Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:1438

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-11-2016
Datum publicatie
15-02-2017
Zaaknummer
15/03430
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:232
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag, artt. 552a en 94 Sv. Strafvorderlijk belang bij voortduring van het beslag per inbeslaggenomen stuk duidelijk maken? OM-cassatie. De Rb. heeft bij de beoordeling van het belang van strafvordering met het oog op de waarheidsvinding een te hoge eis gesteld. In de overwegingen van de Rb. ligt als haar oordeel besloten dat het OM het strafvorderlijk belang bij voortduring van het beslag onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt, nu niet per inbeslaggenomen stuk is duidelijk gemaakt in hoeverre het dienstig zou kunnen zijn aan het aan het licht brengen van de waarheid of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/03430 B

Zitting: 8 november 2016

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[klaagster 1] en [klaagster 2]

  1. De rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, heeft bij beschikking van 7 juli 2015 en tussenbeschikkingen van 15 juli 2014 en 11 november 2014 het namens de klaagsters ingediende klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, partieel gegrond verklaard.

  2. Tegen de tussenbeschikking van 11 november 2014 heeft de officier van justitie, mr. J.J.M. Brands-van Mullem, bij afzonderlijke aktes van 24 november 2014 in de zaak tegen [klaagster 1] en in de zaak tegen [klaagster 2] beroep in cassatie ingesteld. Voorts heeft diezelfde officier van justitie bij afzonderlijke aktes van 17 juli 2015 in de zaak tegen [klaagster 1] en in de zaak tegen [klaagster 2] beroep in cassatie ingesteld tegen enkel de eindbeschikking.

In aanmerking genomen dat noch art. 552d Sv noch enige andere wetsbepaling in afzonderlijk cassatieberoep tegen een tussenbeschikking voorziet en mede gelet op het feit dat van de zijde van het openbaar ministerie maar één cassatieschriftuur is binnengekomen, zal ik het - overeenkomstige de kennelijke bedoeling van mr. J.J.M. Brands-van Mullem - ervoor willen houden dat de vier afzonderlijke partiële beroepen samen één cassatieberoep opleveren tegen de gehele eindbeschikking en de gehele daaraan voorafgaande tussenbeschikking van 11 november 2014.

3. De officier van justitie, mr. M. van der Horst heeft een middel van cassatie voorgesteld.

4 De bestreden beschikkingen

4.1.

De tussenbeschikking van 11 november 2014 houdt in:

“2. De procesgang

Het klaagschrift is op 6 mei 2014 ter griffie van deze rechtbank ingediend. De rechtbank heeft het klaagschrift eerder op 8 en 15 juli 2014 in openbare raadkamer behandeld. Bij beschikking van 15 juli 2014 heeft de rechtbank het klaagschrift gedeeltelijk gegrond verklaard en de teruggave gelast aan klagers van in de beschikking genoemde voorwerpen.

Met betrekking tot het overige gedeelte van het klaagschrift heeft de rechtbank de behandeling in raadkamer aangehouden, waarbij de officier van justitie de opdracht heeft gekregen om van ieder voorwerp aan te geven welke relatie het voorwerp heeft met de [verdachten] in het onderzoek en hoe dat voorwerp kan bijdragen [aan] aan de dag brengen van de waarheid. Op 28 oktober 2014 heeft de rechtbank de behandeling in raadkamer hervat. Tijdens voornoemde behandeling heeft de rechtbank de officier van justitie en de raadsman gehoord.

3. Standpunten der partijen

De raadsman van klagers heeft in raadkamer een pleitnota overgelegd waarin namens klagers - kort gezegd - wordt gesteld dat de onder klagers in beslag genomen bescheiden geen aanknopingspunten bieden voor een nader financieel onderzoek voor de vaststelling van (eventueel) wederrechtelijk verkregen voordeel. De doorzoeking en de inbeslagneming is onrechtmatig nu er slechts sprake is van een fishing expedition. Daarnaast wordt aangevoerd dat er geen sprake is van enig vermoeden dat klagers veroordeeld zullen worden voor het begaan van een strafbaar feit noch dat er sprake is van enig vermoeden dat klagers ter zake, dan wel uit soortgelijke feiten, wederrechtelijk voordeel hebben genoten. Van enig vermoeden, zoals strafvorderlijk is vereist, is geen sprake en ook hier geldt dat sprake is van een fishing expedition. Verder wordt namens klagers naar voren gebracht dat de stelling van het Openbaar Ministerie dat in onderzoeken naar vastgoedtransacties geregeld sprake is van constructies met “potjes”, erop gericht is om de waarheid te versluieren, nu er in casu slechts één onroerendgoedtransactie (met betrekking tot de [a-straat 1] ) aan de orde is. Voornoemde transactie heeft overigens plaatsgevonden op basis van een taxatierapport van [B] B.V. Hooguit met betrekking tot de stukken die in verband staan met de [a-straat 1] zou enig begrip kunnen worden opgebracht voor de inbeslagneming en het in beslag houden ervan. Voor de overige in beslag genomen voorwerpen geldt dat het Openbaar Ministerie op geen enkele wijze inzichtelijk heeft gemaakt wat het vermoeden zou zijn als vereist voor de toepassing van artikel 94 Sv. Aangaande de stelling van het Openbaar Ministerie dat het SFO-team nog niet in staat is geweest het digitale beslag te kijken, waarbij het Openbaar Ministerie wijst op een uitspraak van de Hoge Raad van 9 oktober 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BX5510), stellen klagers zich op het standpunt dat anders dan in onderhavige zaak het geval is, in deze zaak wel sprake was van vermoedens die een rechtmatige grondslag vormde voor de toepassing van artikel 94 Sv. Namens klagers wordt verder nog naar voren gebracht dat het Openbaar Ministerie in zijn verweerschrift voor de zitting van 15 juli 2014 heeft aangevoerd dat het beslag diende voor de waarheidsvinding met betrekking tot vermoedelijk gepleegde strafbare feiten. Echter, in zijn aanvullend verweerschrift komt het Openbaar Ministerie met de tournure dat de inbeslagname thans van belang is voor “soortgelijke feiten” en voor het aantonen van wederrechtelijk verkregen voordeel. Deze manoeuvre van de “soortgelijke feiten” is enkel bedoeld om te versluieren dat er geen enkel vermoeden is, zoals voor de toepassing van artikel 94 Sv vereist is.

De officier van justitie heeft op 3 oktober 2014 een aanvullend verweerschrift ingediend waarin het Openbaar Ministerie zich - kort gezegd - op het standpunt stelt dat het klaagschrift op alle punten ongegrond dient te worden verklaard. Hiertoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat de aangevraagde machtiging SFO ten behoeve van [betrokkene 1] als ook de machtiging 102 [AEH:103]-Sv ten behoeve van conservatoire beslaglegging bij [betrokkene 2] ruimschoots voor de zoekdag zijn aangevraagd. In de daaropvolgende aanvragen ten behoeve van de doorzoekingen is steeds aangegeven dat deze niet enkel dienden voor de waarheidsvinding, maar ook voor de vaststelling van het eventueel genoten wederrechtelijk verkregen voordeel. Daarnaast dient in het kader van het financiële onderzoek nog nader onderzoek te worden gedaan naar aanwijzingen voor “andere (of soortgelijke) strafbare feiten” zoals bedoeld in artikel 36e lid 2 Sr als ook naar het vermogen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . Verder heeft de officier van justitie aangevoerd dat onder het belang van strafvordering ook wordt begrepen “het aantonen van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in 36e Sr”. Het merendeel van het beslag dient (vooralsnog) beschikbaar te blijven voor het financieel onderzoek en de ontnemingsprocedure. Met betrekking tot het verzoek van klagers tot vernietiging van digitale gegevens(dragers) heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat hiervan geen sprake kan zijn, nu het SFO-team nog niet in staat is geweest om het digitale beslag te bekijken. Hierbij heeft de officier van justitie verwezen naar een uitspraak van de Hoge Raad van 9 oktober 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BX5510), waaruit volgt dat de opsporing de kans moet worden geboden om (digitaal) beslag zorgvuldig te kunnen bekijken, zeker als het een uitgebreid en gecompliceerd onderzoek betreft, hetgeen onderhavige zaak het geval is. Ten slotte heeft de officier van justitie aangevoerd dat de opsporingsdienst - begrijpt het OM - een digitale kopie van het volledige administratieve beslag heeft gemaakt, die - indien gewenst - aan klagers ter beschikking kan worden gesteld. Tevens blijft het gehele onderzoeksdossier voor inzage ter beschikking van klagers en kunnen er eventueel ook fysieke afschriften van betreffende stukken worden verstrekt. Nu het volledige beslag ter beschikking is van klagers stelt het Openbaar Ministerie zich op het standpunt dat klagers geen belang hebben bij een teruggave van het beslag.

4. De beoordeling

Er rust artikel 94 Sv beslag op fysieke administratieve bescheiden als ook op digitale gegevens, welke inbeslaggenomen zijn onder klagers. De rechtbank dient allereerst de vraag te beantwoorden of ten tijde van deze beslissing het strafvorderlijk belang het voortduren van het beslag vordert. Ondanks dat de inbeslaggenomen spullen en digitale gegevens nu toch al 8 maanden in het bezit zijn van het openbaar ministerie en zij derhalve ruim de tijd heeft gehad de inbeslaggenomen spullen en gegevens te onderzoeken waardoor het beroep op de uitspraak van de Hoge Raad van 9 oktober 2012 niet kan slagen, heeft het openbaar ministerie onvoldoende duidelijk kunnen maken welk min of meer enigszins concreet gemaakt strafvorderlijk belang zij heeft bij het voortduren van het beslag. Gelet het verloop van tijd had dit zeker wel van het openbaar ministerie verwacht mogen worden. Zij is daar niet in geslaagd, met uitzondering van de transacties met betrekking tot de [a-straat 1] . De vermogensverschuivingen die bij die transacties hebben plaatsgevonden zijn zodanig opmerkelijk dat spullen en gegevens die op die transacties zien noodzakelijk kunnen zijn voor onderzoek om de waarheid aan het licht te brengen. Voor de inbeslaggenomen spullen en gegevens die informatie in zich hebben over deze specifieke transacties bestaat er wel een strafvorderlijk belang. Voor de overige spullen en gegevens niet.

Het vorenstaande brengt met zich mee dat een groot deel van de inbeslaggenomen spullen en digitale gegevens teruggegeven dienen te worden en dat kopieën vernietigd dienen te worden. Uit de summiere omschrijving van de inbeslaggenomen spullen en digitale gegevens kan de rechtbank niet (altijd) duidelijk opmaken welke spullen en gegevens wel en welke niet betrekking hebben op transacties rond de [a-straat 1] . Gelet hierop geeft de rechtbank aan de officier van justitie opdracht binnen 3 weken aan te geven welke specifieke spullen en gegevens direct betrekking hebben op de [a-straat 1] , met vermelding van de reden waaruit die betrokkenheid bij de [a-straat 1] blijkt. Vervolgens zal aan klagers een week de gelegenheid worden geboden op de informatie van de officier van justitie te reageren. Indien de verzochte informatie niet binnen drie weken van de officier van justitie is verkregen, gaat de rechtbank ervan uit dat alle spullen en gegevens retour kunnen c.q. vernietigd kunnen worden, met uitzondering van de inbeslaggenomen stukken met de navolgende codes

W.01.02.013;

W.03.01.005.

5. Beslissing

De rechtbank:

- schorst, gehoord de officier van justitie en klagers raadsman de behandeling in raadkamer voor onbepaalde tijd;

geeft opdracht aan de officier van justitie om de rechtbank:

binnen drie weken na heden te informeren welke specifieke spullen en gegevens direct betrekking hebben op de [a-straat 1] , met vermelding van de reden waaruit de betrokkenheid bij de [a-straat 1] blijkt;

- beveelt de oproeping van klagers en hun raadsman, mr. J.L.E. Marchal, advocaat te Maastricht, tegen de dag en het tijdstip waarop de behandeling in raadkamer wordt hervat.”

4.2.

De eindbeschikking van 7 juli 2015 houdt in:

“De procesgang

Het klaagschrift is op 6 mei 2014 ter griffie van de rechtbank ingediend. De rechtbank heeft op 8 en 15 juli 2014 de officier van justitie, de belanghebbenden en de raadsman in openbare raadkamer gehoord. Namens de belanghebbende [klaagster 2] is op 15 juli 2014 [betrokkene 3] in raadkamer verschenen en gehoord. Op 15 juli 2014 heeft de rechtbank het klaagschrift gedeeltelijk gegrond verklaard en de teruggave van een aantal voorwerpen en digitale gegevens(dragers) aan de belanghebbenden gelast, omdat het openbaar ministerie aangegeven had dat zij bij die bescheiden en gegevens geen strafvorderlijk belang (meer) hadden. Voorts heeft de rechtbank de behandeling in raadkamer voor onbepaalde tijd geschorst, met opdracht aan de officier van justitie om ten aanzien van de overige voorwerpen aan te geven welke relatie het voorwerp heeft met de verdachten in het onderzoek en hoe dat voorwerp kan bijdragen aan het aan de dag brengen van de waarheid. Op 28 oktober 2014 heeft de rechtbank de behandeling in raadkamer hervat. Tijdens voornoemde behandeling heeft de rechtbank de officier van justitie en de raadsman gehoord. De rechtbank heeft de behandeling in raadkamer vervolgens voor onbepaalde tijd geschorst, met opdracht aan de officier van justitie om de rechtbank binnen drie weken na heden te informeren welke specifieke spullen en gegevens direct betrekking hebben op de [a-straat 1] , met vermelding van de reden waaruit de betrokkenheid bij de [a-straat 1] blijkt.

De rechtbank heeft op 9 juni 2015 de officier van justitie, de belanghebbenden en de raadsman in openbare raadkamer gehoord. Namens de belanghebbende [klaagster 2] is op 15 juli 2014 [betrokkene 3] in raadkamer verschenen en gehoord. Met instemming van alle betrokkenen is overeengekomen dat uitspraak gedaan zou worden op 7 juli 2015.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op 2 december 2014 een tweede aanvullend standpunt ingediend. De officier van justitie heeft dit standpunt op 4 december aangevuld met een bijlage. Het Openbaar Ministerie stelt zich in deze documenten - kort gezegd - op het standpunt dat de belangen van strafvordering zich verzetten tegen teruggave c.q. vernietiging van alle in beslag genomen c.q. veilig gestelde gegevens, zoals beschreven in de tussenbeschikking van de rechtbank d.d. 11 november 2014. Door de bevindingen in het SFO is ook het strafvorderlijk belang ten aanzien van het initiële strafrechtelijk onderzoek weer aan de orde. De officier van justitie wijst in het klaagschrift op het summiere karakter van de toetsingsprocedure ex artikel 552a Sv. Het onderzoek naar wederrechtelijk verkregen voordeel is volop gaande. Er wordt onderzoek gedaan naar aanwijzingen voor andere of soortgelijke strafbare feiten, als bedoeld in artikel 36e, lid 2, van het Wetboek van Strafrecht, en naar vermogen. Uit een eerste inventarisatie van de inbeslaggenomen bescheiden zijn aanknopingspunten aangetroffen voor nader financieel onderzoek, mede ten aanzien van de onzakelijke transacties rond de [a-straat 1] . Bij zowel [betrokkene 1] als [betrokkene 2] hebben conservatoire beslagleggingen plaatsgevonden. Nader vermogensrechtelijk onderzoek in dit verband is noodzakelijk. De officier van justitie wijst erop dat er in onderzoeken ten aanzien van vastgoedtransacties vaak een prominente rol is weggelegd voor ‘potjes’. Die ‘potjes’ kunnen gezien worden als onderlinge rekening-courantverhoudingen waarin opbrengsten van strafbare feiten liggen besloten. Door opsporing en justitie worden deze ‘potjes’ gezien als vermogen. Het beslag onder de belanghebbende [klaagster 2] dient gescreend te worden op deze elementen. Het openbaar ministerie voelt zich verplicht om nader aan te geven welke aanwijzingen zij heeft voor nader financieel onderzoek en heeft de daartoe relevante bescheiden als bijlagen aan het tweede aanvullend klaagschrift gehecht. De officier van justitie wijst er in het klaagschrift op dat het SFO een tijdrovend onderzoek betreft. Teruggave van het beslag zal de waarheidsvinding onmogelijk maken.

Standpunt van klagers

De raadsman van de belanghebbenden heeft op 4 juni 2015 een schriftelijke reactie op het tweede aanvullend standpunt overgelegd waarin namens de belanghebbenden - kort gezegd - wordt gesteld dat het openbaar ministerie niet heeft voldaan aan de opdracht van de rechtbank d.d. 28 oktober 2014. Het openbaar ministerie is op ‘fishing expedition’ ten aanzien van de [a-straat 1] . Hoewel de belanghebbende [klaagster 2] nu kennelijk als verdachte wordt aangemerkt, bestaat er geen redelijk vermoeden van schuld. Dit geldt ook ten aanzien van de belanghebbende [klaagster 1] Het is voorts onduidelijk op welke wijze de conservatoire beslaglegging onder [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in verband kan worden gebracht met de belanghebbenden. De raadsman wijst er op dat het standpunt van het openbaar ministerie ten aanzien van eventuele ‘potjes’ niet is onderbouwd.

(…)

De beoordeling

Bij tussenbeschikking van 11 november 2014 heeft de rechtbank aangegeven dat het openbaar ministerie onvoldoende duidelijk heeft gemaakt welk min of meer enigszins concreet gemaakt strafvorderlijk belang zij heeft bij het voortduren van het beslag op de fysieke administratieve bescheiden en digitale gegevens van klagers, met uitzondering van de bescheiden en gegevens die zien op de transacties met betrekking tot de [a-straat 1] . De transacties met betrekking tot de [a-straat 1] zijn opmerkelijk en - ondanks de verklaring van klagers over deze transactie, op welke verklaring door het openbaar ministerie helaas niet inhoudelijk gerespondeerd is - kunnen de bescheiden en gegevens die zien op de [a-straat 1] nog dienstig zijn voor het aan de dag brengen van de waarheid of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voor de overige bij klagers inbeslaggenomen bescheiden en gegevens heeft het openbaar ministerie naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd c.q. aangegeven of deze in het kader van de verdenking jegens de verdachten [betrokkene 1 en 2] dienstig zouden kunnen zijn bij het aan het licht brengen van de waarheid of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Gelet op het tijdsverloop mag dat wel van het openbaar ministerie gevergd worden.

Het openbaar ministerie heeft tegen deze tussenbeschikking cassatie ingesteld.

Aan het openbaar ministerie is in de tussenbeschikking verzocht aan te geven welke bescheiden en gegevens dienstig kunnen zijn in het onderzoek naar de transactie met betrekking tot de [a-straat 1] . Het openbaar ministerie heeft in het commentaar van 1 december 2014 aangegeven dat de [a-straat 1] onderdeel uitmaakt van het project [A] en dat daarom alle (geel) gearceerde inbeslaggenomen stukken inbeslaggenomen dienen te blijven. In het commentaar van 4 december 2014 heeft het openbaar ministerie nog nader geëxpliciteerd waarom een drietal stukken in beslag zouden moeten blijven.

De rechtbank gaat mee in de stelling van het openbaar ministerie dat de [a-straat 1] deel uit maakt van het project [A] en zal daarom bepalen dat de in de lijst van inbeslaggenomen stukken gearceerde gedeelten voorzover die zien op [a-straat 1] e/o [A] in beslag moeten blijven, omdat deze stukken dienstig kunnen zijn om de waarheid aan het licht te brengen of wederrechtelijk voordeel aan te tonen. Gelet op het tijdsverloop had van het openbaar ministerie verwacht mogen worden dat zij duidelijker dan thans gedaan per inbeslaggenomen stuk had aangegeven of het stuk een relatie met [a-straat 1] / [A] had. Het openbaar ministerie heeft dit slechts voor de stukken kluis, W.03.02.002 en W.03.01.008 gedaan, maar niet voor de overige stukken. De rechtbank ziet zich daardoor genoodzaakt op basis van de summiere omschrijving zelf een selectie te maken. Die selectie staat in het dictum. Voor de overige inbeslaggenomen stukken wordt het beslag opgeheven, omdat voor het in beslag houden naar het oordeel van de rechtbank geen strafvorderlijk belang bestaat.

DE BESLISSING

De rechtbank

- verklaart het klaagschrift ongegrond ten aanzien van de navolgende in de bij deze beschikking behorende ‘Lijst beslag WOCO-Jongen’ inbeslaggenomen stukken:

- Kluis Jongen;

- W.01.02.015;

- W.06.01.001;

- W.06.02.001;

- W.03.01.008;

- W.03.02.002;

- verklaart het beklag voor het overige gegrond;

- gelast de teruggave van de inbeslaggenomen stukken opgenomen op de bij deze beschikking behorende ‘Lijst beslag WOCO-Jongen’, met uitzondering van de hierboven genoemde stukken en de stukken, die reeds zijn teruggegeven”.

5 Enkele opmerkingen vooraf

5.1.

Het cassatieberoep richt zich dus niet tegen de tussenbeschikking van 15 juli 2014, waarbij het klaagschrift van de klaagsters met betrekking tot de volgende inbeslaggenomen stukken en gegevensdragers gegrond is verklaard:

“IBN-Code Omschrijving

W.01.02.010 agenda 2003

W.03.01.001 cd presentatie senioreneconomie

W.03.01.002 cd jongen 3-2003

W.03.01.003 cd ination

W.03.01.004 usb stick zero

W.04.01.001 diverse bescheiden, voor zover het betreft: managementrapportage, afspraakbriefje en losse bescheiden andere projecten

W.06.02.006 usb stick de wijk van morgen

W.06.02.007 usb stick woningstichting vaals tas [betrokkene 4]

W.07.01.001 Jongen-maas 2008

W.07.01.002 Jongen-maas 2009

W.07.01.003 Jongen-maas 2010

W.07.01.004 Jongen-maas 2011

W.07.01.005 overige

W.08.01.005 zwarte map subsidie Iimbricht

W.12.02.001 losse doc. project a 1096, diverse stukken ander project

W.12.02.002 diverse losse bescheiden [a-straat 1]

W.12.02.003 diverse losse bescheiden [a-straat 1]

W.12.03.001 diverse bescheiden jongen maasbilt”

De beroepen richten zich enkel tegen de twee boven weergegeven beschikkingen van de rechtbank, waarin zij heeft beslist dat het beslag op al de andere dan de in die beschikkingen bedoelde stukken en gegevensdragers die blijkens de “Lijst beslag WOCO-Jongen” in beslag zijn genomen, moet worden opgeheven en dat zij moeten worden teruggegeven. Hoewel de beroepen onbeperkt zijn ingesteld, richt het voorgestelde middel zich enkel tegen de beslissing van de rechtbank over die overige stukken en gegevensdragers die blijkens de “Lijst beslag WOCO-Jongen” in beslag zijn genomen.

6 Het middel

6.1.

Het middel klaagt dat de rechtbank ontoereikend, dan wel onbegrijpelijk gemotiveerd heeft geoordeeld dat geen strafvorderlijk belang bestaat dat zich verzet tegen de teruggave van de bovenbedoelde overige stukken en gegevensdragers aan de klaagsters.

6.2.

Vooropgesteld moet worden dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats, omdat ten tijde van een dergelijke procedure veelal het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel. Het beperkte karakter van de beklagprocedure komt dan ook tot uitdrukking in de aan te leggen toetsingsmaatstaven.

In geval van een beklag van de beslagene tegen een op de voet van art. 94 Sv gelegd beslag dient de rechter a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor art. 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is onder meer het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen - ook in een zaak betreffende een ander dan de klager - of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen (vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654).

6.3.

Het gaat in het onderhavige geval om stukken en gegevensdragers die op de voet van art. 94 Sv onder de klaagsters in beslag zijn genomen, in het kader van het strafrechtelijke onderzoek naar de verdenkingen die jegens [betrokkene 1] en [betrokkene 2] - beiden ex-directeur van Stichting [C] - bestaan. [betrokkene 1] en [betrokkene 2] worden verdacht van valsheid in geschrifte, oplichting en opzettelijk witwassen; [betrokkene 1] tevens van verduistering in functie en medewerken als bestuurder aan verboden transacties en [betrokkene 2] tevens van het aannemen van steekpenningen. Uit het door het openbaar ministerie op 2 juni 2014 ingediende verweerschrift en het daaraan gehechte “verdenkingen proces-verbaal” blijkt dat het – meer concreet – onder meer gaat om verdenkingen van frauduleuze handelingen bij werkzaamheden die [betrokkene 2] na zijn uitdiensttreding zou hebben verricht voor Stichting [C] , in het kader van onder meer het (bouw)project “ [D] ”1, en bij voor de woonstichting verrichte vastgoedtransacties waarbij de verdachten zijn betrokken. Daarbij gaat het in ieder geval om de transacties rond de aan- en verkoop van het pand [a-straat 1] in verband met het (bouw)project “ [A] ”. Bij de projecten [D] en [A] is – zo blijkt uit het door het openbaar ministerie op 2 december 2014 ingediende tweede aanvullend standpunt en de daaraan gehechte bijlagen – klaagster [klaagster 2] betrokken.2 Ook blijkt dat tussen de woonstichting en deze klaagster een langdurige zakelijke relatie bestaat en dat zij bij verschillende projecten voor de woonstichting was betrokken waarbij ook de verdachten waren betrokken, waarvan de geraamde aanneemsommen voor in ieder geval de twee voornoemde projecten en het project “ [E] ” vragen oproepen.3 Het vermoeden bestaat dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , als directeur in dienstbetrekking bij de woonstichting, een gift, belofte, of dienst hebben aangenomen dan wel gevraagd van [klaagster 2]4

6.4.

Aan het oordeel van de rechtbank dat geen strafvorderlijk belang bestaat dat zich tegen de teruggave van de betreffende stukken en gegevensdragers aan de klaagsters verzet, ligt ten grondslag dat het openbaar ministerie - met uitzondering van de transacties betreffende de [a-straat 1] - onvoldoende duidelijk heeft gemaakt welk min of meer enigszins concreet gemaakt strafvorderlijk belang het heeft bij het voortduren van het beslag; dat de officier van justitie de opdracht heeft gekregen om voor ieder voorwerp aan te geven welke relatie dit heeft met de verdachten in het onderzoek en hoe het voorwerp kan bijdragen aan het aan de dag brengen van de waarheid; dat van het openbaar ministerie verwacht mag worden dat het per inbeslaggenomen stuk had aangegeven of het stuk een relatie met had [a-straat 1] / [A] , maar de officier van justitie niet is geslaagd in de door de rechtbank gegeven opdracht.

6.5.

In de overwegingen van de rechtbank kan, anders dan het middel betoogt, niet als haar oordeel worden gelezen dat zij de voorzetting van het beslag op betreffende stukken en gegevensdragers in strijd acht met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Wel heeft zij bij de in de beklagprocedure te beantwoorden vraag of het belang van strafvordering zich tegen de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen verzet, mijns inziens, gelet op het summiere karakter dat deze procedure draagt, een te ver gaande toets gehanteerd. Te ver naar mijn oordeel strekt namelijk de door de rechtbank gehanteerde eis dat het openbaar ministerie voor de door hem gewenste handhaving van het beslag met het oog op de waarheidsvinding, per inbeslaggenomen stuk en gegevensdrager moet specificeren welke relatie dat object heeft met de verdachten in het onderzoek en op welke wijze dit bijdraagt aan het aan het licht brengen van de waarheid. Voldoende is dat de inbeslaggenomen stukken en gegevensdragers (in enigerlei mate) kunnen dienen voor de waarheidsvinding in de strafrechtelijke onderzoeken in verband waarmee zij in beslag zijn genomen. Of en in welke mate dat het geval is, zal na het daaraan verrichte onderzoek moeten blijken.

6.6.

De officier van justitie heeft blijkens de boven weergegeven beschikkingen in raadkamer aangevoerd dat de onder de klaagsters inbeslaggenomen stukken en gegevensdragers kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen in het strafrechtelijk onderzoek tegen de verdachten [betrokkene 1 en 2] en tevens nodig zijn voor het strafrechtelijk financieel onderzoek naar door hen wederrechtelijk verkregen voordeel, welke onderzoeken nog volop gaande zijn. Gelet hierop en op de onder 6.3 weergegeven verdenkingen die jegens de verdachten [betrokkene 1 en 2] bestaan en het verband dat die verdenkingen met de klaagster [klaagster 2] houden, is het oordeel van de rechtbank dat geen strafvorderlijk belang bestaat dat zich tegen de teruggave van de betreffende stukken en gegevensdragers aan de klaagsters verzet, onbegrijpelijk.

6.7.

Het middel slaagt. Dit brengt mij tot de volgende opmerkingen. De tussenbeschikking van 11 november 2014 (zie onder 4.1) houdt met betrekking tot de stukken en gegevensdragers waartegen het middel zich richt, geen beslissing in als bedoeld in art. 552a Sv, te weten: een gegrond- dan wel ongegrondverklaring van het klaagschrift van de klaagsters, voor zover het ziet op deze voorwerpen. Die beslissing is pas bij eindbeschikking van 7 juli 2015 gegeven. Daarom kan mijns inziens worden volstaan met de vernietiging van enkel die laatste beschikking.

7. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikkingen aanleiding behoren te geven.

8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de eindbeschikking van 7 juli 2015, maar uitsluitend voor zover de rechtbank het klaagschrift van de klaagsters gegrond heeft verklaard met betrekking tot de stukken en gegevensdragers die volgens de “Lijst beslag WOCO-Jongen” in beslag zijn genomen, uitgezonderd daarvan de stukken bedoeld in de - niet bestreden - tussenbeschikking van 15 juli 2014. Het beroep dient voor het overige te worden verworpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie p. 4 en 5 van voornoemd proces-verbaal van verdenkingen.

2 Zie p. 80 van het aanvullend standpunt.

3 Ibidem.

4 Zie p. 29 van het aanvullend standpunt.