Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:1405

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-11-2016
Datum publicatie
24-01-2017
Zaaknummer
15/03185
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:62, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Medeplegen van schuldheling van sieraden aangetroffen in door verdachte en medeverdachte bewoond chalet. Slagende bewijsklacht, aangezien uit gebezigde bewijsvoering niet z.m. kan worden afgeleid dat verdachte en zijn medeverdachte t.t.v. voorhanden krijgen van sieraden redelijkerwijs moesten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof. Volgt gedeeltelijke vernietiging en terugwijzing. Samenhang met nr. 15/03183.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/03185

Zitting: 8 november 2016

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, heeft bij arrest van 8 mei 2015 het vonnis van de rechtbank Haarlem van 19 december 2011 waarbij de verdachte voor 2. “medeplegen van witwassen” en 3 primair. “medeplegen van schuldheling”, is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden, onder aanvulling van gronden bevestigd.

  2. Er bestaat samenhang met de zaak 15/03183. In die zaak zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Namens de verdachte heeft mr. P.M. Rombouts, advocaat te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.

4 Het eerste middel

4.1.

Het middel klaagt dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende en/of onbegrijpelijk gemotiveerd, heeft bewezenverklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van witwassen. Het klaagt in het bijzonder dat het hof zonder nadere motivering is afgeweken van het door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt.

4.2.

Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 1 januari 2006 tot en met 16 juni 2009, tezamen en in vereniging met een ander, te Nieuwegein en/of Molenschot en/of elders in Nederland, gebruik heeft gemaakt van een geldbedrag van 108.885,22 euro, de waarde vertegenwoordigend van het totaal van een of meer contante geldbedragen en transacties en betalingen voor de aankoop van chalets en voertuigen en diverse goederen en reizen van verdachten, terwijl hij en zijn mededader wisten, dat bovenomschreven geldbedrag en goederen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf”

4.3.

Het door het hof bevestigde vonnis houdt als promis-bewijsredenering het volgende in1:

4.3. Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder feit 2 en 3 primair ten laste gelegde feiten op grond van het volgende:

feit 2:

Verdachte verblijft sinds 2006 samen met medeverdachte [medeverdachte] en hun drie kinderen op recreatiecentrum [A] te Molenschot in chalet [001] . Chalet [002] staat eveneens op naam van [medeverdachte] . Verdachte rijdt in een zwarte Audi stationwagen en [medeverdachte] in een zwarte Mercedes-Benz M-klasse. Chalet [001] is in 2006 door [betrokkene 1] gekocht voor € 34.000,- van [betrokkene 2] . [betrokkene 1] heeft echter nooit in het chalet gewoond. Zij heeft het direct ter beschikking gesteld aan verdachte en [medeverdachte] , die hebben ook alle kosten voor hun rekening hebben genomen.

Uit onderzoek is gebleken dat [medeverdachte] in de periode van 1 januari 2006 tot en met 16 juni 2009 € 44.062,74 euro aan inkomsten uit werk en uitkering heeft genoten. Van verdachte zijn in het geheel geen legale inkomsten bekend.

Naar aanleiding van bovenstaande bevindingen is het vermoeden ontstaan dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] op andere dan legale wijze inkomsten hebben verworven. Op 16 juni 2009 heeft een doorzoeking plaatsgevonden van chalet [001] en zijn diverse goederen, waaronder sieraden, horloges en geld, in beslag genomen.

In totaal hebben verdachte en [medeverdachte] in de periode van 1 januari 2006 tot en met 16 juni 2009 een bedrag van € 157.629,52 aan uitgaven gedaan. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:

• € 637,37 aan kasstortingen bij de ABN-AMRO-bank op rekening van [medeverdachte] ;

• € 16.130,50 aan moneytransfers;

• € 21.541,19 aan betalingen voor standplaats chalet [001] op het [A] ;

• € 34.000,- voor de aankoop van het chalet op standplaats [001] ;

• € 1.338,75 voor een factuur van [B] VOF;

• €3.800,- voor een factuur van gordijnboetiek [C] ;

• € 36.000,- voor de aankoop van de Audi RS6 met kenteken [AA-00-BB] ;

• € 15.450,-, is de waarde van de Mercedes type ML 270 CDI met kenteken [CC-00-DD] op naam van [medeverdachte] ;

• € 950,- aan een storting op detentierekening van [medeverdachte] ;

• € 489,35 voor een factuur van bouwcenter [D] ;

• € 450,- voor facturen van Doggy’s Holiday;

• € 639,50 voor een factuur van het reisbureau;

• € 803,- voor een factuur van de Mediamarkt;

• € 2502,90 aan het onderhoud van de Audi RS6 DO-MA 144 van verdachte;

• € 204,94 voor een factuur van Leen Bakker;

• € 2500,- voor een betaling advocaat van [medeverdachte] ;

• € 20.192,02 aan bedragen die verdachte en [medeverdachte] volgens het Nibud in de jaren 2006 tot en met 2009 aan levensonderhoud moeten hebben uitgegeven.

De legale inkomsten over genoemde periode bedragen € 48.744.30 en dit bedrag is als volgt opgebouwd:

• € 44.062,74 aan inkomsten van autopoetscentrum Breda en uitkeringen van de gemeente Nieuwegein die [medeverdachte] heeft genoten in genoemde periode;

• € 9.780,- aan kasopnames die [medeverdachte] van haar rekening heeft gedaan.

Bij haar aanhouding op 16 juni 2009 is in de handtas van [medeverdachte] een bedrag van € 3.850,- (bestaande uit 77 bankbiljetten van 50 euro) aangetroffen. Voorts is in chalet [001] een bedrag van 1600 US dollar, dat overeenkomt met € 1.248,44, aangetroffen. Het aangetroffen geld dient in mindering te worden gebracht op de legale inkomsten, waardoor het totale bedrag dat [medeverdachte] aan legale inkomsten heeft gehad uitkomt op € 48.744,30. Verdachte heeft geen legale inkomsten gehad in genoemde periode.

Het verschil tussen de legale inkomsten en de uitgaven van verdachte en [medeverdachte] bedraagt derhalve € 108.885,22.

Noch verdachte noch [medeverdachte] hebben een verklaring voor dit aanzienlijke verschil in inkomsten en uitgaven gegeven. Beiden hebben zich bij hun verhoren door de Koninklijke Marechaussee beroepen op hun zwijgrecht en verdachte is ter zitting niet in persoon verschenen.

Vorenstaande redengevende feiten en omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank het vermoeden van witwassen. Derhalve mag van verdachte worden verlangd dat hij door het verschaffen van verifieerbare gegevens op punten die eenvoudig te achterhalen zijn een aannemelijke verklaring geeft voor het geconstateerde grote verschil in uitgaven en legale inkomsten. Nu een aannemelijke verklaring is uitgebleven, is de rechtbank mede gelet op de overige inhoud van het strafdossier, van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het bedrag van € 108.885,22, middellijk of onmiddellijk, van misdrijf afkomstig was en dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hiervan op de hoogte waren.”

4.4.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 24 april 2015 houdt, voor zover van belang, in:

“De raadsman voert het woord tot verdediging, zakelijk weergegeven, als volgt:

(…)

Wij hebben een tegenberekening ingebracht. Vanaf medio 2008 dient het bedrag van de lening er vanaf te worden getrokken. Ik verzoek mijn cliënt vrij te spreken.

Er is een geldstroom geweest waarmee contante uitgaven mee hebben plaats kunnen vinden. Bij ons is 7.000 euro niet verklaard.

Ik heb geen (voorwaardelijke) verzoeken meer en ik voer geen 359-Sv-verweren.”

4.5.

Het middel klaagt in het bijzonder dat, nu ter zitting van 24 april 2015 door de toen waarnemend raadsman expliciet is verwezen naar de – kennelijk in de zaak van de medeverdachte [medeverdachte] , AEH – gepresenteerde tegenberekening, het op de weg van het hof gelegen had om die tegenberekening ook in het arrest tegen de verdachte te bespreken. Nu het hof dat heeft nagelaten heeft het niet voldaan aan zijn responsieplicht, aldus de steller van het middel.

4.6.

Blijkens het bestreden arrest is het hof inderdaad niet ingegaan op de beweerdelijk gepresenteerde tegenberekening. Ik merk op dat blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 24 april 2015, aldaar als (waarnemend) raadsman van de verdachte aanwezig was mr. T. Nieuwburg. Namens dezelfde mr. Nieuwburg is, blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 3 oktober 2014 gehechte pleitnota in de (niet gevoegde doch in cassatie samenhangende) zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] , een pleitnota overgelegd waarin uitgebreid verweer is gevoerd en een tegenberekening is gepresenteerd. Ik merk op dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 24 april 2015 noch in de onderhavige zaak noch in die van de medeverdachte blijkt dat een pleitnota is overgelegd, en dat de processen-verbaal van die terechtzitting evenmin inhouden dat toen is gepleit overeenkomstig een overgelegde pleitnota. Voor de duidelijkheid zeg ik er nog bij dat in de onderhavige zaak door de raadsman op de terechtzitting van 3 oktober 2014 geen tegenberekening is overgelegd. De vraag die thans beantwoord moet worden is derhalve of het hof de enkele verwijzing van de raadsman op de zitting van 24 april naar de in de zaak van de medeverdachte voorgedragen standpunten had moeten opvatten als ook in de onderhavige zaak als herhaald en ingelaste standpunten. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 26 mei 2015, aan dit vraagstuk enkele algemene overwegingen gewijd:

“(2.5 ….) Uitgangspunt in strafzaken is dat de rechter dient te beraadslagen en te beslissen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting. Dat brengt mee dat verweren en uitdrukkelijk onderbouwde standpunten ter terechtzitting dienen te worden voorgedragen. Geen rechtsregel verplicht de rechter dan ook te beslissen op verweren of uitdrukkelijk onderbouwde standpunten die aldaar niet uitdrukkelijk zijn voorgedragen.

Dat neemt niet weg dat de verdediging het initiatief kan nemen om het voordragen van verweren en onderbouwde standpunten ter terechtzitting te bekorten door middel van een duidelijke verwijzing naar de inhoud van de stukken van het geding, zoals de pleitnota die in eerste aanleg is voorgedragen, de pleitnota die door een raadsman van een tegelijkertijd terechtstaande medeverdachte is voorgedragen (en ook in het dossier van de verdachte is gevoegd) alsook een pleitnota die op voorhand aan de rechter en de andere procespartijen is toegezonden. Voorop dient evenwel te staan dat ter terechtzitting met voldoende duidelijkheid wordt aangegeven welke verweren worden gevoerd en welke onderbouwde standpunten worden ingenomen. (Vgl. HR 22 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM6159, NJ 2011/356 met betrekking tot de schriftelijke voorbereiding in een ontnemingszaak.) Het is de rechter die daarop dient toe te zien en die daarom zal moeten instemmen met vorenbedoelde bekorting van het pleidooi, waarvan moet blijken uit het proces-verbaal van de terechtzitting.”

4.7.

Geconstateerd moet worden dat de Hoge Raad verlangde duidelijkheid in de onderhavige zaak niet is gebleken. Gelet daarop meen ik dat het hof niet gehouden was om een beslissing te geven omtrent het in het middel bedoelde verweer, dat weliswaar is opgenomen in de pleitnotities van de raadsman in de zaak tegen de medeverdachte, doch waarvan niet blijkt dat die ter terechtzitting in de zaak tegen de verdachte door of namens hem uitdrukkelijk is herhaald. Als zodanige herhaling kan mijns inziens niet gelden dat de raadsman in algemene zin heeft aangegeven “dat wij een tegenberekening hebben ingebracht”. Omdat daarop blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting geen reactie van het hof is gevolgd, mocht de raadsman er niet op vertrouwen dat het stilzwijgen van het hof erop duidde dat het hof het in de zaak tegen de medeverdachte gevoerde verweer als herhaald opvatte. Onder die omstandigheid had de raadsman het hof slechts tot beantwoording kunnen nopen door dat verweer uitdrukkelijk te herhalen.2

4.8.

Het behoeft gelet op het voorgaande geen betoog dat het hof hetgeen namens de verdachte in hoger beroep is aangevoerd kennelijk en niet onbegrijpelijk niet heeft opgevat als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt waarop het had moeten responderen.

4.9.

Het middel faalt.

5 Het tweede middel

5.1.

Het middel klaagt dat het hof ten onrechte, althans onbegrijpelijk gemotiveerd, heeft verworpen het verweer dat (een belangrijk deel van) het door het hof geconstateerde verschil tussen uitgaven en legale inkomsten kon worden verklaard door een aan zijn ex partner verstrekte geldlening van een familielid.

5.2.

Het hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

“De rechtbank heeft in haar vonnis vastgesteld dat er een aanzienlijk verschil is tussen enerzijds de legale inkomsten en anderzijds de uitgaven van verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] en dat daarom zondermeer sprake is van een vermoeden van witwassen. Het is aan de verdachte enige en verifieerbare onderbouwing te geven voor haar stelling dat het geld dat besteed is wel een legale herkomst had.

Verdachte heeft in hoger beroep stukken ingebracht waarin staat beschreven dat medeverdachte [medeverdachte] in 2008 60.000 euro heeft geleend van [betrokkene 4] uit Servië. De betreffende stukken waren een Nederlandse vertaling van in het Servisch opgestelde stukken, waarbij het origineel niet bijgevoegd was.

Bij tussenarrest van 17 oktober 2014 heeft het hof beslist dat het hof wenst te beschikken over de originele, in de oorspronkelijke taal opgestelde en ondertekende stukken van de door de verdediging aan het hof overgelegde stukken. Indien deze stukken zouden worden overgelegd, diende het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar de authenticiteit van de overgelegde stukken en de door verdachte gestelde alternatieve herkomst van het geld.

Deze originele stukken zijn echter niet overgelegd door de verdediging, omdat zij daar niet over beschikte.

Ter terechtzitting van het hof op 24 april 2015 is door de verdediging getuige [betrokkene 4] meegebracht. Deze getuige is ter zitting gehoord. Hij verklaart geld aan de medeverdachte [medeverdachte] te hebben geleend, maar beschikt ook niet over de originele stukken waaruit dat zou blijken.

Het hof stelt vast:

- dat verdachte pas in een heel laat stadium met een alternatieve herkomst van het geld komt;

- dat het hof verdachte in de gelegenheid heeft gesteld de gestelde overeenkomst van lening met [betrokkene 4] met originele stukken te onderbouwen;

- dat verdachte vervolgens geen originele stukken heeft overgelegd, ondanks dat hij daar ruim de tijd voor heeft gehad;

- dat getuige [betrokkene 4] weliswaar verklaard heeft geld aan de medeverdachte [medeverdachte] te hebben geleend, maar dat ook hij geen originele schriftelijke leningsovereenkomst kon overleggen aan het hof, noch over enig ander bescheid ter staving van het door hem gestelde.

Het hof is van oordeel dat de door verdachte gegeven informatie betreffende de herkomst van het geld onvoldoende verifieerbaar is. De door getuige [betrokkene 4] afgelegde verklaring heeft het hof niet overtuigd.

Nu een aannemelijke verklaring van verdachte voor het geconstateerde grote verschil in uitgaven en legale inkomsten ook in hoger beroep is uitgebleven, is het hof van oordeel dat de eerste rechter op juiste wijze heeft beslist.”

5.3.

Het middel klaagt in de eerste plaats dat het hof, door te oordelen dat het aan de verdachte is om “enige en verifieerbare onderbouwing” te geven voor zijn stelling dat het geld dat besteed is wel een legale herkomst had en door te oordelen dat de alternatieve verklaring “onvoldoende verifieerbaar" is en dat een “aannemelijke verklaring (...) is uitgebleven”, een eis heeft gesteld die de jurisprudentie niet stelt. Het is immers vaste rechtspraak, aldus de steller van het middel, dat van een verdachte mag worden verlangd dat deze een “concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van het desbetreffende geldbedrag”. Het hof is aldus uitgegaan van een verkeerd criterium.

5.4.

De steller van het middel huldigt dezelfde opvatting als de steller van het cassatiemiddel in de zaak waarvoor mijn ambtgenoot Vegter recentelijk een conclusie schreef. Ik sluit mij aan bij zijn volgende analyse van de jurisprudentie van de Hoge Raad:3

“Volgens de steller van het middel zou het oordeel dat het niet anders kan dan dat een in een tenlastelegging opgenomen geldbedrag van enig misdrijf afkomstig is echter slechts dan mede op het ontbreken van een aannemelijke verklaring van de verdachte mogen worden gebaseerd, wanneer geen sprake is van “een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring voor de herkomst van het geld”.

(…)

De door de steller van het middel bedoelde formulering betreft voor zover ik heb kunnen nagaan geen door de Hoge Raad ontwikkelde maatstaf. Zij wordt niettemin veel in de feitenrechtspraak gebruikt. Zij kan aan de bewezenverklaring ten grondslag worden gelegd.4 De vaststelling van de feitenrechter dat van een dergelijke niet onwaarschijnlijke verklaring sprake is, wordt door de Hoge Raad ook wel in die zin opgevat dat de feitenrechter een verklaring van de verdachte (kennelijk) in beginsel aannemelijk, althans, niet onaannemelijk, heeft geacht.5

5.5.

Gelet op het voorgaande heeft het hof, door te oordelen dat de door verdachte gegeven informatie betreffende de herkomst van het geld onvoldoende verifieerbaar is en een aannemelijke verklaring van verdachte voor het geconstateerde grote verschil in uitgaven en legale inkomsten ook in hoger beroep is uitgebleven, het toetsingskader van de Hoge Raad in witwaszaken hieromtrent – voor zover van een dergelijk toetsingskader al sprake is - niet miskend. Het middel faalt in zoverre.

5.6.

Het middel klaagt in de tweede plaats dat het oordeel van het hof dat de door de verdachte gegeven informatie onvoldoende verifieerbaar is en in het verlengde daarvan onvoldoende aannemelijk is geworden, tegen de achtergrond van de ingebrachte stukken, de informatie uit het dossier en de door [betrokkene 4] ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring onbegrijpelijk en ontoereikend gemotiveerd is.

5.7.

Door het hof is – kort samengevat - overwogen dat het wenste te beschikken over de originele, in de oorspronkelijke taal opgestelde en ondertekende stukken die ten grondslag liggen aan de door de verdediging aan het hof overgelegde stukken, zodat het openbaar ministerie nader onderzoek kon doen naar de authenticiteit daarvan en de door verdachte gestelde alternatieve herkomst van het geld. Het hof heeft vervolgens overwogen dat deze originele stukken niet zijn overgelegd door de verdediging, terwijl zij daarvoor ruim de tijd had gehad. Gelet daarop en op de overweging van het hof dat de verdachte pas in een heel laat stadium met deze alternatieve herkomst van het geld is gekomen, heeft het hof, door te oordelen dat een aannemelijke verklaring van de verdachte voor het geconstateerde grote verschil in uitgaven en legale inkomsten is uitgebleven, het verweer dat (een belangrijk deel van) het door het hof geconstateerde verschil tussen uitgaven en legale inkomsten kon worden verklaard door een aan de medeverdachte [medeverdachte] verstrekte geldlening van een familielid, niet onbegrijpelijk verworpen. Daaraan doet mijns inziens niet af dat de getuige [betrokkene 4] ter zitting bij het hof onder ede heeft verklaard dat hetgeen de medeverdachte [medeverdachte] over de lening had verklaard juist is, noch dat door de verdediging is aangevoerd dat zich in het dossier een aantal (kopieën van) money transfers bevindt waaruit zou blijken dat de medeverdachte [medeverdachte] driemaal een bedrag van € 5.000,- aan [betrokkene 4] heeft (terug)betaald met als omschrijving “terugbetaling lening”6. Het middel faalt ook in zoverre.

5.8.

Het middel faalt.

6 Het derde middel

6.1.

Het middel klaagt dat het hof ten onrechte en/of onvoldoende en/of onbegrijpelijk gemotiveerd heeft bewezenverklaard dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van schuldheling.

6.2.

Ten laste van de verdachte is onder 3 primair bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 30 december 2008 tot en met 16 juni 2009 te Molenschot, tezamen en in vereniging met een ander, sieraden met een totale nieuwwaarde van 11.700 euro, te weten:

- een witgouden tennisarmband met smaragd slijpsel en

- een wit gouden sieraad en daarbij een geel gouden hanger in de vorm van een sabel, waarin diamanten zijn verwerkt en

- een wit gouden ketting met een geslepen amethist en diamanten en

- een wit gouden ring met een champagne kleurige diamant, voorhanden heeft gehad, terwijl zij en haar mededader ten tijde van het voorhanden krijgen van die sieraden redelijkerwijs moesten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.”

6.3.

De door het hof bevestigde bewijsvoering van de rechtbank ten aanzien van dit feit houdt het volgende in7:

“Op 30 december 2008 vond in Zwolle een diefstal van een groot aantal juwelen van [betrokkene 6] plaats. Tijdens de doorzoeking van chalet [001] , welke in gebruik was bij verdachte en medeverdachte [medeverdachte] , zijn in de kluis diverse juwelen aangetroffen. Aangeefster [betrokkene 6] heeft de volgende inbeslaggenomen juwelen herkend als degene die van haar zijn gestolen op 30 december 2008:

• een witgouden tennisarmband met smaragd slijpsel;

• een wit gouden sieraad met geel goud in de vorm van een sabel, waarin diamanten zijn verwerkt;

• een gouden ketting met een geslepen amethist en diamanten;

• een wit gouden ring met een champagne kleurige diamant.

De totale waarde van deze sieraden bedraagt € 11.700,-.”

6.4.

Het door het hof bevestigde vonnis van de rechtbank houdt voorts, voor zover van belang, het volgende in:

“Feit 3

Ontbreken opzet/wetenschap

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat, nu de in de tenlastelegging genoemde sieraden in de kluis in chalet [001] zijn aangetroffen er niet van mag worden uitgegaan dat alle bewoners weten wat zich in die kluis bevindt noch daartoe toegang hebben. Nu verklaringen op dit punt ontbreken, is er onvoldoende bewijs voor het opzet op c.q. de wetenschap van verdachte ten aanzien van hetgeen zich in de kluis bevindt. Verdachte dient derhalve van de heling te worden vrijgesproken.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

De gestolen goederen zijn aangetroffen in de kluis in chalet [001] op het [A] te Molenschot. In de ten laste gelegde periode van 30 december 2008 tot en met 16 juni 2009 verbleef verdachte tot het moment van aanvang van zijn detentie uit anderen hoofde op 9 februari 2009 in voormeld chalet en medeverdachte [medeverdachte] verbleef daar gedurende de gehele ten laste gelegde periode. Nu verklaringen van verdachte en [medeverdachte] met betrekking tot het al dan niet toegang hebben tot de kluis en de wetenschap over wat er in de kluis lag ontbreken, gaat de rechtbank er vanuit dat zowel verdachte als [medeverdachte] in die periode kon beschikken over de goederen in de kluis.”

6.5.

De bewijsmiddelen in het door het hof bevestigde vonnis van de rechtbank houden slechts in dat in de kluis in het chalet dat door de verdachte en de medeverdachte [verdachte] werd bewoond, sieraden zijn aangetroffen die op 30 december 2008 in Zwolle zijn gestolen. Daaruit kan niet worden afgeleid dat de verdachte “ten tijde van het voorhanden krijgen van de sieraden redelijkerwijs moest vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof”. Dat zou betekenen dat het middel slaagt. Ik heb echter nog een tijd getwijfeld of de volgende, moeilijk te begrijpen overweging van de rechtbank nog een aanwijzing inhoudt omtrent haar visie op de wijze van verkrijging van de sieraden en het daarbij vereiste subjectieve bestanddeel. Het vonnis van de rechtbank omtrent dit feit namelijk nog het volgende in:

“feit 3
Labeltjes sieraden
De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat de labeltjes die zich aan de sieraden bevonden, niet door [betrokkene 6] zijn herkend. Deze labeltjes duiden erop dat de sieraden in het bovengrondse circuit van een juwelier afkomstig zijn. Het is derhalve goed mogelijk dat verdachte en/of [medeverdachte] de sieraden van een juwelier hebben gekocht en deze te goeder trouw in hun bezit hadden. Op voorhand mag derhalve er niet van worden uitgegaan dat de sieraden van misdrijf afkomstig zijn. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.
Uit de foto’s op pagina 375 en 376 van het dossier blijkt dat bij het sieraad op de eerste foto, de witgouden tennisarmband met smaragd slijpsel, drie losse labels liggen. Deze labels zijn niet aan het sieraad bevestigd en ook anderszins is niet gebleken dat die labels bij dit sieraad horen. Op de tweede foto is wel een label bevestigd aan de veertien karaat gouden ring met een robijn en geel saffier. Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat verdachte van de heling van dit sieraad dient te worden vrijgesproken, nu niet kan worden uitgesloten dat verdachte en/of [medeverdachte] dit sieraad op legale wijze hebben verkregen. Ten aanzien van de overige sieraden, waaraan geen label is bevestigd, gaat het verweer van de raadsman niet op.”

6.6.

Deze overweging van de rechtbank is – zo concludeer ik met enige moeite en na herhaalde lezing – bezwaarlijk anders te verstaan dan dat zij alleen maar iets zegt over het oordeel van de rechtbank omtrent de objectieve kant van het delict, en wel het van misdrijf afkomstig zijn van althans een deel van de sieraden. Over de subjectieve kant, dus het weten dan wel redelijkerwijze moeten vermoeden bij de verdachte dan wel de medeverdachte dat de sieraden van misdrijf afkomstig waren bevat de overweging naar ik meen geen duidelijke informatie. Ook bij nader inzien acht ik dus het middel terecht te zijn voorgesteld.

6.7.

Het middel slaagt.

7. Het eerste en het tweede middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering. Het derde middel slaagt.

8. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde feit en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem – Leeuwarden teneinde in zoverre op het hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Voor de leesbaarheid van de conclusie heb ik de door de rechtbank gebruikte voetnoten weggelaten.

2 HR 7 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8914 en HR 30 juni 1998, NJ 1999/60.

3 Conclusie van 31 mei 2016, ECLI:NL:PHR:2016:716, nrs. 7 en 9.

4 Vgl. HR 16 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1660, NJ 2015/362.

5 Vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787, NJ 2010/456 (alsook BM0927 en BM0796) HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:194.

6 MOT-transacties, dossierpagina 995. De transacties vonden volgens dit document plaats op 6 januari en 4 maart 2009.

7 Voor de leesbaarheid van de conclusie laat ik de gebruikte voetnoten weg.