Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:150

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
02-02-2016
Datum publicatie
29-03-2016
Zaaknummer
15/00024
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:517, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Noodweer(exces). De HR stelt voorop dat de omstandigheid dat een verdachte de hem tlgd. gedraging ontkent, niet zonder meer aan het slagen van een subsidiair gedaan beroep op noodweer(exces) in de weg behoeft te staan alsmede dat de rechter de last tot het aannemelijk maken van de feitelijke grondslag van zo een beroep niet uitsluitend op de verdachte mag leggen (vgl. ECLI:NL:HR:2016:456, rov. 3.1.2.) . I.c. is ’s Hofs oordeel “dat uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden dat verdachte zich op enig moment heeft bevonden in een noodweersituatie” feitelijk en niet onbegrijpelijk, terwijl het Hof voorts het vooropgestelde niet heeft miskend. Conclusie AG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/00024

Zitting: 2 februari 2016

Mr. P.C. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 15 december 2014 de verdachte wegens “poging tot doodslag” veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het Hof een inbeslaggenomen voorwerp verbeurd verklaard.

2. Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld en hebben mr. J. Zevenboom, advocaat te Utrecht, en mr. N. van Schaik, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt over de verwerping van het beroep op noodweer(exces).

4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 31 januari 2013 te Lelystad, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [betrokkene] van het leven te beroven, met dat opzet voornoemde [betrokkene] , meermalen, althans eenmaal met een mes, in de linkerborstkas heeft gestoken, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.”

5. De bewezenverklaring berust op onder meer de volgende bewijsmiddelen:

“1. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van dit hof, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven als volgt:

Op 31 januari 2013 was ik in de moskee te Lelystad. In de moskee zei [betrokkene] tegen mij dat we naar buiten moesten gaan om de zaak uit te praten. Op de binnenplaats van de moskee ontstond tussen ons enig getrek en geduw over en weer. [betrokkene] schold mij uit. Ik heb [betrokkene] uitgescholden. [betrokkene] heeft mij met dat stuk pijp meermalen op mijn hoofd geslagen. Ik weet dat ik die dag mijn mes bij mij had.

2. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal verhoor, voorzien van het proces-verbaalnummer PL2527 2013008178-17, op 1 februari 2013 gesloten en ondertekend door [verbalisant] , brigadier van Politie Flevoland, onder meer inhoudende, zakelijk weer gegeven, als verklaring van [betrokkene] :

Ik verliet als eerste de moskee en [verdachte] (= verdachte) liep achter mij aan. De discussie werd heviger en wij werden allebei boos. Ik bleef naast mijn auto staan. Ik werd gestoken. Vlak daarvoor zag ik dat hij (= verdachte) iets in zijn rechterhand had. Ik werd gestoken in mijn linkerborst. Ik voelde het branden. Toen ik werd gestoken, sloeg ik terug. Ik pakte een stok. Twee slagen waren zeker raak.

3. Een proces-verbaal van verhoor, op 3 september 2014 ondertekend door de raadsheer-commissaris, in bovenvermeld hof belast met de behandeling van strafzaken, en na te noemen getuige, onder meer inhoudende, zakelijk weer gegeven, als verklaring van de getuige [getuige 1] :

Het gaat om een gebeurtenis die plaatsvond op 31 januari 2013 vlak bij de moskee. [verdachte] (=verdachte) en [betrokkene] (= [betrokkene] ) hadden ruzie. Ik heb [betrokkene] naar zijn auto gebracht. [verdachte] is gaan schelden tegen [betrokkene] . [betrokkene] pakte een stok of staaf. [betrokkene] is naar [verdachte] toegegaan en heeft met die stok of staaf naar [verdachte] geslagen en heeft hem op het hoofd geraakt. De meeste slagen van [betrokkene] naar [verdachte] toe kwamen op zijn hoofd terecht. Ik heb gezien dat [getuige 2] er ook was.

4. Een proces-verbaal van verhoor, op 3 september 2014 ondertekend door de raadsheer-commissaris, in bovenvermeld hof belast met de behandeling van strafzaken, en na te noemen getuige, onder meer inhoudende, zakelijk weer gegeven, als verklaring van de getuige [getuige 2] :

Het gaat over een gebeurtenis die plaatsvond op 31 januari 2013 bij de moskee. Het eerste wat ik zag toen ik naar buiten ging, waren [betrokkene] (= [betrokkene] ) en [verdachte] (=verdachte) die aan het bekvechten, duwen en trekken waren. Ik heb [betrokkene] naar zijn auto geduwd. Hij is terug gekomen en sloeg [verdachte] met een stok.”

6. De bestreden uitspraak houdt voorts in:

“Overweging met betrekking tot het bewijs

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is naar voren gekomen dat verdachte, zijn medeverdachte [betrokkene] en de getuigen uiteenlopende en wisselende verklaringen hebben afgelegd met betrekking tot hetgeen zich op 31 januari 2013 daadwerkelijk heeft afgespeeld rondom de vechtpartij tussen verdachte en zijn medeverdachte [betrokkene] .

Het hof overweegt daaromtrent als volgt.

Verdachte heeft bij de politie in eerste instantie verklaard dat hij [betrokkene] niet heeft gestoken. Nadat hij was geconfronteerd met het mes en het daarop aangetroffen DNA, heeft verdachte verklaard dat hij het mes wel bij zich had en dat [betrokkene] misschien wel in het mes is gevallen. Hij heeft voorts verklaard, dat hij niet zegt dat hij dat mes niet heeft gebruikt.

Verdachte heeft ter zitting van het hof onder meer verklaard, zakelijk weergegeven:

Als ik al een mes heb gebruikt, dan moet dat geweest zijn nadat [betrokkene] mij met een pijp op mijn hoofd heeft geslagen. Ik heb [betrokkene] uitgescholden toen hij naar zijn auto liep. Ik heb [betrokkene] niet terug zien komen lopen. Pas toen hij voor mij stond zag ik dat [betrokkene] mij wilde slaan met een pijp. Nadat ik was geslagen door [betrokkene] ben ik door omstanders opgevangen. Ik ben in de richting van de moskee geduwd en daar ben ik op een stoel gezet. Men heeft geprobeerd het bloed op mijn hoofd te stelpen. Men heeft een ambulance laten komen en daar ben ik ingestapt. Mijn hoofwond is gehecht.

Medeverdachte [betrokkene] heeft bij de politie onder meer verklaard, zakelijk weergegeven:

Ik verliet als eerste de moskee en [verdachte] (= verdachte) liep achter mij aan. De discussie werd heviger en wij werden allebei boos. Ik ben in mijn auto gaan zitten en [verdachte] liep ook naar mijn auto. Hij zei dat ik uit de auto moest komen. Hij zei: ’’vandaag ik of jij.“ Ik stapte uit en bleef naast mijn auto staan. Ik werd gestoken. Vlak daarvoor zag ik dat hij iets in zijn rechterhand had. Ik werd gestoken in mijn linkerborst. Ik voelde het branden. Toen ik werd gestoken, sloeg ik terug. Ik pakte een stok. Ik weet niet meer of ik een stok van de grond pakte of van omstanders aanpakte.

De getuige [getuige 1] heeft op 3 september 2014 tegenover de raadsheer-commissaris onder meer verklaard, zakelijk weergegeven:

[verdachte] en [betrokkene] (= [betrokkene] ) hadden ruzie. Toen ik bij hen kwam waren ze aan het eind van de ruzie. Ik heb [betrokkene] vastgepakt en hem naar zijn auto gebracht. [betrokkene] is in zijn auto gaan zitten. [verdachte] is daarna gaan schelden tegen [betrokkene] . [betrokkene] pakte aan de linkerkant van zijn stoel een stok of een staaf. [betrokkene] is naar [verdachte] toegegaan en heeft met die stok of staaf naar [verdachte] geslagen en heeft hem op het hoofd geraakt. Ik zag dat [verdachte] bloedde aan zijn hoofd. [betrokkene] is daarna in zijn auto gestapt en weggereden.

De getuige [getuige 2] heeft op 3 september 2014 tegenover de raadsheer-commissaris onder meer verklaard, zakelijk weergegeven:

Het eerste wat ik zag toen ik naar buiten ging, waren [betrokkene] en [verdachte] die aan het bekvechten waren en aan het duwen en trekken. Ik heb ze uit elkaar gehaald en gezegd dat ze moesten ophouden. Ik heb [betrokkene] naar zijn auto geduwd. Hij is één keer teruggekomen en sloeg toen [verdachte] met een stok. [betrokkene] sloeg [verdachte] op zijn hoofd. [verdachte] bloedde uit zijn hoofd. Ik heb ze uit elkaar gehaald en [verdachte] naar de moskee geduwd.

Naar het oordeel van het hof bevatten voormelde verklaringen een aantal tegenstrijdigheden en zijn er zowel door verdachte als zijn medeverdachte onjuistheden verteld. De voorhanden zijnde verklaringen geven naar het oordeel van het hof geen helder beeld van de toedracht van het geweldsincident van 31 januari 2013 dat zich heeft afgespeeld tussen verdachte en zijn medeverdachte [betrokkene] . De verklaring van verdachte dat, als hij al een mes heeft gebruikt, dat moet zijn geweest nadat [betrokkene] hem met een pijp op zijn hoofd heeft geslagen, is niet aannemelijk geworden. Die lezing vindt immers geen steun in de overige verklaringen. Nu de verklaringen op onderdelen niet op elkaar aansluiten en verdachte geen openheid van zaken heeft gegeven omtrent het door hemzelf uitgeoefende geweld, kan het hof niet anders dan uitgaan van de feiten en omstandigheden die buiten redelijke twijfel vast staan.

Naar het oordeel van het hof staat buiten redelijke twijfel vast dat op 31 januari 2013 te Lelystad verdachte en zijn medeverdachte ruzie hebben gehad en er door hen beiden geweldshandelingen zijn uitgeoefend. Eveneens staat buiten redelijke twijfel vast dat verdachte zijn medeverdachte met een mes in de linkerborst heeft gestoken en medeverdachte [betrokkene] verdachte met een staaf meermalen op zijn hoofd heeft geslagen.

Naar het oordeel van het hof dient het handelen van verdachte te worden gekwalificeerd als een poging tot doodslag. Verdachte heeft zijn medeverdachte in zijn linkerborst gestoken. Het is een feit van algemene bekendheid dat zich in de linkerkant van de borst vitale organen bevinden, zoals hart en longen. De medeverdachte heeft letsel opgelopen. Hij is enkele dagen in het ziekenhuis opgenomen geweest met een klaplong waardoor er een drain in zijn borstholte moest worden geplaatst. In de uiterlijke verschijningsvorm van het met een mes insteken op het bovenlichaam van de medeverdachte met het hiervoor genoemde gevolg is het opzet begrepen. Door aldus te handelen heeft verdachte op zijn minst de aanmerkelijke kans dat de medeverdachte gedood zou worden, willens en wetens aanvaard.

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

(…)

Verweer

De raadsman heeft ter zitting van het hof een beroep gedaan op noodweer(exces). Verdachte was, aldus de raadsman, gerechtigd zich te verdedigen tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanval van de zijde van zijn medeverdachte. Verdachte behoort daarom te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof overweegt daaromtrent als volgt.

Het hof is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden dat verdachte zich op enig moment heeft bevonden in een noodweersituatie. Verdachte heeft geen openheid van zaken verschaft omtrent het door hem toegepaste geweld. Nu verdachte die openheid niet heeft gegeven, terwijl hij daarop door het hof wel is bevraagd, kan hij niet met succes een beroep doen op een strafuitsluitingsgrond. Het beroep op noodweer(exces) wordt derhalve verworpen.

Verdachte is strafbaar aangezien ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.”

7. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte aldaar verklaard:

“Ik heb altijd een fruitmes bij mij. Ik kan mij niet herinneren dat ik [betrokkene] met dat mes heb gestoken. Als ik al een mes heb gebruikt, dan moet dat geweest zijn nadat [betrokkene] mij met een stuk pijp op mijn hoofd heeft geslagen. Ik heb [betrokkene] uitgescholden toen hij naar zijn auto liep. Ik heb [betrokkene] niet terug zien komen lopen. Pas toen hij voor mij stond zag ik dat [betrokkene] mij wilde slaan met dat stuk pijp. Nadat ik was geslagen door [betrokkene] ben ik door omstanders opgevangen. Ik ben in de richting van de moskee geduwd en daar ben ik op een stoel gezet. Men heeft geprobeerd het bloed op mijn hoofd te stelpen. Men heeft een ambulance laten komen en daar ben ik ingestapt. Mijn hoofdwond is gehecht.

Ik weet dat ik die dag mijn mes bij mij had. Na afloop van het incident was ik mijn mes kwijt. Ik zeg niet dat [betrokkene] door iemand anders is gestoken. Ik herinner mij niet dat ik [betrokkene] heb gestoken. [betrokkene] was volgens mij goed voorbereid op onze confrontatie. Zijn ogen spuwden vuur en hij vloekte.

[betrokkene] heeft mij geslagen naar aanleiding van onze woordenwisseling. Hij liep na afloop van die woordenwisseling naar zijn auto. Zij auto stond drie à vier meter van ons vandaan. Het is juist dat ik boos was toen omstanders ons uit elkaar haalden. Ik heb niet gezien dat [betrokkene] vanuit zijn auto terug naar mij kwam lopen. Na de klap met dat stuk pijp op mijn hoofd weet ik niet meer wat er allemaal is gebeurd. [betrokkene] is weggereden in zijn auto en ik ben meegenomen door omstanders.”

8. Niet alleen de door het Hof aangehaalde verklaringen geven geen helder beeld van de toedracht van het geweldsincident van 31 januari 2013 ook hetgeen het Hof omtrent de gebeurtenissen heeft vastgesteld, blinkt niet uit in duidelijkheid. In zijn bewijsoverweging constateert het Hof eerst dat sprake is van tegenstrijdigheden en onjuistheden in de voorhanden zijnde verklaringen en overweegt het vervolgens dat (wel) vaststaat dat verdachte zijn medeverdachte met een mes in de linkerborst heeft gestoken en dat medeverdachte [betrokkene] verdachte met een staaf meermalen op zijn hoofd heeft geslagen. Niet uitgesloten is dat de door het Hof bedoelde tegenstrijdigheden slechts betrekking hebben op voor het bewijs en de strafbaarheid niet zonder meer beslissende vragen als of het slaan door [betrokkene] nu wel of niet naast de auto plaatsvond en/of [betrokkene] voorafgaand aan het slaan nu wel of niet in zijn auto zat en/of door wie hij nu precies naar zijn auto is begeleid. Daarmee is dan niet in strijd dat het Hof voor het bewijs gebruik heeft gemaakt van de verklaring van [betrokkene] en aldus heeft vastgesteld dat het (terug)slaan van [betrokkene] werd voorafgegaan door het steken door verdachte. Nu over de begrijpelijkheid van die vaststelling niet wordt geklaagd, zou het cassatieberoep in zoverre eenvoudig kunnen worden verworpen. Uitgaande van die gang van zaken, is immers geenszins onbegrijpelijk het oordeel van het Hof dat het beroep op noodweer(exces) moet worden verworpen omdat niet aannemelijk is geworden dat verdachte zich op enig moment heeft bevonden in een noodweersituatie.

9. Toch spreekt die afdoening mij niet aan. Het is onwaarschijnlijk dat het Hof in zijn overweging (slechts) het oog had op genoemde vragen, die voor de bewezenverklaring van ondergeschikte betekenis zijn. Het lijkt meer aannemelijk dat het Hof tot uitdrukking heeft willen brengen dat het niet heeft kunnen vaststellen welke lezing juist is: de lezing van [betrokkene] dat hij heeft teruggeslagen nadat hij door verdachte was gestoken of de lezing van verdachte dat, wanneer hij al heeft gestoken, dat moet zijn geweest nadat [betrokkene] hem had geslagen. Deze tegenstrijdigheid heeft echter kennelijk volgens het Hof voor de bewezenverklaring geen betekenis, althans kan daarbij buiten beschouwing blijven. Uit de bewijsoverweging valt op te maken dat het Hof de verklaring van [betrokkene] slechts in zoverre betrouwbaar acht en voor het bewijs heeft willen bezigen, voor zover daaruit valt af te leiden dat hij is gestoken en heeft geslagen en niet voor zover daarin iets over de volgorde van die handelingen wordt verklaard.

10. Deze lezing levert problemen op voor de verwerping van het beroep op noodweer(exces). Het Hof heeft ten aanzien van dat beroep geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte zich op enig moment heeft bevonden in een noodweersituatie en heeft daartoe overwogen dat verdachte niet met succes een beroep op die strafuitsluitingsgrond(en) kan doen, omdat verdachte geen openheid van zaken heeft verschaft omtrent het door hem toegepaste geweld. Deze verwerping is onbegrijpelijk, omdat het Hof daarbij in het midden laat in welke volgorde de door [betrokkene] en verdachte gepleegde geweldshandelingen hebben plaatsgevonden. Het middel klaagt daarover terecht. Daar komt nog bij dat zonder nadere toelichting in het licht van de verklaring van verdachte ter terechtzitting van het Hof ook niet zonder meer begrijpelijk is dat verdachte geen opening van zaken heeft verschaft, noch daargelaten of dat op zich zelf wel een goede grond is om het beroep op noodweer op te doen afstuiten.1

11. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.2

12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 10 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9913, NJ 2004/286: “Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat de omstandigheid dat een verdachte de hem tenlastgelegde gedraging ontkent, niet zonder meer aan het slagen van een subsidiair gedaan beroep op noodweer(exces) in de weg behoeft te staan.”

2 De in het proces-verbaal van 1 december 2014 vermelde samenstelling van het Hof is een andere dan in het daarop gebaseerde arrest van 15 december 2014. Daarover wordt echter niet geklaagd.