dat de in het cassatiemiddel opgeworpen vraag (punt 2.2.1 en 2.2.2) of de brief van 31 januari 2008 naar de daarvoor in de rechtspraak ontwikkelde maatstaf als een geldige stuitingshandeling moet worden aangemerkt, hoe dan ook in cassatie niet aan de orde kan zijn. Dat geldt ook wanneer die brief wordt beschouwd in combinatie met het verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor van mei 2008, zoals in het cassatiemiddel wordt bepleit (punt 2.2.3).

3.13

In het cassatiemiddel wordt ten slotte nog geklaagd over de onbegrijpelijkheid van rov. 2.10 van het arrest, waarin het hof overweegt dat grief 2 van een onjuiste lezing van het vonnis uitgaat. Deze overweging is hiervoor reeds behandeld bij punt 3.5.

3.14

De conclusie van het voorgaande is dat middelonderdeel 2.2 niet kan slagen.

3.15

Middelonderdeel 2.3 heeft geen zelfstandige betekenis.

3.16

Het falen van middelonderdeel 2.2 brengt mee dat [eiser] geen belang heeft bij een vernietiging van het arrest wegens het slagen van middelonderdeel 2.1. Ook al zouden zijn grieven tegen het oordeel van de rechtbank dat zijn vordering op grondslag (a), het niet-nakomen van toezeggingen door Coca Cola, is verjaard, alsnog worden beoordeeld, dan nog moet ervan worden uitgegaan dat de brief van 31 januari 2008 de (nieuwe) verjaringstermijn niet heeft gestuit en het verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor de verjaring evenmin heeft gestuit. Daarmee is gegeven dat de onontkoombare uitkomst is dat ook de vordering op grondslag (a) is verjaard.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 HR 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT6830, NJ 2006/620. Zie voorts: Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 2012/116.