Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:143

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
18-03-2016
Datum publicatie
09-09-2016
Zaaknummer
15/01321
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2047, Contrair
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Erfrecht, procesrecht. Vordering tot vernietiging testament. Geestelijke stoornis erflater? Stelplicht en bewijslast; bewijsaanbod in hoger beroep met verwijzing naar stellingen eerste aanleg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-0908
JBPR 2016/65 met annotatie van mr. F.J.P. Lock
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknummer: 15/01321

mr. Wuisman

Roldatum: 18 maart 2016

CONCLUSIE inzake:

1. [eiseres 1] ,

2. [eiseres 2] ,

3. [eiseres 3] ,

eiseressen tot cassatie,

advocaat: mr. H.J.W. Alt,

tegen:

[verweerster] ,

verweerster in cassatie,

advocaat: mr. P.S. Kamminga.

1 Feiten en procesverloop

1.1

In cassatie kan van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan(1):

  • -

    i) Op 28 juli 2008 is overleden [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ), geboren op [geboortedatum] 1930. Ten tijde van zijn overlijden was hij weduwnaar sedert november 1996 en had hij drie dochters en vijf kleinkinderen.

  • -

    ii) Tijdens zijn leven was [betrokkene 1] tandarts. Tot aan zijn overlijden woonde [betrokkene 1] zelfstandig in een hem toebehorende woning te [plaats] . Hij oefende in de aan zijn woning grenzende praktijkruimte de tandartsenpraktijk uit.

  • -

    iii) Verweerster in cassatie (hierna: [verweerster] ), geboren op [geboortedatum] 1951 en gehuwd met [betrokkene 2] , heeft in de jaren 1970-1980 als tandartsassistent in de praktijk van [betrokkene 1] gewerkt. Vanaf 2001 is zij weer in de praktijk komen werken.

  • -

    iv) [betrokkene 1] heeft in een op 23 mei 2008 ten overstaan van notaris [betrokkene 3] verleden akte (hierna: het testament van 23 mei 2008), naast een gedeeltelijke herroeping van eerdere wilsbeschikkingen, – onder meer – het volgende bepaald:

HOOFDSTUK 2. ERFSTELLING

Erfstelling

Ik benoem [verweerster] (…) onder de hierna vermelde ontbindende voorwaarde, tot mijn enige erfgenaam. Ik bepaal dat wat [verweerster] als enige erfgenaam uit mijn nalatenschap zal verkrijgen, althans wat daarvan bij haar overlijden onverteerd is overgebleven, niet zal toekomen aan haar erfgenamen, maar aan de hierna door mij benoemde verwachters.

Verwachters

Als verwachters van [verweerster] als mijn erfgenaam benoem ik mijn kinderen, ieder voor een gelijk deel.

(…)

HOOFDSTUK 4 LEGATEN

Ik legateer aan ieder van mijn kinderen, ten laste van [verweerster] als mijn erfgenaam, een geldbedrag dat overeenkomt met de helft van de waarde van het versterferfdeel waarop mijn kinderen aanspraak zouden kunnen maken indien ik niet bij testament over mijn nalatenschap had beschikt. (…)

Executeursbenoeming

Ik benoem [verweerster] tevens tot de executeur van mijn nalatenschap. (…) Ik ken de executeur verder het beheer van mijn nalatenschap toe (…).

(…)”

  • -

    v) In het testament van 15 maart 2006 was [verweerster] eveneens tot executeur van de nalatenschap van [betrokkene 1] benoemd.

  • -

    vi) [verweerster] heeft de nalatenschap van [betrokkene 1] beneficiair aanvaard.

  • -

    vii) Bij beschikking van de rechtbank ’s-Gravenhage, sector kanton, locatie Delft, van 27 augustus 2009 is [verweerster] met ingang van 28 augustus 2009 ontslagen als executeur in de nalatenschap van [betrokkene 1] . Overeenkomstig een daartoe tussen [eiseressen] en [verweerster] gemaakte afspraak is op 19 mei 2010 aan [betrokkene 5] (hierna: [betrokkene 5] ) een onherroepelijke volmacht verleend om als vereffenaar van de nalatenschap van [betrokkene 1] op te treden. [betrokkene 5] heeft de rechtbank rapporten over de omvang en samenstelling van de nalatenschap van [betrokkene 1] doen toekomen.

  • -

    viii) Na een daartoe van de voorzieningenrechter verkregen verlof hebben [eiseressen] ten laste van [verweerster] conservatoir beslag doen leggen op 22 september 2008 op het onroerend goed te Delft en op 18 november 2008 onder de naamloze vennootschap Fortis Bank (Nederland) N.V.

1.2

Bij dagvaarding van 17 december 2008 en na wijziging van eis bij een akte van 16 februari 2011(2) hebben [eiseressen] gevorderd dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

(i) Primair: het testament van 23 mei 2008 nietig verklaart, dan wel vernietigt;

Subsidiair: voor recht verklaart dat [verweerster] aan het testament van 23 mei 2008 geen rechten kan ontlenen en dat gelding heeft en dient te worden uitgevoerd, het testament van 15 maart 2006;

Meer subsidiair:

(a) voor recht verklaart dat de uitvoering van het testament van 23 mei 2008 naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is;

(b) voor recht verklaart dat [verweerster] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid een ongewijzigde uitvoering van het testament van 23 mei 2008 niet mag verwachten;

(c) de gevolgen van het testament van 23 mei 2008 wijzigt in die zin dat [verweerster] slechts toekomt 5% van de waarde van hetgeen [verweerster] op grond van het testament van 23 mei 2008 als enig erfgenaam zou toekomen, althans een percentage in goede justitie;

  • -

    ii) [verweerster] veroordeelt [eiseressen] inzage te verschaffen in de omvang (aard en waarde) van de door haar van [betrokkene 1] ontvangen – zowel directe als indirecte – giften/schenkingen, zoals door haar ontvangen sinds 1 augustus 2003;

  • -

    iii) [verweerster] veroordeelt volledige rekening en verantwoording af te leggen over de periode dat zij als enig erfgenaam en executeur de nalatenschap van [betrokkene 1] heeft beheerd;

  • -

    iv) Bepaalt dat [verweerster] vanaf de dag van betekening van het vonnis een dwangsom verbeurt van € 1.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij in gebreke blijft aan het onder ii en iii gevorderde te voldoen, met een maximum van € 500.000,-.

1.3

[eiseressen] hebben ter onderbouwing van de vorderingen aangevoerd dat het testament van [betrokkene 1] krachtens artikel 3:34 BW voor nietig dient te worden gehouden. Ten tijde van het opmaken van het testament van 23 mei 2008 was [betrokkene 1] als gevolg van een geestelijke stoornis niet meer in staat zijn wil te bepalen, nu uit de verklaringen van de betrokken artsen(3) volgt dat [betrokkene 1] in de zes maanden voorafgaand aan zijn overlijden dementerend was. Althans, het testament dient te worden vernietigd op grond van art. 4:43 BW wegens een wilsgebrek. [verweerster] heeft door misbruik te maken van de gezondheidssituatie van [betrokkene 1] en van diens onvermogen om zijn eigen belang te dienen [betrokkene 1] ertoe bewogen om enkele weken voor zijn overlijden zijn testament te wijzigen onder benoeming van [verweerster] als enige erfgenaam en executeur. [verweerster] zou [betrokkene 1] hebben doen geloven dat hij met haar getrouwd was en heeft doelbewust [eiseressen] en derden op afstand gehouden, teneinde hem te isoleren van zijn omgeving en in haar invloedssfeer te brengen. Althans, dient vernietiging van het testament te volgen op grond van art. 4:59 BW – bedoeld wordt dat de bevoordeling van [verweerster] in het testament aan haar dient te worden onthouden –, nu [verweerster] gedurende de ziekte van [betrokkene 1] zich jegens hem heeft gedragen als een verzorgend/verplegend persoon als bedoeld in dat artikel. Ook dienen de rechtsgevolgen aan het testament van 23 mei 2008 aan [verweerster] te worden onthouden wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid, nu het gezien de omstandigheden van het geval onaanvaardbaar is dat ten opzichte van haar aan het testament integrale uitvoering wordt gegeven.

1.4

In haar vonnis van 8 juni 2011 overweegt de rechtbank ’s-Gravenhage dat niet voldoende is komen vast te staan dat [betrokkene 1] ten tijde van het opmaken van het testament van 23 mei 2008 leed aan een geestelijke stoornis. Vernietiging op grond van de artikelen 4:43 BW en 4:59 BW acht de rechtbank evenmin mogelijk. De rechtbank is wel van oordeel dat [verweerster] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen rechten kan ontlenen aan de uiterste wilsbeschikkingen die [betrokkene 1] in zijn testament van 23 mei 2008 heeft gemaakt. De rechtbank overweegt daartoe, kort samengevat het volgende. Uit de door [eiseressen] in het geding gebrachte verklaringen en uit het verhandelde ter zitting blijkt genoegzaam dat de verstandhouding tussen [betrokkene 1] en zijn dochters aanvankelijk goed was, maar dat [verweerster] tussen hen een wig heeft gedreven en zij [betrokkene 1] in de loop van de jaren ook steeds meer is gaan afschermen van familieleden en vrienden, een en ander met het vooropgezette plan om [betrokkene 1] ertoe te bewegen dat hij zijn testament ten nadele van [eiseressen] zou doen wijzigen. Alles afwegende komt de rechtbank tot de slotsom dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn om [verweerster] als enige erfgenaam van [betrokkene 1] toe te laten. Zij verklaart naar aanleiding van de subsidiaire vordering van [eiseressen] voor recht, dat [verweerster] aan de uiterste wilsbeschikkingen van [betrokkene 1] in het testament van 23 mei 2008 geen rechten kan ontlenen.

1.5

[verweerster] is van het vonnis van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof ’s-Gravenhage. Zij bestrijdt met elf grieven uitgebreid en zeer gedetailleerd de ontzegging aan haar op grond van de redelijkheid en billijkheid van de haar toegekende rechten uit het testament van [betrokkene 1] . Deze grieven worden door [eiseressen] bestreden, terwijl zij – onder de voorwaarde dat het beroep van [verweerster] slaagt – met zes grieven opkomen tegen het vonnis van de rechtbank, voor zover daarin door hen ingestelde vorderingen niet zijn toegewezen, waaronder het niet nietig en vernietigbaar achten van het testament van [betrokkene 1] .

1.6

Bij arrest van 24 juni 2014 heeft het hof, na tot de slotsom te zijn gekomen dat het testament van [betrokkene 1] een rechtsgeldig testament vormt, het vonnis van de rechtbank vernietigd en opnieuw rechtdoende [eiseressen] bevolen om binnen 14 dagen na datum van het arrest over te gaan tot opheffing van het conservatoire beslag dat zij hebben gelegd op de aandelenportefeuille van [betrokkene 1] alsmede met betrekking tot het woonhuis/praktijk-pand. Het hof is van oordeel dat van wilsonbekwaamheid bij [betrokkene 1] ten tijde van het maken van zijn uiterste wilsbeschikking niet is gebleken (in het kader van het principaal beroep rov. 14 t/m 16 en in het kader van het voorwaardelijk incidenteel beroep rov. 22 t/m 24) en ook niet van onwaardigheid van [verweerster] om uit de nalatenschap voordeel te trekken (rov. 13 en 24). Het hof deelt niet het oordeel van de rechtbank dat de – op zichzelf geldige erfstelling – klaarblijkelijk buiten toepassing moet worden gelaten vanwege de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid (rov. 17). Verder is [verweerster] naar het oordeel van het hof niet gehouden tot het afleggen van rekening en verantwoording met betrekking tot het beheer van de nalatenschap, voor zolang zij daarmee belast is geweest (rov. 25 t/m 38)

1.7

[eiseressen] hebben op 24 september 2014 – en daarmee tijdig – beroep in cassatie ingesteld. [verweerster] hebben voor antwoord tot verwerping van dat beroep geconcludeerd. Partijen hebben vervolgens hun standpunt in cassatie schriftelijk toegelicht, waarna [eiseressen] nog hebben gerepliceerd en [verweerster] heeft gedupliceerd.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1.

In het gedeelte ‘2. Klachten’ van het voorgedragen cassatiemiddel zijn vijf onderdelen (2.1 t/m 2.5) opgenomen, waarvan de onderdelen 2.1 t/m 2.3 subonderdelen kennen. In die onderdelen worden de volgende thema’s aangesneden:

1. wilsonbekwaamheid van [betrokkene 1] (onderdeel 2.1, met name subonderdelen 2.1.3 en 2.1.4, en onderdeel 2.2);

2. onwaardigheid van [verweerster] om voordeel te genieten uit het testament van [betrokkene 1] (subonderdeel 2.1, met name de subonderdelen 2.1.1 en 2.1.2, en onderdeel 2.3);

3. derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid (subonderdeel 2.1.5);

4. het afleggen van rekening en verantwoording door [verweerster] als executeur (onderdeel 2.4);

5. opheffing van de beslagen (onderdeel 2.5).

Binnen het verband van de hiervoor genoemde thema’s zullen de in het voorgedragen cassatiemiddel opgenomen klachten hierna worden besproken.

1. wilsonbekwaamheid

2.2

In het kader van aan het principaal appel gewijde beschouwingen staat het hof in de rov. 14, 15 en 16 stil bij de vraag of [betrokkene 1] op de dag van tekenen van het testament wilsbekwaam was. Het komt tot de slotsom dat van wilsonbekwaamheid van [betrokkene 1] bij het maken van de uiterste wil (op 23 mei 2008) niet is gebleken. Het moet ervoor worden gehouden dat het testament de wil van een wilsbekwame erflater weergeeft. Daartoe neemt het hof in aanmerking het uit een brief van de betrokken notaris(4) blijkende gegeven, dat het tot het ondertekenen door [betrokkene 1] van het testament pas is gekomen nadat drie besprekingen in aanwezigheid van een kandidaat-notaris met hem zijn gevoerd, waarin hij is “doorgezaagd” over zijn motieven, [betrokkene 1] een consistente gedragslijn in zijn antwoorden en reacties toonde en er geen feiten en omstandigheden zijn gebleken waaruit een discrepantie tussen de (uiterste) wil en de verklaring zou kunnen worden afgeleid. In de aan het voorwaardelijk incidenteel appel gewijde rov. 20 t/m 24 komt het hof in de eerste volzin van rov. 24 tot het oordeel, dat de rechtbank terecht tot haar oordeel is gekomen dat het testament van [betrokkene 1] niet nietig kan worden verklaard wegens een geestelijke stoornis.

2.3

In cassatie wordt tegen ’s hofs oordeel dat het testament van [betrokkene 1] niet wegens een geestesstoornis bij hem voor nietig kan worden gehouden met name aangevoerd, kort weergegeven, dat de beantwoording van de vraag of een persoon voldoende in staat is zijn wil te bepalen in beginsel een medische aangelegenheid is en in ieder geval niet is voorbehouden aan de notaris, dat [betrokkene 1] twee maanden na het ondertekenen van het testament in een ziekenhuis is overleden en in het verslag van diens verblijf in het ziekenhuis(5) gewag wordt gemaakt van bij [betrokkene 1] waargenomen verschijnselen als forse atrofie van de brein, ernstig façadegedrag, confabuleren en dementie, terwijl in een brief 9 oktober 2008 van een [betrokkene 1] behandeld hebbende neuroloog aan de raadsvrouw van [eiseressen] staat vermeld: “Gezien de ernst van de geheugenstoornissen, het gebrek aan ziekte inzicht, het gebrek aan oordelingsvermogen, het gebrek aan visueel-spatieel inzicht, allemaal passend bij een matig dementieel syndroom, kom ik tot de conclusie dat patiënt niet handelingsbekwaam was begin 2008” en “Ik acht patiënt 6 maanden voor zijn overlijden niet handelingsbekwaam”.(6) Een en ander doet, zo wordt betoogd, ’s hofs oordeel onbegrijpelijk zijn. In subonderdeel 2.1.4 wordt als klacht verder aangevoerd dat het hof ten onrechte voorbij is gegaan aan het uitvoerige bewijsaanbod dat [eiseressen] in hun memorie van antwoord, sub 138 en 139, hebben gedaan en waarbij als te horen getuigen/deskundigen worden genoemd de twee neurologen die [betrokkene 1] hebben behandeld.

2.4

Het hof gaat in de rov. 14 t/m 16 en rov. 20 t/m 24 van het bestreden arrest bij de beoordeling van de vraag van de wilsonbekwaamheid van [betrokkene 1] ten tijde van het ondertekenen van het testament niet met zoveel woorden in op de stellingen van [eiseressen] , voor zover deze met een beroep op stukken van medische aard inhouden een onvermogen van [betrokkene 1] ten tijde van het ondertekenen van het testament om zijn wil te bepalen wegens, kort gezegd, dementie. Ook besteedt het hof niet met zoveel woorden aandacht aan het bewijsaanbod van [eiseressen] Levert dat alles een grond voor cassatie op?

2.4.1

Bij de beantwoording van deze vraag is het volgende in aanmerking te nemen. De rechtbank heeft in de rov. 4.1 t/m 4.5 van haar vonnis d.d. 8 juni 2011 bij de bespreking van de door [eiseressen] gestelde wilsonbekwaamheid wegens een geestelijke stoornis van [betrokkene 1] wel aandacht besteed aan wat [eiseressen] daaromtrent onder verwijzing naar de overgelegde stukken van medische aard hebben gesteld. In het licht van wat de betrokken notarissen in hun brief van 28 mei 2009 schrijven over hun aanpak van en bevindingen omtrent [betrokkene 1] bij de aanpassing van diens testament in mei 2008 oordeelt de rechtbank dat de gestelde geestelijke stoornis met de medische verklaringen onvoldoende is onderbouwd. De rechtbank overweegt onder meer: “in dat verband is van belang dat deze artsen [betrokkene 1] eerst na 22 juli 2008 (dus toen hij was opgenomen in het ziekenhuis) hebben onderzocht op zijn cognitieve functies, zodat hun conclusies omtrent de geestelijke gesteldheid van [betrokkene 1] ten tijde van het opmaken van het testament slechts vermoedens zijn en derhalve niet met zekerheid kan worden vastgesteld of en zo ja, in welke mate, [betrokkene 1] mogelijk in mei 2008 dementerend was. Bovendien is niet gesteld of gebleken dat [betrokkene 1] in de periode voorafgaand aan zijn overlijden al bij artsen onder behandeling was wegens dementie of de ziekte van Alzheimer. (…) Een verklaring van een arts die [betrokkene 1] omstreeks 23 mei 2008 heeft gezien en die hem heeft onderzocht op zijn geestelijk vermogen ontbreekt.” Omdat [eiseressen] hun stelling dat [betrokkene 1] ten tijde van het opmaken van het testament van 23 mei 2008 niet over zijn geestvermogens beschikte onvoldoende hebben onderbouwd, gaat de rechtbank ook aan het door hen gedane bewijsaanbod voorbij.(7) Het zijn [eiseressen] die de afwijzing door de rechtbank van het beroep op nietigheid van het testament wegens een geestesstoornis bij [betrokkene 1] in appel bestrijden. Dat doen zij met de in het kader van het voorwaardelijk incidenteel appel aangevoerde grief 1. Die grief houdt niet meer in dan dat de rechtbank ten onrechte de primaire vordering van [eiseressen] om het testament van [betrokkene 1] nietig te verklaren dan wel te vernietigen heeft afgewezen. Over het passeren van het in de inleidende dagvaarding gedane bewijsaanbod wordt niet apart geklaagd. Voor de onderbouwing van de grief wordt volstaan met een verwijzing naar hetgeen in eerste aanleg is gesteld. Na erop gewezen te hebben dat [eiseressen] in hun toelichting op de voorwaardelijke grieven exact hadden dienen te formuleren waartegen hun bezwaren zich richten en dat zij geen nieuwe feiten en omstandigheden hebben gesteld of niet hebben aangegeven op grond waarvan de rechtbank tot een onjuiste conclusie is gekomen, geeft het hof als zijn oordeel dat de rechtbank terecht tot zijn oordeel is gekomen dat het testament van [betrokkene 1] niet nietig kan worden verklaard wegens een geestelijke stoornis. Dit oordeel van het hof komt hierop neer dat het oordeel van de rechtbank en de gronden waarop dat oordeel rust, overneemt. Het hof deelt daarmee het oordeel van de rechtbank, dat, gelet op wat de betrokken notarissen in hun brief van 28 mei 2009 schrijven over de gang van zaken rondom de aanpassing van het testament in mei 2008, er niet van voldoende feiten en omstandigheden is gebleken – ook niet met de overgelegde stukken van medische aard – om te kunnen concluderen dat [betrokkene 1] op 23 mei 2008 wegens een geestesstoornis niet bekwaam was om zijn wil omtrent zijn nalatenschap te bepalen, als ook de beslissing van de rechtbank om aan het bewijsaanbod van [eiseressen] voorbij te gaan. Niet kan worden gezegd dat het hof hiermee blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting of zijn arrest onvoldoende motiveert. Nu [eiseressen] bij de bestrijding van het oordeel van de rechtbank inzake de beweerde geestesstoornis bij [betrokkene 1] volstaan met enkel te verwijzen naar hetgeen zij in eerste aanleg hebben aangevoerd, kon het hof volstaan met het overnemen van het oordeel van de rechtbank en van de gronden waarop dat oordeel rust.(8) Die gronden houden mede in dat er geen aanleiding bestaat om [eiseressen] tot bewijslevering ter zake van de door hen gestelde wilsonbekwaamheid toe te laten, nu er niet voldoende concrete feiten en omstandigheden zijn gesteld waaruit het bestaan van die wilsonbekwaamheid op 23 mei 2008 valt af te leiden.

2.4.2

Het feit dat in het kader van het voorwaardelijk incidenteel appel tevergeefs wordt bestreden het overnemen door het hof van het oordeel van de rechtbank dat niet voldoende is komen vast te staan dat [betrokkene 1] ten tijde van het opmaken van het testament op 23 mei 2008 leed aan een geestesstoornis en er ook geen aanleiding bestaat om [eiseressen] tot bewijslevering ter zake toe te laten, brengt mee dat hetgeen het hof in de rov. 14 t/m 16 omtrent de (afwezigheid van een) geestesstoornis bij [betrokkene 1] op 23 mei 2008 overweegt ook niet met succes is te bestrijden. Het daar overwogene sluit aan bij en wordt daardoor mede gedragen door het door het hof met name in rov. 24 overgenomen oordeel van de rechtbank, terwijl dat overnemen van het oordeel van de rechtbank – zoals hiervoor uiteengezet – in cassatie niet met vrucht is te bestrijden.

2.5

Het voorgaande voert tot de slotsom dat de in cassatie voorgedragen klachten tegen het niet aanvaarden door het hof van nietigheid van het testament wegens een geestesstoornis bij [betrokkene 1] geen doel treffen.

2. onwaardigheid van [verweerster] om voordeel te genieten uit het testament d.d. 23 mei 2008 van [betrokkene 1]

2.6

In artikel 4:3 BW worden vijf gevallen genoemd waarin een persoon van rechtswege onwaardig is om uit een nalatenschap voordeel te trekken. Onwaardigheid houdt in het missen van de bevoegdheid om een voordeel uit een nalatenschap te genieten. Is toch een voordeel genoten dan zal dat ongedaan moeten worden gemaakt. De vaststelling van de onwaardigheid door de rechter kan plaatsvinden op verzoek van een belanghebbende maar ook ambtshalve.(9)

2.7

Eén van de gevallen van onwaardigheid wordt in artikel 4:3 lid 1 sub d BW omschreven als: “hij die de overledene door een feitelijkheid of door bedreiging met een feitelijkheid heeft gedwongen of belet een uiterste wilsbeschikking te maken.” Blijkens de wetsgeschiedenis is bij het redigeren van dit geval artikel 284 WvSr in aanmerking genomen, waarin gevangenisstraf of een geldboete wordt gesteld op het een ander wederrechtelijk dwingen tot iets te doen, niet te doen of te dulden door geweld of een andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid.(10) Deze strafrechtelijke achtergrond, die ook de andere in lid 1 van artikel 4:3 BW genoemde gevallen hebben, vormt een aanwijzing dat tot het toepassing geven aan artikel 4:3 lid 1 sub c BW niet te spoedig dient te worden overgegaan. Daarop wijst ook de afwijzing van de suggestie van notariële zijde om de onwaardigheid te verbinden aan het enkele feit dat de onwaardige de erflater gedwongen of belet heeft een uiterste wilsbeschikking te maken. De reactie op deze suggestie luidde: “Ondergetekende zou hierop willen antwoorden dat naar zijn mening met deze formule van de notarissen de sluizen naar aanvechting van erfopvolging op grond van onwaardigheid wel zeer wijd opengezet zou worden. Bij iedere maar gestelde vroegere ideële pressie op de erflater – die er zelf niet meer is om een en ander te weerleggen – zouden processen gevoerd kunnen worden, waarmee de zekerheid van de erfopvolging en van het testament al te zeer zou verminderen.”(11)

2.8

In eerste aanleg en ook in appel is door [eiseressen] niet met een beroep op artikel 4:3 lid 1 sub c BW gevorderd om [verweerster] onwaardig te verklaren om voordeel te trekken uit het testament van 23 mei 2008 van [betrokkene 1] . Wel is al in de dagvaarding waarmee de procedure bij de rechtbank werd ingeleid, door hen gevorderd om voor recht te verklaren dat [verweerster] geen rechten kan ontlenen wegens de redelijkheid en de billijkheid. Daartoe is door hen aangevoerd, kort gezegd, dat [verweerster] – gebruik makend van de geestesziekte dementie bij [betrokkene 1] – een wig tussen hem en [eiseressen] heeft gedreven en hem van zijn familie- en kennissenkring heeft afgesloten, waardoor hij geheel afhankelijk van haar geraakte, een en ander met het doel en ook met als resultaat dat zij door [betrokkene 1] tot enig erfgenaam van hem is benoemd. Een dergelijke stellingname zou men zich ook bij een beroep op artikel 4:3 lid 1 sub d BW kunnen voorstellen.

2.9

In rov. 13 oordeelt het hof dat appellante niet onwaardig is gebleken om uit de nalatenschap van erflater, [betrokkene 1] , voordeel te genieten. Rov. 13 maakt deel uit van het geheel van overwegingen (5 t/m 18), waarin het hof beoordeelt of de rechtbank tot de beslissing heeft kunnen komen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn om [verweerster] als enige erfgenaam van [betrokkene 1] toe te laten. Kennelijk hebben de stellingen, waarop [eiseressen] hun beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid hebben gebaseerd, het hof ook aanleiding gegeven om na te gaan of te dezen toepassing aan artikel 4:3 lid 1 BW zou zijn te geven, waarbij dan valt te denken aan het daar sub d genoemde geval. Het antwoord waarom het hof van dit laatste geval geen sprake acht, zal in de rov. 14 e.v. moeten worden gezocht. Van belang is, naar het voorkomt, vooral wat het hof, na de vaststelling in rov. 16 dat van wilsonbekwaamheid bij [betrokkene 1] op 23 mei 2008 niet is gebleken, in rov. 17 overweegt. Daar merkt het hof onder meer op:

“Het feit dat appellante erflater mogelijk heeft beïnvloed om haar tot zijn (bezwaarde) erfgename te benoemen is niet een omstandigheid die maakt dat zij niet enig voordeel uit de nalatenschap van erflater zou mogen trekken. Het gaat erom of erflater zijn wil onafhankelijk heeft kunnen vormen. Menig erflater laat zich daarbij ook leiden door zijn relatie met een partner. Eveneens indien zij de familierelatie tussen erflater en zijn kinderen negatief zou hebben beïnvloed, of erflater in enige mate heeft geïsoleerd van zijn vrienden en kennissen – hetgeen appellante gemotiveerd heeft bestreden – zijn dit eveneens geen feiten en omstandigheden op grond waarvan appellante geen voordeel uit de nalatenschap van erflater kan trekken. Het behoort tot het persoonlijke domein van erflater om zich door zijn eigen gevoelens en beweegredenen te laten leiden bij het formuleren van zijn uiterste wil. De notarissen hebben in deze specifieke zaak zorgvuldig getoetst of de verklaring van erflater overeenkwam met hetgeen is beschreven in het testament van erflater. Naar het oordeel van het hof heeft appellante jegens erflater geen handelingen verricht op grond waarvan moet worden geoordeeld dat zij op grond van de wet en/of het recht geen voordeel zou kunnen ontlenen aan het testament van erflater.”

Een en ander komt hierop neer dat, gegeven de bij [betrokkene 1] op 23 mei 2008 aanwezig te achten wilsbekwaamheid, hem als bepaler van zijn uiterste wil veel ruimte moet worden gelaten om zich daarbij te laten leiden door bij hem aanwezige gedachten en gevoelens ten aanzien van anderen en dat die ruimte rechtens gerespecteerd dient te blijven, ook al zouden deze gedachten en gevoelens onder beïnvloeding van [verweerster] bij hem zijn gegroeid. Hiermee geeft het hof, naar het voorkomt, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, ook niet voor wat artikel 4:3 lid 1 sub d BW betreft. Is iemand bij het opmaken van zijn uiterste wil in staat de betrokken belangen te overzien en af te wegen, dan dient hem grote vrijheid te worden gelaten om zich bij het bepalen van die uiterste wil te laten leiden door bij hem levende gedachten en gevoelens. Het bepalen van die uiterste wil heeft immers betrekking op wat hem ten tijde van het overlijden toebehoort. Het bepalen van de uiterste wil vormt ook overigens een rechtshandeling met een sterk persoonlijk karakter. Voor wat artikel 4:3 lid 1 sub d BW betreft, daar gaat het onder meer om een door feitelijkheden dwingen van een erflater tot het maken van een wilsbeschikking. Het hierboven kort weergegeven gedrag van [verweerster] jegens [betrokkene 1] , waarvan het hof niet dan veronderstellenderwijs is uitgegaan, typeert het hof als een beïnvloeden van [verweerster] van [betrokkene 1] . Dat is niet, althans niet zonder meer gelijk te stellen met een dwingen van [betrokkene 1] tot het maken van een wilsbeschikking van een door [verweerster] gewilde inhoud. In dit verband is van belang dat, zoals hierboven in 2.7 toegelicht, met het toepassing geven aan artikel 4:3 lid 1 sub d BW terughoudendheid is te betrachten.

2.10

Op het bovenstaande stranden de klachten die betrekking hebben op de beweerde onwaardigheid van [verweerster] om voordeel te trekken uit het door [betrokkene 1] op 23 mei 2008 getekende testament.

3. derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid

2.11

In subonderdeel 2.1.5 wordt aangevoerd: “Het hof overweegt in rov. 17 dat voor de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid zoals door de rechtbank toegepast geen steun is te vinden in het recht. De rechtszekerheid staat daaraan volgens het hof in de weg nu er sprake is van een wilsbekwame erflater die op zorgvuldige wijze door de notaris is voorgelicht en van vernietigingsgronden niet is gebleken. Anders dan het hof lijkt te overwegen spelen de redelijkheid en billijkheid wel degelijk (ook) een rol in het familierecht en erfrecht.” Hieruit alsmede uit wat in de tweede alinea van subonderdeel 2.1.5 wordt betoogd, valt af te leiden dat in subonderdeel 2.1.5 erover wordt geklaagd dat het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat er in het algemeen geen ruimte is om met een beroep op de redelijkheid en billijkheid de werking van een op zichzelf geldige erfstelling in te perken. Daarmee wordt evenwel, naar het toeschijnt, geen juiste interpretatie van rov. 17 gegeven. Zou het hof de zojuist genoemde rechtsopvatting inderdaad toegedaan zijn geweest dan had het aanstonds de door [verweerster] tegen het redelijkheidsoordeel van de rechtbank gerichte grief gegrond kunnen oordelen. Dat doet het hof echter niet. De tegen het redelijkheidsoordeel van de rechtbank gerichte grief verklaart het hof ongegrond niet dan na mede onderzocht te hebben of in dat wat [eiseressen] omtrent de beïnvloeding door [verweerster] van [betrokkene 1] hebben gesteld aanleiding is te vinden om aan de haar uit het testament van 23 mei 2008 ten deel gevallen bevoordeling te ontzeggen.

2.12

Het in 2.11 gestelde brengt mee dat subonderdeel 2.1.5 geen doel treft, omdat de daarin opgenomen klacht feitelijke grondslag mist.

4. het afleggen van rekening en verantwoording door [verweerster] als executeur

2.13

[eiseressen] hebben in de dagvaarding in eerste aanleg onder meer gevorderd dat [verweerster] volledige rekening en verantwoording aflegt over het beheer dat zij over de nalatenschap heeft gevoerd gedurende de periode dat zij executeur van de nalatenschap was. Die vordering heeft de rechtbank afgewezen zonder een inhoudelijke beoordeling ervan. Die beslissing hebben [eiseressen] met grief 5 uit het voorwaardelijk incidenteel beroep bestreden. Bij de vordering staat het hof stil in het kader van de beschouwingen die het in de rov. 25 t/m 39 wijdt aan het beheer van de nalatenschap van [betrokkene 1] . Ook het hof wijst de vordering af. Het belang van de rekening en verantwoording acht het hof gelegen in de bepaling van de omvang van de erfrechtelijke verkrijgingen van [eiseressen] , te weten de hen toegekende legaten en hun erfdelen als erfgenamen/verwachters. Dat belang acht het hof voldoende afgedekt met de rapporten, die door [betrokkene 5] , de door partijen in onderling overleg aangewezen vereffenaar van de nalatenschap van [betrokkene 1] na het terugtreden van [verweerster] als testamentair-executeur, zijn opgesteld. Deze rapporten bevatten onder meer een onderhandse beschrijving van de boedel per sterfdag en overzichten van daarna opgetreden vermogensmutaties, terwijl [eiseressen] de mogelijkheid hadden om bij de – overigens door hen aanvaarde – boedelbeschrijving kanttekeningen te plaatsen; (zie rov. 33 t/m 38).

2.14

Tegen de afwijzing van de vordering door het hof voeren [eiseressen] aan dat deze afwijzing ten onrechte is, omdat gesteld noch gebleken is dat [eiseressen] hun vordering hebben ingetrokken en zij bij de vordering voldoende belang hebben, nu zij recht op en belang bij vaststelling van hun legitieme portie hebben.

2.14.1

De aangevoerde klacht treft geen doel. Niet wordt gesteld of toegelicht dat de bepaling van de legitieme portie niet kan worden uitgevoerd aan de hand van de informatie in de rapporten van [betrokkene 5] . Anders gezegd, niet wordt aangegeven welk belang [eiseressen] in verband met de bepaling van de legitieme portie nog hebben bij het afleggen van rekening en verantwoording door [verweerster] zelf. Op een ander belang wordt geen beroep gedaan. Het enkele feit dat de vordering niet is ingetrokken impliceert niet de aanwezigheid van een ander voldoende belang. Onder deze omstandigheden doet opgeld artikel 3:303 BW, waarin is bepaald dat zonder voldoende belang aan niemand een rechtsvordering toekomt.

5. opheffing van de beslagen

2.16

In subonderdeel 2.5 wordt opgekomen tegen de beslissing van het hof in rov. 40 jo. het dictum dat de door [eiseressen] gelegde beslagen dienen te worden opgeheven (en ook tegen de veroordeling van [eiseressen] in de proceskosten en de vernietiging van het vonnis van de rechtbank in het dictum). Deze beslissingen worden op geen andere grond bestreden dan op de grond dat van één of meer in de andere (sub)onderdelen aangevoerde klachten slagen. Nu dit laatste zich niet voordoet, treft ook subonderdeel 2.5 geen doel.

slotsom

2.17

Nu geen van de aangevoerde klachten doel treffen, komt het cassatieberoep voor verwerping in aanmerking.

4 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

(A-G)

1 . Zie voor de feiten de rechtbank ’s-Gravenhage van 8 juni 2011 onder 2.1-2.17 waarvan ook het hof uit gaat zie het arrest van 24 juni 2014 onder 2.1.

2 . Alleen in het B-dossier aanwezig. In de akte zijn de meer subsidiaire vorderingen toegevoegd.

3 . Gedoeld wordt op medische verklaringen, waaruit de rechtbank in haar vonnis d.d. 8 juni 2011 op blz. 4 en 5 citeert.

4 . Van de zijde van [verweerster] in eerste aanleg in het geding gebracht als productie 6 bij een brief d.d. 27 juni 2009 aan de Rechtbank ’s-Gravenhage.

5 . Van de zijde van [eiseressen] in eerste aanleg in het geding gebracht als productie 46 bij brief d.d. 26 juni 2009 aan de Rechtbank ’s-Gravenhage.

6 . Van de zijde van [eiseressen] als productie 5 bij de dagvaarding in eerste aanleg in het geding gebracht.

7 . Dat in eerste aanleg gedane bewijsaanbod – zie de inleidende dagvaarding, blz. 49 t/m 54 – stemt, voor zover van belang voor het thema van de geestesstoornis van [betrokkene 1] , geheel overeen met het bewijsaanbod dat [eiseressen] in hun memorie van antwoord, tevens houdende voorwaardelijk incidenteel appel, blz. 37 t/m 43 hebben gedaan.

8 . Zie in dit verband Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-Van Gent, 2012, nrs. 118, 119 en 120. Zie ook HR 18 oktober 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0376, NJ 1991, 821, rov. 3.2, waarin de Hoge Raad een klacht dat de rechtbank ten onrechte voor de verwerping van drie grieven volstond met het overnemen van het oordeel van de kantonrechter verwierp met de overweging: “De klacht faalt omdat de rechtbank – niet onbegrijpelijk – in de voormelde grieven geen andere stellingen of verweren heeft gelezen dan reeds in eerste aanleg waren aangevoerd en verworpen, zodat zij kon volstaan met het overnemen van de beslissing van de kantonrechter en de overwegingen die de kantonrechter daaraan ten grondslag had gelegd.”

9 . Zie over de onwaardigheid om voordeel uit een nalatenschap te trekken meer Asser/Perrick, 4*, 2013, nr. 24 e.v.

10 . Zie Parl. Gesch. Vaststellingswet Erfrecht, Van der Burght c.s., blz. 90.

11 . Zie Parl. Gesch. Vaststellingswet Erfrecht, Van der Burght c.s., blz. 95.