Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:148

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
23-02-2016
Datum publicatie
29-03-2016
Zaaknummer
14/06330
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:514, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81.1 RO. Bewijsklachten mensenhandel. Art. 273f Sr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/06330

Zitting: 23 februari 2016

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 9 december 2014 door het gerechtshof Den Haag wegens “mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen”, veroordeeld tot acht weken gevangenisstraf.

  2. Er bestaat samenhang met de zaak 14/06331. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Namens de verdachte heeft Mr. J.M. Lintz, advocaat te 's-Gravenhage, drie middelen van cassatie voorgesteld.

  4. Alle drie middelen bevatten bewijsklachten. Voordat ik de middelen bespreek geef ik daarom eerst de bewezenverklaring en gebezigde bewijsmiddelen weer.

  5. Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat:

“zij in de periode van 4 oktober 2011 tot en met 12 oktober 2011 te Den Haag en Scheveningen en Dordrecht, telkens tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

een persoon genaamd [slachtoffer] door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie heeft vervoerd, overgebracht en gehuisvest, met het oogmerk van uitbuiting van voornoemde [slachtoffer] (in de prostitutie)

en

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van [slachtoffer]

en

telkens met één van de voornoemde middelen heeft bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van [slachtoffer] met of voor een derde

immers heeft verdachte en/of heeft/hebben verdachtes mededader(s)

- [slachtoffer] onder toezicht en/of controle gehouden en

-van [slachtoffer] foto's gemaakt ten behoeve van een of meer advertentie(s) voor internetsites en

- voor [slachtoffer] een advertentie opgesteld voor internetsites en

- [slachtoffer] telkens naar een escortadres gebracht en/of laten overbrengen en

- [slachtoffer] gefouilleerd en

- [slachtoffer] bewogen om de opbrengst uit de prostitutiewerkzaamheden af te staan en/of af te dragen.”

6. Die bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 14 oktober 2011 van de politie Haaglanden met nr. PL15J2 2011216163-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (p. 14 e.v.):

als de op 13 oktober 2011 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [slachtoffer] :

Ik ben geboren op 4 oktober 1993 te Emmen in Nederland. Ik zat in Groningen eerst bij het Poortje en later bij begeleid wonen. Ik werd er daar uitgezet' en daardoor kwam ik op straat te staan. Ik ken [betrokkene 1] uit het Poortje. Ik vertelde hem dat ik geen onderdak had en hij zei dat ik naar Den Haag moest komen. Ik heb tegen [betrokkene 1] gezegd dat ik wel de prostitutie wilde gaan werken. Ik heb toen [medeverdachte] ontmoet. Hij kwam bij mij en [betrokkene 1] langs en we hebben gesproken over waar ik in de prostitutie zou kunnen werken. Tijdens dit gesprek kwam ook de vriendin van [medeverdachte] erbij en dat wekte vertrouwen bij mij. Zij heet [verdachte] of [verdachte] . Ik was op 4 oktober jarig en daarna ben ik samen met [verdachte] en [medeverdachte] naar een huis gegaan. We gingen naar een jongen die [betrokkene 2] heet. Daarna zijn [betrokkene 2] , [medeverdachte] en [verdachte] verder gaan zoeken voor werk voor mij. [verdachte] heeft foto's van mij gemaakt voor op internet. Dit deed zij met de BlackBerry van de zus van [medeverdachte] . Ik stond met mijn naakte bovenlichaam op de foto waarbij ik mijn handen op mijn borsten hield. Deze foto's zijn geplaatst op internet op site www.bestesexdates.nl en nog op andere sites maar daar weet ik de naam niet van. Mijn werknaam was [slachtoffer] en mijn telefoonnummer stond erbij. Vanaf de tijd dat ik [medeverdachte] en [verdachte] heb leren kennen ben ik eigenlijk nooit meer alleen geweest. In het huis van [betrokkene 2] was [verdachte] altijd bij mij. Als wij iets in de winkel moesten halen deed ik dat altijd met [verdachte] . Toen ik op een gegeven moment een klant aan de telefoon had, gilde [verdachte] er door heen over de prijzen die ik de klant moest vragen. Toen ik. zei: "stil nou", antwoordde zij: "wat denk je wel zo praten tegen het vrouwtje van jouw pooiertje".

Op de tweede dag dat ik op internet stond heb ik twee klanten gehad. De eerste was in de ochtend in Scheveningen, ik had rond 11:00 uur afgesproken. [betrokkene 2] heeft mij toen naar Scheveningen gebracht. We hadden afgesproken vlakbij de viszaak [A] . Ik heb van deze klant 50 euro gekregen voor een half uur. Toen wij weer thuis waren zei [betrokkene 2] dat ik het geld beter aan [verdachte] kon geven en dan zouden zij het voor mij opsparen. Als ik dit niet zou doen dan wisten zij wel hoe ik tegenover hen stond. Ik schrok hier wel een beetje van en heb het geld toen aan [verdachte] gegeven. Ze zeiden dat als ik iets nodig had dat ik dat dan aan [verdachte] moest vragen en dat [verdachte] dat dan samen met mij zou gaan halen. Die avond kwam [medeverdachte] ook bij [betrokkene 2] en die zei hetzelfde, dat ik het geld aan [verdachte] moest geven. Die avond had ik weer een klant, dit was in Dordrecht. Ik ben toen weggebracht door [medeverdachte] , [betrokkene 2] en [verdachte] . Omdat het wat verder was heb ik 60 euro gekregen voor een half uur. Dit geld heb ik in de auto aan [verdachte] gegeven. [medeverdachte] dacht dat ik meer had gekregen. Toen we thuis kwamen heeft [verdachte] mij gefouilleerd om te controleren of ik echt niet meer geld had. Ik had pas 110 euro verdiend en moest hen ook nog betalen voor het onderdak, stroom, water en dingen die ik gebruikte voor eten. [medeverdachte] zou investeren in mij. Zij zouden een deel van het geld krijgen en ik een deel. Het is nooit duidelijk afgesproken hoeveel ik zou krijgen en hoeveel er naar hen zou gaan. Zij zouden voor mij sparen zodat ik dingen kon kopen of een plekje voor mijzelf zou kunnen regelen. Het sparen zou wel lang duren en mogelijk zou ik wel 2 jaar bij [betrokkene 2] blijven. Dit sparen was een idee van [medeverdachte] . [verdachte] zou voor mij sparen, ik moest al mijn geld aan [verdachte] geven. [verdachte] had ineens 25 euro, maar ik durfde haar niet te beschuldigen dat het mijn geld was. Ik was bang dat [medeverdachte] boos zou worden. Ik denk dat [medeverdachte] en [verdachte] de internetsite die u mij laat zien hebben gemaakt.

2. Een proces-verbaal verhoor aangeefster d.d. 14 oktober 2011 van de politie Haaglanden met nr. PL15J2 2011216163-4. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (p. 24 e.v.):

als de op 14 oktober 2011 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [slachtoffer] :

Ik doe aangifte tegen [medeverdachte] , [verdachte] en [betrokkene 2] omdat zij misbruik hebben gemaakt van mijn situatie.

3. Het proces-verbaal van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te ' s-Gravenhage van 27 maart 2012. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergeven - (ongenummerd):

als de op 27 maart 2012 tegenover deze rechter-commissaris afgelegde verklaring van [slachtoffer] :

7. Daarna zij wij op een avond naar het huis van [betrokkene 2] gegaan, daar konden wij blijven slapen.

4. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 16 januari 2012 van de politie Haaglanden (ongenummerd). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (p. 98 e.v.):

als de op 16 januari 2012 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [medeverdachte] :

[betrokkene 2] [Hof: [betrokkene 2] ] is een goede vriend. [slachtoffer] mocht bij [betrokkene 2] een nachtje verblijven-. Ik zag haar een keer met [betrokkene 1] . Dat meisje is niet 100%. Ze is psychisch ziek. Ze had niets in Den Haag te zoeken. Ze had niets bij zich. Geen telefoon. Helemaal niets: Zonder tas, zonder spullen. Ze zei dat ze ruzie had met haar ouders. Geen legitimatiebewijs. Geen abonnement.

5. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 17 januari 2012 van de politie Haaglanden met nummer 2011. . 216163. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (p. 129 e.v.):

Als de op 17 januari 2012 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [verdachte] :

Ik vond dat [slachtoffer] onderdak nodig had. [medeverdachte] heeft een vriend die wel plek had voor een paar dagen.

6. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 20 februari 2012 van, de politie Haaglanden met nummer -2011 '216163. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (p- 373 e.v.):

als de op 20 februari 2012 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [verdachte] :

Ik heb de foto's van [slachtoffer] gemaakt, dat was in het huis van [betrokkene 2] . Ik heb ze op internet; gezet. Ik denk op 2 of 3 sites. Ik heb de tekst ingetikt. Ik heb de advertentie en bijbehorende foto's op internet geplaatst. In die periode woonde ik bij [betrokkene 2] - in huis- met- [slachtoffer] .

[…] is een wachtwoord dat [medeverdachte] gebruikt voor zijn Hyves en Hotmail. Ik gebruik het ook voor mijn Hotmail.

Het e-mailadres [adres] @live.nl heb ik aangemaakt, het was in gebruik bij [slachtoffer] . [slachtoffer] had helemaal niets. Oude kleren en een tas met een scheur er in. [medeverdachte] heeft mij en [slachtoffer] aan [betrokkene 2] voorgesteld. Dat was op de verjaardag van [slachtoffer] of de dag daarna.

7. Het proces-verbaal van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te 's-Gravenhage van 29- maart 2012. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergeven - (ongenummerd):

als de op 29 maart 2012 tegenover deze rechtercommissaris afgelegde verklaring van [verdachte] :

5. [slachtoffer] had helemaal niemand. Ze had geen vrienden, geen kleren. [slachtoffer] had geen onderdak.

8. [medeverdachte] zei dat hij een plekje bij [betrokkene 2] voor ons had. Wij zijn bij [betrokkene 2] wezen logeren.

8 Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 12 januari 2012 van de politie Haaglanden (ongenummerd). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (p. 86 e.v.):

als de op 12 januari 2012 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [betrokkene 3] :

Ik heb de afspraak op internet gemaakt. Zij kwam bij mij thuis in Dordrecht langs. Zij kwam met de auto. De uitdraai die u mij laat zien lijkt veel op de site waarop ik haar destijds ben tegengekomen. Het meisje noemde zich [slachtoffer] . Ik had om ongeveer 20:00 uur met haar afgesproken. Ze zei dat ze in de problemen zat. Ik zag haar aan komen rijden in een witte kleine auto. De auto werd tegenover mijn huis geparkeerd. Ze vertelde dat haar vrienden mee waren voor haar veiligheid. Het waren mannelijke vrienden. Ik heb hen in de auto zien zitten. Ik heb haar 60 euro betaald voor een half uur.

9. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 25 januari 2012 van de politie Haaglanden met nummer 2011216163. Dit proces-verbaal houdt onder meer, in - zakelijk weergegeven - (p. 364 e.v.):

als de op 25 januari 2012 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [betrokkene 4] :

Ik heb de internetsite "beste sexdates.nl" bezocht. Bij de advertentie stond een telefoonnummer. Ik heb haar een sms-bericht gestuurd. Het meisje was [slachtoffer] genaamd. Het meisje op de foto die u mij laat zien is de [slachtoffer] van de advertentie. Uiteindelijk is de prijs verlaagd tot 50 euro voor een uur sex. We hadden om 11:00 uur een afspraak in Scheveningen, op de parkeerplaats van de vishandel [A] . Ik zag [slachtoffer] voorbij rijden in een auto. De auto is twee keer voorbij gereden. Ik zag dat de bestuurder een man was en dat [slachtoffer] op de bijrijderstoel voor in de auto zat. Toen we terug reden maakte [slachtoffer] een zenuwachtige indruk. Ze zei dat ze niet te laat wilde terugkomen. Ik. heb haar 50 euro contant betaald.”

7. In het eerste middel wordt geklaagd over het gebruik voor het bewijs van de verklaringen van de aangeefster en over de onvoldoende gemotiveerde afwijking van een daaromtrent gevoerd uitdrukkelijk onderbouwd standpunt.

7.1. Met genoemd standpunt wordt kennelijk gedoeld op hetgeen de raadsman van verdachte blijkens de op de zitting overgelegde pleitaantekeningen in hoger beroep heeft aangevoerd omtrent de tegenstrijdigheid en (on)geloofwaardigheid van de verklaringen van de aangeefster. Samengevat wordt daarin gesteld dat de vele verklaringen van de aangeefster over fouilleren, geld afpakken, dreigen met [medeverdachte] enzovoort eenvoudigweg te tegenstrijdig en ongeloofwaardig zijn om voor het bewijs te kunnen worden gebruikt. Het hof heeft mede naar aanleiding daarvan in zijn nadere bewijsoverweging het volgende overwogen over de verklaringen van de aangeefster:

“De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte wordt, vrijgesproken van het haar ten laste gelegde feit. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat de verklaringen van aangeefster [slachtoffer] tegenstrijdig en ongeloofwaardig zijn en daarom niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt.(…)

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Verklaringen aangeefster

Nu de door het hof voor het bewijs gebruikte verklaringen van aangeefster met betrekking tot de ten laste gelegde mensenhandel voldoende steun vinden in de overige, zich in het dossier bevindende, stukken en naar 's hofs oordeel evenmin feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden op grond waarvan aan de juistheid van haar verklaringen moet worden getwijfeld, verwerpt het hof het ter dier zake gevoerde verweer van de raadsman en bezigt het hof haar verklaringen onverkort tot het bewijs.”

7.2. Er wordt ten eerste geklaagd over de overweging van het hof dat het “onverkort” de verklaringen van aangeefster tot het bewijs bezigt. De steller van het middel wijst er op zichzelf terecht op, dat die overweging niet geheel begrijpelijk is nu het hof de verdachte heeft vrijgesproken van het opsluiten van de aangeefster in een kelderbox en het hof de verklaring van de aangeefster dus in zoverre niet heeft gevolgd. Het hof heeft die verklaring ook niet voor het bewijs gebruikt zodat daarom van “onverkort” tot het bewijs bezigen van de verklaringen van de aangeefster geen sprake is (nog daargelaten dat de aangeefster blijkens het dossier ook anderszins meer heeft verklaard dan tot het bewijs is gebezigd). De klacht is dus terecht voorgesteld.

7.3. Zonder nadere toelichting – en die ontbreekt in het middel – zie ik echter niet welk belang de verdachte heeft bij deze klacht. Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt immers zonder meer dat het hof die verklaring van de aangeefster met betrekking tot het opsluiten in de kelderbox (en een deel van het overige verklaringen) niet tot bewijs heeft gebezigd. Mede gelet daarop heeft het hof kennelijk bij vergissing overwogen dat het de verklaringen van de aangeefster “onverkort” tot het bewijs bezigt. De bewijsoverweging zou dan ook met weglating van dat woord verbeterd kunnen worden gelezen, waarmee de grondslag aan de klacht komt te ontvallen.

7.4. Volgens de steller van het middel is het verder onbegrijpelijk dat het hof overweegt dat niet aan de juistheid van de verklaringen van de aangeefster wordt getwijfeld terwijl er sprake is van tegenstrijdigheden en de kern daarvan nu juist is dat deze niet naast elkaar bestaanbaar zijn. Daarbij wordt erop gewezen dat het hof niet aangeeft in welke stukken van het dossier het precies steun heeft gevonden voor de verklaringen van de aangeefster.

7.5. In het middel wordt miskend dat de selectie en waardering van het bewijsmateriaal is voorbehouden aan de feitenrechter, in beginsel niet behoeft te worden gemotiveerd en in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst. De feitenrechter kan en mag van de bewijsmiddelen die delen terzijde schuiven die het niet geloofwaardig, onvoldoende betrouwbaar en/of wellicht tegenstrijdig acht, en andere delen daarvan wel tot bewijs bezigen. Gelet daarop en anders dan de steller van het middel meent, maakt het feit dat er wellicht tegenstrijdigheden in de verklaringen van een getuige zijn aan te wijzen niet zonder meer dat de gehele verklaring dan ongeloofwaardig moet worden geacht en niet voor het bewijs kan worden gebruikt. De beoordeling van de onderdelen van de bewijsmiddelen die al dan niet voldoende betrouwbaar en geloofwaardig zijn om voor het bewijs te kunnen worden gebezigd, is immers aan de feitenrechter. Die vrijheid van de feitenrechter vindt uiteraard zijn grens in de eis dat (de inhoud van) de bewijsmiddelen die voor het bewijs zijn gebezigd niet met elkaar in tegenstrijd mogen zijn. Dat is hier echter niet gesteld of gebleken.

7.6. Voor zover tenslotte wordt geklaagd over de overweging van het hof dat de voor het bewijs gebruikte verklaringen voldoende steun vinden in de overige zich in het dossier bevindende stukken, geldt het volgende.

7.7. Het hof heeft inderdaad niet aangegeven op welke stukken uit het dossier het doelt. Tot cassatie behoeft dat echter niet te leiden nu zonder meer uit de overige gebezigde bewijsmiddelen kan volgen waarop het hof doelt. Daarin kan immers steun worden gevonden voor aangeefsters verklaring dat zij via [betrokkene 1] in contact is gekomen met [medeverdachte] en [verdachte] / [verdachte] , dat de aangeefster via hen weer in contact is gekomen met [betrokkene 2] , dat de aangeefster bij [betrokkene 2] onderdak heeft gekregen voor een paar dagen, dat [verdachte] in het huis van [betrokkene 2] foto’s van aangeefster heeft gemaakt en deze samen met een advertentie op een aantal internetsites heeft gezet, en dat de aangeefster beide keren dat zij een afspraak via internet had gemaakt werd gebracht door één of meer mannen.

7.8. Voor zover door de steller van het middel erover wordt geklaagd dat een aantal (door de raadsman genoemde) onderdelen van die verklaringen van de aangeefster door alle anderen wordt ontkend en ten aanzien van die - volgens de steller van het middel voor de bewezenverklaring essentiële - punten dus geen steun bestaat voor die verklaringen geldt ten eerste dat niet alle onderdelen van een tot bewijs gebezigde getuigenverklaring steun behoeven te vinden in ander bewijsmiddelen. De in art. 342, tweede lid, Sv neergelegde unus testis regel waarnaar de steller van het middel kennelijk bedoelt te verwijzen, houdt slechts in dat de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden niet op zichzelf mogen staan maar voldoende steun moeten vinden in ander bewijsmateriaal. Daarvan is zoals gezegd hier mijns inziens sprake. Voorts wijs ik er nogmaals op dat de aangeefsters verklaring met betrekking tot het opsluiten in de kelderbox niet voor het bewijs is gebezigd, zodat in zoverre steun in andere gebezigde bewijsmiddelen niet nodig is.

7.9. Gelet op het voorgaande is het oordeel van het hof dat de verklaringen van de aangeefster, voor zover tot bewijs gebezigd, voldoende geloofwaardig zijn om voor het bewijs te kunnen worden gebruikt niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd. Het middel faalt.

8. In het tweede middel wordt geklaagd over de bewezenverklaring van het oogmerk van uitbuiting, en de afwijking van een daaromtrent gevoerd uitdrukkelijk onderbouwd standpunt.

8.1. Het hof heeft bedoeld standpunt als volgt samengevat en verworpen:

“Tenslotte heeft de raadsman betoogt dat van uitbuiting geen sprake is geweest, nu vast staat dat de verdachte en haar medeverdachten niet of nauwelijks hebben geprofiteerd van aangeefster of haar werk omdat de totale opbrengst van haar werk, € 110,-, lager was dan de kosten, één en ander overeenkomstig de inhoud van de overgelegde pleitaantekeningen.

(…)

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

(…)

Uitbuiting

Op basis van de gebezigde bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat aangeefster met twee klanten seks heeft gehad en daar respectievelijk € 50,- en € 60,- aan heeft verdiend. Voorts blijkt uit de bewijsmiddelen dat aangeefster beide bedragen onvrijwillig en in zijn totaliteit heeft moeten afstaan. Voorts neemt het hof in aanmerking de buitengewoon kwetsbare situatie waarin [slachtoffer] zich op dat moment bevond, de omstandigheid dat [slachtoffer] zelf geen andere mogelijkheid zag dan zich te prostitueren, alsmede de omstandigheid dat verdachte en haar mededader(s) zich maar al te goed bewust waren van die situatie en wat dat meebracht. Deze omstandigheden tezamen maken dat er naar 's hofs oordeel sprake is van uitbuiting. De omstandigheid dat [slachtoffer] (net 18 jaar geworden, geen diploma's, en na een jeugd in gesloten instellingen, weggestuurd en dakloos) zelf aangaf niet iets anders te kunnen, leidt niet tot een ander oordeel. Dat het totaal van deze bedragen niet of nauwelijks de tot dan toe gemaakte kosten dekt, acht het hof niet van belang. Gesteld noch gebleken is immers dat deze afdracht plaats vond ingevolge een eerder door verdachte(n) met [slachtoffer] gemaakte afspraak omtrent een vergoeding van de ten behoeve van [slachtoffer] voordien gemaakte kosten. Dit brengt mee dat een uit een zodanige afspraak voortvloeiende verplichting tot vergoeding van gemaakte kosten niet aannemelijk is geworden. Daarmee is de feitelijke grondslag aan dit verweer komen te ontvallen. Het hof verwerpt de verweren.”

8.2. Blijkens de toelichting op het middel wordt met name geklaagd over de overweging van het hof dat aangeefster de door haar verdiende bedragen onvrijwillig heeft afgestaan. Anders dan de steller van het middel meen ik dat het hof dat zonder meer uit de gebezigde bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden. Daaruit volgt immers:

i) dat de aangeefster beide keren door [betrokkene 2] , [medeverdachte] en/of [verdachte] is gezegd dat ze het door haar verdiende geld af moest geven aan [verdachte] en dat als de aangeefster iets nodig had ze dat aan [verdachte] kon vragen,

ii) dat [verdachte] de aangeefster na de tweede afspraak thuis heeft gefouilleerd om te controleren of de aangeefster echt niet meer geld had,

iii) dat de aangeefster hen moest betalen voor onderdak, stroom, water en dingen die ze gebruikte voor eten,

iv) dat ze voor de aangeefster zouden sparen maar dat er nooit duidelijk afspraken zijn gemaakt hoeveel de aangeefster zou krijgen en hoeveel er naar hen zou gaan,

v) dat de aangeefster al haar geld aan [verdachte] moest geven, en

vi) dat zij [verdachte] niet ervan durfde te beschuldigen dat het de aangeefsters geld was omdat ze bang was dat [medeverdachte] boos zou worden.

8.3. Bovendien volgt uit de gebezigde bewijsmiddelen dat de aangeefster, toen ze [betrokkene 2] , [medeverdachte] en [verdachte] tegen kwam, niets bij zich had, ze ruzie had met haar ouders, en dat ze geen vrienden en geen onderdak had.

Het hof heeft kunnen oordelen dat de aangeefster door wat verdachte en haar medeverdachten tegen de aangeefster zeiden en door de omstandigheden waarin de aangeefster zich bevond werd gedwongen of zich in ieder geval gedwongen voelde om het geld af te geven en dus dat van een vrijwillige afgifte geen sprake was. Het hof heeft daarbij mede betekenis kunnen hechten aan het feit dat tegen de aangeefster is gezegd dat als ze het geld niet zou afgeven de verdachten wel wisten hoe de aangeefster tegenover hen stond. In de hiervoor geschetste context is het helemaal niet onbegrijpelijk dat het hof die opmerking kennelijk heeft aangemerkt als bijdragend aan het bewezenverklaarde misbruik van het feitelijk overwicht dat de verdachten op de aangeefster hadden en het misbruik van aangeefsters kwetsbare positie. Het hof heeft kunnen oordelen dat verdachte en haar medeverdachten met die opmerking niet slechts de aangeefster erop wilden wijzen dat zij een schuld bij hen had en door de afgifte van het geld die gemaakte kosten kon compenseren, zoals de steller van het middel kennelijk bedoelt te betogen, maar dat zij daarmee ook suggereerden dat als de aangeefster het geld niet af zou geven de verdachte en haar medeverdachten daar voor de aangeefster niet positieve gevolgen aan zouden verbinden. Mede gelet op de kwetsbare, afhankelijke positie van de aangeefster, heeft het hof daaruit kunnen afleiden dat de verdachten met die opmerking druk wilden uitoefenen op de aangeefster om het geld af te geven.

8.4. Verder heeft het hof niet onbegrijpelijk overwogen dat het feit dat het totaal van de door de aangeefster afgedragen bedragen niet of nauwelijks de gemaakte kosten dekte niet van belang is, nu er vooraf geen afspraken zijn gemaakt omtrent een vergoeding van die kosten en dat dus van een uit een dergelijke afspraak voortvloeiende verplichting tot vergoeding geen sprake was.

8.5. De steller van het middel voert op zichzelf terecht aan dat je ook achteraf tot afspraken kunt komen, en dat er een morele verplichting kan bestaan om compensatie te bieden voor gemaakte kosten zodat het feit dat van tevoren geen afspraken zijn gemaakt niet betekent dat je achteraf iemand niet ergens op aan kunt spreken. Uit de aangifte van de aangeefster zou ook kunnen worden afgeleid dat er sprake was van een principe-akkoord tussen haar en de verdachten over de verdeling van de door haar verdiende geldbedragen, mede ter betaling van de door de verdachten gemaakte kosten.

8.6. De steller van het middel miskent echter dat de verdachte en haar medeverdachten niet zozeer wordt verweten dat ze de aangeefster hebben aangesproken op een, al dan niet morele, schuld. Hen wordt verweten dat ze gebruik hebben gemaakt van aangeefsters kwetsbare situatie en haar afhankelijk van hen hebben gemaakt door allerlei kosten voor haar te maken, waarna de verdachten die situatie hebben misbruikt om druk op de aangeefster uit te oefenen om als prostituee te gaan werken en de door haar daarmee verdiende inkomsten af te staan. Het hof heeft kunnen oordelen dat gelet daarop van een vrijwillige, in vrijheid overeengekomen afspraak of overeenkomst tussen twee partijen geen sprake was en heeft een en ander zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting kunnen aanmerken als uitbuiting. De bewezenverklaring is in zoverre voldoende met redenen omkleed.

8.7. Het middel faalt.

9. In het derde middel wordt geklaagd over de bewezenverklaring voor zover deze inhoudt dat de verdachte en haar medeverdachten de aangeefster onder toezicht en/of controle hebben gehouden en dat zij handelden met het oogmerk van uitbuiting. Daarnaast wordt geklaagd over de onvoldoende gemotiveerde afwijking van een daaromtrent gevoerd uitdrukkelijk onderbouwd standpunt.

9.1. Het bestreden arrest houdt in, voor zover hier van belang:

“Toezicht en controle

Op basis van de gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof vast dat de aangeefster, na haar gedwongen vertrek uit Groningen, dakloos was geworden. De situatie waarin zij zich bevond in Den Haag als net 18-jarige jonge vrouw zonder iets bij zich anders dan de kleren die ze aanhad, zonder geld, familie of andere kennissen waarop ze terug kon vallen, maken dat de aangeefster geen voor haar op dat moment reëel alternatief had dan onder deze omstandigheden terug te keren naar deze verdachte en haar mededader(s) en zich te gedragen overeenkomstig hun wensen.”

9.2. Mede gelet op de gebezigde bewijsmiddelen heeft het hof toereikend en zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting, gemotiveerd waarom het bewezen acht dat de aangeefster onder toezicht en/of controle is gehouden door (onder meer) de verdachte. Dat de aangeefster volgens de verdediging steeds weg mocht, kon en is geweest en bijvoorbeeld een bezoek heeft kunnen brengen aan een politiebureau doet daaraan niet af. In de overweging van het hof ligt immers als zijn, niet onbegrijpelijke oordeel besloten dat de aangeefster wellicht fysiek de mogelijkheid had of kreeg om zich aan de situatie te onttrekken maar dat zij in haar subjectieve beleving zich daartoe niet in staat voelde en geen andere mogelijkheid zag dan terug te keren naar de verdachte en haar medeverdachten.1 Daarbij heeft het hof in aanmerking kunnen nemen dat de aangeefster geen familie of kennissen had om op terug te vallen. Die omstandigheid zal immers hebben bijgedragen aan de subjectieve overtuiging of het gevoel van de aangeefster dat zij niemand anders had dan de verdachten. Ik merk hierbij op dat, anders dan de steller van het middel kennelijk meent, het hof zijn oordeel niet ‘enkel’ op die omstandigheid heeft gebaseerd.

9.3. In de toelichting wordt niet nader ingegaan op de stelling dat niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen dat de verdachten handelden met het oogmerk van uitbuiting. Bij gebrek aan die nadere motivering, volsta ik met op te merken dat dat mijns inziens wel degelijk kan worden afgeleid uit die bewijsmiddelen.

9.4. Voor zover voorts nog wordt betoogd dat de verdachte belang heeft bij toetsing van dit middel, laat ik het middel buiten bespreking nu ik dat belang niet betwist.

9.5. Alle middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, lid 1, RO bedoelde motivering.

10. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

11. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 21 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1100 en de daaraan voorafgaande conclusie van mijn ambtgenoot Hofstee van 3 maart 2015, ECLI:NL:PHR:2015:481, rov. 26, waarin hij onder meer aangeeft dat bij de beantwoording van de vraag of de betrokkene zich daadwerkelijk aan de uitbuitingssituatie had kunnen onttrekken, niet alleen een rol speelt of de betrokkene daartoe praktisch gezien in staat was maar dat ook betekenis toekomt aan de subjectieve beleving van de betrokkene. De vrees voor mogelijke consequenties kan bijvoorbeeld aan daadwerkelijke onttrekking in de weg staan.