Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:1378

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
29-11-2016
Datum publicatie
17-01-2017
Zaaknummer
15/04607
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:35, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Contaminatie kruitsporenonderzoek? Veroordeling tot 15 jaar gevangenisstraf wegens liquidatie, art. 289 Sr. Middel m.b.t. de verwerping door het hof van het verweer dat de resultaten van het kruitsporenonderzoek eerder erop wijzen dat de deeltjes bij verdachte konden worden aangetroffen als gevolg van contaminatie, dan als restanten van het afvuren van een of meer schoten door verdachte. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/04607

Mr. Machielse

Zitting 29 november 2016 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof Amsterdam heeft verdachte op 25 september 2015 voor: moord veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 jaar. Voorts heeft het hof voorwerpen verbeurd verklaard en van andere voorwerpen de onttrekking aan het verkeer bevolen zoals in het arrest omschreven.

2. Mr. J.C. Sneep, advocaat te Breda, heeft cassatie ingesteld. Mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, heeft een schriftuur ingezonden houdende een middel van cassatie.

3.1. Het middel keert zich tegen de verwerping door het hof van het verweer dat de resultaten van het kruitsporenonderzoek eerder erop wijzen dat de deeltjes bij verdachte konden worden aangetroffen als gevolg van contaminatie, dan als restanten van het afvuren van een of meer schoten door verdachte.

3.2. Het hof heeft bewezen verklaard dat

"hij in de periode van 21 april 2013 tot en met 22 april 2013 te Amsterdam, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen kogels in het lichaam en in het hoofd van die [slachtoffer] geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] op 22 april 2013 is overleden."

3.3. In zijn arrest heeft het hof een van de bewijsverweren als volgt omschreven en gemotiveerd verworpen:

“Het standpunt van de verdediging

Net als in eerste aanleg heeft de verdediging in hoger beroep integrale vrijspraak bepleit bij gebreke aan voldoende wettig en overtuigend bewijs. Zakelijk weergegeven heeft de verdediging in dit verband het volgende gesteld:

-de kruitsporen kunnen niet voor het bewijs worden gebruikt daar sprake zou kunnen zijn van secundaire of zelfs tertiaire overdracht van kruitsporen;

(...)

Het hof begrijpt dat verdediging voorts stelt dat er geen bewijs is van medeplegen bij gebreke van voldoende aanwijzingen dat nauw en bewust met een ander is samengewerkt ter uitvoering van een gezamenlijk plan.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie komt tot de conclusie dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het medeplegen van moord zoals tenlastegelegd. Geconcludeerd kan worden dat het slachtoffer in opdracht is geliquideerd waarvoor in nauwe en bewuste samenwerking is samengewerkt met één of meer anderen.

Het hof overweegt als volgt.

Schotresten/kruitsporen

Op 24 april 2013, 1 augustus 2013, 31 januari 2014 en 23 juni 2014 heeft het NFI rapporten uitgebracht naar aanleiding van een ingesteld onderzoek naar eventuele schotresten op de handen en op de kleding van de verdachte. Uit voornoemde rapporten blijkt dat op de handen en op de binnenkant van de mouwen van de verdachte 3 respectievelijk 9 zogenoemde A-deeltjes zijn aangetroffen. Het NFI komt op grond daarvan tot de conclusie dat het onderzoek een vrijwel zekere relatie heeft aangetoond tussen deze sporen en een schietproces. Voorts kunnen deze deeltjes passen in het palet aan deeltjes dat is aangetroffen op een van de hulzen op de plaats delict. Twee deeltjes, één afkomstig van de jas en één van de handen, zijn afkomstig van gemarkeerde politiemunitie. De overige deeltjes niet, hetgeen blijkt uit het feit dat daarin het element lood voorkomt, welk element zich niet in politiemunitie bevindt, zoals de schotrestendeskundige Chang ter terechtzitting in eerste aanleg van 15 april 2014 heeft verklaard (p. 1-2).

Ter terechtzitting in eerste aanleg van 15 april 2014 heeft de schotrestendeskundige ing. S.B.C.G. Chang van het NFI voorts het volgende verklaard.

Het aantreffen van A-deeltjes toont een relatie aan met een schietincident, die kan bestaan uit het zelf schieten, in de nabijheid staan van het schietproces of contaminatie door een met schotresten besmet voorwerp. Niet kan worden gezegd dat iemand bij wie duizenden A-deeltjes zijn aangetroffen meer

waarschijnlijk de schutter is dan de persoon met slechts één A-deeltje. Aan de hand van het aantal A-deeltjes kan niet worden bepaald of de persoon zelf heeft geschoten, of dat sprake is geweest van secundaire overdracht. Het bereik van schotresten afkomstig van handvuurwapens is vanaf handvuurwapens vanaf de voorzijde van de loop ongeveer anderhalve meter en vanaf de zijkanten van een wapen een tot twee meter. Naar verwachting is de kans dat bij iemand die op meer dan tien meter van de schutter staat schotresten worden gevonden niet groot, maar uitgesloten is het niet, bijvoorbeeld door invloed van de wind. Maar het zou dan toevallig zijn dat er vijf deeltjes op de hand terechtkomen.

Schotresten vallen neer op handen en op kleding. Ze branden niet in. Indien iemand de jas of handen afveegt of beweegt kunnen deze deeltjes ervan afvallen. Het uittrekken van een jas kan de hoeveelheid schotresten verminderen. Hetzelfde geldt voor het in het water houden of wassen van de handen.

Het gevaar van contaminatie van een verdachte (het hof begrijpt: bij en na aanhouding) met politiemunitie is groot, met name door besmetting van de handboeien, doordat de politie schiet en oefent met wapens. De deeltjes waar lood in zit, zullen nooit van de politie afkomstig zijn.

De elementsamenstelling op de op de verdachte aangetroffen deeltjes kan passen bij dat wat in de hulzen is aangetroffen, maar is dusdanig algemeen van aard dat ook andere merken van munitie niet kunnen worden uitgesloten.

Het hof oordeelt, gelet op het voorgaande, dat het feit dat slechts weinig A-deeltjes op de verdachte zijn aangetroffen, het niet minder waarschijnlijk maakt dat hij degene is geweest die op het slachtoffer heeft geschoten dan als op hem veel van die deeltjes waren aangetroffen. Voorts oordeelt het hof dat niet aannemelijk is dat de aangetroffen schotresten, voor zover niet afkomstig van politiemunitie, door contaminatie op de verdachte of diens kleding terecht zijn gekomen. Het hof overweegt hieromtrent dat vrijwel onmiddellijk na zijn aanhouding zakken om de handen van de verdachte zijn gedaan Deze zakken zijn op het politiebureau weer verwijderd. Gebleken is dat de verdachte enige tijd zonder zakken om zijn handen in een voorgeleidingsruimte van het politiebureau heeft vertoefd. Niet aannemelijk is echter dat zich aan de handboeien of in voornoemde ophoudruimte restsporen van niet-politiemunitie zouden hebben bevonden. Het hof wijst erop dat de verklaring van de deskundige dat contaminatie veel voorkomt slechts betrekking heeft op politiemunitie. Het hof merkt in dit verband ten overvloede op dat op de handen van de ongeveer tegelijkertijd met de verdachte als verdachte aangehouden [betrokkene 1] die eveneens zonder zakken om zijn handen in een voorgeleidingsruimte op voornoemd politiebureau heeft verbleven, geen A-deeltjes zijn aangetroffen (zoals blijkt uit voornoemd Aanvullend schotrestenonderzoek 1 augustus 2013 en het proces-verbaal van bevindingen van afnemen van schiethanden [betrokkene 1] dossierpagina 220).

Evenmin is sprake van aanwijzingen dat de verdachte op de plaats delict op een afstand van twee meter of minder van de schutter heeft gestaan. De verklaringen van de getuige [betrokkene 2] die naast het slachtoffer liep, houdt immers in dat zij direct na de schoten een man met een pistool in zijn hand zag.

Deze man zat op een fiets vlak bij haar. Zij verklaart niet dat zich bij deze man nog een ander bevond Ook anderszins is met gebleken dat zich op het moment van het schieten iemand in de directe omgeving van de schutter bevond, anders dan het slachtoffer en de getuige [betrokkene 2]. Op de foto’s van het Osdorpplein die zich in het dossier bevinden (pagina’s 98-116) is voorts zichtbaar dat het rond het tijdstip van het schieten rustig was op straat. Ten slotte heeft de verdachte geen verklaring afgelegd op grond waarvan aannemelijk is dat de op zijn handen en mouwen aangetroffen schotresten zijn terechtgekomen terwijl hij niet de schutter was. Het hof zal de aanwezigheid van schotresten op de handen en de mouwen van de verdachte dan ook aanmerken als sporen die zijn nagelaten doordat hij heeft geschoten en deze als zodanig bezigen voor het bewijs.“

3.4. In hoger beroep heeft de advocaat van verdachte gepleit overeenkomstig een pleitnota. In die pleitnota is ruim aandacht geschonken aan het schotrestenonderzoek. De stelling die de verdediging betrok is, dat de op verdachte aangetroffen schotresten door contaminatie op hem terecht zijn gekomen, en wel doordat verdachte door een paar politieagenten uit het water is gehaald en doordat hem handboeien zijn aangedaan. Aldus is te verklaren waarom op verdachte ook sporen zijn aangetroffen die slechts van politiemunitie afkomstig kunnen zijn, omdat alleen de politie munitie gebruikt waarin dezelfde elementen voorkomen. Een groot deel van de schotresten is bovendien aangetroffen op de hand waarmee niet is geschoten. In aanvulling op de pleitnota heeft de advocaat van verdachte nog aangevoerd dat verdachte in het dagverblijf van het politiebureau is geweest, waar vaak mensen komen met schotresten op of aan hun lichaam of kleding, waardoor contaminatie aannemelijk is.

3.5. Het hof heeft er op gewezen dat de theorie over contaminatie met politiemunitie nog geen verklaring biedt voor het aantreffen van de andere deeltjes op verdachte. De deskundige Chang heeft weliswaar verklaard over de mogelijkheid van contaminatie via handboeien, maar dan in verband met politiemunitie. Wat de advocaat over contaminatie met andere munitie heeft aangevoerd, heeft het hof, niet onbegrijpelijk, waarschijnlijk als een speculatie beschouwd, als een gesuggereerde mogelijkheid die verder niet wordt ondersteund. In cassatie wordt nu wel gesproken van contaminatie met schotresten van andere verdachten die eerder zijn aangehouden en in de handboeien zijn geslagen, maar dat is in feitelijke aanleg niet aan het hof voorgehouden.

3.6. De likelihood-ratio tussen de kans dat verdachte de schutter is geweest en de kans dat er van contaminatie sprake was heeft het hof anders gewaardeerd dan de verdediging. Gelet op de andere onderdelen van de bewijsvoering, waaraan de schriftuur geen aandacht besteedt, wekt dat bij mij geen verbazing. Het hof heeft ook gewezen op de inhoud van de sms-berichten die erop duidt dat verdachte naar het slachtoffer werd geleid. De telefoon van verdachte bevond zich in ieder geval op het moment van de schietpartij in de directe omgeving daarvan, evenals de gsm via welke hij van aanwijzingen werd voorzien. Het hof heeft er voorts op gewezen dat verdachte voor wat betreft postuur en haarlijn aanzienlijke gelijkenis vertoont met een foto van de dader. Ook heeft verdachte leugenachtige verklaringen afgelegd over [betrokkene 3], evenals slachtoffer en verdachte uit Albanië afkomstig, die samen met verdachte naar Nederland is gekomen. Verdachte heeft deze [betrokkene 3] in een afgeluisterd gesprek geïnstrueerd over wat hij aan de politie moet verklaren. Bovendien heeft verdachte onjuiste verklaringen afgelegd over het soort ticket waarmee zij naar Nederland zijn gekomen en over de simkaart die hij in Nederland heeft gebruikt. Daaraan kan worden toegevoegd dat verdachte vrij korte tijd nadat het slachtoffer was neergeschoten zich wel buitengewoon eigenaardig heeft gedragen door - terwijl een helikopter met zoeklicht de omgeving afzocht – onder een bruggetje te water te gaan, waar hij op aanwijzingen van een getuige vervolgens is aangehouden, in het bezit van een gsm en een losse batterij.

3.7. Al deze omstandigheden in aanmerking genomen heeft het hof kunnen aannemen dat de kans dat verdachte de schutter is geweest zoveel groter is dan de kans dat verdachte de niet gemarkeerde schotresten door contaminatie heeft opgelopen, dat het hof de resultaten van het schotrestenonderzoek redengevend heeft kunnen achten voor het bewijs.

Het middel faalt.

4. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden