Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:1477

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
21-10-2016
Datum publicatie
10-02-2017
Zaaknummer
15/04383
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:209
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Opdracht. Aansprakelijkheid assurantietussenpersoon wegens onvoldoende zorg? Verplichting tot rekening en verantwoording? Betekent overeenstemming over rekening-courantsaldo prijsgeven van schadevordering?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

15/04383

mr. Hartlief

Zitting 21 oktober 2016

Conclusie inzake

1. Oceanteam II B.V.

2. Oceanteam ASA

3. Oceanteam Shipping GmbH

(hierna gezamenlijk “Oceanteam c.s.” te noemen)

tegen

[verweerder]

(hierna “[verweerder]” te noemen)

Centraal in deze zaak staat of [verweerder] als verzekeringstussenpersoon is tekortgeschoten jegens Oceanteam c.s. Oceanteam c.s. hebben drie verwijten geformuleerd: (1) [verweerder] zou niet hebben gehandeld als een redelijk bekwaam tussenpersoon door geen melding te maken bij de verzekeraar van de daling van de omzet en het aantal werknemers, (2) [verweerder] zou onvoldoende rekening en verantwoording hebben afgelegd en (3) [verweerder] zou twee van de verzekeraar ontvangen bedragen niet hebben doorbetaald. Rechtbank en hof hebben Oceanteam c.s. nul op rekest gegeven. Het hof heeft verwijten (2) en (3) ongegrond geacht en met betrekking tot verwijt (1) overwogen dat Oceanteam c.s. het recht hebben prijsgegeven om schadevergoeding te vorderen. In cassatie worden deze drie pijlers onder vuur genomen.

1 Feiten

1.1

In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten.1

1.2

Oceanteam c.s. maken onderdeel uit van de Oceanteam Groep. Zij houden zich bezig met activiteiten in de internationale offshore-wereld.2 [verweerder] handelt onder de naam [A] en is werkzaam als makelaar in verzekeringen.3

1.3

In 2009, 2010 en 2011 heeft [verweerder] als verzekeringstussenpersoon opgetreden voor Oceanteam c.s. Deze werkzaamheden bestonden onder meer uit het ten behoeve van Oceanteam c.s. afsluiten van een Marine Equipment Insurance (hierna: ‘MEI’), een Combined Liability Insurance (hierna: ‘CLI’), een Hull & Machine Insurance en een P&I Insurance.4 Voorts bestonden de werkzaamheden uit de afhandeling van schades die zich bij Oceanteam c.s. hadden voorgedaan.

1.4

In een aantal gevallen heeft [verweerder] de ten behoeve van Oceanteam c.s. ontvangen schade-uitkeringen verrekend met zijn vorderingen op Oceanteam c.s. vanwege voorgeschoten premies.

1.5

Omstreeks april 2009 is het aantal werknemers van de Oceanteam Groep teruggebracht naar ongeveer 20 werknemers. [verweerder] heeft de dekking van de ten behoeve van Oceanteam ASA afgesloten aansprakelijkheidsverzekering (de CLI) over 2009 verlengd op basis van een organisatie met 300 werknemers.

1.6

Vanaf eind 2010 hebben Oceanteam c.s. de relatie met [verweerder] afgebouwd en hun verzekeringen ondergebracht bij een andere verzekeringstussenpersoon. Bij e-mail van 2 maart 2011 heeft [betrokkene] (Oceanteam c.s.) het volgende aan [verweerder] bericht:5

“Ik begrijp dat er vele issues spelen maar wat mij betreft heeft het welles nietes spel nu lang genoeg geduurt.

Zoals recent aangegeven Oceanteam Shipping een nieuw bedrijf en de manier van werken en leveren zoals gewend is niet langer van toepassing. Laat ik duidelijk zijn voor niemand, ook intern.

Ref de betalingen ook hier is aangewerkt maar je kan je voorstellen dat de besparing van meer dan Euro 120.000,- op enkelt de liability verzekering niet mis is gezien dat 2010 exact hetzelfde was. Wat ook de reden hiervan is het duidelijk dat ik hier eerder had moeten ingrijpen.

Helaas waren er andere prioriteiten en mij is altijd gesteld dat dit goed geregeld was. Voor alle duidelijkheid ik ben degene geweest die het besluit genomen om de liability Insurance dit over te sluiten in het belang van Oceanteam en hiermee het verleden verder te laten rusten onder een zacht dekentje, beter voor een ieder leek me.

De grote problemen lijken te zijn de betalingen en de betrokken persoonlijkheden. Prima, de betalingen kan ik oplossen en voor de rest heb ik eigenlijk geen mening over. Niet relevant. Om een ieder te accomoderen uit deze spagaat heb ik het volgende besluit genomen; Oceanteam zal de bij [A] lopende verzekeringen oversluiten en de relatie professioneel afgebouwen conform de verloop data der lopende polissen. (…)

Betalingen zullen plaatsvinden conform eerdere afspraken onder de voorwaarde dat lopende schades ook worden afgehandeld. Zo niet, dan worden deze geoffset zoals in het verleden ook met de OJ 900 is gedaan.

Laten we vrijdagochtend om 09:00 bij elkaar gaan zitten en de zaak feitelijk bespreken en kijken hoe we dit afhandelen op een goede en professionele manier.

Aan ieder excuus voor het late ingrijpen en dat ik het zo lang heb laten modderen. Persoonlijk vind ik jammer dat het allemaal zo is gelopen.”

1.7

[verweerder] heeft Oceanteam c.s. in de jaren 2009, 2010 en 2011 diverse premiefacturen gezonden, die zonder protest zijn behouden en deels onbetaald zijn gebleven.

1.8

Op 13 januari 2011 en 4 maart 2011 heeft tussen partijen overleg plaatsgevonden over de afwikkeling van de financiële verhouding tussen hen. Naar aanleiding daarvan hebben Oceanteam c.s. op 8 maart 2011 € 64.200,00, op 9 maart 2011 € 45.000,00 en op 23 maart 2011 € 45.000,00 aan [verweerder] betaald.6

2 Het procesverloop

2.1

Oceanteam c.s. hebben [verweerder] op 8 maart 2012 gedagvaard. Zij hebben daarbij de volgende twee verwijten geformuleerd (vonnis 22 januari 2014, rov. 4.2 en 4.9-4.10):

(1) [verweerder] zou niet hebben gehandeld als een redelijk bekwaam en redelijk handelend tussenpersoon (verwijt 1). [verweerder] zou de dekking voor de aansprakelijkheidsverzekering (de CLI) ten behoeve van Oceanteam ASA hebben gebaseerd op een organisatie met 300 werknemers, ook nadat hij ervan op de hoogte was geraakt dat de activiteiten van Oceanteam c.s. (deels via een vrijwillige vereffening in april 2009) geheel gereorganiseerd waren, er nog slechts 20 werknemers resteerden en de groepsomzet sterk was gereduceerd. Volgens Oceanteam c.s. heeft [verweerder] daarover geen overleg met Oceanteam ASA gevoerd, geen informatie gevraagd, geen nieuw risicoprofiel opgesteld en verzekeraars niet ingelicht, hetgeen tot een veel te hoge premiestelling heeft geleid. Daarnaast verwijten Oceanteam c.s. [verweerder] dat hij de dekking van de MEI heeft voortgezet met betrekking tot verzekerde objecten die niet meer tot het vermogen van Oceanteam c.s. behoorden, of waarbij zij geen belang meer hadden na herstructurering van de bedrijfsvoering.

(2) [verweerder] is als tussenpersoon tekortgeschoten doordat hij geen rekening en verantwoording heeft afgelegd voor zijn werkzaamheden (verwijt 2). Oceanteam c.s. is onder meer niet duidelijk of de premies op de juiste wijze zijn vastgesteld en of de verrekeningen van [verweerder] met door hem ten behoeve van Oceanteam c.s. ontvangen schade-uitkeringen, terecht waren.

2.3

Oceanteam c.s. hebben op die gronden bij dagvaarding gevorderd (vonnis, rov. 3.1):

1. voor recht te verklaren dat [verweerder] niet heeft gehandeld zoals een verzekeringsbemiddelaar betaamt door onvoldoende actief de belangen van zijn opdrachtgevers te behartigen; en

2. [verweerder] te veroordelen tot betaling (met dien verstande dat betaling aan ieder van hen bevrijdend zal zijn jegens allen) van een bedrag nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en/of

3. zodanige andere beslissing te geven als de rechtbank juist acht nadat partijen hun definitieve standpunten hebben verwoord;

4. [verweerder] te veroordelen in de kosten van de procedure.

2.4

Nadien hebben Oceanteam c.s. hun akte houdende vermeerdering van eis7 aangegeven: “De vordering in conventie wordt dan ook vermeerderd tot het in het schema aangegeven bedrag van primair € 457.051,11 waarbij voor de rentevergoeding geldt dat Oceanteam door het niet ontvangen van de fondsen van [verweerder] rente heeft gederfd (...); subsidiair wordt gevorderd € 400.826,86 te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de dag van de dagvaarding. ” (vonnis rov. 3.2)

2.5

Bij vonnis van 22 januari 2014 heeft de rechtbank deze vorderingen afgewezen.

2.6

De rechtbank heeft het eerste verwijt (het nalaten van [verweerder] om de polissen aan te passen) kort gezegd op de volgende gronden verworpen. De stellingen van Oceanteam c.s. zijn volgens de rechtbank onvoldoende om uit te concluderen dat [verweerder] in maart 2009 op de hoogte was of had moeten zijn van de omvang van de onderneming na de reorganisatie en van de gevolgen daarvan voor de premiestelling van de aansprakelijkheidsverzekering (rov. 4.7). [verweerder] heeft onbetwist gesteld dat over 2010 de premiestelling is aangepast aan de daadwerkelijke omvang van Oceanteam c.s. (rov. 4.3). De rechtbank heeft op dit punt overwogen als volgt (rov. 4.2-4.8):

“4.2. De vordering van eiseressen is erop gestoeld dat [verweerder] als assurantiebemiddelaar jegens hen niet heeft gehandeld als een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot dan wel onrechtmatig heeft gehandeld. Zij leggen daaraan ten grondslag dat [verweerder] de dekking voor een aansprakelijkheidsverzekering ten behoeve van OT ASA heeft gebaseerd op een organisatie met 300 werknemers, ook nadat hij ervan op de hoogte was geraakt dat de activiteiten van de OT Groep (deels via een vrijwillige vereffening in april 2009) geheel gereorganiseerd waren, er nog slechts 20 werknemers resteerden en de groepsomzet sterk was gereduceerd. Volgens eiseressen heeft [verweerder] daarover geen overleg met OT ASA gevoerd, geen informatie gevraagd, geen nieuw risicoprofiel opgesteld en verzekeraars niet ingelicht, hetgeen tot een veel te hoge premiestelling heeft geleid. Daarnaast verwijten eiseressen [verweerder] dat hij de dekking heeft voortgezet met betrekking tot verzekerde objecten die niet meer tot het vermogen van OT II en OT GmbH behoorden, of waarbij zij geen belang meer hadden na herstructurering van de bedrijfsvoering. Ook verwijten eiseressen dat [verweerder] heeft nagelaten een deugdelijke administratie te voeren en dat hij geen rekening en verantwoording van zijn werkzaamheden heeft afgelegd.

Aan de vordering uit onrechtmatige daad leggen eiseressen ten grondslag dat [verweerder] overeenkomsten met derden heeft gesloten of voortgezet zonder zijn opdrachtgevers te raadplegen en hen te voorzien van advies, bedragen bij eiseressen in rekening heeft gebracht die hij zelf nog niet had betaald, hoewel hij deed voorkomen alsof dat wel het geval was en heeft geweigerd informatie te verstrekken.

De aansprakelijkheidsverzekering

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat het personeelsbestand van de OT Groep in april 2009 sterk is afgenomen en dat de premiestelling over dat jaar op de omvang - personeel en omzet - van de onderneming van vóór de afname is gebaseerd. [verweerder] heeft ter zitting gesteld dat de verlenging van de verzekering plaatsvindt in februari op basis van verwachte omzetcijfers en hij bij de verlenging van de dekking voor 2009 dus is uitgegaan van de juiste gegevens, hetgeen eiseressen ter zitting hebben erkend. [verweerder] heeft voorts onbetwist gesteld dat over 2010 de premiestelling (uiteindelijk) is aangepast aan de daadwerkelijke omvang van de OT Groep. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat uitsluitend het premiejaar 2009 ter discussie staat.

4.4.

Uit de standpunten over en weer leidt de rechtbank af dat partijen het erover eens zijn dat (in elk geval) ook in de loop van 2009 om bijstelling van de premie had kunnen worden gevraagd op basis van het daadwerkelijk gelopen risico. Aldus dient te worden vastgesteld of het [verweerder] kan worden verweten dat hij in de loop van 2009 niet om een gewijzigde premiestelling heeft gevraagd. Naar het oordeel van de rechtbank zou daarvan sprake kunnen zijn indien komt vast te staan dat [verweerder], zoals eiseressen betogen, er al in maart 2009 van op de hoogte was dat sprake was van een aanzienlijke inkrimping van de onderneming die van invloed zou zijn op de premiestelling voor de aansprakelijkheidsverzekering en vervolgens achterover is blijven leunen.

4.5.

Eiseressen hebben hun standpunt dat [verweerder] wist van de aanmerkelijke inkrimping van de organisatie onderbouwd door te wijzen op zijn aanwezigheid bij een vergadering in maart 2009, waar onder meer het stoppen met de aannemerij en de UK business en het afstoten van diverse activiteiten aan de orde zou zijn geweest. Eiseressen concluderen daaruit in hun “Toelichting ter comparitie”: “In maart 2009 wist [verweerder] dus dat OT 90% afslankte en stopte met een aantal kernactiviteiten.”

4.6.

[verweerder] heeft betwist dat hij al in maart 2009 op de hoogte was van een substantiële inkrimping binnen de OT Groep en gesteld dat eiseressen hem hierover in het geheel geen concrete informatie hebben verstrekt. Hij heeft erkend dat tijdens een vergadering in maart 2009 door Van Hemert tegen hem is gezegd dat eiseressen zouden gaan krimpen, maar betoogd dat Van Hemert het nooit heeft gehad over gevolgen die dat voor hem (de rechtbank begrijpt: de verzekeringsportefeuille) zou hebben in verband met gewijzigde omzet en personeel. [verweerder] stelt hiervan in de nazomer van 2009 op de hoogte te zijn geraakt en toen omzetcijfers bij eiseressen te hebben opgevraagd. Daaruit zou nog steeds zijn gebleken van een omvangrijke omzet.

4.7.

De rechtbank acht de stellingen van eiseressen onvoldoende om uit te concluderen dat [verweerder] in maart 2009 op de hoogte was of had moeten zijn van de omvang van de onderneming na de reorganisatie en van de gevolgen daarvoor voor de premiestelling van de aansprakelijkheidsverzekering. De stelling van eiseressen dat [verweerder] wist dat de Ocean Team Groep 90% afslankte, is op geen enkele manier onderbouwd. Wel is komen vast te staan dat Van Hemert in maart 2009 met [verweerder] heeft gesproken over krimp van de organisatie en afstoting van bepaalde bedrijfsonderdelen, maar eiseressen hebben niet concreet gemaakt wat zij bij die gelegenheid aan [verweerder] hebben meegedeeld. Ook hebben zij niet toegelicht op welke manier en in hoeverre voor [verweerder] duidelijk moet zijn geweest dat deze “krimp” van invloed was op de omzet en het personeelsbestand van de OT Groep. Het voert te ver om aan het spreken over “krimp” de conclusie te verbinden dat het voor [verweerder] al op dat moment duidelijk moet zijn geweest dat de krimp zodanig was dat deze aanzienlijke invloed zou hebben op de premiestelling voor de aansprakelijkheidsverzekering over 2009 of dat [verweerder] vervolgens onmiddellijk uit eigen beweging een nader onderzoek naar de omvang van de onderneming had moeten instellen. De rechtbank betrekt hierbij dat Van Hemert in september 2009 nog met [verweerder] over de aansprakelijkheidsverzekering heeft gemaild (zie 2.4.), maar toen niets heeft gezegd over aanpassing van die polis in verband met de aanzienlijke inkrimping van de organisatie. Voorts staat als door eiseressen niet weersproken vast dat [verweerder] in het najaar van 2009, toen hij er naar eigen zeggen van op de hoogte was geraakt dat het personeelsbestand van de OT Groep aanzienlijk was afgenomen, omzetcijfers bij eiseressen heeft opgevraagd en dat daaruit nog steeds van een omvangrijke omzet bleek. Uit de e-mailwisseling waarvan de relevante inhoud in 2.5. is opgenomen, blijkt voorts dat eiseressen het verzoek van [verweerder] om omzet- en personeelsgegevens aan te leveren ten behoeve van de premiestelling over 2010 geruime tijd onbeantwoord hebben gelaten. Dit ondersteunt het betoog van [verweerder] dat vanuit eiseressen geruime tijd geen concrete informatie is verstrekt over de omvang van de onderneming. Mede bezien in dat licht hebben eiseressen hun stelling dat voor [verweerder] al in het voorjaar van 2009 duidelijk was dat sprake was van een aanzienlijke krimp van de onderneming die moest leiden tot een tussentijdse bijstelling van de aansprakelijkheidsverzekering, onvoldoende feitelijk onderbouwd. Hun stellingen zijn dus onvoldoende om de conclusie te kunnen dragen dat [verweerder] met betrekking tot de aansprakelijkheidsverzekering niet heeft gehandeld als redelijk bekwaam en redelijk handelend tussenpersoon.

4.8.

Eiseressen hebben voorts aan hun vordering ten grondslag gelegd dat [verweerder] de dekking heeft voortgezet met betrekking tot verzekerde objecten die niet meer tot het vermogen van OT II en OT GmbH behoorden of waarbij zij geen belang meer hadden na herstructurering van de bedrijfsvoering. Eiseressen hebben deze stelling niet nader onderbouwd, ook niet nadat [verweerder] de stelling gemotiveerd heeft betwist en daarbij heeft aangegeven dat het hem niet bekend is op welke verzekerde objecten eiseressen doelen. Eiseressen hebben op dit punt dan ook onvoldoende gesteld om uit te concluderen dat [verweerder] is tekortgeschoten op enige op hem rustende verbintenis.”

2.7

De rechtbank acht het verwijt over de rekening en verantwoording van [verweerder] onvoldoende onderbouwd. De rechtbank heeft in dat verband onder meer van belang geacht dat Oceanteam c.s. overleg hebben gevoerd met [verweerder] over de openstaande factuurbedragen en de verrekeningen en dat bij die gelegenheid overeenstemming is bereikt over de ten laste van Oceanteam c.s. openstaande bedragen. Dat er nog een vraag resteert over de uitkering voor de Sea Stallion8 rechtvaardigt volgens de rechtbank geen ander oordeel. De rechtbank overweegt in dat kader (rov. 4.9-4.10):

“4.9. Daarnaast betogen eiseressen dat [verweerder] niet heeft voldaan aan zijn verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording. [verweerder] heeft dit betwist en zich op het standpunt gesteld dat hij diverse facturen aan eiseressen heeft verzonden, die zij zonder protest hebben behouden. Daarnaast heeft [verweerder] eiseressen desgevraagd op de hoogte gesteld van de afwikkeling van schadegevallen en de verrekening van verzekeringsuitkeringen met verschuldigde verzekeringspremies. In 2011 heeft hierover overleg plaatsgevonden met de directie en is overeenstemming bereikt over de premiebedragen die nog open stonden. Eiseressen hebben vervolgens ook een groot deel van openstaande premiebedragen voldaan, aldus [verweerder].

4.10.

De rechtbank stelt vast dat eiseressen de stellingen van [verweerder] over de ontvangst en het behouden van de door hem verzonden facturen niet hebben betwist en hebben erkend dat [verweerder] met hun instemming premiebedragen met schade-uitkeringen heeft verrekend. Zij hebben voorts onbetwist gelaten dat de afhandeling van administratieve aangelegenheden binnen de OT Groep in de periode na de reorganisatie geruime tijd op de achtergrond is geraakt en zij [verweerder] nooit om een nadere toelichting op de facturen en de afhandeling van schades/wijze van verrekening hebben gevraagd. Ook hebben eiseressen niet betwist dat in 2011 overleg is gevoerd met [verweerder] over de openstaande factuurbedragen en de toegepaste verrekeningen en dat bij die gelegenheid overeenstemming is bereikt over de ten laste van eiseressen openstaande bedragen. Eiseressen hebben evenmin betwist dat het door [verweerder] opgestelde overzicht grotendeels de weerslag vormt van de in 2011 tussen partijen gemaakte afspraken. Desgevraagd hebben eiseressen ter zitting aangegeven dat zij zich op één onderdeel niet met dit overzicht kunnen verenigen, maar zij hebben vervolgens niet naar behoren toegelicht waarom het overzicht op dat onderdeel niet juist zou zijn. Als onbetwist staat verder vast dat eiseressen naar aanleiding van de in 2011 bereikte overeenstemming de hiervoor in 2.6. genoemde bedragen aan [verweerder] hebben betaald. Bezien in het licht van al het voorgaande acht de rechtbank de stelling van eiseressen dat [verweerder] aan hen onvoldoende rekening en verantwoording heeft afgelegd, onvoldoende onderbouwd. Dat er nog een vraag aan [verweerder] resteert omtrent een ontvangen schade-uitkering ter zake van de Sea-Stallion, zoals eiseressen in hun akte vermeerdering van eis betogen, is onvoldoende om uit te concluderen dat [verweerder] niet heeft voldaan aan zijn verplichting om als tussenpersoon rekening en verantwoording af te leggen. Bovendien heeft [verweerder] in zijn antwoordakte gemotiveerd betwist dat hij op dit punt geen rekening en verantwoording zou hebben afgelegd en daartoe onder meer gewezen op de schadenota aan OT II van 18 maart 2013.”

2.8

[verweerder] heeft in reconventie gevorderd Oceanteam c.s. hoofdelijk en uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen tot betaling aan hem van € 68.831,30 terzake van premieverplichtingen. De rechtbank heeft deze vordering eveneens afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [verweerder] niet toegelicht wie van Oceanteam c.s. welk premiebedrag verschuldigd zou zijn en heeft [verweerder] evenmin onderbouwd op welke grond Oceanteam c.s. het totaalbedrag hoofdelijk verschuldigd zouden zijn (rov. 4.16). De rechtbank heeft in dit verband overwogen als volgt (rov. 4.14-4.16):

In reconventie

4.14.

[verweerder] vordert betaling van de gefactureerde bedragen die ten laste van eiseressen openstaan.

4.15.

Eiseressen hebben verweer gevoerd. Als meest verstrekkende verweer hebben zij aangevoerd dat [verweerder] niet heeft gesteld waarom eiseressen hoofdelijk veroordeeld dienen te worden tot betaling van de openstaande bedragen. [verweerder] heeft niet inzichtelijk gemaakt ten laste van wie van eiseressen de gefactureerde bedragen dienen te komen. Er zijn facturen gestuurd aan verschillende ondernemingen die tot de OT Groep behoren.

4.16.

Het verweer slaagt. Niet in geschil is dat de openstaande bedragen betrekking hebben op verzekeringspremies die door verschillende ondernemingen van de OT Groep verschuldigd zijn geworden. Dit blijkt ook uit de door [verweerder] in het geding gebrachte facturen, die aan verschillende ondernemingen - waaronder ook andere ondernemingen dan eiseressen - zijn gericht. [verweerder] heeft niet toegelicht wie van eiseressen nog welk premiebedrag verschuldigd is en evenmin onderbouwd op welke grond eiseressen het totaalbedrag hoofdelijk verschuldigd zouden zijn. De rechtbank zal de vordering daarom afwijzen.”

2.9

Op 11 april 2014 hebben Oceanteam c.s. hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van de vordering in conventie. [verweerder] heeft niet geappelleerd tegen de afwijzing van de vordering in reconventie. Vanaf het hoger beroep hebben Oceanteam c.s. [verweerder] tevens het verwijt gemaakt dat hij in gebreke is gebleven twee van verzekeraars ontvangen bedragen door te betalen (verwijt 3). Bij memorie van grieven hebben Oceanteam c.s. hun vordering vermeerderd met een bedrag van € 50.000 terzake van ten onrechte niet doorbetaalde premierestitutie en de vordering tot doorbetaling van de schade-uitkering voor de Sea Stallion verhoogd tot € 78.870,97. Oceanteam c.s. hebben het volgende ter onderbouwing aangevoerd (memorie van grieven, p. 5, laatste twee tekstblokken, p. 8, laatste tekstblok en p. 9, eerste tekstblok):

“Voor zover Oceanteam bekend is [verweerder] ook inderdaad deels geslaagd (zij het niet erg goed, want voor een veel te laag bedrag) in het verkrijgen van een premierestitutie, maar iedere documentatie daarover ontbreekt. En volgens correspondentie zou het moeten gaan om een bedrag van tenminste EUR (of GBP?) 50.000. Oceanteam heeft daar nooit iets van teruggezien – niet in geld en niet administratief (in de vorm van een onderbouwing met berekening en daarop betrekking hebbende correspondentie met verzekeraars).

Een ander voorbeeld (er zijn er meer) is de afwikkeling van een specifieke schade (aan de aan partijen genoegzaam bekende ‘Sea Stallion ploeg’), waarop door verzekeraars al een voorschot was uitgekeerd ten tijde van de dagvaarding in eerste aanleg, maar waar vervolgens nog een verdere uitkering op is gevolgd tijdens de procedure.

(…)

Zoals in de inleiding toegelicht was één van de geschilpunten of [verweerder], door een onvoldoende actieve houding als intermediair, had bewerkstelligd of toegelaten dat te hoge premies werden betaald. Op, en direct na, de comparitie is besproken dat één van de manieren om dat probleem (gedeeltelijk) op te lossen zou zijn dat een premierestitutie werd gevraagd en verkregen. Dat is, zo mag worden afgeleid uit de berichten van [verweerder], ook daadwerkelijk gelukt, zij het voor een veel te laag bedrag. En ook: zonder dat duidelijk is geworden hoe het bedrag dat [verweerder] aan restitutie heeft ontvangen is berekend en welke verzekeraars zich hierover hebben uitgelaten.”

2.10

[verweerder] heeft als volgt gerespondeerd (memorie van antwoord punten 17 en 20):

“17. Uit deze factuur (het betreft hier de factuur van 18 maart 2013 die als productie 7 bij memorie van antwoord is overgelegd, A-G) blijkt dat de betreffende schade (aan de Sea Stallion) is vastgesteld op € 78.870,97. Deze vaststelling is – voor de duidelijkheid – niet gebeurd door [verweerder], maar door Oceanteam zelf. Met de factuur legt [verweerder] rekening en verantwoording af van de verwerking van het schadebedrag; zoals blijkt komen op het schadebedrag een eigen risico in mindering ter hoogte van € 12.500,- en een reeds verleend voorschot van € 47.500,-, zodat de verzekeraar als restant heeft uitgekeerd € 18.870,97. De verzekeraar heeft dit bedrag uitgekeerd aan [verweerder], die het bedrag heeft verrekend met de uitstaande restantschuld van Oceanteam. (…)

20. [verweerder] bestrijdt dat hij door een gebrek aan zorg heeft toegelaten dat te hoge premies zijn betaald (dit aspect komt nader aan de orde bij de bespreking van grief III hierna). Maar [verweerder] heeft zich onverplicht bereid getoond om te pogen alsnog over het premiejaar 2009 een premierestitutie te verkrijgen over de combined liability-verzekering. Dit aspect is geen onderdeel van de procedure. Maar het is [verweerder] inderdaad gelukt om nog een premierestitutie ter hoogte van € 50.000,- te verkrijgen. [verweerder] heeft dat bericht aan Oceanteam op 22 oktober 2013 (productie 8)9 en een creditnota verzonden ter hoogte van € 50.000,-. Oceanteam heeft de creditnota zonder protest behouden. [verweerder] heeft de creditnota verrekend met het uitstaande saldo.”

2.11

Het hof heeft het bestreden vonnis bekrachtigd en de in hoger beroep vermeerderde vorderingen afgewezen. De uitspraak van het hof berust op drie pijlers:

(i) [verweerder] heeft voldoende rekening en verantwoording afgelegd (rov. 3.10.1-3.11.3); (ii) [verweerder] mocht het ontvangen bedrag terzake van premierestitutie en de schade-uitkering voor de Sea Stallion verrekenen met zijn eigen vordering op Oceanteam c.s. (rov. 3.11.4); en

(iii) In het licht van een e-mail van 2 maart 2011 van [betrokkene] (Oceanteam c.s.) mocht [verweerder] erop vertrouwen dat Oceanteam c.s. hun recht prijsgaven om schade vanwege te hoge premies te vorderen wanneer overeenstemming werd bereikt over de rekening-courant (rov. 3.12.2).

Hierna bespreek ik deze drie pijlers van het arrest.

2.12 (

(i) Rekening en verantwoording. Het hof heeft voor wat betreft de verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording onderscheid gemaakt tussen de periode tot begin 2011, de periode tussen begin 2011 en eind 2011 en de periode na 2011.

2.13

Met betrekking tot de periode tot begin 2011 heeft het hof als volgt geoordeeld. In het licht van de e-mail van 2 maart 2011 (hiervoor 1.6) en de daarop volgende deelbetalingen in maart 2011 (hiervoor 1.8) hebben Oceanteam c.s. onvoldoende gemotiveerd betwist dat overeenstemming is bereikt over het saldo van de rekening-courant. Deze overeenstemming impliceert naar het oordeel van het hof tevens dat Oceanteam c.s. genoegen hebben genomen met de tot dan toe afgelegde rekening en verantwoording (rov. 3.10.2). Over de periode tussen begin 2011 en eind 2011 heeft het hof het volgende overwogen. [verweerder] heeft als productie 3 bij de akte overlegging producties een overzicht overgelegd waaruit blijkt welke verrekeningen in deze periode hebben plaatsgevonden. Verder heeft [verweerder] hierover in deze procedure rekening en verantwoording afgelegd. Hiertegen hebben Oceanteam onvoldoende gemotiveerd bezwaar gemaakt (rov. 3.10.2). Het hof heeft dienaangaande overwogen als volgt:

“3.10.2 (…) In het licht van voormelde e-mail (hier wordt gedoeld op de e-mail van 2 maart 2011, A-G) en het gegeven dat de door [verweerder] gestelde deelbetalingen ook daadwerkelijk hebben plaatsgevonden, hebben Oceanteam c.s. de stelling dat partijen begin 2011 overeenstemming hebben bereikt over het saldo van de rekening-courant, onvoldoende gemotiveerd betwist. Deze overeenstemming staat derhalve vast. Dit impliceert naar het oordeel van het hof dat Oceanteam c.s. tevens genoegen hebben genomen met de door [verweerder] tot dan toe afgelegde rekening en verantwoording. Tegen de verrekeningen uit het door [verweerder] overgelegde overzicht (productie 3 akte overlegging producties) die nadien tot eind 2011 hebben plaatsgevonden en de rekening en verantwoording die [verweerder] hiervoor (in de onderhavige procedure) heeft afgelegd, hebben Oceanteam c.s. evenzeer onvoldoende gemotiveerd bezwaar gemaakt. Het (onterechte) bezwaar van Oceanteam c.s. dat het ontvangen voorschot van € 47.500,= (Sea Stallion) door [verweerder] is verrekend wordt hieronder besproken (3.11.2). Ook ter zake deze mutaties volstaat derhalve de door [verweerder] afgelegde rekening en verantwoording.”

2.14

Met betrekking tot de periode na 2011 heeft het hof het volgende overwogen. Oceanteam c.s. hebben bezwaar gemaakt tegen de rekening en verantwoording die [verweerder] heeft afgelegd ter zake van de ontvangst van schadebedragen met betrekking tot de Sea Stallion en de premierestitutie terzake van de CLI (en/of de MEI) alsmede de toegepaste verrekeningen (rov. 3.11.1). Naar het oordeel van het hof heeft [verweerder] bij factuur van 18 maart 2013 (productie 7 bij memorie van antwoord) rekening en verantwoording afgelegd over de schade-uitkering met betrekking tot de Sea Stallion. De hoogte van deze schade is volgens [verweerder] met goedvinden van Oceanteam c.s. vastgesteld op € 78.870,97. Van dit schadebedrag diende het eigen risico ad € 12.500,- en het reeds betaalde voorschot van € 47.500,- te worden afgetrokken, zodat de verzekeraar het restant van € 18.870,97 heeft uitgekeerd. Oceanteam c.s. hebben de juistheid van deze bedragen niet betwist (rov. 3.11.2). Wat betreft het door [verweerder] ontvangen bedrag van € 50.000,- voor de premierestitutie heeft [verweerder] zich verantwoord met de factuur van 22 oktober 2013 (productie 8 bij memorie van antwoord). Volgens deze factuur heeft de premierestitutie betrekking op de periode van 15 februari 2009 tot 15 februari 2010 en ziet de restitutie op de CLI. Oceanteam c.s. betwisten niet dat [verweerder] een bedrag van € 50.000,- heeft ontvangen en motiveren niet waarom [verweerder] een hogere premierestitutie had kunnen bedingen. Oceanteam c.s. hebben niet inzichtelijk gemaakt per wanneer hoeveel werknemers zijn afgevloeid en vermogensobjecten zijn verkocht in het premiejaar 2009. [verweerder] heeft gemotiveerd weersproken dat twee deelnemingen zouden zijn verkocht respectievelijk geliquideerd en dat dientengevolge onbemande duikboten ten onrechte onder de dekking van de MEI zouden zijn gebleven (rov. 3.11.3). Het hof overweegt dienaangaande:

“3.11.1. Oceanteam c.s. maken bezwaar tegen de rekening en verantwoording die [verweerder] heeft afgelegd ter zake de ontvangst na eind 2011 van een schadebedrag met betrekking tot de ploeg (Sea Stallion) en de premierestitutie ter zake de CLI (en/of MEI), en de verrekeningen die [verweerder] na ontvangst van de hiermee gemoeide bedragen heeft toegepast.

3.11.2.

Wat betreft de ‘Sea Stallion’ voert [verweerder] het verweer dat de hoogte van de schade met goedvinden van Oceanteam c.s. definitief is vastgesteld op € 78.870,97. Van dit schadebedrag diende een eigen risico van € 12.500,= en het al betaalde voorschot ter hoogte van € 47.500,= te worden afgetrokken, zodat de verzekeraar het restant van € 18.870,97 heeft uitgekeerd. [verweerder] heeft een en ander aan Oceanteam II verantwoord bij factuur van 18 maart 2013 (productie 7 memorie van antwoord), zo stelt hij.

Nu Oceanteam c.s. de juistheid van voormelde stellingen niet betwisten, gaat het hof uit van de juistheid ervan. Dit brengt met zich dat [verweerder] ter zake ‘Sea Stallion’ voldoende rekening en verantwoording heeft afgelegd. De factuur van 18 maart 2013 bevat de juiste bedragen en maakt inzichtelijk wat met de gelden is gebeurd.

3.11.3.

Wat betreft het door [verweerder] ontvangen bedrag van € 50.000,= als premierestitutie heeft [verweerder] zich verantwoord middels een aan Oceanteam ASA gerichte factuur van 22 oktober 2013 (productie 9 memorie van antwoord10). Op deze factuur wordt vermeld dat de premierestitutie van € 50.000,= betrekking heeft op de periode van 15 februari 2009 - 15 februari 2010, en dat de restitutie ziet op de CLI. Naar het oordeel van het hof volstaat deze rekening en verantwoording. Het hof verwerpt het bezwaar van Oceanteam c.s. dat [verweerder] inzichtelijk had moeten maken waarom de premierestitutie € 50.000,= bedraagt en geen hoger bedrag. Oceanteam c s betwisten immers niet dat [verweerder] een bedrag van € 50.000,= heeft ontvangen, zodat de verantwoording in zoverre in ieder geval volstaat. De verklaring van [verweerder] dat hij in de onderhandelingen is uitgekomen op een premierestitutie van € 50.000,= volstaat als verantwoording voor de totstandkoming van de hoogte van dit bedrag. Oceanteam c.s. hebben onvoldoende gemotiveerd uiteengezet waarom [verweerder] een hoger bedrag had kunnen bedingen. Met name hebben Oceanteam c.s. onvoldoende inzichtelijk gemaakt per wanneer hoeveel werknemers zijn afgevloeid en vermogensobjecten zijn verkocht in het desbetreffende premiejaar 2009, en welke gevolgen dit voor de hoogte van de premie zou moeten hebben gehad. Oceanteam c.s. stellen weliswaar dat hun deelneming Oceanteam Subsea Services (hierna: OSS) per 30 april 2009 is verkocht en in oktober 2009 de deelneming Oceanteam Power & Umbilical (hierna: OPUL) is geliquieerd11, als gevolg waarvan onbemande duikboten met een waarde van minstens € 6.500.000,= ten onrechte onder de dekking van de MEI bleven. Echter, [verweerder] betwist gemotiveerd dat OSS op 30 april 2009 is verkocht (de verkoop zou op 27 november 2009 hebben plaatsgevonden) en dat OPUL in 2009 is geliquideerd, zodat voormelde stellingen met zijn komen vast te staan. Zonder nadere toelichting kan het hof ook niet vaststellen dat bedoelde wijzigingen zich zouden dienen te vertalen in een hogere premierestitutie, laat staan tot welk bedrag.”

2.15 (

(ii) Verrekening betalingen verzekeraar met eigen vordering [verweerder]. Naar het oordeel van het hof in rov. 3.11.4 heeft [verweerder] de verrekening in de procedure verantwoord door te stellen dat hij het bedrag van € 68.870,97 (€ 18.870,97 + € 50.000,-) verrekent met zijn vordering op Oceanteam c.s. van € 68.831,30 (productie 9 memorie van antwoord). Onduidelijk is van welke vennootschap(pen) binnen de Oceanteam Groep [verweerder] dit bedrag te vorderen heeft, maar [verweerder] heeft onbetwist gesteld dat Oceanteam c.s. in het verleden dergelijke verrekeningen in de rekening-courant hebben toegestaan. In zoverre verschilt de situatie van de in eerste aanleg door [verweerder] ingestelde reconventionele vordering. Weliswaar overtreft de hoofdsom van de vordering van Oceanteam c.s. die van [verweerder] met € 39,67 (€ 67.870,97 - € 68.831,30) maar omdat de vordering van [verweerder] ouder is, neemt het hof aan dat de hoofdsom vermeerderd met rente van [verweerder] hoger is dan die van Oceanteam c.s. Oceanteam c.s. hebben daarom naar het oordeel van het hof niets te vorderen. Het hof overweegt:

“3.11.4. [verweerder] heeft zich terzake de door hem toegepaste verrekeningen verantwoord in zijn processtukken in hoger beroep door te stellen dat hij het totaal van voormelde bedragen van € 68.870,97 (= € 18.870,97 + € 50.000,=) verrekent met zijn vordering op Oceanteam c.s. (en eventuele andere tot de Oceanteam Groep behorende vennootschappen) van € 68.831,30 (productie 8 memorie van antwoord12). Nu de juistheid van voormelde bedragen vaststaat, volstaat de verantwoording ter zake de toegepaste verrekeningen evenzeer. Weliswaar komen de vorderingen van € 18.870,97 en € 50.000,= toe aan respectievelijk Oceanteam II en Oceanteam ASA, terwijl terzake de vordering van € 68.831,30 niet duidelijk [is] van welke vennootschap(pen) binnen de Oceanteam Groep [verweerder] deze heeft te vorderen. Echter, [verweerder] heeft onbetwist gesteld dat Oceanteam c.s. in het verleden dergelijke verrekeningen in de rekening- courant steeds heeft toegestaan (in zoverre verschilt de situatie van de door [verweerder] in eerste aanleg in reconventie ingestelde vordering van € 68.831,30). Daarbij hebben Oceanteam c.s. niet gesteld dat de verrekening tot gevolg heeft dat zij binnen de Oceanteam Groep met een onverhaalbare vordering blijven zitten. Weliswaar overtreft de hoofdsom van Oceanteam c.s. die van [verweerder] met € 39,67 (= € 68.870,97 - € 68.831,30), maar omdat de vordering van [verweerder] ouder is neemt het hof aan dat de hoofdsom vermeerderd met rente van [verweerder] hoger is dan die van Oceanteam c.s., zodat Oceanteam c.s. per saldo niets van [verweerder] hebben te vorderen.”

2.16 (

(iii) Prijsgeven recht op schadevergoeding voor te hoge premies. [verweerder] heeft als meest verstrekkende verweer gevoerd dat de overeenstemming begin 2011 impliceerde dat Oceanteam c.s. zich neerlegden bij de hoogte van de in 2009 en 2010 in rekening gebrachte premies terzake van de CLI en MEI (rov. 3.12.2). Het hof verwijst naar punt 16 van de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie, punt 4 van de antwoordakte en punt 11 van de pleitnota in hoger beroep. Naar het oordeel van het hof brengt de e-mail van 2 maart 2011 (hiervoor 1.6) mee dat [verweerder] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat wanneer definitief overeenstemming zou zijn bereikt over de rekening-courant, Oceanteam c.s. hierdoor hun recht prijsgaven om schade vanwege (vermeend) te hoge premies te vorderen. Dit vertrouwen is tot aan de definitieve overeenstemming over de rekening-courant blijven voortbestaan. De relevante informatie voor de veronderstelling dat de premies mogelijk te hoog waren, was in maart 2011 al bekend bij Oceanteam c.s. Zij hebben in dat licht onvoldoende onderbouwd dat [verweerder] er rekening mee moest houden dat pas later tot Oceanteam c.s. door zou dringen dat de premies niet klopten. Het hof overweegt:

“3.12.2. [verweerder] voert als meest verstrekkende verweer aan dat de overeenstemming begin 2011 over het saldo van de rekening-courant impliceerde dat Oceanteam c s zich neerlegden bij de hoogte van de in 2009 en 2010 in rekening gebrachte premies terzake de LCI13 en MEI (zie onder meer nr. 16 conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie; nr. 4 antwoordakte; nr. 11 pleitnotitie hoger beroep). De overeenstemming brengt daarom met zich dat Oceanteam c.s. hun recht op een schadevergoeding vanwege (vermeend) te hoge premies hebben prijsgegeven, zo stelt [verweerder].

De stelplicht en bewijslast van voormeld (bevrijdend) verweer rusten op [verweerder]. De hierboven (gedeeltelijk) geciteerde e-mail van [betrokkene] van 2 maart 2011 duidt naar het oordeel van het hof inderdaad erop dat de overeenstemming over het saldo van de rekening-courant impliceerde dat Oceanteam c.s. zich neerlegden bij de hoogte van de premies. De e-mail duidt er immers op dat de hoogte van de premies uit het verleden (2010) onderdeel van de onenigheden was en dat [betrokkene] de discussie hierover wilde beëindigen, terwijl hij overigens de hand wat dit betreft ook in eigen boezem stak (“Ref de betalingen ook hier is aangewerkt maar je kan je voorstellen dat de besparing van meer dan Euro 120.000,- op enkelt de liability verzekering niet mis is gezien dat 2010 exact hetzelfde was. Wat ook de reden hiervan is het duidelijk dat ik hier eerder had moeten ingrijpen. Helaas waren er andere prioriteiten en mij is altijd gesteld dat dit goed geregeld was. Voor alle duidelijkheid ik ben degene geweest die het besluit genomen om de liability Insurance dit over te sluiten in het belang van Oceanteam en hiermee het verleden verder te laten rusten onder een zacht dekentje, beter voor een ieder leek me.”). Naar het oordeel van het hof brengen voormelde passages uit de e-mail van [betrokkene] met zich dat [verweerder] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat wanneer definitief overeenstemming zou worden bereikt over de rekening-courant, Oceanteam c.s. hierdoor tevens instemden met de hoogte van de in 2009 en 2010 in rekening gebrachte premies en Oceanteam c.s. hun recht prijsgaven om schade vanwege (vermeend) te hoge premies te vorderen. Nu Oceanteam c.s. niet hebben aangevoerd dat na verzending van voormelde e-mail maar vóórdat partijen definitief overeenstemming bereikten over de rekening-courant, de door de e-mail van [betrokkene] gewekte indruk ongedaan is gemaakt, is voormeld door de e-mail gewekt vertrouwen blijven voortbestaan. Oceanteam c.s. hebben hun stelling dat [verweerder] er rekening mee moest houden dat pas later tot hen door zou dringen dat de premies niet klopten, onvoldoende onderbouwd. De relevante informatie voor de veronderstelling dat de premies mogelijk te hoog waren (minder werknemers en materiaal maar desondanks gelijkblijvende premies) was in maart 2011 binnen Oceanteam c.s. al geruime [tijd] bekend en daarover was tussen partijen discussie ontstaan. Desondanks is overeenstemming over de rekening-courant en de betalingen bereikt.

Nu Oceanteam c.s. voor een ander oordeel onvoldoende heeft gesteld, wordt niet toegekomen aan hun (tegen)bewijsaanbod.”

2.17

Het hof heeft op de voornoemde gronden het bestreden vonnis bekrachtigd en de in hoger beroep vermeerderde vordering afgewezen. Oceanteam c.s. hebben bij cassatiedagvaarding van 8 september 2015 tijdig cassatieberoep ingesteld tegen ’s hofs arrest. [verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep en heeft zijn standpunt schriftelijk laten toelichten. Namens Oceanteam c.s. is gerepliceerd.

3 Het cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel bestaat uit drie onderdelen met diverse subklachten.

3.2

Onderdeel 1 komt op tegen het oordeel dat [verweerder] voldoende rekening en verantwoording heeft afgelegd. Subonderdelen 1.1.1 tot en met 1.1.4 betogen dat het hof van [verweerder] had moeten verlangen dat hij zijn afrekeningen en overzichten met bewijsstukken zou staven en inzicht zou geven in de achtergrond van zijn handelen. In subonderdelen 1.2.1 tot en met 2.1.3 wordt dat verwijt toegespitst op het onderhandelingsresultaat met betrekking tot de premierestitutie.

3.3

Onderdeel 2 richt zich tegen de overweging dat de vordering van [verweerder] ouder is en dat het hof daarom aanneemt dat hoofdsom vermeerderd met rente van [verweerder] hoger is dan die van Oceanteam c.s. Volgens Oceanteam c.s. heeft [verweerder] niet aan zijn beroep op verrekening ten grondslag gelegd dat ook wettelijke rente zou zijn verschuldigd. Het hof zou daarom buiten de grenzen van de rechtsstrijd zijn getreden.

3.4

Onderdeel 3 bestrijdt de overweging dat [verweerder] er gezien de e-mail van 2 maart 2011 (hiervoor 1.6) gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat wanneer definitief overeenstemming zou zijn bereikt over de rekening-courant, Oceanteam c.s tevens hun recht prijsgaven om schade vanwege (vermeend) te hoge premies te vorderen. Volgens Oceanteam c.s. heeft [verweerder] zich er niet op beroepen dat de vordering tot schadevergoeding is prijsgegeven en is in de genoemde e-mail ook geen afstand van recht te lezen. Verder zou het hof ten onrechte in het midden hebben gelaten of naar zijn oordeel sprake is van afstand van recht of rechtsverwerking. Tot slot zijn klachten gericht tegen de verwerping van de stelling dat [verweerder] er rekening mee moest houden dat pas later tot Oceanteam c.s. zou doordringen dat de premies niet klopten. Daarmee zou het hof voorbij zijn gegaan aan de onbestreden stelling van Oceanteam c.s. dat zij begin 2011 niet wisten dat de premies te hoog waren. Deze stelling zou volgens Oceanteam c.s. van belang zijn aangezien voor afstand van recht vereist is dat de rechthebbende bekend is met het recht of de bevoegdheid waarvan hij afstand doet.

3.5

[verweerder] heeft tegen de drie onderdelen verweer gevoerd en voorts ten aanzien van alle drie de onderdelen betoogd dat zij bij gebrek aan belang moeten falen.

3.6

Alvorens deze drie onderdelen alsmede de verweren met betrekking tot het belang bij de onderdelen te bespreken, lijkt het mij goed eerst het volgende op te merken.

3.7

De zaak wordt gekarakteriseerd door een drietal kenmerken. In de eerste plaats geeft het dossier de indruk dat Oceanteam c.s. noch [verweerder] in deze aangelegenheid steeds even zorgvuldig en voortvarend zijn opgetreden. In de tweede plaats betreft de vordering een verklaring voor recht dat [verweerder] tekort is geschoten en bedragen aan Oceanteam c.s. dient te betalen. De verhouding met het verwijt over een ontoereikende rekening en verantwoording is niet aanstonds duidelijk. In de derde plaats valt op dat het hof de verwijten in enkele tamelijk bondig geformuleerde overwegingen als onvoldoende concreet op grond van de stelplicht heeft verworpen.

3.8

Het oordeel van het hof is in belangrijke mate verweven met waarderingen van feitelijke aard. Ook in de diverse (gedetailleerde) cassatieklachten komt deze verwevenheid tot uitdrukking. Deze omstandigheden pleiten voor verwerping van het cassatieberoep.

3.9

Niettemin kom ik tot een andere slotsom. Naar mijn mening kan het oordeel van het hof op een aantal punten de toets der kritiek niet doorstaan. Het betreft in de eerste plaats het oordeel dat de verklaring van [verweerder] dat hij in onderhandelingen is uitgekomen op een premierestitutie van € 50.000,-, volstaat als verantwoording voor de hoogte van dit bedrag. Oceanteam c.s. hebben inzicht verlangd in de berekeningen en bescheiden die ten grondslag liggen aan dit onderhandelingsresultaat en hebben daar als opdrachtgevers ook recht op (hierna 4.20-4.24). In de tweede plaats gaat het om het oordeel dat [verweerder] er, gezien de e-mail van 2 maart 2011, op mocht vertrouwen dat wanneer definitief overeenstemming zou worden bereikt over de rekening-courant, Oceanteam c.s. hierdoor tevens hun recht prijsgaven om schade vanwege (vermeend) te hoge premies te vorderen. [verweerder] heeft zich er namelijk niet op beroepen dat Oceanteam c.s. hun recht op schadevergoeding prijsgaven en het hof heeft ook niet (voldoende begrijpelijk) gemotiveerd waarom [verweerder] de (weinig heldere) tekst van de e-mail van 2 maart 2011 in die zin heeft mogen begrijpen (hierna 4.40-4.48). Over die beide oordelen wordt naar mijn mening terecht geklaagd.

3.10

Het slagen van die klachten zou ertoe leiden dat [verweerder] na cassatie en verwijzing nadere rekening en verantwoording over het onderhandelingsresultaat inzake de premierestitutie dient af te leggen. Vervolgens zal opnieuw moeten worden geoordeeld over de vordering tot schadevergoeding vanwege te hoge premies. Hierbij zal dan tevens aan de orde komen in hoeverre deze schade voldoende door de premierestitutie ten bedrage van € 50.000,- is ondervangen.

3.11

Tot slot acht ik ook het tweede onderdeel – met betrekking tot de vermeerdering van de aan [verweerder] verschuldigde hoofdsom met rente – bij welwillende lezing gegrond (hierna 4.25-4.35). [verweerder] heeft aan zijn beroep op verrekening inderdaad niet ten grondslag gelegd dat rente over de verschuldigde hoofdsom moet worden berekend. Het slagen van de klacht zal ertoe leiden dat, bij de beoordeling van het beroep op verrekening in de rekening-courantverhouding, de hoofdsom van [verweerder] niet vermeerderd mag worden met rente. Overigens is met deze klacht slechts een gering financieel belang gemoeid. In de berekening van het hof overtreft de hoofdsom van Oceanteam c.s. die van [verweerder] immers met een bedrag van (slechts) € 39,67.

3.12

Ik meen dat Oceanteam c.s. bij het slagen van deze klachten voldoende belang hebben. De overige klachten treffen naar mijn mening geen doel. Hierna licht ik deze bevindingen nader toe.

4 Bespreking van de cassatieklachten

4.1

Het eerste onderdeel richt zich tegen het oordeel dat [verweerder] voldoende rekening en verantwoording heeft afgelegd. [verweerder] heeft als meest verstrekkend verweer tegen die klacht aangevoerd dat Oceanteam c.s. geen belang hebben bij die klacht.

4.2

[verweerder] heeft ter onderbouwing van dit verweer het volgende aangevoerd (schriftelijke toelichting 3.19-3.21). Oceanteam c.s. vorderen in deze procedure schadevergoeding en doorbetaling van ten behoeve van Oceanteam c.s. ontvangen bedragen. Die vorderingen houden geen verband met het ontbreken van rekening en verantwoording. Het betoog van [verweerder] komt er dus op neer dat gegrondbevinding van de klachten aangaande rekening en verantwoording niet kan leiden tot toewijzing van de vordering.

4.3

Naar mijn mening slaagt dat beroep op het ontbreken van belang niet. Naar het oordeel van het hof volgt uit de rekening en verantwoording dat [verweerder] (door verrekening) heeft voldaan aan zijn verplichting tot doorbetaling van de ten behoeve van Oceanteam c.s. ontvangen bedragen. De overwegingen over de rekening en verantwoording zijn dus van betekenis voor de beoordeling van de vordering tot doorbetaling. Verder is het hof op grond van de rekening en verantwoording van oordeel dat Oceanteam c.s. onvoldoende gemotiveerd hebben waarom een beter onderhandelingsresultaat voor de premierestitutie haalbaar was. Aan de overwegingen over de rekening en verantwoording kan dus ook betekenis toekomen bij de beoordeling van de vordering tot betaling van schadevergoeding terzake van (vermeend) te hoge premies. Oceanteam c.s. hebben in dat licht voldoende belang bij hun klachten over het oordeel met betrekking tot de rekening en verantwoording.

4.4

Ik kom daarom toe aan de bespreking van het onderdeel over rekening en verantwoording. Het lijkt mij juist om te beginnen met enkele algemene opmerkingen over de verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording.

4.5

Krachtens art. 7:401 BW dient de opdrachtnemer te handelen als een goed opdrachtnemer, dat wil zeggen een redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot. Volgens rechtspraak van Uw Raad is het de taak van de assurantietussenpersoon om te waken voor de belangen van de verzekeringnemers bij de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen.14 Een uitwerking van deze zorgplicht is de verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording. Op grond van art. 7:403 lid 2 BW is een assurantietussenpersoon als opdrachtnemer verplicht om aan zijn opdrachtgever verantwoording af te leggen over de wijze waarop hij zich van zijn opdracht heeft gekweten en rekening te doen van de ten laste van de opdrachtgever uitgegeven en ten gunste van hem ontvangen gelden.15

4.6

Over de ratio van de verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording kan het volgende worden opgemerkt. De opdrachtnemer opereert in een zekere zelfstandigheid. De opdrachtgever moet – teneinde het evenwicht te herstellen – in staat worden gesteld om controle uit te oefenen op hetgeen de opdrachtnemer heeft gedaan. De verplichting om verantwoording af te leggen strekt ertoe de opdrachtgever te informeren over de uitgevoerde werkzaamheden, de keuzen die daarbij zijn gemaakt en de redenen die aan die keuzen ten grondslag lagen.16

4.7

Over de inhoud van de verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording valt het volgende te zeggen. Er moet onderscheid worden gemaakt tussen de rekenplicht en de verantwoordingsplicht. De rekenplicht maakt deel uit van de verantwoordingsplicht, maar valt daarmee niet samen; de rekenplicht kan als een specifieke uitwerking van de meer algemene verantwoordingsplicht worden gezien.17 Zij houdt in dat rekening wordt gedaan van de ontvangen inkomsten en gedane uitgaven. Deze plicht bestaat in ieder geval indien de opdrachtnemer ten laste van de opdrachtgever gelden heeft uitgegeven of te diens behoeve gelden heeft ontvangen.18 Als de opdrachtnemer gelden voor de opdrachtgever heeft geïnd, rust op de opdrachtnemer de bewijslast dat deze gelden aan de opdrachtgever zijn afgedragen.19

4.8

Met betrekking tot de omvang van de verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording is van belang dat art. 7:403 BW van regelend recht is. Partijen zijn dus vrij om eigen afspraken te maken. In dat geval toetst de rechter of de opdrachtnemer op de afgesproken wijze rekening en verantwoording heeft afgelegd.20 Is er geen afspraak gemaakt, dan is de omvang van de verplichting afhankelijk van de omstandigheden van het geval.21 Gezien de veelheid aan verschijningsvormen die de overeenkomst van opdracht kan aannemen, zijn hiervoor eigenlijk geen zinvolle algemeen geldende regels te geven. Relevante omstandigheden van het geval zijn onder meer de verhouding tussen partijen, hun deskundigheid en eventuele beroepsregels waaraan de opdrachtnemer gebonden is.22 Aangenomen wordt wel dat dat de rekenplicht strenger is naarmate bijvoorbeeld de verhouding tussen partijen minder familiair en meer zakelijk van aard is.23

4.9

Toch valt er in algemene zin wel wat te zeggen over de omvang van de verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording. De opdrachtgever moet kunnen begrijpen hoe de opdrachtnemer zijn taken heeft uitgevoerd.24 De opdrachtgever moet daarom behoorlijk worden geïnformeerd over alle werkzaamheden die uit de opdracht voortvloeien.25 De opdrachtnemer dient niet slechts te rapporteren wat hij heeft gedaan, maar ook te verklaren op welke wijze hij te werk is gegaan en welke redenen daaraan ten grondslag hebben gelegen (soms het ‘waarom’ van zijn handelen genoemd).26 De opdrachtnemer moet dus openheid van zaken geven over de uitvoering van de opdracht en rekening doen van de financiële afwikkeling van de opdracht.27 Op verzoek van de opdrachtgever zal de rekening en verantwoording zo mogelijk met bewijsstukken dienen te worden gestaafd.28

4.10

Tegen deze achtergrond bespreek ik de klachten van het eerste onderdeel.

4.11

Subonderdelen 1.1.1 tot en met 1.1.4 richten zich tegen het oordeel dat [verweerder] mocht volstaan met een opgave over de diverse verrekeningen op basis van eigen overzichten en facturen. Volgens Oceanteam c.s. heeft het hof daarmee miskend dat [verweerder] de ontvangen en betaalde bedragen en verrekeningen met bewijsstukken had moeten staven en inzicht had moeten geven in de achtergrond (het waarom) van zijn handelen (subonderdelen 1.1.1, 1.1.2 en 1.1.4). Bovendien zou het hof zijn oordeel ten aanzien van de verantwoording ten onrechte afhankelijk hebben gemaakt van de vraag of Oceanteam c.s. hiertegen aannemelijke bezwaren naar voren hebben gebracht (subonderdeel 1.1.3). Het oordeel met betrekking tot de verantwoording over het onderhandelingsresultaat terzake van de premierestitutie wordt meer specifiek bestreden in de subonderdelen 1.2.1-1.2.3. Op dat oordeel ga ik bij de bespreking van laatstgenoemde klachten in.

4.12

Het hof heeft bij de beoordeling van de rekening en verantwoording drie periodes onderscheiden, te weten de periode tot de overeenstemming over de rekening-courant begin 2011, de periode tussen begin 2011 en eind 2011 en de periode na 2011 (hiervoor 2.12-2.14).

4.13

Met betrekking tot de eerstgenoemde periode heeft het hof vastgesteld dat partijen begin 2011 overeenstemming hebben bereikt over het saldo van de rekening-courant en dat dit impliceert dat Oceanteam c.s. tevens genoegen hebben genomen met de door [verweerder] tot dan toe afgelegde rekening en verantwoording. Naar het oordeel van het hof omvat de overeenstemming tussen partijen dus mede een aanvaarding van de rekening en verantwoording over de periode tot begin 2011. Oceanteam c.s. hebben tegen dat oordeel geen cassatieklacht gericht. Subonderdeel 1.1.2 vermeldt:

“Nog daargelaten dat de overeenstemming over het uitstaande saldo begin 2011 werd bereikt op basis van de door [verweerder] gepresenteerde gegevens omtrent de verschuldigde bedragen waarvan nadien is gebleken dat deze niet klopten, doet het bereiken van overeenstemming over het saldo begin 2011 niets af aan de verplichting van [verweerder] tot het afleggen van rekening en verantwoording ten aanzien van de periode daarnà.”

4.14

Ik lees in dit subonderdeel geen klacht ten aanzien van de uitleg van de overeenstemming. Ook de andere subonderdelen bevatten geen klacht die hierop betrekking heeft. Overigens is die uitleg van de overeenstemming naar mijn mening niet onjuist of onbegrijpelijk te achten. Het hof heeft in zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat de omvang van de verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording (mede) wordt bepaald door hetgeen partijen daarover (hier: na afronding van de werkzaamheden) hebben afgesproken. Daarmee heeft het hof mijns inziens geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting (hiervoor 4.8). De uitleg van de overeenstemming is feitelijk en wordt mede gedragen door de tekst van de e-mail van 2 maart 2011 (hiervoor 1.6) en de verrichte deelbetalingen (hiervoor 1.8). Onbegrijpelijk acht ik de uitleg in dat licht niet.

4.15

Met betrekking tot de tweede en derde periode heeft het hof in essentie overwogen dat [verweerder] met zijn facturen van 18 maart 2013 en 22 oktober 2013 voldoende rekening en verantwoording heeft afgelegd. Het hof heeft hierbij van belang geacht dat Oceanteam c.s. hiertegen geen gemotiveerde bezwaren hebben aangevoerd.

4.16

De subonderdelen 1.1-1.1.4 falen evenzeer voor zover zij betrekking hebben op deze tweede en derde periode. Ik licht dat toe. De omvang van de verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording hangt af van alle omstandigheden van het geval (hiervoor 4.8). Mijns inziens bestaat er geen algemene rechtsregel die inhoudt dat facturen en overzichten ongevraagd en ongeacht de verdere omstandigheden dienen te worden voorzien van de onderliggende bewijsstukken. Een dergelijke algemene rechtsregel kan mijns inziens ook niet (rechtstreeks) worden gebaseerd op de regelgeving over informatieplichten van verzekeringstussenpersonen die bij repliek in cassatie zijn genoemd.29 In dat kader verdient bovendien opmerking dat in het cassatiemiddel geen op deze regelgeving toegesneden klachten zijn terug te vinden.

4.17

Bewijsstukken zullen zo mogelijk verstrekt moeten worden wanneer de opdrachtgever daarom verzoekt. Volgens de subonderdelen zouden Oceanteam c.s. herhaaldelijk, maar tevergeefs, om bewijsstukken en documenten hebben verzocht (subonderdelen 1.1.3, eerste alinea, en 1.1.4). Er worden in het cassatiemiddel echter geen vindplaatsen in de processtukken uit de feitelijke instanties genoemd die inhouden dat Oceanteam c.s. (behoudens aangaande het onderhandelingsresultaat terzake van de premierestitutie) om nadere bewijsstukken hebben verzocht.

4.18

Ook overigens valt niet direct in te zien op welke bewijsstukken Oceanteam c.s. het oog hebben. In dat verband is van belang dat (1) onbestreden vast staat dat de schade-uitkering met betrekking tot de Sea Stallion met goedkeuring van Oceanteam c.s. is vastgesteld, (2) de afrekening inzake de Sea Stallion is verantwoord in de factuur van 18 maart 2013 (productie 7 bij mva) en (3) de verrekening van de premierestitutie van € 50.000,- is verantwoord in de factuur van 22 oktober 2013 (productie 8 bij mva).

4.19

Tegen die achtergrond treffen de subonderdelen 1.1.1-1.1.4 geen doel.

4.20

Subonderdelen 1.2.1-1.2.3 hebben betrekking op de overwegingen met betrekking tot de verantwoording van het ontvangen bedrag van € 50.000,-- inzake premierestitutie. De subonderdelen richten zich tegen het oordeel dat [verweerder] ter verantwoording van dit bedrag kon volstaan met de verklaring dat hij in de onderhandelingen op dit bedrag is uitgekomen. Volgens Oceanteam c.s. miskent het hof hiermee dat niet duidelijk is geworden hoe dit bedrag is berekend en welke verzekeraars zich hierover hebben uitgelaten. Verder komen de subonderdelen op tegen de overweging dat Oceanteam c.s. onvoldoende gemotiveerd uiteen hebben gezet waarom [verweerder] een hoger bedrag had kunnen bedingen. Volgens Oceanteam c.s. is [verweerder] ook zonder een zodanige uiteenzetting over de hoogte van het ontvangen bedrag tot verantwoording gehouden.

4.21

Deze klachten slagen. Uitgangspunt is dat de rekening en verantwoording op verzoek van de opdrachtgever zoveel mogelijk moet worden toegelicht en met bewijsstukken moet worden gestaafd (hiervoor 4.9). Uit art. 7:403 lid 2 BW volgt niet dat de opdrachtgever slechts bij aannemelijke bezwaren recht zou hebben op een onderbouwde rekening en verantwoording. Oceanteam c.s. hebben bij memorie van grieven ten aanzien van het onderhandelingsresultaat inzake premierestitutie verzocht om inzage in de wijze van berekening en de correspondentie met de betreffende verzekeraar (hiervoor 2.9). [verweerder] heeft het bestaan van zodanige correspondentie en berekeningen niet bestreden en het is gezien de hoogte van dat bedrag overigens ook aannemelijk dat aan het onderhandelingsresultaat berekeningen en correspondentie ten grondslag liggen. In dat licht acht ik (zonder nadere motivering) niet voldoende begrijpelijk waarom het hof van oordeel is dat [verweerder] heeft mogen volstaan met de verklaring dat hij in onderhandelingen op het bedrag van € 50.000,-- is uitgekomen.

4.22

Naar mijn mening zou het niet stroken met de doelstelling van art. 7:403 lid 2 BW om aan te nemen dat de onderliggende bescheiden in het kader van een rekening en verantwoording slechts bij gemotiveerde bezwaren behoeven te worden verstrekt. De betreffende bescheiden bevinden zich in het domein van de opdrachtnemer. De ratio van art. 7:403 lid 2 BW is de informatieachterstand van de opdrachtgever weg te nemen en hem in staat te stellen het bereikte resultaat te controleren. Die controle kan gerezen twijfel over het bereikte resultaat bevestigen of ontkrachten. In zoverre zou een vergelijking kunnen worden gemaakt met de verzwaarde stelplicht van de beroepsbeoefenaar bij een (mogelijke) beroepsfout.30 Ook in dat geval dient de opdrachtnemer aan de opdrachtgever de benodigde feitelijke gegevens te verstrekken.

4.23

Mijns inziens is daarom zonder nadere motivering niet voldoende begrijpelijk waarom [verweerder], bij gebreke van een gemotiveerde betwisting door Oceanteam c.s. van het bereikte resultaat, ter verantwoording van het bedrag voor premierestitutie kon volstaan met de verklaring dat hij in de onderhandelingen op dit bedrag is uitgekomen. Subonderdelen 1.2.1-1.2.3 bevatten hierop gerichte klachten en treffen in zoverre doel.

4.24

Gegrondbevinding van subonderdelen 1.2.1-1.2.3 leidt echter niet zonder meer tot vernietiging van het bestreden arrest. Ik licht dat toe. Het materiële belang van Oceanteam c.s. is gelegen in de vordering tot veroordeling van [verweerder] tot (kort gezegd) doorbetaling van twee voor hen ontvangen bedragen en tot betaling van een bedrag aan schadevergoeding.31 Een eventueel – blijkens de rekening en verantwoording – ontoereikend onderhandelingsresultaat kan (hoogstens) leiden tot schadeplichtigheid van [verweerder]. De afwijzing van de vordering tot schadevergoeding wordt mede gedragen door de overweging dat Oceanteam c.s. hun recht hebben prijsgegeven om schadevergoeding te vorderen terzake van te hoge premies. Tegen dat oordeel wordt in onderdeel 3 van het middel opgekomen. Oceanteam c.s. hebben dus belang bij het slagen van onderdelen 1.2.1-1.2.3 wanneer ook onderdeel 3 terecht is voorgesteld. Dat onderdeel wordt hierna onder 4.36 e.v. van de conclusie besproken.

4.25

Onderdeel 2 komt op tegen een overweging in rov. 3.11.4. Deze overweging houdt het volgende in. De hoofdsom van Oceanteam c.s. overtreft die van [verweerder] met € 39,67, maar de vordering van [verweerder] is ouder dan de vordering van Oceanteam c.s. Het hof neemt daarom aan dat de hoofdsom vermeerderd met rente van [verweerder] hoger is dan die van Oceanteam c.s. zodat Oceanteam c.s. per saldo niets van [verweerder] te vorderen hebben. Het onderdeel betoogt dat het hof daarmee buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden. Volgens Oceanteam c.s. heeft [verweerder] niet aan zijn beroep op verrekening ten grondslag gelegd dat ook wettelijke rente zou zijn verschuldigd.

4.26

[verweerder] heeft ook met betrekking tot onderdeel 2 als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat Oceanteam c.s. geen belang hebben bij die klacht. [verweerder] heeft daartoe bij schriftelijke toelichting aangevoerd dat hij na kennisneming van de cassatiedagvaarding meermaals heeft aangeboden om het bedrag van € 39,67 (te vermeerderen met rente) te voldoen (schriftelijke toelichting [verweerder] punt 4.2).

4.27

Dit verweer treft geen doel. Ik stel voorop dat Uw Raad bij een beroep op het ontbreken van belang in cassatie mag optreden als feitenrechter.32 In dit verband verdient enerzijds opmerking dat [verweerder] de stelling over het aanbod tot betaling van het bedrag van € 39,67 niet met stukken heeft onderbouwd. Anderzijds hebben Oceanteam c.s. het bestaan van dit aanbod bij conclusie van repliek niet wezenlijk weersproken.33 Ik meen dat er bij die stand van zaken (veronderstellenderwijs) van kan worden uitgegaan dat het beschreven aanbod daadwerkelijk is gedaan. Het beschreven aanbod is naar mijn mening echter ontoereikend. Het aanbod is gedaan na het uitbrengen van de cassatiedagvaarding en voorziet niet in een compensatie voor de proceskosten. [verweerder] heeft (ook) ten aanzien van het tweede onderdeel van het cassatieberoep geconcludeerd tot verwerping. Bij die stand van zaken kan het slagen van het tweede onderdeel resulteren in een proceskostenveroordeling in cassatie. Oceanteam c.s. hebben uit dien hoofde voldoende belang bij het tweede onderdeel.34 Daar komt nog bij dat een uitdrukkelijk aanbod geen garantie biedt dat daadwerkelijk betaald zal worden, zodat het belang van Oceanteam c.s. bij een executoriale titel in procesrechtelijk opzicht (materieel ligt het aanwenden van een executoriale titel voor een hoofdsom van € 39,67 niet voor de hand) is blijven voortbestaan.35

4.28

[verweerder] heeft ter adstructie van zijn verweer over het ontbreken van belang verder nog het volgende aangevoerd. Volgens [verweerder] zou het hem vrijstaan in een tweede procedure alsnog aanspraak te maken op wettelijke rente. [verweerder] meent dat de rechter met die mogelijkheid reeds in deze zaak rekening mag houden (schriftelijke toelichting [verweerder] punt 4.3). [verweerder] verwijst daartoe naar een arrest van Uw Raad van 13 februari 2015.36 Ook in zoverre meen ik dat het verweer niet doeltreffend is. Het genoemde arrest houdt in (i) dat wettelijke rente, ook als het gaat om rente over de wettelijke verhoging bij een achterstallige loonbetaling op de voet van art. 7:625 BW, in een aparte procedure kan worden gevorderd en (ii) dat dat de matigingsbevoegdheid van art. 7:625 lid 1 BW de mogelijkheid biedt om een verhoging slechts toe te wijzen onder de voorwaarde dat de werknemer niet alsnog aanspraak maakt op vergoeding van wettelijke rente. Uit dit arrest volgt dus niet dat de rechter bij een beroep op verrekening een rentecomponent mag betrekken waarop in rechte geen beroep is gedaan. Een dergelijk oordeel zou ook moeilijk verenigbaar zijn met het verbod tot het aanvullen van de feitelijke grondslag als bedoeld in art. 24 Rv.

4.29

Daarmee kom ik toe aan de inhoudelijke bespreking van het tweede onderdeel.

4.30

Het tweede onderdeel klaagt erover dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door de hoofdsom van [verweerder] te vermeerderen met wettelijke (handels-) rente. [verweerder] zou daarop namelijk geen aanspraak hebben gemaakt. Bij strikte lezing zou deze klacht bij gebrek aan feitelijke grondslag falen. Het oordeel van het hof houdt namelijk in dat sprake is van een verrekening in een rekening-courantverhouding. Het oordeel van het hof komt er dus klaarblijkelijk op neer dat de hoofdsom van [verweerder] in die verhouding moet worden vermeerderd met contractuele rente.

4.31

Bij een welwillende lezing valt het onderdeel aldus te begrijpen dat de hoofdsom van [verweerder] in het kader van de verrekening in het geheel niet had mogen worden vermeerderd met rente. Naar mijn mening ligt deze klacht voldoende in het onderdeel besloten. Ik neem hierna daarom deze ruime lezing tot uitgangspunt.

4.32

Art. 24 Rv staat er in beginsel aan in de weg dat de rechter zijn beslissing baseert op feiten en omstandigheden die partijen niet aan hun vordering of verweer ten grondslag gelegd. Dit uitgangspunt geldt niet in alle gevallen. Onder omstandigheden mag de rechter zich ter staving van de feitelijke grondslag ook baseren op andere feiten die in rechte zijn komen vast te staan of die in het verlengde liggen van gebleken of gestelde feiten.37 Daarentegen mag hij zich niet baseren op niet-gestelde en niet-ingeroepen rechtsfeiten die tot de feitelijke grondslag zouden moeten behoren.38

4.33

In de onderhavige zaak is het hof blijkens rov. 3.11.4 van oordeel dat tussen [verweerder] en Oceanteam c.s. sprake is van een rekening-courantverhouding die onder meer bestaat uit de vordering van [verweerder] op Oceanteam c.s. en de bedragen die [verweerder] voor Oceanteam c.s. van de verzekeraars heeft ontvangen. Dit oordeel is in cassatie niet bestreden. Oceanteam c.s. hebben over hun vordering tot doorbetaling van door [verweerder] voor hen ontvangen bedragen rente gevorderd.39 Daaruit zou kunnen worden opgemaakt dat Oceanteam c.s. van mening zijn dat in de rekening-courantverhouding wel rente is verschuldigd. In zoverre valt te begrijpen dat het hof in het kader van de verrekening ook ten gunste van [verweerder] rekening heeft gehouden met de rente. Dat geldt zeker nu het verschil tussen beide hoofdsommen slechts € 39,67 bedraagt.

4.34

Desondanks kan het oordeel over de rente naar mijn mening de toets der kritiek niet doorstaan. [verweerder] heeft zich beroepen op verrekening van over en weer verschuldigde hoofdsommen (productie 9 bij memorie van antwoord). Er resteert dan een saldo van € 39,67 in het voordeel van Oceanteam c.s. Het beroep op verrekening berust niet mede op de feitelijke grondslag (i) dat rente moet worden berekend over de hoofdsom die aan [verweerder] toekomt en/of (ii) dat deze rente in mindering strekt op de door Oceanteam c.s. gevorderde hoofdsom. Verder is in rechte niet komen vast te staan dat Oceanteam c.s. in de rekening-courantverhouding met [verweerder] rente is verschuldigd. Naar mijn mening heeft het hof hier dus niet ter staving van de feitelijke grondslag gebruik gemaakt van andere feiten die in rechte zijn komen vast te staan of die in het verlengde liggen van gebleken of gestelde feiten. Het hof lijkt zich bij de beoordeling van het beroep op verrekening te hebben gebaseerd op enkele niet-ingeroepen rechtsfeiten, te weten dat Oceanteam c.s. over een openstaande hoofdsom in de rekening-courantverhouding rente aan [verweerder] verschuldigd zouden zijn en dat het beroep op verrekening mede op die rente zou zijn gegrond.

4.35

Tegen die achtergrond acht ik ook het tweede onderdeel gegrond.

4.36

Onderdeel 3 richt zich tegen het oordeel in rov. 3.12.2 dat de e-mail van [betrokkene] van 2 maart 2011 meebrengt dat [verweerder] erop mocht vertrouwen dat Oceanteam c.s. hun recht hebben prijsgegeven om schade vanwege te hoge premies te vorderen wanneer overeenstemming zou worden bereikt over het saldo van de rekening-courant.

4.37

Ook te dien aanzien heeft [verweerder] het verweer gevoerd dat Oceanteam c.s. geen belang bij de klacht zouden hebben. [verweerder] heeft daartoe gewezen (i) op zijn stelling dat Oceanteam c.s. niet aannemelijk hebben gemaakt waarom de betaalde premies te hoog waren en (ii) op de overweging dat Oceanteam c.s. onvoldoende inzichtelijk hebben gemaakt hoeveel werknemers zijn afgevloeid, hoeveel vermogensobjecten zijn verkocht in het premiejaar 2009 en welke gevolgen dit voor de hoogte van de premie zou hebben gehad. Daarom zou een inhoudelijke beoordeling van de schadevordering niet tot een andere beoordeling kunnen leiden (schriftelijke toelichting onder 5.3-5.9).

4.38

Dit verweer slaagt naar mijn mening niet. De onder (i) genoemde stelling is door het hof niet als juist aanvaard en lijkt weerlegging te vinden in de later bedongen premierestitutie. De onder (ii) genoemde overwegingen maken deel uit van het oordeel dat [verweerder] toereikend rekening en verantwoording zou hebben afgelegd over het onderhandelingsresultaat met betrekking tot de premierestitutie. Daartegen komen subonderdelen 1.2.1-1.2.3 naar mijn mening met succes op. Het slagen van die subonderdelen kan meebrengen dat [verweerder] na cassatie en verwijzing nadere rekening en verantwoording dient af te leggen over de totstandkoming van de premierestitutie. Oceanteam c.s. zullen hun stelling daarna, binnen de grenzen van de vóór verwijzing ontwikkelde gedachtegang, op die nadere verantwoording mogen aanpassen.40

4.39

Daarmee kom ik toe aan de inhoudelijke beoordeling van het onderdeel.

4.40

Subonderdeel 3.1 houdt in dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd zou zijn getreden door te oordelen dat [verweerder] erop mocht vertrouwen dat Oceanteam c.s. hun recht hebben prijsgegeven om schade vanwege te hoge premies te vorderen wanneer overeenstemming zou worden bereikt over het saldo van de rekening-courant.

4.41

Over die overeenstemming met betrekking tot het saldo van de rekening-courant merk ik in algemene zin het volgende op. Overeenstemming over een rekening-courant saldo omvat niet in het algemeen een vordering tot schadevergoeding. Dit blijkt uit een arrest van Uw Raad in de zaak Standard Groep Holland/ING.41 Uw Raad overwoog in dit arrest dat uit de aard van de overeenkomst tussen een bank als giro-instelling en haar cliënt doorgaans zal voortvloeien dat een vordering tot vergoeding van schade op de voet van art. 6:212 BW niet in de rekening-courant thuishoort. Dienovereenkomstig hoort een vordering tot vergoeding van schade uit hoofde van een toerekenbare tekortkoming naar mijn mening niet thuis in de rekening-courant tussen een verzekeringstussenpersoon en zijn cliënt. Die rekening-courant is immers specifiek bedoeld voor de afwikkeling van premiebetalingen en schade-uitkeringen van de verzekeraar.

4.42

Naar de vaststelling van het hof heeft [verweerder] als verweer gevoerd dat de overeenstemming over het saldo van de rekening-courant impliceerde dat Oceanteam c.s. zich neerlegden bij de hoogte van de in 2009 en 2010 in rekening gebrachte premies. Dat standpunt is inderdaad door [verweerder] op de genoemde plaatsen in het dossier42 betrokken. In de genoemde passages is dat betoog als volgt verwoord:

- “De tweede consequentie is dat de overeenstemming over het rekening-courantsaldo op 4 maart 2011 ook een erkenning door appellanten impliceert van de juistheid, althans de verschuldigdheid van de facturen waaruit het saldo is opgebouwd. Indien immers enige factuur betwist zou zijn, zou geen overeenstemming over het saldo bereikt hebben kunnen worden.” (pleitnota appel, alinea 11).

- “Eisers hebben niet weersproken dat er op 13 januari en 4 maart 2011 besprekingen [die] tussen partijen hebben plaatsgevonden, in welk overleg tussen partijen overeenstemming is bereikt over het saldo dat per die datum ten gunste van gedaagde openstond (cva randnr 15). Bij antwoord heeft gedaagde een gespecificeerd overzicht overgelegd (productie 3) van enerzijds de bedragen die eisers aan hem verschuldigd waren en anderzijds de bedragen die hij heeft geïncasseerd voor eisers. Dit overzicht is gebaseerd [lees: op] de overeenstemming die in de besprekingen is bereikt.” (antwoordakte, punt 4)

- “Oceanteam heeft niet op enig tijdstip bezwaar gemaakt tegen de facturen voor de premie van de equipmentverzekering of de liabilityverzekering. Evenmin heeft Oceanteam de hoogte van de verrekende schade-uitkeringen bestreden. [verweerder] legt kopie over van een mail van 2 maart 2011 (productie 4) van Haico [betrokkene], directeur van Oceanteam, aan hem, waarin wordt aangegeven dat bij Oceanteam de manier van werken is gewijzigd (“Oceanteam Shipping is een nieuw bedrijf en de manier van werken en leveren zoals gewend is niet langer van toepassing”). De directie van Oceanteam steekt in deze mail de hand in eigen boezem voor zover zij niet tevreden is met de bestaande verzekeringen (“Helaas waren er andere prioriteiten en mij is altijd gesteld dat dit goed geregeld was. Voor alle duidelijkheid ik ben degene geweest die het besluit genomen (heeft) om de liabilityinsurance over te sluiten in het belang van Oceanteam en hiermee het verleden verder te laten rusten onder een zacht dekentje, beter voor een ieder leek me. Problemen blijken te zijn de betalingen en de betrokken persoonlijkheden. Prima, de betalingen kan ik oplossen en voor de rest heb ik er eigenlijk geen mening over”). In diezelfde mail wordt aangekondigd dat Oceanteam de betalingen zal verrichten conform eerdere afspraak onder de voorwaarde dat lopende schades ook worden afgewikkeld. [verweerder] heeft daarop geantwoord bij mail van 3 maart (productie 5).” (cva/cve rec 16)

4.43

Het genoemde verweer en de aangehaalde passages kunnen – in het licht van het arrest Standard Groep Holland/ING (hiervoor 4.41) – op zichzelf niet het oordeel dragen dat Oceanteam c.s. hun vordering tot schadevergoeding hebben prijsgegeven. Het hof heeft zijn oordeel dan ook niet slechts op de overeenstemming over de rekening-courant gegrond.

4.44

Naar het oordeel van het hof mocht [verweerder] aan de e-mail van [betrokkene] van 2 maart 2011 het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat Oceanteam c.s. hun recht prijsgaven om schadevergoeding vanwege vermeend te hoge premies te vorderen wanneer overeenstemming zou worden bereikt over het saldo van de rekening-courant. Het hof heeft echter niet vastgesteld dat [verweerder] dit standpunt in feitelijke instanties aan zijn verweer ten grondslag heeft gelegd. Uit de aangehaalde passages volgt niet dat [verweerder] dit verweer heeft gevoerd en van een daartoe strekkend verweer is mij ook overigens niet uit het procesdossier gebleken. Het hof is daarom met zijn oordeel buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden. Onderdeel 3.1 klaagt daar terecht over.

4.45

Subonderdeel 3.2 richt zich tegen de overweging over het voortduren van het gerechtvaardigd vertrouwen. De klacht bouwt voort op subonderdeel 3.1. In het licht van het vorenstaande acht ik ook subonderdeel 3.2 gegrond. Nu de overweging over het gewekte gerechtvaardigde vertrouwen in cassatie met succes wordt bestreden, kan ook de overweging over het voortduren van dat vertrouwen niet in stand blijven.

4.46

Subonderdeel 3.4.1 acht op inhoudelijke gronden onjuist of onbegrijpelijk dat [verweerder] aan de e-mail van 2 maart 2011 (hiervoor 1.6) het gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen dat Oceanteam c.s. bij overeenstemming over de rekening-courant hun recht zouden prijsgeven om schade vanwege vermeend te hoge premies te vorderen.

4.47

Ook deze klacht komt mij gegrond voor. Voor gerechtvaardigd vertrouwen in de zin van art. 3:35 BW is nodig dat de wederpartij (hier: [verweerder]) een verklaring (of gedraging) heeft opgevat overeenkomstig de zin die hij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mocht toekennen. Het hof heeft echter noch vastgesteld dat [verweerder] de e-mail (daadwerkelijk) in die zin heeft opgevat dat Oceanteam c.s. hun recht op schadevergoeding zouden prijsgeven noch gemotiveerd waarom [verweerder] deze betekenis in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs aan de e-mail mocht toekennen. Mede in het licht van de (in de klacht genoemde) omstandigheid dat de e-mail niet uitdrukkelijk vermeldt dat afstand wordt gedaan van een vorderingsrecht, maar bewoordingen bevat waarvan de (juridische) betekenis niet aanstonds duidelijk is ('het verleden onder een zacht dekentje laten rusten'), had het hof zijn oordeel over gerechtvaardigd vertrouwen wel van een motivering dienen te voorzien.

4.48

Op voornoemde gronden kan het oordeel dat [verweerder] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat Oceanteam c.s. hun recht hebben prijsgegeven om schade vanwege te hoge premies te vorderen naar mijn mening niet in stand blijven.

4.49

De andere subonderdelen behoeven bij die stand van zaken geen bespreking. Overigens acht ik de subonderdelen 3.3 en 3.4.2-3.4.3 ongegrond.

Subonderdeel 3.3 betoogt in essentie dat het hof ten onrechte in het midden heeft gelaten of naar zijn oordeel sprake is van afstand van recht dan wel rechtsverwerking. Volgens rechtspraak van Uw Raad is (onder meer) sprake van afstand van recht wanneer de wederpartij (hier: [verweerder]) de verklaringen en gedragingen (in dit geval: van Oceanteam c.s.) redelijkerwijs mocht opvatten als een tot haar gerichte verklaring welke ertoe strekte dat Oceanteam c.s. hun rechten prijsgaven.43 In dit geval is aan deze maatstaf getoetst. Er is niet beoordeeld of het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn om aanspraak te maken op schadevergoeding, zoals in dit geval voor het aannemen van rechtsverwerking zou zijn vereist. Ik acht daarom voldoende duidelijk op welke rechtsfiguur het hof het oog heeft gehad.

Subonderdelen 3.4.2 en 3.4.3 komen er in de kern op neer dat Oceanteam c.s. geen afstand kunnen doen van een vorderingsrecht waarvan zij niet op de hoogte zijn. Het hof heeft onbestreden vastgesteld dat (1) dat Oceanteam c.s. in maart 2011 reeds geruime tijd beschikten over de relevante informatie voor de veronderstelling dat de premies te hoog waren en (2) dat tussen partijen al discussie over de hoogte van de vordering was ontstaan. 's Hofs oordeel dat Oceanteam c.s. in voldoende mate bekend waren met een mogelijk vorderingsrecht – waaruit logisch voortvloeit dat Oceanteam c.s. dus ook afstand van dat vorderingsrecht konden doen – geeft in dat licht geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk.

5 Slotsom

5.1

Op grond van het vorenstaande kom ik tot de volgende slotsom.

5.2

Naar mijn mening zijn subonderdelen 1.2.1-1.2.3 en subonderdelen 3.1, 3.2 en 3.4.1 terecht voorgesteld. Het slagen van deze klachten zou ertoe leiden dat [verweerder] na cassatie en verwijzing nadere rekening en verantwoording over het onderhandelingsresultaat inzake de premierestitutie dient af te leggen. Vervolgens zal opnieuw moeten worden geoordeeld over de vordering tot schadevergoeding vanwege te hoge premies. Hierbij zal dan tevens aan de orde komen in hoeverre deze schade voldoende door de minnelijke regeling terzake van de premierestitutie is ondervangen.

5.3

Naar mijn mening is ook het tweede onderdeel gegrond. Het slagen van de klacht zal ertoe leiden dat, bij de beoordeling van het beroep op verrekening in de rekening-courantverhouding, de hoofdsom van [verweerder] niet vermeerderd mag worden met rente.

6 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Behoudens andere vermelding zijn de feiten ontleend aan de (onbestreden) rov. 2(a) tot en met 2(f) van het bestreden arrest.

2 Het gaat hierbij specifiek om het verhuren van schepen en uitrusting ten behoeve van bouwprojecten op zee, kabelleggen, bevoorrading en aanverwante activiteiten Deze beschrijving van de activiteiten is ontleend aan de memorie van grieven van Oceanteam c.s. (p. 1).

3 Vonnis 22 januari 2014, rov. 2.2 (onbestreden).

4 Een protection and indemnity cover, of P&I, is een type verzekering dat gebruikelijk is in de maritieme industrie. Een P&I cover dekt schades (onder meer schades toegebracht aan derden) die niet onder een gewone aansprakelijkheidsverzekering of andere verzekering kunnen worden gebracht en wordt verstrekt door een zogenoemde P&I club, waarin leden zich verenigen en gezamenlijk inleggen in een fonds waaruit schades kunnen worden betaald (een ‘mutual insurance’). Zie H. Bennett, The Law of Marine Insurance, Oxford: Clarendon Press 1996, p. 236-237.

5 Deze e-mail wordt niet genoemd in de feitenvaststelling van het hof. Het hof heeft deze (als zodanig onweersproken) e-mail echter wel betrokken in de motivering van zijn oordeel dat voldoende rekening en verantwoording is afgelegd (rov. 3.10.2) en dat [verweerder] erop mocht vertrouwen dat Oceanteam c.s. het recht om schadevergoeding te vorderen vanwege vermeend te hoge premies prijsgaven wanneer definitief overeenstemming zou worden bereikt over de rekening-courant (rov. 3.12.2).

6 Vonnis 22 januari 2014, rov. 2.6.

7 Akte vermeerdering van eis van 16 oktober 2013.

8 Het gaat hier om een ploeg om kabels mee in te graven. Zie rov. 3.11.1 van het bestreden arrest en de pleitnotities van mr. M.M. van Leeuwen (advocaat Oceanteam c.s.) d.d. 9 februari 2015, p. 2 (tweede tekstblok).

9 Het gaat hier om een ‘invoice’ d.d. 22 oktober 2013 die als omschrijving bevat: “Combined Liability Insurance. Refund as per endorsement. Premium period 15.02.2009 – 15.02.2010 EUR -50.000,00”. Deze nota wordt in de memorie van antwoord aangeduid als ‘productie 8’, maar is (kennelijk abusievelijk) voorzien van een productievel met nummer 9. Ik volg in de conclusie de nummering zoals deze in het processtuk zelf wordt aangehouden en niet die van de daarmee niet corresponderende productievellen.

10 Gedoeld wordt op de nota die in de memorie van antwoord is aangeduid als productie 8.

11 Bedoeld wordt: ‘geliquideerd’.

12 Gedoeld wordt op het overzicht dat in de memorie van antwoord is aangeduid als productie 9.

13 Bedoeld zal zijn: CLI.

14 HR 22 november 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2205, NJ 1997/718 m.nt. M.M. Mendel (Korea Holland Trading/Generale Bank), rov. 3.6 en HR 10 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0122, NJ 2003/375 m.nt. M.M. Mendel (Brals/Octant), rov. 3.4.1. Zie ook Asser/J.H. Wansink, N. van Tiggele-[...] en F.R. Salomons, Bijzondere overeenkomsten: Verzekering, deel 7-IX, Deventer: Kluwer 2012, nr. 66, C.J. de Jong, De verzekeringstussenpersoon en de gevolmachtigd agent, diss., Zutphen: Paris 2011, p. 72 e.v., R. Feunekes en F.H.E. van der Moolen, ‘Hoever reikt de zorgplicht van een assurantietussenpersoon bij een verzwaring van het risico’, in P.J.M. Drion e.a. (red.), Tussen persoon en recht (Kamphuisen-bundel), Deventer: Kluwer 2004, p. 85 en in dezelfde bundel ook W.J. Hengeveld en B.M. Jonk-van Wijk, ‘De zorgplicht van de assurantietussenpersoon’, p. 107 e.v. Zie ook J.G.C. Kamphuisen, De opdracht aan de assurantietussenpersoon, Zwolle: Tjeenk Willink 1994, p. 40 e.v.

15 C.J. de Jong, ‘De verantwoordings- en rekenplicht van de verzekeringstussenpersoon en gevolmachtigd agent’, TAV 2016 (2), nr. 48.

16 C.J. de Jong, ‘De verantwoordings- en rekenplicht van de verzekeringstussenpersoon en gevolmachtigd agent’, TAV 2016 (2), nr. 48 onder verwijzing naar Rechtbank Rotterdam 3 oktober 2007, ECLI:NL:RBROT:2007:BB6441, rov. 7.21.

17 Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 7 titels 1, 7, 9 en 14, p. 326-328.

18 Asser/T.F.E. Tjong Tjin Tai, Bijzondere overeenkomsten, deel 7-IV (2014), nr. 114.

19 HR 26 september 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC6993, NJ 1981/154, rov. 1.

20 HR 28 mei 1971, ECLI:NL:HR:1971:AB6234, NJ 1971/346 (De Haas/Carre): “O. dat het aan pp. wier contractuele verhouding medebrengt, dat de een jegens de ander rekenplichtig is, vrijstaat overeen te komen dat op een bepaalde wijze rekening en verantwoording zal worden afgelegd, met het gevolg dat de partij die deze verplichting nakomt niet 'nalatig is in het doen van rekening' in de zin van artt. 771 Rv. en daartoe dan ook niet op de wijze voorzien in de artt. 771 e.v. van dat wetboek kan worden genoodzaakt; dat W. en A. de Haas in de procedure het standpunt hebben ingenomen dat zodanige bepaalde wijze van het afleggen van rekening en verantwoording inderdaad tussen pp. was overeengekomen, en dat zij aan die verplichting hadden voldaan; dat het Hof door aan dit ter zake dienende verweer van W. en A. de Haas voorbij te gaan zijn arrest niet naar de eis der wet met redenen heeft omkleed […]” Zie ook Asser//T.F.E. Tjong Tjin Tai, Bijzondere overeenkomsten, deel 7-IV (2014), nr. 112.

21 HR 2 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1561, NJ 1995/548 m.nt. W.M. Kleijn, rov. 3.4.2 en HR 21 maart 1958, NJ 1961/167 (Pels/De Kempenaer). Vgl. ook Asser/T.F.E. Tjong Tjin Tai, Bijzondere overeenkomsten, deel 7-IV (2014), nr. 112 en 113.

22 Zie onder meer B. Wessels, ‘De verbintenis tot zorgvuldig vermogensrechtelijk beheer’, Vermogensrechtelijke analyses 2005, nr. 3, p. 59.

23 B. Wessels, ‘De verbintenis tot zorgvuldig vermogensrechtelijk beheer’, Vermogensrechtelijke analyses 2005, nr. 3, p. 59 onder verwijzing naar HR 2 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1561, NJ 1995/548 m.nt. W.M. Kleijn.

24 Zie bijvoorbeeld J.M. Barendrecht & E.J.A.M. van den Akker, Informatieplichten van dienstverleners, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 1999, p. 126.

25 HR 26 april 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2055, NJ 1996/490 (Honig/Westland/Utrecht Hypotheekbank), rov. 3.8.

26 Zie B. Wessels, ‘De verbintenis tot zorgvuldig vermogensrechtelijk beheer’, Vermogensrechtelijke analyses 2005, nr. 3, p. 59 en J.M.H.P. van Neer-van den Broek, Groene Serie Bijzondere overeenkomsten, art. 403 Boek 7 BW, aant. 2 en 3.

27 Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 7 titels 1, 7, 9 en 14, p. 326-328.

28 Asser/T.F.E. Tjong Tjin Tai, Bijzondere overeenkomsten, deel 7-IV (2014), nr. 112.

29 Oceanteam c.s. hebben zich in de repliek ter zake van de informatieplicht voor verzekeringstussenpersonen beroepen op Richtlijn 2002/92/EG (PbEG L9/3), het Besluit van 12 oktober 2006 houdende regels met betrekking tot het gedragstoezicht op financiële ondernemingen (BGfo Wft), waarin deze Richtlijn deels is geïmplementeerd, en de Gedragscode Informatievoorziening Dienstverlening Intermediair (GIDI). Voor de eerste twee geldt dat zij wel voorschrijven welke informatie een verzekeringstussenpersoon aan een cliënt voorafgaand aan en tijdens de dienstverlening moet verstrekken, maar dat deze informatie slechts betrekking heeft op aspecten van hun (on)afhankelijkheid van verzekeraars (art. 49 BGfo Wft jo. 4:25a en 4:25b Wft). De Gedragscode schrijft voor dat verzekeringstussenpersonen afspraken dienen te maken over het ‘up-to-date’ houden van het verzekeringspakket en hun cliënt erop moeten wijzen dat zij de tussenpersoon op de hoogte moeten brengen van wijzigingen die daarvoor van belang kunnen zijn. De Gedragscode schrijft echter alleen voor dat afspraken over informatieuitwisseling moeten worden gemaakt en schrijft niet voor welke informatie op welke manier moet worden uitgewisseld.

30 Ten aanzien van medisch specialisten HR 20 november 1987, ECLI:NL:HR:1987:AD0058, NJ 1988/500 m.nt. W.L. Haardt (Kunstfout), HR 18 februari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1269, NJ 1994/368 (Kunstfout II) en HR 13 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1611, NJ 1997/175 m.nt. C.J.H. Brunner (Ziekenhuis De Heel-Korver c.s.). Ten aanzien van een notaris HR 10 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2244, NJ 1999/286 m.nt. W.M. Kleijn (Vergeten testament) en ten aanzien van een vermogensbeheerder HR 15 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ1083, NJ 2007/203 m.nt. M.R. Mok (NNEK/Mourik c.s.). Zie over het verband tussen verzwaarde stelplicht en verantwoordingsplicht van art. 7:403 BW overigens Asser/T.F.E. Tjong Tjin Tai, Bijzondere overeenkomsten, deel 7-IV (2014), nr. 113.

31 Oceanteam c.s. hebben ook een verklaring voor recht gevorderd. Wanneer de betalingsvordering wordt afgewezen, lijken Oceanteam c.s. bij de gevorderde verklaring voor recht weinig tot geen belang te hebben. Vergelijk in dat verband HR 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1532, NJ 2013/502 m.nt. P.B. Hugenholtz ([.../...]) en N.E. Groeneveld-Tijssens, De verklaring voor recht, diss., Deventer: Kluwer 2015, nr. 34.

32 Asser Procesrecht/ E. Korthals Altes en H.A. Groen, Cassatie in burgerlijke zaken, Deventer: Kluwer 2015, nr. 43 en 251.

33 Oceanteam c.s. spreken in punt 5 van hun repliek in cassatie over ‘de enkele omstandigheid dat zijdens [verweerder] (pas) na kennisneming van de cassatiedagvaarding zou zijn aangeboden het in het middelonderdeel bedoeld bedrag vermeerderd met de wettelijke rente te voldoen.’

34 Zie met betrekking tot de proceskostenveroordeling als processueel belang onder meer HR 22 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX9705, NJ 2007/188 (Land Aruba/New Millenium Telecom), Asser Procesrecht/ E. Korthals Altes / H.A. Groen, Cassatie in burgerlijke zaken, Deventer: Kluwer 2015, nr. 50 en H.J. Snijders/A. Wendels, Civiel appel, Deventer: Kluwer 2009, nr. 81.

35 In HR 17 september 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1058, NJ 1994/118 m.nt. H.E. Ras overwoog Uw Raad dat niet snel aangenomen dient te worden dat geen belang bij een vordering tot betaling van een geldbedrag bestaat (rov. 3.2).

36 HR 13 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:304, NJ 2015/463 m.nt. E. Verhulp ([...]/Datawell).

37 Zie bijvoorbeeld HR 8 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2813, NJ 1999/319 m.nt. A.R. Bloembergen (Waterschap West-Friesland/Kaagman), rov. 3.10.

38 T.F.E. Tjong Tjin Tai, ‘De rechterlijke vrijheid en de feitelijke grondslag, TCR 2002, p. 33-34.

39 Akte houdende vermeerdering van eis in conventie tevens akte in reconventie d.d. 16 oktober 2013, onder 9 (subsidiaire vordering), memorie van grieven d.d. 22 juli 2014, p. 22 en appeldagvaarding d.d. 11 april 2014, p. 3; de cassatiedagvaarding (subonderdeel 2.1) spreekt van “wettelijke handelsrente”.

40 Asser Procesrecht/ E. Korthals Altes en H.A. Groen, Cassatie in burgerlijke zaken, Deventer: Kluwer 2015, nr. 335 onder verwijzing naar (onder meer) HR 27 april 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1107, NJ 1990/528 (Gielen c.s./gemeente Grathem).

41 HR 26 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3408, RvdW 2001/39 tevens NJ 2002/118 m.nt. J. Hijma maar in (digitale versie van) de NJ afgedrukt met andere datum en ander ECLI-nummer.

42 Alinea 11 van de pleitnota van mr. Van Leeuwen in hoger beroep, alinea 4 van de antwoordakte van [verweerder] en alinea 16 van de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie van [verweerder].

43 HR 16 april 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0932, NJ 1993/367 (Amaya/Aruba Hotel).