Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:1379

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
29-11-2016
Datum publicatie
17-01-2017
Zaaknummer
15/02806
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:36, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Schending ambtsgeheim ex art. 272 Sr raadslid Delft door als lid van de Commissie Spoorzone, Verkeer en Ruimte vertrouwelijke/geheime informatie over de aanbesteding/het ontwerp van de Sebastiaansbrug te Delft d.m.v. een persbericht aan derden te verstrekken. Middelen m.b.t. o.a. beroep op noodtoestand en de beslissing tot geheimhouding. HR: 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/02806

Zitting: 29 november 2016

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 2 juni 2015 door het gerechtshof Den Haag wegens “Opzettelijk een geheim schenden, waarvan hij weet dat hij uit hoofde van zijn ambt en/of wettelijk voorschrift verplicht is het te bewaren”, veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke geldboete van € 500,00, subsidiair tien dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren.

  2. Namens de verdachte heeft mr. T.M. ten Velde, advocaat te Tilburg, vier middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het gaat in deze zaak om de verdenking dat de verdachte, raadslid van de gemeente Delft, als lid van de Commissie Spoorzone, Verkeer en Ruimte heeft deelgenomen aan vergaderingen van deze commissie, die als onderwerp hadden de aanbesteding/het ontwerp van een brug in Delft. Aan het einde van de eerste, besloten, vergadering stemden – met uitzondering van de verdachte – alle aanwezige leden ermee in de beslotenheid te handhaven. Kort na de tweede vergadering heeft de verdachte informatie uit die vergadering door middel van een, ook aan de commissie verzonden, persbericht naar buiten gebracht. Dat heeft geleid tot een aangifte tegen en een strafvervolging van de verdachte. In hoger beroep is de zaak behandeld op de terechtzitting van het hof van 19 mei 2015. Blijkens het bestreden arrest van het hof, is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

“hij op 1 november 2013 te Delft, een geheim waarvan hij wist dat hij uit hoofde van ambt of wettelijk voorschrift, te weten raadslid van de gemeente Delft, en/of lid van de Commissie Spoorzone, Verkeer en Ruimte van de gemeente Delft, verplicht was te bewaren, opzettelijk heeft geschonden, immers heeft verdachte vertrouwelijke/ geheime informatie, te weten informatie over de aanbesteding/het ontwerp van de Sebastiaansbrug te Delft afkomstig uit de besloten overlegvergaderingen van de Commissie Spoorzone, Verkeer en Ruimte van 29 oktober 2013 en 31 oktober 2013 door middel van een door hem, verdachte, uitgegeven persbericht aan derden verstrekt.”

4. Het eerste middel keert zich tegen ’s hofs verwerping van het verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging.

5. Het arrest van het hof houdt met betrekking tot voormeld verweer het volgende in:

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De verdediging heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep van 19 mei 2015 op het standpunt gesteld dat de beslissing om de verdachte te vervolgen, terwijl twee vergelijkbare zaken in een sepot zijn geëindigd, een zodanig ernstige schending van het - naar het hof begrijpt - gelijkheidsbeginsel oplevert dat zulks dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Het hof stelt voorop dat de bevoegdheid om zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden is toegekend aan de officier van justitie, die daarbij een ruime discretionaire bevoegdheid op grond van artikel 167 van het Wetboek van Strafvordering toekomt. Deze discretionaire bevoegdheid kan evenwel worden beperkt door de werking van de beginselen van een goede procesorde, het gelijkheidsbeginsel daaronder begrepen.

Naar het oordeel van het hof heeft de raadsman zijn standpunt onvoldoende feitelijk onderbouwd.

Gedetailleerde informatie omtrent de twee gesteld vergelijkbare zaken is niet overgelegd. Derhalve valt niet vast te stellen of in de twee door de raadsman aangehaalde zaken sprake is geweest van relevante feiten en omstandigheden die gelijk waren aan die in de onderhavige zaak.

Het hof acht het Openbaar Ministerie dan ook ontvankelijk, en verwerpt mitsdien het tot een andere conclusie leidende verweer van de verdediging. “

6. De steller van het middel betoogt dat van de verdachte niet kan worden gevergd dat hij gedetailleerde informatie verstrekt over de twee, naar de verdachte meent vergelijkbare zaken waarin niet tot vervolging zou zijn overgegaan.

7. Wil een verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging slagen, en in het bijzonder indien de gestelde grond daarvoor is gelegen in een schending van het gelijkheidsbeginsel, dan mag van de verdediging worden verlangd dat zij het desbetreffende verweer tenminste voorziet van een begin van onderbouwing. Daaraan schort het in deze zaak, nu de verdediging gezien het proces-verbaal van de terechtzitting van 19 mei 2015 en de daaraan gehechte pleitnota niet verder is gekomen dan de opmerking dat “andere leden” voor “vergelijkbare delicten” niet zijn vervolgd en dat in die vergelijkbare zaken is geseponeerd.

8. Het oordeel van het hof is onjuist noch onbegrijpelijk.

9. Het eerste middel faalt.

10. Het tweede middel behelst de klacht dat “de aanname van het gerechtshof omtrent de wijze van stemming binnen de raadscommissie” zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is.

11. Het arrest van het hof houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang in:

“Bewijsoverwegingen

Standpunt van de verdediging

Namens de verdachte heeft de raadsman zich ter terechtzitting in hoger beroep, overeenkomstig zijn overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnota op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken. (…)

Allereerst dient volgens de verdediging bij afwezigheid van regels omtrent de stemming in raadscommissies, uit te worden gegaan van unanimiteit. Artikel 30, eerste lid van de Gemeentewet ziet immers op stemmingen in vergaderingen van de raad en niet van commissies. De verdachte heeft ten tijde van de commissievergadering op 31 oktober 2013 tegen de geheimhouding gestemd.

(…)

Beoordeling door het hof

(…)

Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Gemeentewet is voor een besluit tot geheimhouding geen unanimiteit van stemmen vereist, maar is een volstrekte meerderheid voldoende. Niet valt in te zien waarom er binnen een raadscommissie op andere wijze omtrent geheimhouding moet worden gestemd dan binnen de raad; de raadscommissie wordt immers door de raad ingesteld. Dat voor onderhavige raadscommissie een specifieke, van het algemene stemregime afwijkende regeling zou gelden is niet gebleken.

Uit het voorgaande volgt dat nu de raadscommissie bij meerderheid tot geheimhouding had besloten, en daartoe ook mocht besluiten, ook de verdachte aan dat besluit gebonden was.”

12. Het hof heeft voor zijn oordeel dat geen unanimiteit vereist is om tot geheimhouding te besluiten, aansluiting gezocht bij art. 30, eerste lid, van de Gemeentewet. Het hof heeft daarbij overwogen dat niet valt in te zien waarom binnen een raadscommissie op een andere wijze zou moeten worden gestemd dan binnen de raad. Die overweging acht ik niet onbegrijpelijk. Ik neem daarbij in aanmerking dat de “verordening op de raadscommissies 2008” waarnaar in de pleitnota en ook in de toelichting op het middel wordt verwezen, kennelijk niet expliciet inhoudt dat voor een besluit genomen door een raadscommissie unanimiteit is vereist. Kortom, voor de stelling dat hier een andere wijze van stemmen zou gelden, is door de verdediging geen deugdelijke onderbouwing gegeven. Hetgeen in de toelichting op het middel nog wordt aangevoerd, te weten dat de verdachte “uitvoerig” zou hebben betoogd dat de Wet openbaarheid van bestuur met zich zou brengen dat unanimiteit een uitzondering is, blijkt niet uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, noch uit de daar voorgedragen en overgelegde pleitnota.

13. Verder merk ik nog op dat het middel alleen doelt op de vergadering van 31 oktober 2013 waarbij, zo blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen, de verdachte inderdaad niet heeft ingestemd met geheimhouding. De bewezenverklaring houdt echter in dat het bedoelde geheim ook is besproken in de besloten commissievergadering van 29 oktober 2013, met welke beslotenheid de verdachte blijkens de gebezigde bewijsmiddelen wel heeft ingestemd. Nu het hof het bewezenverklaarde aldus heeft opgevat dat de verdachte geheime informatie (in enkelvoud) heeft geopenbaard, ontbeert het middel ook belang.

14. Het tweede middel faalt.

15. Het derde middel klaagt over een vermeende innerlijke tegenstrijdigheid in het arrest van het hof en doelt daarbij op de volgende overweging:

“De verdediging heeft voorts aangevoerd dat de gemeenteraad op 14 februari 2014 de informatie zelf naar buiten heeft gebracht, en die informatie mitsdien niet onder de geheimhouding zou vallen. Wat daar van zij, dit laat onverlet dat die informatie op het moment dat verdachte deze naar buiten bracht wel geheim was.”

16. Ik begrijp de toelichting op het middel in die zin, dat deze overweging innerlijk tegenstrijdig is aan het oordeel van het hof dat op 1 november 2013 de verdachte geheime informatie openbaar heeft gemaakt, nu het hof in het midden heeft gelaten of de geheimhouding op 14 februari 2014 al dan niet was opgeheven en het ontbreken van een besluit tot opheffing van de geheimhoudingsverplichting logischerwijs betekent dat er nimmer sprake was van zo een verplichting.

17. In de onderhavige zaak lag ter beoordeling aan het hof onder meer de vraag voor of de gedraging van de verdachte, zoals in de tenlastelegging omschreven en door het hof bewezenverklaard, een strafbaar feit oplevert. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte op 1 november 2013 opzettelijk een ambtsgeheim heeft geschonden door dit te openbaren, en dat zulks het delict als bedoeld in art. 272 Sr oplevert. Hetgeen, en door wie, drieënhalf maand later op 14 februari 2014 zou zijn geopenbaard en of daarop toen nog geheimhouding rustte, is hier niet aan het oordeel van het hof onderworpen en doet er dus in zoverre niet toe. Het maakt de beslissing van het hof in ieder geval niet onbegrijpelijk.

18. Het derde middel faalt.

19. Het vierde middel klaagt over ’s hofs verwerping van het verweer voor zover daarin een beroep op noodtoestand wordt gedaan. De bestreden uitspraak houdt daaromtrent in:

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Standpunt van de verdediging

Namens de verdachte heeft de raadsman zich ter terechtzitting in hoger beroep, overeenkomstig zijn overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnota, op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens een geslaagd beroep op overmacht in de zin van noodtoestand. De raadsman heeft hiertoe - zakelijk weergegeven - betoogd dat de verdachte niet anders kon dan de informatie naar buiten te brengen. Anders had de oppositie haar werk niet kunnen uitvoeren. Bovendien was het democratisch besluitvormingsproces in het geding, nu een eerder gesloten contract met de Provinciale Staten waarin de bijdrage werd genoemd openlijk met de burgers was gedeeld. Bij zijn handelen heeft de verdachte de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit in acht genomen door louter datgene naar buiten te brengen wat noodzakelijk was en geen informatie naar buiten te brengen dat de gemeente mogelijk kon schaden, aldus de raadsman.

(…)

Het oordeel van het hof

Voor een geslaagd beroep op overmacht in de zin van noodtoestand is vereist dat de gedraging van de verdachte is voortgevloeid uit een actuele en concrete nood (bestaande uit een belangenconflict) en dat die gedraging was geëigend om aan die nood een einde te maken.

Op grond van de zich in het dossier bevindende stukken en het verhandelde ter terechtzitting is niet aannemelijk geworden dat de verdachte alternatieve wegen heeft overwogen om het door hem beoogde doel te bereiken, zoals het indienen van een verzoek tot opheffing of heroverweging van het besluit tot het opleggen van geheimhouding. Daarentegen heeft de verdachte de dag na de besloten vergadering en het besluit tot geheimhouding een persbericht uitgegeven. Niet gebleken is daarbij dat sprake was van een zodanige actuele en concrete noodsituatie, dat de openbaarmaking reeds toen moest plaatsvinden. Aldus heeft de verdachte niet voldaan aan de op hem rustende verplichting te handelen naar de eisen van subsidiariteit. Het beroep op overmacht wordt daarom verworpen.

Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.”

20. Bij de beoordeling van een beroep op noodtoestand als in het middel bedoeld, moet worden vooropgesteld dat uitzonderlijke omstandigheden in een individueel geval kunnen meebrengen dat gedragingen die door de wetgever strafbaar zijn gesteld, niettemin gerechtvaardigd kunnen worden geacht, onder meer indien moet worden aangenomen dat daarbij is gehandeld in noodtoestand, dat wil zeggen in het algemeen gesproken dat de pleger van het feit, staande voor de noodzaak te kiezen uit onderling strijdige plichten en belangen, de zwaarstwegende heeft laten prevaleren.1

21. Het hof heeft die maatstaf niet miskend. Het, niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigend, oordeel van het hof dat de verdachte geen beroep op noodtoestand toekomt, is niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd. De noodzaak om ervoor te kiezen daags na de besloten vergadering van 31 oktober 2013 een persbericht naar buiten te brengen, is niet aannemelijk gemaakt. In de toelichting op het middel wordt met betrekking tot de verdachte gerept van “de termijn die hij heeft aangehouden voordat hij de openbaarheid zocht”. Over welke termijn het daarbij gaat, is mij niet duidelijk en is niet naar voren gebracht bij het hof.

22. De door de Hoge Raad vereiste uitzonderlijke situatie die een beroep op noodtoestand zou rechtvaardigen en niet-strafbaarheid van het feit met zich zou brengen, is in het geheel niet aangetoond.

23. Het vierde middel faalt.

24. Alle middelen falen en kunnen mijns inziens alle worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

25. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

26. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 16 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC7938, NJ 2010/5, herhaald in onder meer in HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5971. Zie voorts de conclusie van mijn ambtgenoot Spronken ECLI:NL:PHR:2016:1086 (i.h.b. randnummer 6.1 e.v.).