Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:136

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
16-02-2016
Datum publicatie
23-03-2016
Zaaknummer
15/02033
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:474, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Profijtontneming. HR: art. 81.1 RO en strafvermindering wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/02033 P

Zitting: 16 februari 2016

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[betrokkene 3]

  1. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 17 januari 2014 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 557.700,00 en aan de betrokkene ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 552.700,00.

  2. De onderhavige zaak hangt samen met de zaken met de nummers 14/00523 P, 14/00547 P en 14/00636 P, waarin ik vandaag eveneens concludeer.

  3. Mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, heeft namens de betrokkene drie middelen van cassatie voorgesteld.

  4. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof het oordeel dat het wederrechtelijk verkregen voordeel geheel aan de betrokkene moet worden toegerekend ontoereikend heeft gemotiveerd.

  5. De bestreden uitspraak houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, het volgende in:

“Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel

1. Veroordeling wegens een strafbaar feit

De veroordeelde is bij arrest van dit gerechtshof van 19 februari 2009 in de strafzaak met parketnummer 20-004850-07, voor zover van belang, veroordeeld tot straf ter zake van onder andere:

 het in de periode van 1 november 2004 tot en met 29 november 2005 te Voerendaal en/of Brunssum en/of Hoensbroek en/of Heerlen en/of Landgraaf en/of Geleen (parkeerplaats Swentibold gelegen aan de Rijksweg A2), en/of te Dorsten en/of Duisburg en/of Keulen tezamen en in vereniging met anderen, treffen van voorbereidings- en bevorderingshandelingen om opzettelijk MDMA en/of amfetamine te bereiden, door stoffen en vervoermiddelen en gelden voorhanden te hebben, meermalen gepleegd;

 het in de periode van 1 februari 2000 tot en met 19 oktober 2004 te Heerlen en/of Kerkrade en/of Rotterdam en/of Stein en/of Maastricht en/of in België en/of te Dorsten en/of Duren tezamen en in vereniging met anderen, treffen van voorbereidings- en bevorderingshandelingen om opzettelijk MDMA en/of amfetamine te bereiden, door een voorwerp en stoffen en vervoermiddelen voorhanden te hebben, meermalen gepleegd;

 het in de periode van 1 september 2005 tot en met 16 januari 2006 te Brunssum treffen van voorbereidings- en bevorderingshandelingen om opzettelijk MDMA en/of amfetamine te bereiden, door voorwerpen en een stof voorhanden te hebben, meermalen gepleegd.

Ingevolge het bepaalde in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht moet worden onderzocht of, en zo ja in hoeverre, het bewezen verklaarde feit of andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

(…)

3. Logistieke handelingen ten behoeve van criminele organisatie

Naar het oordeel van het hof is op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting aannemelijk geworden dat veroordeelde verantwoordelijk is geweest voor de logistiek ten behoeve van een criminele organisatie die zich bezig hield met de productie van MDMA. Gelet op het feit dat de handel in (het eindproduct vervaardigd uit) MDMA een zeer lucratieve bezigheid is, is het niet aannemelijk dat de veroordeelde met logistieke activiteiten ten behoeve van de criminele organisatie het risico van strafrechtelijke vervolging is aangegaan zonder daarvoor een financiële tegenprestatie te ontvangen.

Dit hof heeft in de strafzaak met parketnummer 20-004850-07 voorts overwogen:

‘[...] dat verdachte zich gedurende een zestal jaren veelvuldig heeft bezig gehouden met logistieke activiteiten om het vervoer van (grond)stoffen voor de productie van synthetische drugs mogelijk te maken.

[…]

Uit het onderzoek is gebleken dat in genoemde jaren door actief handelen van verdachte grote hoeveelheden stoffen en tienduizenden liters zijn afgeleverd aan producenten van synthetische drugs. Gezien de berekende hoeveelheid moet één en ander bestemd zijn geweest voor verspreiding en handel, een handel waarin enorme winsten worden gegenereerd.’

De verdediging heeft ten verweer betoogd dat veroordeelde niet verantwoordelijk was voor de logistieke activiteiten, maar dat er een derde als tussenpersoon optrad. Het hof verwerpt dit verweer, nu het dossier geen aanknopingspunten bevat voor de betrokkenheid van een andere tussenhandelaar en de veroordeelde zwijgt omtrent de persoonsgegevens van deze persoon.

De verdediging heeft voorts ten verweer betoogd dat getuigen, in het bijzonder [betrokkene 6] van [A] B.V., zouden hebben verklaard [betrokkene 3] niet te kennen. Het hof verwerpt dit verweer gelet op het feit dat dit hof in voornoemd arrest in de hoofdzaak reeds heeft geoordeeld over de betrokkenheid van veroordeelde bij de productie van MDMA en/of amfetamine en de rol die veroordeelde heeft vervuld. Dat verschillende getuigen hebben verklaard veroordeelde niet te kennen doet aan het vorenstaande niet af.

Het hof is gelet op het hiervoor genoemde van oordeel dat aannemelijk is dat de veroordeelde voordeel heeft genoten uit voornoemde logistieke activiteiten.

4. Berekening van het voordeel

Gelet op het vorenstaande ontleent het hof aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen het oordeel, dat de veroordeelde door middel van het begaan van voormelde feiten - te weten het treffen van voorbereidingshandelingen ten behoeve van de productie van MDMA en/of amfetamine, bestaande uit de in- en verkoop van aceton, isopropanol en zoutzuur bij N.V. [B] te Lummen (België), [C] te Dorsten (Duitsland) en [D] te Düren (Duitsland) - een voordeel heeft genoten als bedoeld in artikel 36e, eerste en tweede lid, Wetboek van Strafrecht. Het hof berekent dat voordeel op de navolgende wijze.

4.1.

Inkoop van chemicaliën bij diverse leveranciers

Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat de veroordeelde op naam van niet bestaande bedrijven inkopen heeft gedaan bij diverse leveranciers van chemicaliën in zowel Nederland als Duitsland.

(…)

Het totaalbedrag van de inkoop van chemicaliën door veroordeelde bedraagt € 87.296,66.

4.2.

Verkoop van chemicaliën aan criminele organisatie

(…)

Totaal € 645.082,00

4.3.

Netto voordeel uit in- en verkoop van chemicaliën

Het netto voordeel uit de in- en verkoop van chemicaliën en tevens het totaal wederrechtelijk verkregen voordeel wordt op grond van het vorenstaande geschat op € 645.082,00 minus € 87.296,66 = € 557.785,34, afgerond € 557.700.

Op te leggen betalingsverplichting

(…)

Het hof stelt, gelet op het voorgaande, de vermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn vast op € 5.000, zodat de aan de veroordeelde op te leggen betalingsverplichting door het hof zal worden vastgesteld op € 552.700.”

6. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 november 2013 blijkt dat de raadsman van de betrokkene aldaar onder meer het volgende heeft aangevoerd:

“Ik persisteer bij de conclusies die in eerdere fase zijn genomen, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep. Ik zal kort ingaan op het requisitoir van de advocaat-generaal. Daarin heeft de advocaat-generaal opgemerkt dat hij uitgaat van de juistheid van het arrest in de strafzaak. Cliënt heeft steeds aangegeven dat hij met een aantal transporten niet in verband kan worden gebracht, zoals met de transporten door [betrokkene 6] van [A] BV. Voorts heeft [betrokkene 7] in de strafzaak in hoger beroep verklaard dat hijzelf maar ook zijn bedrijf cliënt niet kennen en dat hij nooit zaken met cliënt heeft gedaan. Het hof heeft cliënt daar toch voor veroordeeld. In de conclusie is daar aandacht aan besteed. Ik persisteer daarbij.

Een ander punt in de uitspraak van de rechtbank Maastricht is dat mijn cliënt geacht werd rechtstreeks aan de productiegroep te hebben geleverd. In de conclusie van antwoord en andere conclusies heb ik daar aandacht aan besteed: dat is nooit komen vast te staan. Er is nooit gebleken dat hij contact heeft gehad met [betrokkene 4] , [betrokkene 2] en [betrokkene 5] . Zij kenden cliënt niet. Cliënt heeft ze gezien tijdens de diverse zittingen. Hij gaf aan dat hij hen nooit had gezien. Dat is van belang, want dan is hij een tussenhandelaar geweest, hetgeen van invloed is op de prijzen. Cliënt wil geen naam noemen, maar men kan aan de hand van het dossier niet vaststellen dat hij rechtstreeks aan de productiegroep geleverd heeft.”

7. In de toelichting op het middel wordt, onder verwijzing naar de veroordeling wegens medeplegen in de hoofdzaak, aangevoerd dat het hof in de gebezigde bewijsmiddelen tot uitdrukking had moeten brengen hoeveel mededaders bij het strafbare feit waren betrokken en welk deel van het totale voordeel aan ieder van die mededaders moet worden toegerekend.

8. Voor de mate van toerekening van het voordeel aan de betrokkene geldt niet de eis dat de daaraan ten grondslag liggende feiten en omstandigheden aan wettige bewijsmiddelen moeten zijn ontleend. Voldoende is dat die feiten en omstandigheden, zoals een bepaalde rolverdeling, uit het onderzoek ter terechtzitting zijn gebleken.1 Voor zover het middel klaagt dat het aantal mededaders en de mate van toerekening niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen blijken, faalt het, omdat het is gestoeld op een eis die het recht niet kent.

9. Voor zover het middel is gebaseerd op de veronderstelling dat voor het oordeel dat het wederrechtelijk verkregen voordeel geheel aan de betrokkene moet worden toegerekend steeds een bijzondere motivering is vereist indien uit de kwalificatie van hetgeen ten laste van die betrokkene in de hoofdzaak is bewezen verklaard volgt dat hij de bewezen verklaarde feiten niet alleen heeft gepleegd, faalt het eveneens. In zijn arrest van 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:961 overwoog de Hoge Raad immers:

“De enkele omstandigheid dat uit de kwalificatie van hetgeen ten laste van de betrokkene in de hoofdzaak is bewezen verklaard volgt dat de betrokkene het feit niet alleen heeft gepleegd, noopte het Hof niet zijn oordeel nader te motiveren om het begrijpelijk te doen zijn. Zo een nadere motivering kan onder omstandigheden wel zijn vereist indien, bijvoorbeeld in verband met hetgeen door of namens de betrokkene ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd, voldoende aanknopingspunten bestaan voor de aannemelijkheid dat het voordeel over meer daders moet worden verdeeld.”2

10. De enkele omstandigheid dat de betrokkene in de hoofdzaak wegens medeplegen is veroordeeld, noopte het hof dus niet tot een nadere motivering. Ook overigens meen ik dat het bestreden oordeel van het hof toereikend is gemotiveerd. Het hof heeft de schatting van het voordeel doen steunen op 31 bewijsmiddelen, die overigens voor het merendeel betrekking lijken te hebben op de hoofdzaak. Daaruit volgt – in samenhang met de hiervoor weergegeven bewijsoverweging - dat de betrokkene een criminele organisatie van grondstoffen voor MDMA-productie voorzag, welke grondstoffen door hem elders werden ingekocht. De betrokkene was verantwoordelijk voor de logistiek. Uit de bewijsvoering volgt eveneens de samenwerking met zowel leden van de criminele organisatie als enkele anderen, die in opdracht van de betrokkene de grondstoffen daadwerkelijk ophaalden en vervoerden.3 Het hof heeft geen aanknopingspunten gevonden voor de betrokkenheid van een andere tussenpersoon.4 Bovendien volgt uit de bewijsmiddelen hoe de financiële afwikkeling met de door de betrokkene ingeschakelde transporteurs in haar werk ging. In het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel (bewijsmiddel 2) staat in dat verband vermeld:

“Transportkosten

Door mij is geen rekening gehouden met de door [betrokkene 3] betaalde kosten voor transport. Volgens aantekeningen op het bescheid inbeslagnamenummer 8-1-61 zijn door [betrokkene 2] voor transportkosten € 1.500,00 per transport betaald, welke vermoedelijk aan [betrokkene 3] zijn betaald:

Een chauffeur van de transporten, [betrokkene 8] , heeft verklaard dat hij tussen € 750,00 en € 1.000,00 per rit als vergoeding heeft ontvangen.

Gezien de vermoedelijke vergoedingen voor transportkosten, die door [betrokkene 3] zijn ontvangen, is bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel geen rekening gehouden met de door [betrokkene 3] betaalde vergoedingen voor transport aan onder andere [betrokkene 8] .”

11. Uit de inhoud van dit bewijsmiddel kan worden afgeleid dat bij de berekening als uitgangspunt is gehanteerd dat de criminele organisatie waaraan de betrokkene rechtstreeks leverde, en waarvan de medeveroordeelde [betrokkene 2] deel uitmaakte, de transportkosten – vermoedelijk door tussenkomst van de betrokkene - betaalde aan degenen die met het daadwerkelijke transport waren belast. Gelet op deze vaststellingen, acht ik het oordeel van het hof dat het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden berekend door het bepalen van het verschil tussen inkoop- en verkoopprijs en dat dit voordeel geheel aan de betrokkene kan worden toegerekend niet onbegrijpelijk. De omstandigheid dat de betrokkene in de hoofdzaak werd veroordeeld voor medeplegen, doet aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof niet af. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden. Daarbij neem ik in aanmerking dat de raadsman van de betrokkene in hoger beroep in dit verband slechts heeft aangevoerd dat mogelijk ook een tussenpersoon en andere derden betrokken zijn geweest bij de logistieke activiteiten van de betrokkene en dat zulks invloed zal hebben gehad op de gehanteerde prijzen.

12. Het middel faalt.

13. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof de vaststelling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel ontoereikend heeft gemotiveerd.

14. De steller van het middel voert aan dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de betrokkene de op de notities met prijzen vermelde bedragen daadwerkelijk heeft ontvangen.

15. Bij de bespreking van het eerste middel heb ik geconcludeerd dat het oordeel van het hof dat het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat door het bepalen van de – uit de aangetroffen en tot het bewijs gebezigde notities blijkende – inkoop- en verkoopprijzen niet onbegrijpelijk is. Daarbij heeft het hof voorts aannemelijk kunnen achten dat sprake is geweest van daadwerkelijke betaling. In aanmerking genomen dat namens de betrokkene ter terechtzitting in hoger beroep niet is aangevoerd dat de op die notities vermelde prijzen niet daadwerkelijk zijn betaald, is dat oordeel voorts toereikend gemotiveerd.5

16. Voor de volledigheid merk ik op dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 14 december 2010 blijkt dat voorafgaand aan die terechtzitting namens de betrokkene een schriftelijke conclusie van antwoord is ingediend. In die conclusie, die zich bij de gedingstukken bevindt, wordt opgemerkt dat de rechtbank in eerste aanleg er “gemakshalve van uit [is gegaan] dat [betrokkene 3] dit bedrag daadwerkelijk heeft ontvangen” en wordt vervolgens het standpunt ingenomen dat enkele personen als getuigen dienen te worden gehoord om van hen te vernemen “welke prijs c.q. prijzen zij hebben voldaan”. Uit het genoemde proces-verbaal kan worden afgeleid dat het hof een verzoek van de raadsman van de betrokkene bedoelde personen als getuigen te horen heeft toegewezen. Nog daargelaten dat deze conclusie niet de stelling bevat dat de betrokkene de op de verkoopfacturen vermelde bedragen niet daadwerkelijk heeft ontvangen, kan in ieder geval uit de processtukken niet worden afgeleid dat namens de betrokkene na de terechtzitting van 14 december 2010 (en de getuigenverhoren die naar aanleiding daarvan hebben plaatsgevonden) – in het bijzonder op de reeds aangehaalde terechtzitting van 8 november 2013 – het standpunt is ingenomen dat de op die notities vermelde prijzen niet daadwerkelijk zijn betaald. Tot een nadere motivering van zijn oordeel was het hof dan ook niet gehouden.

17. Voor zover het middel ertoe strekt te betogen dat het hof ervan had moeten uitgaan dat de betrokkene de ontvangen bedragen met zijn mededaders heeft gedeeld, verwijs ik naar de bespreking van het eerste middel. Voor zover het middel klaagt over de door het hof gehanteerde prijzen, faalt het eveneens. Het hof heeft zijn oordeel gebaseerd op aangetroffen prijslijsten (bewijsmiddel 2). Dat het hof bij het bepalen van deze bedragen is uitgegaan, is niet onbegrijpelijk.

18. Het middel faalt.

19. Het derde middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.

20. Namens de betrokkene is op 27 januari 2014 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 29 april 2015 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen, zodat de inzendingstermijn van acht maanden is overschreden. Het middel is terecht voorgesteld. Ambtshalve merk ik daarbij op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit moet leiden tot vermindering van het ontnemingsbedrag.

21. Het derde middel slaagt. Het eerste en tweede middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Afgezien van de reeds besproken overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

22. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting, tot vermindering van het bedrag naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 30 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2142, NJ 2010/202 alsook HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9426, NJ 2010/407.

2 In eerdere rechtspraak leek een striktere koers te worden gevaren. Vgl. HR 3 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ6953, herhaald in HR 8 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK0952 en HR 16 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6947.

3 Zie over deze werkwijze onder meer bewijsmiddel 2.

4 Zie de hiervoor geciteerde bewijsoverweging.

5 Zie in dat verband het bij de bespreking van het eerste middel opgenomen citaat uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 november 2013.