Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:1511

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
30-12-2016
Datum publicatie
17-03-2017
Zaaknummer
16/05634
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:461, Contrair
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

BOPZ. Voorlopige machtiging, art. 2 Wet Bopz. Stoornis van de geestvermogens in verband met alcoholgebruik? HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2937, NJ 2014/439.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

16/05634

Mr. F.F. Langemeijer

30 december 2016

Conclusie inzake:

[betrokkene]

tegen

Officier van Justitie Midden-Nederland

Betrokkene heeft een alcoholverslaving. De vraag is of in dit geval sprake is van een stoornis van de geestvermogens in de zin van de Wet Bopz.

1 Feiten en procesverloop

1.1.

De officier van justitie heeft bij verzoekschrift, op 28 juli 2016 ingekomen ter griffie van de rechtbank Midden-Nederland, verzocht een voorlopige machtiging te verlenen om verzoekster tot cassatie (geboren in 1967, hierna: betrokkene) in een psychiatrisch ziekenhuis te doen opnemen en te doen verblijven; zie art. 2 Wet Bopz. Bij het verzoekschrift was onder meer een afschrift gevoegd van de geneeskundige verklaring d.d. 21 juli 2016 opgemaakt door de niet bij de behandeling betrokken psychiater Bruins.

1.2.

Op 22 augustus 2016 heeft de rechtbank het verzoek mondeling behandeld. Zij heeft gehoord: betrokkene, bijgestaan door haar advocaat, [betrokkene 1] (mantelzorger), de psychiater [betrokkene 2] (namens de behandelend psychiater) en [betrokkene 3] (Thuiszorg). Bij beschikking van 22 augustus 2016 heeft de rechtbank de verzochte voorlopige machtiging verleend met een geldigheidsduur tot en met 22 februari 2017.

1.3.

De rechtbank is op grond van de overgelegde stukken en de gehouden verhoren en verkregen inlichtingen tot de overtuiging gekomen dat betrokkene gestoord is in haar geestvermogens en dat de stoornis van de geestvermogens, te weten stoornissen door gebruik van middelen, de betrokkene gevaar doet veroorzaken.

1.4.

Namens betrokkene is – tijdig – beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1.

Onderdeel 1 klaagt dat het oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip ‘stoornis van de geestvermogens’ als bedoeld in art. 2 van de Wet Bopz, waar de rechtbank overweegt dat de stoornis in dit geval bestaat uit de in de geneeskundige verklaring vermelde “alcoholafhankelijkheid en een sterk vermoeden van de ziekte van Korsakov” en deze aanmerkt als: ‘stoornissen door gebruik van middelen’. In het bijzonder zou de rechtbank hebben miskend dat alcoholverslaving – ook al wordt deze in de psychiatrie beschouwd als een zelfstandig psychiatrisch ziektebeeld − niet tot toepassing van de Wet Bopz kan leiden tenzij de alcoholverslaving (-afhankelijkheid) gepaard gaat met (andere) psychiatrische stoornissen van zodanige ernst dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor zo ingrijpend wordt beïnvloed dat de betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend omdat de stoornis de gevaarvolle daden van de betrokkene overwegend beheerst. Voor de vaststelling van een stoornis als bedoeld in art. 2 Wet Bopz is niet voldoende dat sprake is van verslaving aan of afhankelijkheid van alcohol.

2.2.

Volgens de nadere uitwerking van deze rechtsklacht heeft de rechtbank een te ruime maatstaf aangelegd door op grond van de geneeskundige verklaring en van de ter zitting door de psychiater [betrokkene 2] gegeven toelichting te concluderen tot een stoornis van de geestvermogens die betrokkene gevaar doet veroorzaken. De daarin aangegeven gevolgen van het alcoholgebruik hebben betrekking op klachten en risico’s van lichamelijke aard: die kunnen volgens het middelonderdeel toepassing van de Wet Bopz echter niet rechtvaardigen.

2.3.

Onderdeel 2 bevat, subsidiair aan onderdeel 1, een drietal motiveringsklachten over hetzelfde onderwerp. Onder 2.a klaagt het middelonderdeel dat onvoldoende duidelijk is waarom de in de geneeskundige verklaring vermelde alcoholafhankelijkheid van betrokkene en de kwalificatie ‘stoornissen door gebruik van middelen’ zou kunnen worden aangemerkt als een ‘stoornis van de geestvermogens’ in de zin van art. 1 en 2 Wet Bopz. Onderdeel 2.b klaagt dat een nadere motivering te meer was aangewezen in het licht van de verklaring van de psychiater [betrokkene 2] dat volgens de huisarts bij betrokkene sprake is van leverproblematiek, en dat voor de somatische problematiek een detox (ontgifting) nodig is, gevolgd door psychodiagnostisch en neuropsychologisch onderzoek. Aangenomen dat bij betrokkene alleen lichamelijke aandoeningen bekend waren en nog niet vaststond dat betrokkene − naast dan wel als een gevolg van alcoholafhankelijkheid − cognitieve schade heeft opgelopen, staat volgens de klacht niet vast dat sprake is van (andere) ‘psychiatrische stoornissen’. Onderdeel 2.c klaagt dat de classificatie als ‘stoornissen door gebruik van middelen’ te weinig concreet is om opneming en verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis te rechtvaardigen en klaagt voorts dat uit de motivering niet blijkt welke maatstaf is aangelegd. De (sub)onderdelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

2.4.

De tekst van art. 5 lid 1 onder e EVRM maakt onderscheid tussen vrijheidsbeneming van geesteszieken en vrijheidsbeneming van verslaafden aan alcohol en verdovende middelen. Bij verslaafden aan alcohol kan het gaan om een vrijheidsbeneming van zeer tijdelijke aard, ter ontnuchtering bijvoorbeeld, of om een vrijheidsbeneming met behandeling van langere duur. Bij verslavingen aan alcohol of drugs is niet altijd duidelijk of (ook) sprake is van een stoornis van de geestvermogens die de betrokkene gevaar doet veroorzaken, als bedoeld in de Wet Bopz. Over de vraag wanneer sprake is van een relevante stoornis van de geestvermogens heeft de Hoge Raad zich uitgesproken op 23 september 2005: de beschikking die in het cassatiemiddel is aangehaald. De Hoge Raad oordeelde toen dat, ook indien wordt aangenomen dat alcoholverslaving een psychiatrische ziekte is, een alcoholverslaving niet tot toepassing van de Wet Bopz kan leiden ‘tenzij de verslaving gepaard gaat met (andere) psychische stoornissen van zodanige ernst dat denken, voelen, willen oordelen en doelgericht handelen daardoor zo ingrijpend worden beïnvloed dat betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend, omdat de stoornis de gevaarlijke daden van de betrokkene overwegend beheerst’1. Deze gedeeltelijk aan de parlementaire geschiedenis van de Wet Bopz ontleende omschrijving dekt zowel gevallen van comorbiditeit als gevallen waarin alleen sprake is van alcoholafhankelijkheid, mits deze de bovengenoemde graad van ernst heeft bereikt2. De Hoge Raad is van oordeel dat niet in zijn algemeenheid gezegd kan worden dat aanwezigheid van het syndroom van Korsakov vereist is voor het oordeel dat er sprake is van een geestesstoornis, noch dat die diagnose op zichzelf daartoe voldoende is. Of in een voorkomend geval sprake is van een stoornis van de geestvermogens die de betrokkene gevaar doet veroorzaken, van zodanige aard dat een vrijheidsbeneming gerechtvaardigd is, moet telkens voor ieder individueel geval afzonderlijk worden vastgesteld, op basis van een objectief geneeskundig onderzoek door een psychiater. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat het bij afhankelijkheid van verslavende middelen veelal gaat om verschijnselen van chronische aard, zodat een daarop gebaseerde vrijheidsbeneming naar haar aard eveneens van lange duur zou kunnen zijn3.

2.5.

Uit de geneeskundige verklaring d.d. 21 juli 2016, waarnaar de rechtbank verwijst, volgt dat de niet bij de behandeling betrokken psychiater van oordeel is dat betrokkene lijdt aan een stoornis van de geestvermogens die betrokkene gevaar doet veroorzaken. Dit gevaar is omschreven als: “gevaar voor verwaarlozing en ernstig lichamelijk letsel, waarbij het realistisch is dat dit op korte termijn tot de dood zal leiden, bijvoorbeeld door een maag- of slokdarmbloeding, of stikken in haar eigen braaksel. Op de langere termijn kan zij overlijden aan leverfalen, een ongelukkige val of een hersenbloeding”. Het psychiatrisch onderzoek leidde tot de diagnose “alcoholafhankelijkheid en een sterk vermoeden van de ziekte van Korsakov”, gerubriceerd in de categorie: stoornissen door gebruik van middelen. Ter toelichting heeft de rapporterende psychiater vermeld:

“Betrokkene heeft meerdere gedwongen opnames middels IBS of RM meegemaakt in verband met ernstige alcoholafhankelijkheid. Ten gevolge hiervan heeft zij een zenuwaandoening, een evenwichtsaandoening (…) en een slecht functionerende lever opgelopen, toch blijft zij hulp voor haar verslaving afwijzen, waardoor haar aandoeningen verslechteren. Dit betekent mijns inziens dat de verslaving betrokkene in haar macht heeft.”

2.6.

Uit de geneeskundige verklaring blijkt niet van comorbiditeit (samenloop van verscheidene stoornissen van de geestvermogens). De bevinding van de psychiater “dat de verslaving betrokkene in haar macht heeft” duidt evenwel op een situatie waarin de stoornis van de geestvermogens door gebruik van middelen een zodanige mate van ernst heeft bereikt dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor zo ingrijpend worden beïnvloed dat betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend, omdat de stoornis de gevaarlijke daden van de betrokkene overwegend beheerst. Gezien deze diagnose en hetgeen ter zitting is verklaard, heeft de rechtbank de door de Hoge Raad geformuleerde maatstaf m.i. niet miskend, ook al heeft de rechtbank deze maatstaf niet met zoveel woorden in haar motivering herhaald. De rechtsklacht van onderdeel 1 faalt.

2.7.

Onderdeel 2.a treft geen doel. Door de verwijzing naar de geneeskundige verklaring is voor de lezer duidelijk waarop de rechtbank haar impliciete oordeel baseert dat de alcoholafhankelijkheid van betrokkene gepaard gaat met psychiatrische stoornissen van zodanige ernst dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor zo ingrijpend wordt beïnvloed dat de betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend omdat de stoornis de gevaarvolle daden van de betrokkene overwegend beheerst. Zou de vrijheidsbeneming door de rechtbank enkel zijn gegrond op de wenselijkheid betrokkene van haar verslaving af te helpen, dan zou de noodzaak van een vrijheidsbeneming onvoldoende uit de motivering volgen. In de bestreden beschikking maakt de rechtbank evenwel duidelijk dat de voorlopige machtiging door haar noodzakelijk is geacht om ernstig gevaar, zoals in alinea 2.5 hiervoor geciteerd, af te wenden door middel van opneming in een psychiatrisch ziekenhuis.

2.8.

Onderdeel 2.b treft evenmin doel. De rechtbank vermeldt − en vindt daarvoor grondslag in de geneeskundige verklaring − dat de alcoholafhankelijkheid bij betrokkene reeds tot letsel heeft geleid (te weten een zenuwaandoening, een evenwichtsaandoening en een slecht functionerende lever). Op zich is juist, dat lichamelijke aandoeningen in aanmerking komen voor somatische behandeling en dat een aantasting van de hersenfunctie uit de geneeskundige verklaring niet blijkt: dat laatste moet nog worden onderzocht. Dit neemt niet weg dat de rechtbank kennelijk in het voetspoor van de onderzoekende psychiater van oordeel is dat het hier niet gaat om een persoon die vrij heeft gekozen voor een bestaan als alcoholafhankelijke en dit soort lichamelijke aandoeningen op de koop toe neemt, doch om een persoon wier denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen door de alcoholafhankelijkheid zo ingrijpend worden beïnvloed dat betrokkene het veroorzaakte gevaar – zoals door de rechtbank omschreven − niet kan worden toegerekend.

2.9.

Onderdeel 2.c mist feitelijke grondslag voor zover het veronderstelt dat de rechtbank het gelaten heeft bij de aanduiding ‘stoornissen door het gebruik van middelen’: de rechtbank heeft immers een nadere omschrijving van de stoornis gegeven. Voor zover met deze klacht is bedoeld dat ‘stoornissen door het gebruik van middelen’4 als zodanig nimmer grond kunnen opleveren voor een rechterlijke machtiging, stuit de klacht af op de hiervoor aangehaalde jurisprudentie.

2.10.

Onderdeel 3 klaagt dat de rechtbank de verzochte second opinion ten onrechte, althans om onbegrijpelijke redenen heeft afgewezen. Het door de rechtbank gebezigde argument, dat de aan de rechtbank verschafte informatie afkomstig was van verschillende artsen en dat de stoornis voldoende was onderbouwd, kan dit oordeel volgens de klacht niet dragen. In de geneeskundige verklaring worden slechts lichamelijke gevolgen genoemd; de cognitieve schade als gevolg van alcoholgebruik moest nog worden onderzocht.

2.11.

Art. 8 lid 6 Wet Bopz houdt het volgende in:

‘De rechter kan onderzoek door deskundigen bevelen en is bevoegd deze deskundigen alsmede getuigen op te roepen. De rechter roept de door de betrokkene opgegeven deskundigen en getuigen op, tenzij hij van oordeel is dat door het achterwege blijven daarvan de betrokkene redelijkerwijs niet in zijn belangen kan zijn geschaad. Indien hij een opgegeven deskundige of getuige niet heeft opgeroepen vermeldt hij de reden daarvan in de beschikking.’

De rechtbank is overeenkomstig de algemene regels voor de verzoekschriftprocedure vrij een verzoek tot het verrichten van nader onderzoek door een deskundige af te wijzen. In een procedure tot verlening van een machtiging tot opneming en verblijf moet, gelet op de ingrijpende aard van de door de rechter te nemen beslissing, de afwijzing van een verzoek om (nader) onderzoek door een deskundige, gemotiveerd worden5. Beschouwd in het licht van de geneeskundige verklaring en hetgeen ter zitting is verklaard, heeft de rechtbank art. 8 Wet Bopz niet miskend en is de afwijzing niet onbegrijpelijk. Het verzoek om een second opinion werd subsidiair gedaan en is niet nader gepreciseerd: ook niet wat betreft hetgeen onderzocht zou moeten worden.

2.12.

Nu de onderdelen 1, 2 en 3 niet tot cassatie leiden, kan het daarop voortbouwende onderdeel 4 evenmin slagen. Dit laatste onderdeel behoeft verder geen bespreking.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

plv

1 HR 23 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU0372, NJ 2007/230 m.nt. J. Legemaate, BJ 2005/35 m.nt. Dijkers, rov. 3.3.5.

2 Het volgt reeds uit het tussen haakjes plaatsen van het woord ‘andere’. Zie ook (de conclusie voor) HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3607, JVggz 2016/4 m.nt. W. Dijkers.

3 Zie naast de reeds genoemde uitspraken: HR 5 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3321, NJ 2007/541, BJ 2007/44 m.nt. W. Dijkers onder 2.2; HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2937, NJ 2014/439, JVggz 2014/37 m.nt. W. Dijkers. Zie voorts: R.B.M. Keurentjes, ‘Alcoholverslaving en de Wet Bopz. De juridische (on)mogelijkheden tot behandelen van verslaafde patiënten’, Trema 2013/5, blz. 173-177; W.J.A.M. Dijkers, SDU Commentaar Bopz, art. 2, 2013, par. 2.4.8.

4 Dit is de term die in de modelverklaring wordt gebruikt. W. Vandereycken en R. van Deth, Psychiatrie. Van diagnose tot behandeling, Houten: Bohn Stafleu Van Loghum 2004, blz. 89 – 102, spreken van “stoornissen door gebruik van alcohol en drugs”; in gelijke zin: Richtlijn stoornissen in het gebruik van alcohol (2009), nvvp.net. J.W. Hummelen en M.W. Hengeveld, Psychiatrie voor juristen, Utrecht: De Tijdstroom 2014, blz. 145 – 170, spreken van “verslavingsstoornissen”.

5 HR 29 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5978, NJ 2007/153, m.nt. J. Legemaate, rov. 3.3.1.