Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:1451

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
15-11-2016
Datum publicatie
01-02-2017
Zaaknummer
16/01812
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:124, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Gewelddadige straatroof in Amsterdam door jeugdige verdachten. 1. Niet beslist op voorwaardelijke getuigenverzoeken. 2. Afwijzing getuigenverzoeken, noodzakelijkheidscriterium. 3. Verklaring niet ondervraagde getuige tot het bewijs gebezigd.

Ad 1. Gelet op hetgeen raadsvrouwe op latere tz. heeft aangevoerd en het procesverloop in h.b., heeft Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat raadsvrouwe het op eerdere tz. voorwaardelijk gedane verzoek om A als getuige te horen, niet heeft gehandhaafd. Voorts heeft Hof, gelet op hetgeen raadsvrouwe op latere tz. heeft aangevoerd, kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat raadsvrouwe het op eerdere tz. voorwaardelijk gedane verzoek om B en C als getuige te horen heeft omgezet in een onvoorwaardelijk verzoek. Op dat verzoek heeft Hof beslist.

Ad 2. Hof heeft getuigenverzoek afgewezen op de grond dat de noodzakelijkheid van het verzoek hem niet is gebleken. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, gelet op hetgeen door de raadsvrouwe aan het verzoek ten grondslag is gelegd.

Ad 3. Ook indien de verdediging niet in enig stadium van het geding de gelegenheid heeft gehad een persoon die een verklaring tegenover de politie heeft afgelegd te (doen) ondervragen, staat art. 6 EVRM aan het gebruik tot het bewijs van het p-v van politie met een dergelijke verklaring niet in de weg, als de betrokkenheid van verdachte bij het hem tlgd. feit in voldoende mate steun vindt in andere b.m. en dit steunbewijs betrekking heeft op die onderdelen van diens verklaring die door verdachte zijn betwist. In de gebezigde b.m. is voldoende steun te vinden voor de betrokkenheid van verdachte bij het hem tlgd. Samenhang met nr. 16/01809 J.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/01812 J

Zitting: 15 november 2016

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 26 januari 2016 door het gerechtshof Amsterdam wegens “diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen jeugddetentie, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij deels toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, één en ander zoals in het arrest vermeld.

  2. De onderhavige zaak hangt samen met de zaak met nr. 16/01809 J, waarin ik vandaag eveneens concludeer.

  3. Namens de verdachte heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

  4. Alvorens over te gaan tot de bespreking van de middelen, geef ik voor een goed begrip van de zaak de bewezenverklaring, de gebezigde bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen van het hof weer.

  5. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

“hij op 7 december 2013 te Amsterdam op de openbare weg, het Abcouderpad, in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (merk/type: Iphone 4s), een horloge (merk: G-shock) en een zilveren (konings)ketting toebehorende aan [betrokkene 1] (geb. [geboortedatum] /1998), welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen voornoemde [betrokkene 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond, dat hij, verdachte, en/of zijn mededader met kracht van achteren met zijn/hun arm(en) om de nek (wurggreep) van voornoemde [betrokkene 1] heeft/hebben vastgepakt en het lichaam van voornoemde [betrokkene 1] tegen de grond heeft/hebben geduwd en tegen het lichaam van voornoemde [betrokkene 1] heeft/hebben geschopt en dreigend tegen voornoemde [betrokkene 1] heeft gezegd: "Je kent me niet, je kent me gezicht niet".”

6. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL132H-2013302246-1 van 8 december 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (doorgenummerde pagina’s 1-8).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van [betrokkene 1] (geboren op [geboortedatum] 1998):

Op 7 december 2013 omstreeks 23:30 uur verliet ik het verjaardagsfeest van [betrokkene 2] (het hof begrijpt: [betrokkene 2] ) in Amsterdam Zuidoost. Ik verliet het feest met twee andere jongens. Op het moment dat ik de woning daadwerkelijk verliet zag ik dat NN1, NN2, NN3 en NN4 zich nog in de woning bevonden. Ik liep tezamen met vriend 1 en vriend 2 richting het fietspad ‘Abcouderpad’. Ik moest toen opeens naar achteren kijken omdat ik een soort van onderbuikgevoel kreeg, alsof er iets ernstigs zou kunnen gebeuren. Ik keek dus naar achteren en zag vervolgens NN1, NN2, NN3 en NN4 in onze richting komen lopen. Ik kreeg hier onmiddellijk een slecht gevoel over en begon sneller te lopen. Vriend 2 riep nog om sneller te gaan lopen tegen mij. Vervolgens hoorde ik dat vriend 2 werd geroepen, kennelijk door iemand achter ons. Ik keek naar achteren en zag ineens NN1, NN2, NN3 en NN4 vlak achter ons staan. Hun aanwezigheid voelde bedreigend cq intimiderend.

Ik werd krachtig vastgepakt door NN2. Ik zag kans mij iets los te rukken en versneld weg te rennen. Ik werd echter na enkele meters van achteren gepakt (wurggreep bij nek) door NN2 en naar achteren getrokken. Hierdoor viel ik op de grond. Dit tezamen met NN2. Door het krachtig vastpakken door NN2 aan mijn nek, voelde ik pijn aan mijn nek. Doordat NN2 mij naar achteren trok en wij hierdoor op de grond vielen voelde ik pijn aan mijn hele lichaam. Ik was angstig en bang en mijn beide armen werden vastgepakt door NN3. Ik werd vervolgens door NN2 en NN3 meerdere keren krachtig geschopt. Ze schopten tegen mijn hele lichaam. Vervolgens zag ik dat NN2 mijn ketting uit mijn rechterzak wegnam. Vervolgens zag ik NN3 mijn G-shock horloge van mijn linkerarm wegnam en mijn mobiele telefoon, Iphone, uit mijn linker broekzak haalde en van mij wegnam. Gedurende deze beroving heeft NN2 het navolgende richting mij geroepen:

“Je kent me niet, je kent me gezicht niet”. Hiermee bedoelde NN2 dat als ik richting de politie ga, ik problemen ga krijgen.

Weggenomen goederen:

- Zilveren koningsketting

- Horloge merk G-Shock

- Mobiele telefoon Iphone 4S

2. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer PL132C-2013302246-4 van 10 december 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (doorgenummerde pagina’s 9 en 10).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van [betrokkene 3] :

De dag erna, zondag 8 december (het hof begrijpt: 8 december 2013), hoorde ik via FaceBook van mijn zoon (het hof begrijpt: [betrokkene 1] ) dat de gestolen waren terug zouden komen. Eerst zou er sprake zijn van de situatie dat mijn zoon en ik die gestolen spullen bij [betrokkene 2] , het meisje dat het feestje gaf, zouden moeten ophalen. Later zei [betrokkene 2] over Facebook dat zij niets met de zaak te maken wilde hebben en dat zij de jongens die de spullen zouden teruggeven naar mijn adres zou sturen. Later die zondag, ongeveer om 14:30 uur, ging de bel bij mijn woning. Ik zag twee jongens staan. Ik hoorde een van de twee jongens direct zeggen: “Sorry mevrouw, dit was niet de bedoeling, ik was dronken en in een groep, het spijt me dat het zo gelopen is.” Ik heb toen de gestolen spullen van hem aangenomen. Ik hoorde toen diezelfde jongens zeggen dat ze excuses aan [betrokkene 1] wilden aanbieden. Ik zag dat de jongen [betrokkene 1] een hand gaf en zijn excuses aanbood. Deze jongen heeft zijn naam tegen mij gezegd. Hij heette [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte] ).

3. Een proces-verbaal van verhoor aangever met nummer PL132C-2013302246-5 van 10 december 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (doorgenummerde pagina’s 14 en 15).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van [betrokkene 1] :

Op 8 december 2013 om ongeveer 14:30 uur kwamen er twee jongens aan de deur van de woning waar mijn moeder en ik wonen. Ze kwamen mijn spullen terugbrengen. Ik herken de jongens volledig als de jongens die mij de avond ervoor hadden beroofd. De jongen die mij een hand gaf heet [verdachte] , de andere jongen heet [medeverdachte] (het hof begrijpt: [medeverdachte] ).

4. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer PL132C-2013302246-3 van 10 december 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 2] (doorgenummerde pagina’s 18 en 19).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van [betrokkene 2] :

Ik gaf op 7 december 2013 een feestje in mijn huis. Omstreeks 23.00 of 23.30 uur zijn er vijf jongens weggegaan. [betrokkene 4] , [verdachte] , [betrokkene 5] (het hof begrijpt: [betrokkene 5] ), [medeverdachte] en [betrokkene 6] (het hof begrijpt: [betrokkene 6] ). Die zijn tezamen met [betrokkene 1] weggegaan.

[medeverdachte] en [verdachte] hebben het adres van [betrokkene 1] aan mij gevraagd. Ze wilden de spullen eerst aan mij geven zodat ik ze op school kon teruggeven. Ik werd na het feestje rond 2 uur ‘s nachts gebeld door [betrokkene 4] (het hof begrijpt: [betrokkene 4] ). [betrokkene 4] wilde de spullen naar mij brengen maar ik wilde er niets mee te maken hebben. En ik kon ze ook niet binnen laten want ze wilden direct komen.

5. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer PL132C-2013302246-27 van 18 december 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] (doorgenummerde pagina’s 27 en 28).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van [betrokkene 4] :

Rond kwart voor elf zijn [betrokkene 7] , [betrokkene 1] en ik naar huis gegaan. [betrokkene 7] had een fiets. Er kwam een jongen naar me toe en sprak me aan. Toen vroeg hij of ik een mooie telefoon bij me had. Ze waren in totaal met zijn vieren. De jongen die mij aansprak heeft mijn telefoon genomen. [betrokkene 1] was op de grond gelegd en ik zag dat de twee jongens zijn spullen pakten, tenminste een van de jongens had zijn Iphone en ketting. Hierop renden de jongens weg.

6. Een proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer PL132C-2013302246-14 van 17 december 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] (doorgenummerde pagina’s 30-34).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van [betrokkene 5] :

Op 7 december 2013 was ik op een feestje. We hebben gefeest en omstreeks 23.00 uur gingen we naar huis. Op dat moment gingen ook drie jongens weg van het feest. Dat waren [betrokkene 4] , een jongen op een fiets en nog een andere jongen. Wij gingen met zijn drieën, dat wil zeggen ik, [verdachte] en [medeverdachte] , achter deze jongens ook weg van het feest. Op een gegeven moment zag ik dat een jongen uit het groepje van drie die voor ons liepen werd gepakt door [verdachte] . Ik zag namelijk dat [verdachte] deze jongen van achter in een wurggreep om zijn nek beet pakte. Hierdoor ging de jongen naar de grond. Op dat moment zag ik dat [medeverdachte] de andere jongen genaamd [betrokkene 4] ook vloerde. Ik zag namelijk dat [medeverdachte] [betrokkene 4] (het hof vat dit op als een kennelijke verschrijving en begrijpt hier en hierna: [betrokkene 4] ) ook van achteren om zijn nek beet pakte in een wurggreep en naar de grond trok. Ik zag dat [medeverdachte] bij [betrokkene 4] in zijn zakken voelde. Ik hoorde dat de jongen die op de grond lag zeggen dat hij [verdachte] kende van school. Ik hoorde [verdachte] met een kwade en luide toon tegen de jongen zeggen: “Geef me je telefoon”.

De jarige (het hof begrijpt: [betrokkene 2] ) vertelde dat de jongens de gestolen spullen hadden teruggebracht en sorry hadden gezegd.

7. Een proces-verbaal van de terechtzitting van het gerechtshof Amsterdam van 30 juli 2015.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van [betrokkene 1] :

Op 7 december 2013 was ik met anderen van het feestje van [betrokkene 2] onderweg naar huis. Wij werden achtervolgd door een groep van vier personen. Deze vier personen had ik eerder die avond op het feestje gezien. Ik herkende de verdachte [verdachte]. Hij zat in die tijd bij mij op school. Hij zei dat ik spullen moest geven en hij zei: ‘Ik ken je’.”

7. Het hof heeft voorts de volgende bewijsoverwegingen opgenomen in het bestreden arrest:

“Uit de bewijsmiddelen volgt dat [betrokkene 1] direct na de beroving daarvan aangifte op het politiebureau heeft gedaan. [betrokkene 1] geeft later aan dat hij [verdachte] als één van de daders heeft herkend. Die herkenning is blijkbaar wederzijds zo blijkt uit de woorden “Je kent me niet, je kent me gezicht niet” die de dader naar [betrokkene 1] heeft geroepen. De volgende middag staan er twee jongens aan de deur die de gestolen spullen komen terugbrengen. [betrokkene 1] herkent de jongens als de daders van de beroving. De jongen die hem een hand heeft gegeven heet [verdachte] , vertelt hij aan de politie. Uit de verklaringen van [betrokkene 2] en de moeder van [betrokkene 1] blijkt dat [medeverdachte] en [verdachte] aan [betrokkene 2] het adres van [betrokkene 1] hebben gevraagd om de spullen te kunnen terugbrengen. Deze verklaringen worden ondersteund door [betrokkene 5] die heeft verklaard dat hij heeft gezien dat [verdachte] en [medeverdachte] [betrokkene 1] van zijn spullen hebben beroofd. Aangezien [betrokkene 5] [verdachte] en [medeverdachte] naar eigen zeggen al heel lang kent en met ze heeft gedanst is er geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van deze herkenning. In hoger beroep zijn verschillende vruchteloze pogingen gedaan om [betrokkene 5] als getuige te horen. [betrokkene 5] bleek onvindbaar, zodat bevelen medebrenging niet konden worden uitgevoerd. Het moet er dan ook voor gehouden worden dat het horen van deze getuige niet binnen afzienbare tijd mogelijk is. De betrokkenheid van de verdachte bij de straatroof blijkt niet alleen uit de verklaring van [betrokkene 5] , maar volgt ook uit andere bewijsmiddelen, zodat zijn verklaring voor het bewijs kan worden gebezigd.

Het voorgaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, leidt tot het oordeel dat de verdachte samen met een ander [betrokkene 1] op een gewelddadige wijze van zijn spullen heeft beroofd. Anders dan de advocaat-generaal en de raadsvrouw, acht het hof dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Overweging met betrekking tot de aangeboden excuses

Uit het dossier blijkt dat de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] naar [betrokkene 1] zijn huis zijn gegaan om de gestolen spullen terug te brengen.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij tegen de moeder van [betrokkene 1] heeft gezegd: “I’m sorry for your loss”. Hij heeft daar geen Nederlandse vertaling voor. De moeder van [betrokkene 1] heeft deze woorden - zo blijkt uit haar verklaring - opgevat als een schuldbetuiging/schuldbekentenis.

Wat er ook zij van de uitleg die verdachte achteraf aan de gebezigde woorden heeft gegeven, de moeder van [betrokkene 1] heeft ze naar normaal Nederlands taalgebruik opgevat en ook mogen opvatten als excuses voor de diefstal met geweld die het hof hiervoor wettig en overtuigend bewezen heeft geacht.

Gevoerd verweer

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Zij voert daartoe - zakelijk weergegeven - aan dat [betrokkene 4] over de spullen van aangever [betrokkene 1] beschikte en dat de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] de spullen uitsluitend op verzoek van [betrokkene 4] hebben teruggegeven aan aangever. De verklaringen van de verdachten hieromtrent worden ondersteund door de verklaring van [betrokkene 4] .

Op grond van de bewijsmiddelen stelt het hof met betrekking tot de gestolen spullen vast dat aangever [betrokkene 1] op straat in de late avond van 7 december 2013 door twee jongens op een gewelddadige wijze van zijn ketting, horloge en mobiele telefoon is beroofd. Eén van de jongens heeft ’s nachts - vlak na de beroving - [betrokkene 2] gebeld en gevraagd of ze de gestolen spullen aan haar konden geven zodat zij deze op school aan [betrokkene 1] kon teruggeven. [betrokkene 2] wilde er niets mee te maken hebben. Vervolgens heeft zij [medeverdachte] en [verdachte] het adres van [betrokkene 1] gegeven, zodat zij de spullen zelf konden terugbrengen. De twee jongens, de verdachte en zijn medeverdachte, zijn diezelfde middag nog naar het huis van [betrokkene 1] gegaan en hebben daar de gestolen spullen aan de moeder van [betrokkene 1] overhandigd en hebben hun excuses aan hem aangeboden.

Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van het hof het door de verdediging gestelde feitelijk niet aannemelijk geworden. Hierbij heeft het hof er acht op geslagen dat de verklaring van [betrokkene 2] overeenkomt met die van [betrokkene 1] , doch niet strookt met de lezing van de verdachte dat [betrokkene 2] de spullen van [betrokkene 4] zou hebben gekregen en dat hij (en de medeverdachte) de spullen namens [betrokkene 4] zou hebben teruggebracht.

Het verweer wordt derhalve verworpen.”

8. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof (a) heeft verzuimd te beslissen op getuigenverzoeken, (b) getuigenverzoeken heeft afgewezen op gronden die deze afwijzing niet kunnen dragen en (c) verklaringen van getuigen in strijd met art. 6 EVRM tot het bewijs heeft gebezigd.

9. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

(i) In eerste aanleg heeft de kinderrechter de verdachte van het ten laste gelegde vrijgesproken. De officier van justitie heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. In hoger beroep heeft de behandeling van de onderhavige zaak gelijktijdig plaatsgevonden met de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] .

(ii) De (eerste) inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep heeft plaatsgevonden op de terechtzitting van 21 april 2015. De verdachte heeft daarbij onder meer het volgende verklaard:

“Het klopt dat wij spullen hebben teruggegeven aan [betrokkene 1] , maar wij hebben ze niet gestolen. We hebben het zien gebeuren, maar we zijn weggerend. We hebben de spullen later van [betrokkene 4] gekregen.”

Het proces-verbaal van die terechtzitting houdt in dat de raadsvrouwe van de verdachte aldaar het woord tot verdediging heeft gevoerd aan de hand van haar pleitnotities. Die pleitnotities houden onder meer het volgende in:

Tegenstrijdige verklaringen

(…)

Echter, door de verscheidene verklaringen blijft het onduidelijk wat er precies gebeurd is op 7 december 2013.

(…)

Onvolledig onderzoek

De verdediging is van mening dat het politieonderzoek onvolledig is geweest. Belangrijke getuigen, zoals [betrokkene 7] en [betrokkene 6] zijn niet gehoord.

Waarom niet? Dit terwijl [betrokkene 6] op 7 december 2013 aanwezig zou zijn geweest. Immers, zij zou persoon NN1 zijn.

(…)

[betrokkene 6] had de lezing van cliënt, [medeverdachte] en [betrokkene 4] kunnen ondersteunen.

De officier van justitie heeft in eerste aanleg aangegeven geen onbekende getuige / jongen op de fiets te gaan horen. Echter, gebleken is dat het hier om [betrokkene 7] gaat, te weten [betrokkene 7] .

[betrokkene 7] had de lezing van cliënt, [medeverdachte] en [betrokkene 4] kunnen ondersteunen.

(…)

De verdediging stelt zich op het standpunt dat gezien er sprake is van een onvolledig dossier en een onvolledig beeld van de situatie er heel voorzichtig met conclusies dient te worden omgegaan.

(…)

Alternatieve scenario

Zowel cliënt, [medeverdachte] als [betrokkene 4] geven aan dat aangever is beroofd door drie andere jongens.

(…)

Voorwaardelijk verzoek

Mocht uw Gerechtshof tot een bewezenverklaring geraken, dan wenst de verdediging uw Hof het verzoek te doen tot het horen van de navolgende getuigen :

- [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 1998

- [betrokkene 2] , geboren op [geboortedatum] 1998

- [betrokkene 5] , geboren op [geboortedatum] 1995

- [betrokkene 6]

- [betrokkene 7]

De verdediging hecht waarde aan het horen van deze getuigen in het kader van de waarheidsvindingen. De getuigen [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 5] hebben een voor cliënt belastende verklaring afgelegd. Cliënt betwist deze verklaring. Cliënt ontkent met klem iets met de beroving van [betrokkene 1] te maken te hebben gehad.

De getuigen [betrokkene 6] en [betrokkene 7] zijn nog nimmer gehoord, doch waren zij wel aanwezig tijdens de beroving. De getuigen zouden een voor cliënt ontlastende verklaring kunnen afleggen.”

(iii) Bij tussenarrest van 4 mei 2015 heeft het hof het onderzoek heropend en daartoe overwogen dat het onderzoek niet volledig is geweest en dat het de getuigen [betrokkene 1] (aangever) en [betrokkene 5] op de terechtzitting wenst te horen. Het hof heeft de oproeping van de beide getuigen bevolen tegen een nader te bepalen terechtzitting.

(iv) Op de terechtzitting van 30 juli 2015 heeft het hof het onderzoek hervat in de stand waarin het zich bevond ten tijde van de sluiting daarvan op de terechtzitting van 21 april 2015. Het hof heeft de verschenen getuige [betrokkene 1] gehoord. De raadsvrouwe van de verdachte heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid deze getuige te ondervragen. De getuige [betrokkene 5] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Het hof heeft de oproeping van [betrokkene 5] bevolen tegen de terechtzitting van 4 november 2015 en tevens diens medebrenging tegen die terechtzitting gelast.

(v) Op de terechtzitting van 4 november 2015 heeft het hof het onderzoek hervat in de stand waarin het zich bevond ten tijde van de schorsing daarvan op de terechtzitting van 30 juli 2015. De getuige [betrokkene 5] is wederom niet verschenen. De advocaat-generaal heeft toegelicht welke pogingen de politie had ondernomen om uitvoering te geven aan het bevel tot medebrenging. De advocaat-generaal achtte het van belang dat [betrokkene 5] als getuige zou worden gehoord en heeft het hof verzocht het onderzoek daartoe te schorsen. Het proces-verbaal van de terechtzitting houdt in dat de raadsvrouwe het volgende heeft aangevoerd:

“Ik deel het standpunt van de advocaat-generaal dat het onderzoek ter terechtzitting dient te worden geschorst om [betrokkene 5] als getuige te horen. Mijn voorkeur gaat ernaar uit dat hij door de raadsheer-commissaris in dit hof wordt gehoord. Ik sluit mij aan bij de verzoeken van de raadsman van de medeverdachte [medeverdachte] om [betrokkene 6] en [betrokkene 7] als getuige te (doen) horen door de raadsheer-commissaris. Indien de zaak toch moet worden aangehouden om [betrokkene 5] als getuige te horen, dan kunnen zij ook als getuige worden gehoord. Het zou zonde zijn als na het verhoor van [betrokkene 5] blijkt dat nieuwe getuigenverhoren nodig zijn.”

De advocaat-generaal heeft vervolgens medegedeeld dat op de verzoeken om [betrokkene 6] en [betrokkene 7] als getuige te (doen) horen formeel het noodzakelijkheidscriterium van toepassing is en dat zij het van belang achtte dat [betrokkene 6] en [betrokkene 7] als getuigen worden gehoord om een volledig beeld van de zaak te krijgen. Het hof heeft hierop de zaak verwezen naar de raadsheer-commissaris voor het horen van de niet verschenen getuige [betrokkene 5] en voorts beslist dat:

“de verzoeken tot het horen van [betrokkene 6] en [betrokkene 7] als getuige worden beoordeeld aan de hand van het noodzakelijkheidscriterium en dat deze verzoeken worden afgewezen, omdat de verzoeken onvoldoende zijn onderbouwd”.

(vi) Op de terechtzitting van 12 januari 2016 heeft het hof het onderzoek hervat in de stand waarin het zich bevond ten tijde van de schorsing daarvan op de terechtzitting van 4 november 2015. De opgeroepen getuige [betrokkene 5] is andermaal niet verschenen. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat onaannemelijk is dat [betrokkene 5] binnen afzienbare tijd ter terechtzitting zal verschijnen. De raadsvrouwe heeft medegedeeld dat zij formeel geen afstand doet van de getuige [betrokkene 5] , omdat deze getuige gedurende de behandeling nog zou kunnen binnenlopen, maar dat zij zich kan voorstellen dat het hof de behandeling van de zaak zal continueren. Het hof heeft afgezien van het horen van de getuige [betrokkene 5] omdat het hof het onaannemelijk achtte dat deze binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen. Vervolgens is voortgegaan met de inhoudelijke behandeling van de zaak. De advocaat-generaal heeft nogmaals vrijspraak gevorderd. De raadsvrouwe heeft opnieuw het woord tot verdediging gevoerd. Het proces-verbaal van de terechtzitting houdt in dat zij daarbij een verweer heeft gevoerd als weergegeven in het arrest.

(vii) Het eindarrest van het hof van 26 januari 2016 houdt in dat het is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 april 2015, 4 mei 2015, 30 juli 2015, 4 november 2015 en 12 januari 2016 en het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

10. Het middel klaagt– onder (a) – dat het hof heeft verzuimd een beslissing te nemen op de ter terechtzitting van 21 april 2015 voorwaardelijk gedane verzoeken tot oproeping van de getuigen [betrokkene 2] , [betrokkene 6]1 en [betrokkene 7] .

11. Het op de terechtzitting van 21 april 2015 gedane verzoek tot het als getuige horen van [betrokkene 2] was gedaan onder de voorwaarde dat het hof tot een bewezenverklaring komt. Die voorwaarde is ingetreden bij het eindarrest. De bestreden uitspraak houdt geen beslissing in op het verzoek tot het horen van [betrokkene 2] . Het hof heeft het betoog van de raadsvrouwe op de terechtzitting van 4 november 2015, hiervoor onder 9 sub (v) weergegeven, kennelijk aldus begrepen, dat het op de terechtzitting van 21 april 2015 gedane getuigenverzoek niet werd gehandhaafd ten aanzien van [betrokkene 2] . De uitleg van een dergelijk betoog van de raadsvrouwe is voorbehouden aan de feitenrechter en kan in cassatie slechts op begrijpelijkheid worden getoetst. Bij die toetsing komt mede betekenis toe aan het feit dat het gaat om uitlatingen van een rechtsgeleerd raadsvrouwe.2 Ik acht de uitleg van het betoog van de raadsvrouwe door het hof niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik mede in aanmerking dat op de terechtzitting van 4 november 2015 de getuigenverzoeken ter sprake zijn gekomen en dat de raadsvrouwe in dat verband heeft aangevoerd dat, indien de zaak toch moet worden aangehouden om [betrokkene 5] als getuige te horen, [betrokkene 6] en [betrokkene 7] ook als getuige door de raadsheer-commissaris kunnen worden gehoord en het zonde zou zijn als na het verhoor van [betrokkene 5] blijkt dat nieuwe getuigenverhoren nodig zijn. Dat argument zou evenzeer gelden voor het eventueel horen van [betrokkene 2] . Noch op de terechtzitting van 4 november 2015 noch op die van 12 januari 2016 heeft de raadsvrouwe evenwel gerefereerd aan het eerdere verzoek tot het horen van [betrokkene 2] als getuige. Daaraan heeft het hof de gevolgtrekking kunnen verbinden dat het voorwaardelijk verzoek tot het horen van [betrokkene 2] kennelijk niet is gehandhaafd. Gelet op het voorafgaande, mist de klacht dat het hof heeft verzuimd te beslissen op het verzoek tot het horen van [betrokkene 2] feitelijke grondslag.

12. Het middel klaagt voorts tevergeefs dat het hof heeft verzuimd te beslissen op het ter terechtzitting van 21 april 2015 voorwaardelijk gedane verzoek tot oproeping van [betrokkene 6] en [betrokkene 7] . Nadat de raadsvrouwe op die terechtzitting voorwaardelijk had verzocht [betrokkene 6] en [betrokkene 7] te horen, heeft zij op de terechtzitting van 4 november 2015 onvoorwaardelijk verzocht hen te horen. Anders dan de steller van het middel ingang wil doen vinden, is het hof er kennelijk en niet onbegrijpelijk van uitgegaan dat sprake is geweest van één verzoek ten aanzien van dezelfde getuigen dat in die zin is aangepast dat de raadsvrouwe nadien de gestelde voorwaarde heeft laten vervallen. Het gaat daarbij in die benadering om één opgave van getuigen. Nu het hof op de terechtzitting van 4 november 2015 heeft beslist op het verzoek tot het horen van [betrokkene 6] en [betrokkene 7] , is ten aanzien van deze getuigen geen sprake van een verzuim te beslissen, zoals in het middel bedoeld.

13. De klacht faalt.

14. Het middel klaagt voorts – onder (b) – dat het hof het op de terechtzitting van 4 november 2015 gedane verzoek tot oproeping van de getuigen [betrokkene 6] en [betrokkene 7] heeft afgewezen op gronden die deze afwijzing niet kunnen dragen, althans dat die afwijzing onbegrijpelijk is in het licht van hetgeen ter onderbouwing van het verzoek is aangevoerd.

15. Het verzoek tot het horen van de getuigen [betrokkene 6] en [betrokkene 7] is een verzoek op de voet van art. 328 en 331 Sv, in verbinding met art. 315 en 415 Sv. Maatstaf bij de beslissing op een dergelijk verzoek is of de noodzaak tot het horen van de getuigen is gebleken. Het hof heeft aldus de juiste maatstaf gehanteerd. Het middel klaagt daarover ook niet.

16. Het noodzakelijkheidscriterium houdt verband met de taak en de verantwoordelijkheid van de strafrechter voor de volledigheid van het onderzoek van de zaak. Een dergelijk verzoek kan worden afgewezen op de grond dat de rechter zich door het verhandelde ter terechtzitting voldoende ingelicht acht en hem dus de noodzakelijkheid van het gevraagde verhoor niet is gebleken. Bij de vraag in welke mate een afwijzing van een verzoek op de voet van art. 328 en 331 Sv, in verbinding met art. 315 Sv, (nader) dient te worden gemotiveerd, zijn de aard van het onderwerp waarover de getuigen zouden kunnen verklaren van belang alsmede de indringendheid van de door de verdediging aangevoerde argumenten om hen te horen.3 Bij de beoordeling van de afwijzing van een verzoek tot het oproepen van getuigen gaat het in cassatie om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen.4

17. De raadsvrouwe heeft op de terechtzitting van 21 april 2015 vrijspraak bepleit en daartoe onder meer aangevoerd dat onduidelijk is gebleven wat precies is gebeurd op 7 december 2013, dat zowel de verdachte, [medeverdachte] als [betrokkene 4] een alternatief scenario hebben geschetst waarin [betrokkene 1] is beroofd door drie andere jongens en dat het politieonderzoek onvolledig is geweest. Zij heeft in dit verband aangevoerd dat belangrijke getuigen, zoals [betrokkene 6] en [betrokkene 7] , niet zijn gehoord en dat beiden aanwezig waren tijdens de beroving en de lezing van de verdachte hadden kunnen ondersteunen. Deze getuigen zouden aldus een voor hem ontlastende verklaring kunnen afleggen.

18. Het hof heeft het verzoek tot het horen van [betrokkene 6] en [betrokkene 7] afgewezen omdat het dit verzoek onvoldoende onderbouwd achtte. In het licht van enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen, acht ik de afwijzende beslissing van het hof niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Hierbij neem ik het volgende in aanmerking. De getuigenverzoeken zijn slechts in beperkte mate onderbouwd. Kennelijk strekten de verzoeken ertoe een door de verdediging geopperd alternatief scenario te onderbouwen. Het hof heeft dat alternatieve scenario in een hiervoor onder 7 weergegeven overweging onder de aanhef ‘gevoerd verweer’ – niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd – niet aannemelijk bevonden.5 Het hof heeft er daarbij onder meer acht op geslagen dat de verklaring van de aangever overeenkomt met die van [betrokkene 2] , maar niet strookt met de lezing van de verdachte. Het hof heeft zich door het verhandelde ter terechtzitting kennelijk voldoende ingelicht geacht en is tot het oordeel kunnen komen dat de getuigenverzoeken onvoldoende waren onderbouwd.

19. Daarbij komt dat bij de beantwoording van de vraag naar het – rechtens te respecteren – belang bij een cassatiemiddel over de afwijzing van een verzoek een getuige op te roepen dan wel te horen, onder omstandigheden ook een rol kan spelen dat onvoldoende duidelijk is welke betekenis het horen van de getuige kan hebben voor het beantwoorden van één van de vragen van art. 348 en 350 Sv. Van de verdediging kan in dergelijke gevallen worden gevergd dat zij – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie – in de cassatieschriftuur toelicht welk belang zij heeft bij een klacht over de afwijzing van het verzoek die getuige te horen.6In de onderhavige schriftuur ontbreekt een dergelijke toelichting, terwijl het belang bij de klacht niet evident is, gelet op de bewijsconstructie en de onder 7 weergegeven motivering van de verwerping van het verweer.

20. De klacht faalt.

21. Het middel klaagt ten slotte – onder (c) – dat het hof de verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 5] in strijd met art. 6 EVRM tot het bewijs heeft gebezigd, terwijl de verdediging deze getuigen à charge niet heeft kunnen ondervragen.

22. De klacht ten aanzien van de getuige [betrokkene 2] stuit af op het feit dat het hof niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat de raadsvrouwe het verzoek tot het horen van deze getuige niet heeft gehandhaafd. In dit verband volsta ik met verwijzing naar hetgeen hiervoor onder 11 is vermeld.

23. De steller van het middel betoogt dat de verklaring van [betrokkene 5] in het geheel van de bewijsvoering ‘decisive’ moet worden geacht in de betekenis die daaraan toekomt in de jurisprudentie van het EHRM, aangezien zonder zijn verklaring onvoldoende wettig bewijs voorhanden is voor een bewezenverklaring. Nu geen of onvoldoende compenserende maatregelen aanwezig zijn voor het niet door de verdediging kunnen ondervragen van [betrokkene 5] , is het gebruik voor het bewijs van zijn verklaring in strijd met art. 6 EVRM, aldus de steller van het middel.

24. De als bewijsmiddel 1 gebezigde verklaring van [betrokkene 1] houdt in dat hij krachtig werd vastgepakt door een persoon aangeduid als NN2, kans zag zich iets los te rukken en versneld weg te rennen, maar na enkele meters door NN2 van achteren met een wurggreep bij de nek werd gepakt en naar achteren werd getrokken, waardoor zij op de grond vielen. Beide armen van [betrokkene 1] werden vastgepakt door NN3, waarna NN2 en NN3 hem tegen zijn lichaam schopten. NN2 nam de ketting uit de rechterzak van [betrokkene 1] en NN3 nam zijn horloge van zijn linkerarm en zijn mobiele telefoon uit zijn linker broekzak. Gedurende de beroving heeft NN2 tegen [betrokkene 1] geroepen: “Je kent me niet, je kent me gezicht niet.” De als bewijsmiddel 3 gebezigde verklaring van [betrokkene 1] houdt in dat de volgende dag twee jongens, genaamd [verdachte] en [medeverdachte] (naar het hof niet onbegrijpelijk heeft vastgesteld: de verdachte en [medeverdachte] ), aan de deur kwamen die zijn spullen kwamen terugbrengen en dat hij hen volledig herkende als de jongens die hem de avond ervoor hadden beroofd.

25. Het hof heeft de verklaring van [betrokkene 1] dat hij de twee jongens die aan de deur kwamen, herkende als de jongens die hem hadden beroofd kennelijk aldus uitgelegd, dat hij die twee jongens herkende als de in bewijsmiddel 1 genoemde NN2 en NN3. Die uitleg van de verklaring van [betrokkene 1] , die van feitelijke aard is, is niet onbegrijpelijk.

26. Anders dan de steller van het middel aanvoert, kan tegen de achtergrond van het voorafgaande niet worden gezegd dat de tot het bewijs gebezigde verklaring van [betrokkene 5] , in het licht van de gehele bewijsvoering, ‘decisive’ is in de betekenis die daaraan toekomt in de jurisprudentie van het EHRM. In het bestreden arrest ligt als het niet onbegrijpelijke oordeel van het hof besloten dat de betrokkenheid van de verdachte bij het hem ten laste gelegde feit in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen dan de verklaring van de getuige [betrokkene 5] en dat dit steunbewijs betrekking heeft op die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist.7

27. Het middel faalt.

28. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof de in de verklaring van de moeder van [betrokkene 1] (bewijsmiddel 2) tot uitdrukking komende woorden van de verdachte heeft gedenatureerd door daaraan ten onrechte de betekenis te geven dat excuses werden gemaakt voor de bewezen verklaarde diefstal met geweld, althans dat de duiding van die woorden door het hof onbegrijpelijk is.

29. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte en [medeverdachte] naar de woning van [betrokkene 1] zijn gegaan om de gestolen spullen terug te brengen. Bewijsmiddel 2 houdt in dit verband in dat de verdachte tegen de moeder van [betrokkene 1] heeft gezegd: “Sorry mevrouw, dit was niet de bedoeling, ik was dronken en in een groep, het spijt me dat het zo gelopen is.” Daarbij is voorts gezegd dat zij excuses aan [betrokkene 1] wilden aanbieden. Het hof heeft onder het kopje “Overweging met betrekking tot de aangeboden excuses” geoordeeld dat de moeder van [betrokkene 1] de gebezigde woorden naar normaal Nederlands taalgebruik heeft mogen opvatten als excuses voor de bewezen verklaarde diefstal met geweld.

30. Die uitleg, die behoort tot het domein van de feitenrechter, is niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat in de bewuste verklaring van de moeder van [betrokkene 1] wordt gesproken over “de gestolen waren” en “de zaak” en over “ [betrokkene 2] , het meisje dat het feestje gaf”. Niet kan worden gezegd dat het hof aan de in de verklaring van de moeder van [betrokkene 1] bedoelde woorden van de verdachte een andere betekenis heeft gegeven dan hij kennelijk bedoeld heeft daaraan te geven.8

31. Het middel faalt.

32. De middelen falen. Het tweede middel kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

33. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Op de terechtzitting van 21 april 2015 door de raadsvrouwe aangeduid als ‘ [betrokkene 6] ’.

2 Vgl. HR 15 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR3260, rov. 3.3 en HR 19 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4464, rov. 3.3. Vgl. voorts HR 28 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9426, rov. 3.4 (uitleg pleitaantekeningen), HR 26 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9036, rov. 2.4.1 (uitleg appelschriftuur) en A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, achtste druk, Deventer: Kluwer 2015, p. 224-226 (uitleg verweren en uitdrukkelijk onderbouwde standpunten).

3 HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, m.nt. Borgers, rov. 2.8 en 2.9.

4 HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, m.nt. Borgers, rov. 2.76

5 Vgl. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1559, NJ 2014/442 en HR 15 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:409.

6 HR 8 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2468, NJ 2015/417, m.nt. Schalken.

7 Vgl. HR 10 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1744, NJ 2014/313, m.nt. Schalken.

8 Vgl. HR 18 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB8870, rov. 4.3.