Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:1445

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
13-12-2016
Datum publicatie
31-01-2017
Zaaknummer
15/02567
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:118, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Niet beslist op telefonisch aanhoudingsverzoek van secretaresse van raadsvrouwe. Hof heeft met het oog op het belang van het recht van verdachte op verdediging in de onverklaarde afwezigheid van de raadsvrouwe aanleiding gevonden door de griffier te laten onderzoeken of zij op de hoogte was van de tz. in h.b. Secretaresse van raadsvrouwe heeft de reden voor het niet-verschijnen telefonisch aan griffier medegedeeld (tz. verkeerd genoteerd in agenda) en verzocht de zaak aan te houden. Uit de omstandigheid dat tegen niet verschenen verdachte verstek is verleend en met de behandeling van de zaak is voortgegaan, moet worden afgeleid dat het Hof het aanhoudingsverzoek heeft afgewezen. Met het oog op belang van het recht op verdediging had het Hof die afwijzing met redenen behoren te omkleden. CAG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/02567

Zitting: 13 december 2016

Mr. W.H. Vellinga

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 21 mei 2015 door het Gerechtshof Den Haag op de voet van het bepaalde in art. 416 lid 2 Sv niet ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de Rechtbank Rotterdam d.d. 3 november 2014, waarbij hij wegens 1 “wederspannigheid” en 2 “bedreiging met openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen” bij verstek is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken.

  2. Namens de verdachte heeft mr. B. Kizilocak, advocaat te Rotterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel klaagt dat het hof heeft verzuimd te beslissen op een zijdens de verdediging gedaan verzoek om het onderzoek ter terechtzitting te schorsen.

  4. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt daaromtrent het volgende in:

“De verdachte, gedagvaard als:

[verdachte],

(…)

is niet ter terechtzitting verschenen.

De raadsvrouw van de verdachte, mr. S. Raza, advocate te Rotterdam, is evenmin ter terechtzitting verschenen.

De griffier neemt telefonisch contact op het met het advocatenkantoor van mr. Raza. De secretaresse van mr. Raza deelt desgevraagd mede dat de datum van de terechtzitting verkeerd is genoteerd in de agenda en dat mr. Raza heden elders zitting heeft. De secretaresse verzoekt de zaak aan te houden voor onbepaalde tijd.

Het gerechtshof verleent verstek tegen de niet-verschenen verdachte.

De advocaat-generaal draagt de zaak voor en vordert, nu de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch heden ter terechtzitting is verschenen, dat de verdachte op grond van artikel 416, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep.

Na sluiting van het onderzoek door de voorzitter doet het gerechtshof terstond uitspraak.”

5. Het hof heeft het door de secretaresse van verdachtes raadsvrouw gedane verzoek tot aanhouding kennelijk niet gezien als een verzoek waarop hij gelet op het bepaalde in art. 328 jo. 331 jo. 415 Sv diende te beslissen. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Het Wetboek van Strafvordering, in het bijzonder het bepaalde in art. 328 jo. 331 Sv, voorziet niet in de mogelijkheid dat zijdens de verdachte anderen dan verdachte en zijn advocaat een verzoek tot aanhouding doen.1 Dat klemt in het onderhavige geval temeer omdat de secretaresse van verdachtes raadsvrouw kennelijk niet namens verdachtes advocate maar - overigens een lofwaardig initiatief om te redden wat er te redden viel - op eigen houtje handelde. Het is mosterd na de maaltijd, maar zij had een daartoe gemachtigd confrère van mr. Raza moeten inschakelen om het verzoek te doen.

6. Het valt op dat in cassatie geheel in het midden blijft of verdachtes raadsvrouw wel aanhouding van de behandeling had willen verzoeken om verdachte in staat te stellen het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep bij te wonen. Het kan heel wel zo zijn dat zij geen contact meer heeft gehad met haar cliënt en daarom ter terechtzitting ook niets van belang naar voren kon c.q. wilde brengen.

7. Voorts wordt in de toelichting op het middel gesteld dat het hof de behandeling van de zaak had moeten aanhouden omdat de verdachte onmiskenbaar door een fout van zijn advocaat verstoken bleef van rechtsbijstand.

8. De verdachte heeft bij gemachtigde hoger beroep ingesteld. Er is getracht de dagvaarding in hoger beroep uit te reiken op het bij het instellen van het hoger beroep opgegeven adres [a-straat 1], Rotterdam. Dat is niet gelukt. Vervolgens is de dagvaarding uitgereikt aan de griffier van de rechtbank en is de dagvaarding hoger beroep per brief gezonden naar genoemd adres. Verdachte is niet ter terechtzitting in hoger beroep verschenen en heeft dus niet van de mogelijkheid gebruik gemaakt zijn bezwaren tegen het vonnis van de politierechter op te geven. In aanmerking genomen dat de verdachte met het oog op het bijwonen van het hoger beroep de justitiële autoriteiten niet op de hoogte heeft gesteld van een adres waarop hij bereikbaar was hoewel hij, nu hij immers hoger beroep heeft ingesteld, wist dat zijn zaak in hoger beroep zou worden behandeld, heeft de verdachte niet alle van hem redelijkerwijs te vergen moeite gedaan2 om zijn zaak te dienen.3 In die omstandigheden behoefde het hof in het bepaalde in art. 6 lid 1 jo. lid 3, aanhef en onder c, EVRM geen aanleiding te zien de behandeling van de zaak ambtshalve aan te houden.4 Daarbij teken ik aan dat in cassatie niet wordt gesteld dat verdachtes raadsvrouwe, die volgens een aan de schriftuur gehecht mailbericht “door cliënt bepaaldelijk was gevolmachtigd om de verdediging namens cliënt te voeren”, voorafgaand aan de zitting overleg met de verdachte heeft gepleegd over de te voeren verdediging, alsmede over de vraag of hij al dan niet ter terechtzitting in hoger beroep zou verschijnen.

9. Het middel faalt.

10. Het tweede middel houdt in dat het oordeel dat de verdachte niet ontvankelijk is in zijn hoger beroep gelet op de bijzonderheden van de onderhavige zaak onbegrijpelijk is gemotiveerd.

11. Het Hof motiveerde de niet-ontvankelijkheid van de verdachte in zijn hoger beroep als volgt:

“De verdachte heeft geen schriftuur met grieven tegen het vonnis ingediend. Evenmin heeft hij ter terechtzitting in hoger beroep mondeling bezwaren tegen het vonnis opgegeven. Het hof ziet ambtshalve geen redenen voor een inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep. Daarom zal de verdachte, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.”

12. Volgens de toelichting op het middel had het hof in de bijzondere omstandigheden van het onderhavige geval, hierin bestaande dat verdachtes raadsvrouwe door een vergissing harerzijds het onderzoek ter terechtzitting niet heeft bijgewoond, aanleiding moeten zien af te zien van niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep op grond van het bepaalde in art. 416 lid 2 Sv.

13. Bij de bespreking van het eerste middel heb ik uiteengezet waarom het hof de behandeling van de zaak niet had behoeven aan te houden. Daarvan uitgaande heeft de verdachte noch in eerste aanleg noch in hoger beroep, noch in persoon noch bij monde van zijn advocaat verweer gevoerd. In die omstandigheden geeft het oordeel van het hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is het niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

14. Helemaal onvoordelig is de beslissing van het hof voor de verdachte overigens niet. Deze behoedt hem immers voor eventuele oplegging van een zwaardere straf, een mogelijkheid die de appelrechter ook heeft indien alleen de verdachte in hoger beroep is gekomen.

15. Het middel faalt.

16. Het (bij aanvullende schriftuur ingediende) derde middel houdt in dat de beslissing van het hof dat de verdachte niet-ontvankelijk is, onbegrijpelijk is omdat geen proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg is opgemaakt.

17. De verdachte is in eerste aanleg bij verstek veroordeeld, dus niet ter terechtzitting verschenen. In cassatie wordt niet gesteld dat op de terechtzitting in eerste aanleg getuigen of deskundigen zijn gehoord dan wel een benadeelde partij zich in het strafproces heeft gevoegd terwijl van een of ander ook niet blijkt uit de stukken die de griffier van het hof op de voet van het bepaalde in art. 434 lid 1 Sv heeft gezonden aan de griffier van de Hoge Raad. Gelet op het bepaalde in art. 378 lid 2, aanhef en onder d, Sv behoefde de politierechter in de onderhavige zaak dus geen proces-verbaal van de terechtzitting op te maken.

18. In de toelichting op het middel wordt niet gesteld dat de verdachte door het ontbreken van dat proces-verbaal niet in staat was grieven tegen het vonnis op te geven. Dat ligt ook niet voor de hand omdat verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg niet is verschenen en de behandeling in eerste aanleg zich dus zal hebben beperkt tot het voordragen van de zaak, de mededeling van de korte inhoud van de stukken en het voorlezen van de vordering door de officier van justitie, terwijl de inhoud van de vordering kenbaar is uit de zich in het dossier bevindende, door de officier van justitie overeenkomstig het bepaalde in art. 311 lid 1 Sv overgelegde vordering.

19. De beslissing van het hof dat de verdachte niet-ontvankelijk is, is dus - ook al is geen proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg opgemaakt - allesbehalve onbegrijpelijk.

20. Het middel faalt.

21. Het tweede en het derde middel kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

22. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

23. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 17 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9205, NJ 2012, 322, m.nt. T.M. Schalken onder NJ 2012, 323.

2 Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, rov. 3.37: “van degene die hoger beroep instelt en prijs stelt op berechting op tegenspraak, [mag] worden verwacht dat hij de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen neemt om te voorkomen dat de appèldagvaarding hem niet bereikt of de inhoud daarvan niet te zijner kennis komt.”

3 Zie voor het belang van deze omstandigheid EHRM 22 november 2011, Appl. no. 48132/07 (Andreyev v. Estonia), par. 77.

4 Vgl. HR 12 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:16, waarin geoordeeld werd dat van verschoonbare termijnoverschrijding bij het instellen van een rechtsmiddel geen sprake was, ook al had de verdachte voor het tijdig instellen van het rechtsmiddel - naar later bleek ten onrechte - vertrouwd op zijn advocaat.