Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:1454

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-11-2016
Datum publicatie
07-07-2017
Zaaknummer
16/02876
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:1277, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Mogelijkheid tot instellen van beroep in cassatie door b.p.? Wet bevat geen regeling t.a.v. het instellen van beroep in cassatie door b.p. indien haar vordering door de appelrechter in het strafgeding n-o is verklaard dan wel is afgewezen en noch verdachte noch het OM cassatieberoep heeft ingesteld (vgl. ECLI:NL:HR:2002:AD7011). Ook aan het EVRM of het Unierecht kan b.p. niet het recht ontlenen in een dergelijk geval cassatieberoep in te stellen tegen deze beslissing. Het beroep op de aan het EVRM ontleende discriminatieverboden gaat niet op omdat het slachtoffer zich niet alleen als b.p. kan voegen in een strafprocedure maar tevens de mogelijkheid heeft om in een civiele procedure schadevergoeding te vorderen. Art. 16 Richtlijn 2012/29/EU tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, waarvan de omzettingstermijn is verstreken op 16 november 2015, is niet een zodanige onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig geformuleerde bepaling dat de b.p. daaraan het recht kan ontlenen cassatieberoep in te stellen, zodat een beroep op de rechtstreekse werking daarvan niet opgaat. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen. HR verklaart b.p. n-o in het beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/02876

Zitting: 8 november 2016

A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Blijkens een akte van 25 mei 2016 heeft mr. M.P. de Klerk, advocaat te ‘s-Gravenhage, namens [benadeelde partij] (slachtoffer) beroep in cassatie ingesteld in de strafzaak tegen W.F.U. Doest.

2. In de strafzaak tegen de voornoemde persoon heeft het gerechtshof Den Haag, bij arrest van 10 mei 2016, de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Rotterdam van 13 mei 2015, waarbij, behalve een veroordeling van de verdachte tot onder meer een gevangenisstraf en de tbs-maatregel, een beslissing is gegeven ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij], als benadeelde partij. Deze vordering, ten bedrage van in totaal € 2330,20 is toegewezen tot een bedrag van € 1000,--, vermeerderd met de wettelijke rente.

3. Namens [benadeelde partij] heeft mr. M.P. de Klerk, advocaat te Den Haag een schriftuur ingediend, houdende een middel van cassatie.

4. In de strafzaak tegen de verdachte is noch door de verdachte, noch door het openbaar ministerie beroep in cassatie ingesteld. Dat betekent dat de schriftuur die namens de benadeelde partij is ingediend niet voor bespreking in aanmerking komt; de indiening van een schriftuur, op de voet van art. 437 lid 3, is gekoppeld aan een door een van de andere partijen, de verdachte of het openbaar ministerie, ingesteld – en ontvankelijk te achten1 – cassatieberoep. Uit eigen hoofde kan de benadeelde partij in de zaak waarin zij zich heeft gevoegd geen beroep in cassatie instellen. Dat betekent dat in het huidige cassatieberoep de indiener niet-ontvankelijk verklaard zou moeten worden.

5. Niettemin heeft de opsteller van de schriftuur zich de moeite getroost om met een veelheid aan argumenten te betogen dat het cassatieberoep tóch toegelaten zou moeten worden door de Hoge Raad.

6. Het gestelde in de schriftuur stuit echter af op de overwegingen van de Hoge Raad in zijn arrest van 26 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7011, NJ 2003/557. Ik citeer daaruit:

“De huidige wet bevat geen regeling ten aanzien van het instellen van beroep in cassatie door een benadeelde partij indien haar vordering door de appèlrechter in het strafgeding niet-ontvankelijk is verklaard dan wel afgewezen en noch de verdachte noch het openbaar ministerie cassatieberoep heeft ingesteld. Het al dan niet openstellen van zo een beroep in cassatie door een benadeelde partij valt buiten de rechtsvormende taak van de Hoge Raad.”

7. Kortom, ook al zou men vanwege de bestaande disharmonie2 in de rechtsmiddelenregeling met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij sympathie voelen voor het standpunt in de cassatieschriftuur, dan nog kan de Hoge Raad daaraan niets veranderen. Het scheppen van rechtsmiddelen valt – in ieder geval strafzaken - buiten de rechtsvormende taak van de Hoge Raad. Het betreft hier een algemeen uitgangspunt dat de Hoge Raad hanteert en er is geen grond aan te nemen dat de Hoge Raad hierin verandering zal aanbrengen.3

8. Het ligt dus niet op de weg van de rechter maar op die van de wetgever om op dit punt de processuele mogelijkheden van de benadeelde partij uit te breiden. Met het oog daarop is het verheugend – maar voor de insteller van het cassatieberoep wellicht een schrale troost – dat de ontwerp-wetgever in het kader van de Modernisering van het Wetboek van Strafvordering heeft aangekondigd in het kader van die operatie wel zelfstandig cassatieberoep mogelijk te willen maken. In de zogenaamde Contourennota die door de Minister van V en J aan de Tweede Kamer is aangeboden valt te lezen, op p. 118-119:4

“Wel ben ik van plan de cassatiemogelijkheden van de benadeelde partij uit te breiden. In de huidige regeling komt de benadeelde er op dit punt slecht van af. Berusten de verdachte en het OM beiden in het arrest van het gerechtshof, dan staat de benadeelde partij in het geheel geen rechtsmiddel open tegen deze uitspraak, ook niet wanneer zijn vordering is afgewezen of niet-ontvankelijk is verklaard. Is de vordering niet ontvankelijk verklaard, bijvoorbeeld omdat deze de behandeling van het strafgeding onevenredig zou belasten, dan kan de benadeelde zijn vordering nog wel voorleggen aan de civiele rechter. Dit laatste is echter niet mogelijk bij een afwijzing van de vordering. De zaak van de benadeelde stopt dan in de fase van het hoger beroep, zonder dat hij de gelegenheid heeft de beslissing over zijn vordering aan de Hoge Raad voor te leggen. Ook het OM kan geen hulp bieden. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad mag het OM het rechtsmiddel van de cassatie namelijk niet (louter) gebruiken om namens de benadeelde partij een beslissing over diens vordering aan de orde te stellen. Ook in een ander opzicht is de huidige regeling nogal grillig. Wordt bijvoorbeeld door de verdachte cassatieberoep ingesteld en is dit cassatieberoep ontvankelijk, dan kan de benadeelde partij met dit cassatieberoep „meeliften‟ en de beslissing over zijn vordering in cassatie aan de orde stellen. Hij kan er dan bijvoorbeeld over klagen dat het hof ten onrechte heeft beslist dat niet aan het relativiteitsvereiste is voldaan. Is daarentegen het cassatieberoep van de verdachte niet-ontvankelijk, bijvoorbeeld omdat artikel 80a RO wordt toegepast, dan staat de benadeelde partij met lege handen. Op deze manier is het lot van de benadeelde partij ten onrechte volledig afhankelijk geworden van de kwaliteit van de schrifturen die namens de verdachte of het OM zijn ingediend, ongeacht de kwaliteit en de gegrondheid van de middelen van de benadeelde partij. Vanwege deze redenen zal ik de benadeelde de mogelijkheid geven zelfstandig cassatie in te stellen indien zijn vordering geheel of gedeeltelijk is afgewezen, ongeacht of de verdachte dan wel het OM in cassatie is gegaan.”

9. Ten aanzien van de huidige situatie meen ik dat gelet op de grenzen aan de rechtsvormende taak van de Hoge Raad voor het openstellen van cassatieberoep nog steeds geen mogelijkheid bestaat. Ik teken daarbij aan dat, zoals ook de opsteller van de schriftuur als rechtskundig raadsman bekend zal zijn, degene die een eis tot schadevergoeding wil indienen tegen de verdachte niet bij uitsluiting is aangewezen op de weg van voeging in het strafproces, maar ook de civiele rechter kan adiëren, en alsdan de daaraan gekoppelde rechtsmiddelenregeling kan benutten.

10. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Ook gelet op art. 80a RO, zie HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1968, NJ 2014/301, m. nt. P.H.P.H.M.C. van Kempen.

2 Zo getypeerd door Van Dorst, Cassatie in strafzaken, 8e druk, p. 142.

3 Zie de uitgebreide conclusie van de PG Fokkens, ECLI:NL:PHR:2009:BG6595, voorafgaand aan HR 31 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG6595. Vgl. voor latere situaties bijvoorbeeld ook HR 9 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6526 (cassatie in het belang der wet), waar de Hoge Raad – nog steeds - dezelfde begrenzing van zijn rechtsvormende taak hanteert bij de toedeling van rechtsmiddelen in art. 406 lid 2 Sv.

4 Aangeboden aan de Tweede Kamer bij brief van de Minister van V en J van 30 september 2015, hier geciteerd met weglating van voetnoten.