Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:138

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
16-02-2016
Datum publicatie
23-03-2016
Zaaknummer
15/03626
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:473, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Profijtontneming. Aantal oogsten. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/03626P

Zitting: 16 februari 2016

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[betrokkene]

  1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij uitspraak van 16 april 2015 de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 2 april 2013 bevestigd, waarbij de betrokkene ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting is opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 58.000,-.

  2. Mr. J.W. Schouten, advocaat te Arnhem, heeft namens de betrokkene een middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel behelst de klacht dat de schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel onvoldoende met redenen is omkleed. In het bijzonder kan volgens de steller van het middel uit de bewijsmiddelen niet volgen dat de betrokkene twee keer eerder heeft geoogst.

  4. Het eerste lid van art. 511e Sv verklaart de bepalingen van de vierde afdeling van titel VI van het tweede boek Sv, waarin art. 359 Sv voorkomt, van overeenkomstige toepassing. Art. 511f Sv houdt in dat de rechter de schatting van het op geld waardeerbare voordeel als bedoeld in art. 36e r slechts kan ontlenen aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen. Ingevolge het tweede lid van art. 511g Sv is art. 415 Sv, dat art. 359 Sv van overeenkomstige toepassing verklaart, van overeenkomstige toepassing. Het voorafgaande betekent dat de uitspraak van het hof de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, waaraan de schatting van het voordeel is ontleend, moet bevatten.1

5. In de bestreden uitspraak heeft het hof de uitspraak in eerste aanleg, met overneming van de gronden, bevestigd. De politierechter had het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op een bedrag van € 58.000,-. Daarbij heeft hij acht geslagen op het vonnis van 29 oktober 2012 in de strafzaak tegen de betrokkene, waarbij deze is veroordeeld wegens het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en wegens diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking. Voorts heeft de politierechter kennis genomen van een proces-verbaal van bevindingen van 18 mei 2011 van twee verbalisanten van de regiopolitie Gelderland-Midden. In de verkorte uitspraak is ten aanzien van het aantal oogsten voorts de volgende overweging opgenomen:

“De politierechter overweegt:

Op basis van het dossier kan ik niet anders dan concluderen dat veroordeelde bezig was met de derde oogst, toen hij gepakt werd. Ik ga dan ook uit van een totaal van twee geslaagde oogsten.”

6. Uit de aanvulling op de verkorte uitspraak blijkt dat de politierechter de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft doen steunen op de inhoud van het eerder genoemde strafvonnis – waarbij als gevolg van een kennelijke verschrijving de datum van 2 april 2013 in plaats van 29 oktober 2012 wordt genoemd – alsmede op het eerder genoemde proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 14-19, voor zover inhoudende:

“OPBRENGSTBEREKEN1NG

Zoals eerder vermeld is de opbrengst in grammen per hennepplant 27,7 gram. De verkoopprijs aan de groothandel per kilogram hennep bedraagt 3280,- of 3,28 per gram.

De totale opbrengst van de 2 oogsten bedraagt dan:

373 planten x 2 oogsten x 27,7 gram. = 20664,2 gram. x 3,28 = bruto opbrengst 67778,58 euro.

(…)

Bruto opbrengst verkoop hennep 67778,58 euro

Totale kosten 9403,42 euro

Wederrechtelijk verkregen voordeel 58375,16 euro:’”

7. Het gebruik van het proces-verbaal van bevindingen voor het bewijs en de toepassing van aanhalingstekens wekken de suggestie dat de politierechter de inhoud van het proces-verbaal in zoverre citeert. Een blik in het proces-verbaal van bevindingen leert echter dat geen sprake is van een letterlijke weergave. De tweede alinea luidt immers:

”De totale opbrengst van de 3 oogsten bedraagt dan:

373 planten x 3 oogsten x 27,7 gram. = 30996,3 gr. x 3,28 = Bruto opbrengst 101667,86 euro.”

8. Aldus heeft de politierechter de inhoud van het bewijsmiddel aangepast aan het door hem aannemelijk geachte aantal oogsten. De weergave van het bewijsmiddel stemt daarmee op een wezenlijk onderdeel niet overeen met de inhoud van het proces-verbaal.2 In dit opzicht schiet de motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel tekort.

9. In het middel wordt niet geklaagd dat het hof de inhoud van het proces-verbaal van bevindingen heeft gedenatureerd. Dat is begrijpelijk, omdat niet valt in te zien welk belang de betrokkene met een dergelijke klacht heeft. De steller van het middel voert wel terecht aan dat uit de aanvulling op de verkorte uitspraak niet kan worden afgeleid op welk ander bewijsmiddel de politierechter zijn schatting van twee oogsten heeft gebaseerd.

10. Gelet op het voorafgaande, is de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel in de uitspraak van de politierechter onvoldoende met redenen omkleed. Het hof heeft volstaan met een ‘kale’ bevestiging van de uitspraak waarvan beroep, waardoor het arrest van het hof aan hetzelfde euvel lijdt.

11. Resteert de vraag of zulks tot cassatie dient te leiden. Bij het antwoord op die vraag zijn naar mijn mening twee aspecten van belang. In de eerste plaats volgt uit het verloop van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg, in samenhang bezien met de stukken van het geding, onmiskenbaar dat de politierechter in zijn verkorte uitspraak het oog heeft gehad op de verklaring van de vriendin van de betrokkene, [betrokkene 1], die zij op 24 februari 2011 bij de politie heeft afgelegd. In het proces-verbaal van dit verhoor staat vermeld3:

“V: Hoeveel kweken hebben jullie gehad dan in die woning?

A: In totaal drie kweken. Bij de derde zijn wij gepakt door de politie. Dat is dus gisteren toen ik ben aangehouden.”

12. Tijdens de behandeling van de vordering in eerste aanleg merkt de officier van justitie op dat zij waarde hecht aan de verklaring van de genoemde [betrokkene 1], dat “ze bezig waren met de derde oogst”. Volgens de officier van justitie zou er dan ook twee maal zijn geoogst. In de verkorte uitspraak wordt naar dit standpunt van de officier van justitie, onder verwijzing naar de verklaring van [betrokkene 1], verwezen. In de verkorte uitspraak overweegt de politierechter dat hij op basis van het dossier concludeert dat de betrokkene bezig was met de derde oogst toen hij gepakt werd en dat de politierechter dan ook uitgaat van twee oogsten. Gelet op het verloop van het onderzoek ter terechtzitting en de verklaring van de medeverdachte [betrokkene 1], lijdt het geen twijfel dat de politierechter zich daarbij baseerde op de verklaring van [betrokkene 1], zoals hiervoor weergegeven. Daarover bestond bij de verdediging kennelijk evenmin twijfel. In de pleitnota in hoger beroep merkt de raadsman ten aanzien van het aantal eerdere oogsten immers op dat de rechtbank “heeft aangehouden wat [betrokkene 1] daarover gezegd heeft (twee eerdere)”. De voorzitter van het hof heeft ter zitting aan de betrokkene voorgehouden dat er door de vriendin van de betrokkene ([betrokkene 1]) is gezegd dat er twee eerdere oogsten waren. Ook de advocaat-generaal bij het hof ging uit van twee oogsten, omdat geen reden werd gezien aan de verklaring van de genoemde [betrokkene 1] op pagina 178 van het dossier te twijfelen.4

13. Uit het voorafgaande volgt dat niet anders kan worden geconcludeerd dan dat de politierechter en het hof hun oordeel dat sprake is geweest van twee eerdere oogsten hebben gebaseerd op de verklaring van [betrokkene 1]. Bij kennelijke misslag hebben de politierechter en het hof de desbetreffende verklaring niet als bewijsmiddel opgenomen. De Hoge Raad kan de bestreden uitspraak met verbetering van deze misslag lezen, zodat de feitelijke grondslag aan het middel komt te ontvallen en het niet tot cassatie kan leiden.5

14. Daarbij komt het volgende. De politierechter heeft het eerder genoemde proces-verbaal van bevindingen tot het bewijs gebezigd. In dat proces-verbaal werd uitgegaan van drie oogsten waaruit wederrechtelijk verkregen voordeel is gegenereerd. De politierechter en het hof zijn echter uitgegaan van twee eerdere oogsten. Deze aanpassing is in het voordeel van de betrokkene geweest. In dat licht bezien valt niet in te zien in welk rechtens te respecteren belang de betrokkene zou zijn getroffen door de genoemde afwijking van de inhoud van het gebruikte bewijsmiddel.6

15. Gelet op het voorafgaande, meen ik dat het geconstateerde gebrek in de bewijsvoering niet tot cassatie hoeft te leiden. Het middel is daarmee tevergeefs voorgesteld.

16. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

17. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 16 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:AD2463, NJ 1997/405.

2 Zie in dit verband nader A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, achtste druk, Deventer:2015, p. 204.

3 Zie p. 178 van het dossier.

4 Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 2 april 2015, p. 2.

5 Vgl. HR 11 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3338.

6 Vgl. HR 2 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5960, NJ 2013/383, m.nt. Reijntjes en HR 22 april 2014, nr. 13/00651 (ongepubliceerd).