Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:153

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-03-2016
Datum publicatie
29-03-2016
Zaaknummer
15/05143
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:520, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Herziening. Persoonsverwisseling. Gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/05143H

Zitting: 8 maart 2016

Mr. Hofstee

Conclusie inzake:

[aanvrager]

1. Bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Groningen, van 5 december 2014 met parketnummer 18-197472-14, is de aanvrager wegens 1. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” en 2. ”opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod” bij verstek veroordeeld tot een werkstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis. De bewezenverklaarde pleegdatum is 29 augustus 2014.

2. Namens de aanvrager heeft mr. V.P.K. van Rosmalen, advocaat te Groningen, een aanvraag tot herziening met betrekking tot voornoemd vonnis van de politierechter ingediend.

3. De aanvraag is voorzien van bijlagen en berust op de stelling dat er sprake is van een persoonsverwisseling, nu de aanvrager niet de persoon is geweest die het in het bovengenoemde vonnis bewezenverklaarde feit heeft begaan.

4. Ter staving van deze stelling is bij de aanvraag een aanvullend proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten van politie [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 9 januari 2015 overgelegd. Dit proces-verbaal houdt onder meer het volgende in:

“Op 29 augustus 2014, omstreeks 21:55 uur, hebben wij, verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] , een verdachte aangehouden in verband met het aanwezig hebben van een verboden wapen en het aanwezig hebben van drugs. (…)

Er was hem tevens mede gedeeld dat hij werd bekeurd voor het niet voeren van verlichting op zijn scooter/bromfiets en het niet op eerste vordering kunnen tonen van een geldig rijbewijs.

Hij gaf tijdens de staande houding op te zijn genaamd:

* [aanvrager] , geboren op [geboortedatum] 1986.

(…). Er is tijdens de insluiting geen identiteitsbewijs aangetroffen van de verdachte.

(…)

Op 30 augustus 2014 is de verdachte gehoord door [verbalisant 3] , brigadier van politie eenheid Noord-Nederland.

De verdachte is vervolgens langs de Progriszuil gegaan waarbij er een foto van de verdachte is gemaakt en zijn vingerafdrukken digitaal zijn afgenomen. De verdachte heeft vervolgens wederom dezelfde personalia opgegeven. Zie bijgevoegde id-staat SKDB.

Er is geen document als bedoeld in artikel 1 van de wet op de identificatieplicht overhandigd door de verdachte.

Op 24 december 2014 is [aanvrager] , geboren, op [geboortedatum] 1986, aan het politiebureau aan de Rademarkt te Groningen geweest. Hij deelde mij, verbalisant [verbalisant 2] , mede dat hij de strafbare feiten niet had gepleegd en dat iemand anders zijn naam had opgegeven.

[aanvrager] heeft vervolgens vrijwillig zijn vingerafdrukken laten afnemen, via de Progriszuil. Deze vingerafdrukken heb ik, verbalisant [verbalisant 2] samen met mijn collega [verbalisant 4] , vervolgens vergeleken met de vingerafdrukken die op 30 augustus 2014 door de aangehouden verdachte, zijn afgegeven.

Ik zag dat er via de progriszuil de melding werd gegeven dat de vingerafdrukken van [aanvrager] niet overeen kwamen met de verdachte die op 29 augustus 2014 was aangehouden en bekeurd voor de vermelde strafbare feiten. Zie bijgevoegde resultaat van de verificatie.1 Ik zag tevens dat [aanvrager] niet overeenkwam met de foto die vermeld stond op de ID-staat SKDB van de aangehouden verdachte.

[aanvrager] heeft zich later tevens geïdentificeerd met een geldig paspoort. Een kopie van het paspoort van [aanvrager] is bijgevoegd.

De verdachte die op 29 augustus 2014 werd aangehouden heeft kennelijk de valse naam van [aanvrager] opgegeven.”

5. Gelet op de hierboven aangehaalde inhoud van het aanvullende proces-verbaal van bevindingen, is er naar mijn inzicht geen aanleiding om enig nader onderzoek naar de feiten te doen verrichten en is al het ernstige vermoeden ontstaan dat indien deze gegevens aan de politierechter bekend waren geweest, het onderzoek zou hebben geleid tot vrijspraak van de aanvrager.

6. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad, op de wijze als in art. 472, tweede lid, Sv in verbinding met art. 471, eerste lid, Sv is voorzien, de aanvraag tot herziening gegrond zal verklaren, voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden uitspraak zal bevelen en de zaak zal verwijzen naar het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, opdat de zaak in zoverre opnieuw zal worden behandeld en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Dit is het Resultaat Verificatie van 24 december 2014.