Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:1336

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
16-12-2016
Datum publicatie
17-02-2017
Zaaknummer
16/02323
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:271, Gevolgd
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Personen- en familierecht. Kinder- en partneralimentatie. Wijziging in verband met verminderde draagkracht; terugbetalingsverplichting. Verrekening met toekomstige te betalen partneralimentatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknummer: 16/02323

mr. Wuisman

Roldatum: 16 december 2016

Conclusie inzake:

[de vrouw]

eiseres tot cassatie,

advocaat: mr. J. van Duivendijk – Brand

tegen

[de man]

verweerder in cassatie,

niet verschenen

1 Feiten en procesverloop

1.1

In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:

(i) Eiseres tot cassatie (hierna: de vrouw) en verweerder in cassatie (hierna: de man), wier huwelijk op 26 maart 2012 is ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Utrecht van 11 januari 2012 in registers van de burgerlijke stand, zijn de ouders van:

- [kind 1] , geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] , en

- [kind 2] , geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] ,

(hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen). De vrouw en de man oefenen het gezag over de kinderen gezamenlijk uit. De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw.

(ii) De man en zijn nieuwe partner hebben op [geboortedatum] 2014 een dochter [kind 3] gekregen. Zij vormen samen met [kind 3] een gezin.

(iii) De man heeft tot 2013 uit hoofde van zijn dienstbetrekking jaarlijks een bonus ontvangen die gemiddeld neerkwam op € 60.000,-- per jaar. Over het jaar 2013 is de man een bonus van € 26.500,-- toegekend, die hem in 2014 is uitbetaald. Over het jaar 2014 is aan de man geen bonus toegekend.

(iv) Bij beschikking van 28 maart 2012(1) heeft de rechtbank Utrecht bepaald dat de man met een bedrag van € 641,- per kind per maand dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (verder ook te noemen: kinderalimentatie) en met een bedrag van € 2.556,- per maand in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (verder ook te noemen: partneralimentatie). De partneralimentatie is bij beschikking van 28 februari 2013(2) van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, verhoogd tot een bedrag van € 2.940,- per maand met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidigs-beschikking in de registers van de burgerlijke stand. Bij de bepaling van de draagkracht van de man neemt het hof een bonusuitkering van € 60.000,- in aanmerking.

(v) Op 20 januari 2014 heeft de advocaat van de man aan de vrouw bij brief aangegeven de vastgestelde partner- en kinderalimentatie te willen wijzigen. Daarover hebben de man en de vrouw geen overeenstemming bereikt.

1.2

De man heeft op 24 maart 2014 bij de rechtbank Midden-Nederland een verzoekschrift ingediend strekkende tot wijziging van de kinder- en partneralimentatie als vastgesteld in de beschikking d.d. 28 maart 2012 van de rechtbank Utrecht respectievelijk in de beschikking d.d. 28 februari 2013 van het hof Arnhem-Leeuwarden. Ter onderbouwing van het verzoek heeft de man, kort samengevat en voor zover in cassatie van belang, gesteld dat de bonusuitkering waarvan in de eerdere beschikkingen omtrent de kinder- en partneralimentatie is uitgegaan, niet meer wordt uitgekeerd en steeds verder naar beneden zal worden bijgesteld, almede dat hij met zijn nieuwe partner een kind verwacht. De vrouw heeft in haar verweerschrift van 28 mei 2014, verkort weergegeven en voor zover in cassatie van belang, aangevoerd dat als relevante wijziging van omstandigheden kan worden aangemerkt de geboorte van [kind 3] maar niet het feit dat de bonus in de toekomst mogelijk lager uitvalt. Het hof heeft vastgesteld wat gemiddeld de door de man genoten bonus is geweest en te verstaan gegeven dat, wanneer in enig jaar de bonus hoger of lager uitvalt, dan geen van de partijen daarover kan klagen.(3) Naar haar mening moet nog worden uitgegaan van een bonus van € 60.000,- per jaar.

1.3

In rov. 3.9 van haar beschikking van 26 november 2014 beschouwt de rechtbank de geboorte van [kind 3] als een wijziging van omstandigheden die een herbeoordeling van de alimentatieverplichting van de man rechtvaardigt. In rov. 3.13 oordeelt de rechtbank dat voor wat betreft de draagkracht van de man rekening moet worden gehouden met een bonusuitkering van € 26.500,-- bruto, omdat uit de brief van de werkgever van de man blijkt dat de bonusuitkering over 2013 € 26.500,-- heeft bedragen en deze in maart 2014 aan de man is uitgekeerd. De rechtbank stelt de kinderalimentatie vast op een bedrag van € 513,-- per kind per maand en ziet geen aanleiding tot wijziging van de door het hof Arnhem-Leeuwarden op 28 februari 2013 bepaalde partneralimentatie.

1.4

De man heeft principaal hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

1.4.1

In het kader van de negende door hem aangevoerde grief heeft de man betoogd dat de rechtbank ten onrechte bij de berekening van zijn draagkracht is uitgegaan van een te ontvangen bonus van € 26.500,--. Dit bedrag betreft de bonus over het jaar 2013. Het is, aldus de man, onrealistisch en onmogelijk dat hij over het jaar 2014 en de jaren daarna een dergelijk bedrag als bonus zal ontvangen, omdat hem te kennen is gegeven dat, als er al enige bonus zal worden uitgekeerd, deze niet een vergelijkbare hoogte heeft als de bonus in de jaren daarvoor. De man heeft in dit verband gewezen op de Wet Beloningsbeleid financiële ondernemingen die op 7 februari 2015 in werking is getreden en de door de Rabobank genomen maatregelen. Deze brengen mee dat de man, gelet op zijn inkomen, maximaal € 23.137,-- aan bonus zal kunnen ontvangen. De man heeft gesteld dat hij niet verwacht in aanmerking te komen voor de maximale bonus.

1.4.2

In het kader van de twintigste grief geeft de man een berekening van de kinder- en partneralimentatie, die hij zijns inziens in drie te onderscheiden perioden verschuldigd is. Vervolgens verzoekt de man sub 147 t/m 149 van zijn appelschrift het hof om, indien het hof ertoe overgaat de alimentatie voor de kinderen en de vrouw op een lager bedrag vast te stellen dan eerder vastgesteld, te bepalen dat de man dat wat hij inmiddels teveel aan alimentatie heeft betaald mag verrekenen met in de toekomst aan de vrouw verschuldigde alimentatie, nu zij er rekening mee heeft kunnen en mogen houden dat zij moet overgaan tot terugbetaling van de door de man te veel betaalde bedragen.

1.5

De vrouw heeft op 10 april 2015(4) een verweerschrift ingediend, tevens houdende incidenteel hoger beroep.

1.5.1

Ten aanzien van de negende grief van de man heeft de vrouw, kort gezegd en voor zover in cassatie van belang, als verweer aangevoerd dat moet worden uitgegaan van het gemiddelde bedrag dat de man over de jaren 2012, 2013 en 2014 aan bonus en inkomen heeft ontvangen, te weten € 191.239,--, hetgeen meer is dan het gemiddelde bedrag aan bonus en jaarinkomen waarvan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in zijn beschikking d.d. 28 februari 2013 is uitgegaan, te weten € 187.092. Voor wat de bonus betreft wordt verwezen naar wat de vrouw daaromtrent in eerste aanleg heeft gesteld. (5)

1.5.2

Ten aanzien van de door de man verzochte terugbetaling van de kinder- en partneralimentatie heeft de vrouw gesteld dat zij hier bezwaar tegen heeft omdat de alimentatie is gespendeerd voor het levensonderhoud van de kinderen en haarzelf. De vrouw heeft betwist dat zij rekening heeft kunnen houden met een mogelijk gewijzigde alimentatie vanaf 20 januari 2014, omdat de man zijn gestelde inkomensverslechtering onvoldoende inzichtelijk gemaakt heeft. Verder heeft de vrouw gesteld dat de man beschikt over een aanzienlijker vermogen dan zij en dat haar vermogen terugbetaling niet toestaat, omdat zij dit nodig heeft om voor haar en de kinderen een nieuwe woning te kopen nu zij de huidige woning zal moeten verlaten. Voor het geval de kinder- en partneralimentatie moet worden verminderd of terugbetaald, heeft de vrouw verzocht het bedrag over het verleden te bepalen op hetgeen reeds is betaald dan wel te bepalen dat het belang van de vrouw en de kinderen vordert dat slechts met een door het hof aan te geven gelimiteerd bedrag per maand mag worden verrekend met toekomstige alimentatietermijnen.

1.5.3

In het incidentele hoger beroep heeft de vrouw zes grieven tegen de beschikking van de rechtbank gericht, waarvan in cassatie slechts de eerste grief relevant is. De vrouw heeft in de eerste grief betoogd dat het hof ten onrechte met een bonus van € 26.500,-- heeft gerekend. Ter onderbouwing daarvan heeft de vrouw dezelfde stellingen betrokken als zij bij de bestrijding van de negende grief in het principaal appel heeft gedaan.

1.6

De man bestrijdt de door de vrouw aangevoerde grieven in zijn in het incidenteel hoger beroep op 2 juni 2015 ingediende verweerschrift. Met betrekking tot de eerste grief van de vrouw in het incidenteel appel heeft de man gesteld dat de beschikking d.d. 28 februari 2013 van het hof Arnhem-Leeuwaarden van meet af aan niet heeft voldaan aan de wettelijke maatstaven omdat daarin is uitgegaan van onjuiste c.q. onvolledige gegevens, terwijl in diezelfde beschikking is aangegeven dat de bonus een onzekere component is.

1.7

Op 2 februari 2016 spreekt het hof zijn beschikking uit.

Het hof stelt eerst in rov. 5.1 vast dat er zich een relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan en dat dat een nieuwe beoordeling van de behoefte en draagkracht rechtvaardigt.

In het kader van de bepaling van de draagkracht van de man neemt het hof voor het jaar 2014, hoewel hem in dat jaar niet een bonus is toegekend, nog een bonus van € 26.500,- in aanmerking, omdat in dat jaar hem voor dat bedrag de bonus van 2013 is uitgekeerd. De bonus laat het hof echter vanaf 1 januari 2015 buiten beschouwing. Daaraan voorafgaand heeft het hof overwogen dat de man aannemelijk heeft gemaakt dat hij in 2015 geen op het jaar 2014 betrekking hebbende bonus zal ontvangen en dat hij heeft toegelicht dat hij verwacht de komende jaren geen bonus te zullen ontvangen.

Het hof stelt voor drie perioden de in ieder van die perioden door de man aan kinder- en partneralimentatie verschuldigde bedragen vast, welke bedragen lager zijn dan de door de rechtbank Utrecht op 28 maart 2012 vastgestelde kinderalimentatie en de door hof Arnhem-Leeuwarden op 28 februari 2013 vastgestelde partneralimentatie. Voor wat de partneralimentatie betreft gaat het om de volgende bedragen: € 2.556,- per maand in periode 1 (24 maart 2014 tot 9 juni 2014); € 2.064,- per maand in periode 2 (9 juni 2014 tot 1 januari 2015); € 560,- per maand in periode 3 (vanaf 1 januari 2015).

Het verzoek van de man om te bepalen dat hij teveel betaalde alimentatie met toekomstige uitkeringen aan de vrouw mag verrekenen, beoordeelt het hof in rov. 5.33. Het hof concludeert tot afwijzing van het verzoek, voor zover het verzoek betrekking heeft op de kinderalimentatie. Het hof acht het verzoek wel toewijsbaar, voor zover het de partneralimentatie betreft. Het hof vertrouwt erop dat partijen, zo nodig met behulp van hun advocaten, zelf de voor verrekening in aanmerking komende bedragen kunnen bepalen.

1.8

De vrouw heeft op 2 mei 2016, derhalve tijdig, een verzoekschrift tot cassatie ingediend. De man is in cassatie niet verschenen. De vrouw heeft gefourneerd en beschikking gevraagd.

2 Bespreking van de klachten in cassatie

2.1

De in cassatie aangevoerde meer specifieke klachten zijn te vinden in de onderdelen 1 en 2. Verder is er ook nog een ‘veegklacht’ in het verzoekschrift opgenomen.

Onderdeel 1

2.2

In onderdeel 1 is een rechtsklacht en een motiveringsklacht opgenomen, waarmee bestreden wordt dat het hof in rov. 5.9 van zijn beschikking van 2 februari 2015 bij de bepaling van de draagkracht van de man niet de gemiddelde bonus van € 60.000,-, die het hof in zijn beschikking van 28 februari 2013 had berekend, heeft aangehouden, maar voor wat het jaar 2014 betreft, de op het jaar 2013 betrekking hebbende maar in 2014 uitbetaalde bonus van € 26.500,- in aanmerking heeft genomen en vanaf 1 januari 2015 de bonus geheel buiten beschouwing heeft gelaten.

‘s Hofs oordeel omtrent de mate waarin de bonus nog bij de bepaling van de draagkracht van de man in aanmerking is te nemen wordt om de volgende, hier kort samengevatte, reden rechtens onjuist bevonden. Het hof heeft in rov. 4.6 van zijn beschikking van 28 februari 2013 geoordeeld dat het bedrag van de bonus, die - hoewel een onzeker component van het inkomen – bij de vaststelling van het jaarinkomen van de man in aanmerking is te nemen, in redelijkheid is te stellen op een bedrag van € 60.000,-. Zoals door de vrouw gesteld en door de man niet bestreden, is dit bedrag de resultante van de berekening van de bonus die de man gemiddeld toen in de voorgaande jaren had genoten en heeft het hof hen ter zake voorgehouden dat, als de bonus op enig moment hoger of lager uitvalt dan het door het hof berekende gemiddelde, dan geen van de partijen daarover kan klagen. Uit een en ander volgt dat het hoger of lager uitvallen van de bonus op enig moment niet een gewijzigde omstandigheid in de zin van artikel 1:401 BW vormt: het hoger of lager uitvallen van de bonus op enig moment was immers verdisconteerd in de vaststelling van het gemiddelde dat de man aan bonus had ontvangen. Voor de vaststelling door het hof van de bonus op het bedrag van € 60.000,- per jaar geldt een gezag van gewijsde dat niet met een beroep op artikel 1:403, lid 1 BW kan worden doorbroken. Dit laatste geldt ook wanneer er bij een verzoek tot aanpassing van de alimentatie een beroep op nog een andere gewijzigde omstandigheid wordt gedaan. Dat brengen het belang van een goede rechtspleging en het belang dat de alimentatiegerechtigde bij duidelijkheid en zekerheid heeft, mee en dat klemt te meer nu de alimentatiegerechtigde in de referentieperiode – de periode waarvoor het gemiddelde bedrag aan bonus is vastgesteld – niet om een aanpassing van de alimentatie naar boven kan verzoeken, indien het inkomen in enig jaar (vanwege een hogere bonus) hoger uitvalt.

De motiveringsklacht komt, kort gezegd, hierop neer dat, hoewel de vrouw omtrent het in aanmerking moeten blijven nemen van het bedrag als het gemiddelde van het door de man genoten bonus gemotiveerde stellingen heeft aangevoerd, het hof in rov. 4.6 van zijn beschikking van 28 februari 2013 zonder nadere motivering en derhalve onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat de partijen het erover eens zijn dat de na 28 februari 2013 gewijzigde financiële gegevens – dus ook die betreffende de bonus – aan de inzake de verschuldigdheid van alimentatie te nemen beslissing ten grondslag moeten worden gelegd.

2.3

Op zichzelf is er wel iets voor te zeggen dat in een geval, waarin bij de bepaling van de draagkracht een inkomensbestanddeel speelt waarvan de hoogte onzeker is vanwege de voortdurende verandering daarvan, voor dat bestanddeel een gemiddeld bedrag wordt aangehouden dat voor enige tijd tussen partijen gelding heeft. Daarmee wordt tussen partijen duidelijkheid geschapen en voorkomen dat iedere wijziging in het voortdurend aan verandering onderhevige inkomensbestanddeel noopt tot het in rechte bewerkstelligen van een aanpassing van de alimentatie. Maar met het toekennen van bindende kracht aan een vastgesteld gemiddeld bedrag in een geval als zojuist bedoeld zal toch terughoudendheid dienen te worden betracht. Bij de bepaling van het levensonderhoud dat een ouder aan een kind van hem of een voormalige echtgenote aan de andere voormalige echtgenoot heeft te betalen, is immers een gewichtige factor de draagkracht van de ouder respectievelijk voormalige echtgenoot van wie voldoening van levensonderhoud wordt verlangd; zie in verband met het kind artikel 1:404 BW en in verband met de voormalige echtgenoot de artikelen 1:157 en 397 BW.(6) Doet zich bij een inkomensbestanddeel, waarvoor vanwege de voortdurend optredende fluctuaties een gemiddeld bedrag is aangehouden bij de bepaling van de draagkracht, een verandering voor, die een relevante wijziging in de draagkracht teweeg brengt – dat kan een vermindering maar ook een vermeerdering van de draagkracht zijn –, dan bestaat er aanleiding om niet langer vast te houden aan het eerder voor dat inkomensbestanddeel vastgestelde gemiddelde bedrag. Dit geldt te meer wanneer er tegelijkertijd ook veranderingen met betrekking tot andere inkomensbestanddelen veranderingen optreden. Dan ligt het in de reden om bij toepassing van artikel 1:401 BW de draagkracht opnieuw te beoordelen in het licht van wat alle inkomensbestanddelen tezamen op dat moment aan draagdracht opleveren.

2.4

In het licht van het hiervoor in 2.3 gestelde komt het niet onjuist voor dat het hof in rov. 5.9 bij de bepaling van de draagkracht van de man niet heeft vastgehouden aan het bedrag van € 60.000,- dat het in zijn beschikking van 28 februari 2013 had aangehouden voor de aan de man toekomende bonus. Het hof stelt in rov. 5.9 voorop dat de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat meer componenten, waaruit zijn inkomen is opgebouwd, zijn gewijzigd en wel in neerwaartse zin. Voor wat de bonus betreft, werkt het hof dat als volgt uit. De man heeft aldus het hof voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen recht meer heeft op een bonus van € 60.000,- per jaar. Voor het jaar 2014 is wel nog een bonus in aanmerking te nemen, maar het gaat om een bonus van € 26.500,- die betrekking heeft op het jaar 2013. Het hof acht door de man ook aannemelijk gemaakt dat hij in 2015 geen op het jaar 2014 betrekking hebbende bonus zal ontvangen. In een en ander heeft het hof aanleiding gevonden en kunnen vinden om, voor wat de bonus betreft, niet uit te gaan van het bedrag van € 60.000,- als de in februari 2013 vastgestelde gemiddeld genoten bonus. De na februari 2013 ten aanzien de bonus opgetreden veranderingen zijn als relevante veranderingen in neerwaartse zin in de draagkracht van de man te beschouwen. Daar komt dan nog bij dat het hof opmerkt, dat volgens de man andere veranderingen in zijn inkomen zoals wijzigingen in EBB-premie en de pensioenpremies tot een verdere verlaging van zijn inkomen leiden en dat, mede gelet op de ontwikkelingen in de bankwereld, het niet onaannemelijk is dat het jaarinkomen van de man niet zal uitstijgen boven het inkomen dat hij vanaf 2014 verwerft, welk inkomen na vermindering van de op 2013 betrekking hebbende bonus € 139.513,- bedraagt. In februari 2013 ging het hof nog uit van een jaarinkomen van € 187.092,-.

2.5

In wat het hof in rov. 5.9 overweegt ligt een voldoende weerlegging van de stellingen van de vrouw inzake het moeten vasthouden aan een bonus van € 60.000,- besloten. Het nog nader ingaan op die stellingen ten einde te begrijpen waarom zij geen doel treffen, is niet nodig. Hierop strandt de motiveringsklacht.

Onderdeel 2

2.6

Met onderdeel 2 wordt opgekomen tegen het toewijsbaar achten door het hof van het verzoek van de man om te bepalen dat hij de door hem aan de vrouw teveel betaalde partneralimentatie mag verrekenen met toekomstige alimentatiebedragen. In het onderdeel zijn drie klachten opgenomen die betrekking hebben op de rov. 5.4 en 5.33. De klachten komen hierop neer dat het hof ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd oordeelt (1) dat de vrouw had kunnen houden met een eventuele gerechtelijke wijziging van de partneralimentatie vanaf 24 maart 2014 rekening, (2) dat van de vrouw in redelijkheid terugbetaling van de teveel betaalde partneralimentatie kan worden verlangd en (3) dat het hof ter zake van die terugbetaling meer heeft toegewezen dan door de man is gevraagd.

2.7

In verband met de eerste en tweede klacht is rechtens als uitgangspunt aan te houden dat de alimentatierechter – ook die in hoger beroep – terughoudendheid of behoedzaamheid heeft te betrachten met het vaststellen van de ingangsdatum van de verlaagde alimentatieverplichting vóór de datum van de betrokken beschikking en met het bepalen dat alimentatie, die vanwege het laten ingaan van een lagere alimentatieverplichting vóór de datum van de betrokken beschikking te veel is betaald, terug dient te worden betaald.(7) Uit rov. 5.33 blijkt dat het hof zich van dit uitgangspunt bewust is geweest.

2.8

Het oordeel van het hof in rov. 5.4 dat de vrouw rekening heeft kunnen houden en moeten houden met een eventuele gerechtelijke wijziging van de partneralimentatie vanaf 24 maart 2014 is verder niet onbegrijpelijk. Zoals door de vrouw wordt erkend was door de man aan het door hem op 24 maart bij de rechtbank ingediende wijzigingsverzoek als gewijzigde omstandigheid de in juni 2014 te verwachten geboorte van [kind 3] uit de door de man aangegane nieuwe relatie ten grondslag (verzoekschrift sub 9). Maar als gewijzigde omstandigheid is toen door de man ook de reeds opgetreden vermindering van zijn inkomen opgevoerd (verzoekschrift sub 16). In dat verband vermeldt hij dat hem voor het jaar 2013 een bonus van € 26.500,- is toegekend (verzoekschrift sub 8) en dat hij voor het jaar 2014 aan bonus een bedrag van maximaal € 20.000,- kan verwachten (verzoekschrift sub 17), een aanmerkelijk lager bedrag dan het door het hof Arnhem/Leeuwarden in februari 2013 nog aangehouden bedrag van € 60.000,-. Reeds de stellingen omtrent de vermindering van inkomen rechtvaardigen om aan te nemen, dat er voor de vrouw aanleiding bestond om na de indiening door de man van zijn verzoekschrift bij de rechtbank op 24 maart 2014 met de mogelijkheid van wijziging van de partneralimentatie per die datum rekening te houden.

2.9

Ook is niet onbegrijpelijk het oordeel van het hof in rov. 5.33 dat van de vrouw in redelijkheid kan worden verlangd dat zij de teveel betaalde partneralimentatie zal terugbetalen. Voor dat oordeel neemt het hof in aanmerking het feit dat de vrouw vanaf 24 maart 2014 rekening heeft kunnen en moeten houden met de mogelijkheid dat eventueel teveel ontvangen partneralimentatie terugbetaald zou dienen te worden en verder ook de financiële positie van de vrouw. Die schetst het hof in rov. 5.12. Daar vermeldt het hof naast het jaarloon van de vrouw van € 39.549,- in 2014 ook het eigen vermogen van de vrouw van € 222.054,- met de inkomsten daaruit en de kortingen die de vrouw geniet. Beide genoemde omstandigheden maken reeds voldoende duidelijk dat en waarom het hof in rov. 5.33 heeft kunnen concluderen tot de gerechtvaardigdheid van de verrekening van de te veel ontvangen partneralimentatie.

2.10

In verband met de hierboven in 2.6 genoemde derde klacht, valt eerst het volgende op te merken. Let men op het dictum van de bestreden beschikking dan komt daarin niet een aparte beslissing over de verrekening voor. Na de vaststelling van de door de man te betalen kinder- en partneralimentatie volgt nog : “wijst het meer en anders bepaalde af”. Uitgaande van het dictum alleen zou deze laatste beslissing meebrengen dat ook het verzoek van de man tot verrekening van teveel betaalde partneralimentatie is afgewezen. Leest men echter het dictum in samenhang met de rov. 5.32 en 5.33 dan wordt duidelijk dat dit laatste niet de bedoeling van het hof is geweest. In rov. 5.33 meer naar het eind toe concludeert het Hof: “Het verzoek van de man zal ten aanzien van de partneralimentatie daarom worden toegewezen.” Dat verzoek heeft het hof blijkens rov. 5.32 aldus te verstaan “dat hij de eventueel aan de vrouw teveel betaalde alimentatiebedragen mag verrekenen met de toekomstige alimentatiebedragen.” Een en ander voert tot de volgende slotsom. Onder de afwijzing van het meer of anders verzochte in het dictum is niet te begrijpen het verzoek van de man inzake de verrekening van de teveel betaalde partneralimentatie. Het dictum is wat dat betreft te verstaan als mede inhoudende: bepaald wordt dat de man de aan de vrouw teveel betaalde partneralimentatie mag verrekenen met de door hem aan de vrouw verschuldigde toekomstige partneralimentatiebedragen.

2.11

Vat men het dictum in de bestreden beschikking op zoals zojuist vermeld, dan betekent dat tevens dat de derde klacht ook niet slaagt. Dan is ter zake van de verrekening van de teveel betaalde partneralimentatie niet meer toegewezen dan door de man verzocht.

2.12

Het voorgaande voert tot de slotsom dat de drie aangevoerde specifieke klachten geen doel treffen. Dat geldt dan ook voor de veegklacht, die immers op de drie specifieke klachten voortbouwt. Te overwegen valt intussen dat in de door de Hoge Raad te geven beschikking wordt vermeld dat het dictum van het hof mede is te verstaan als hiervoor in 2.10, slot, is aangegeven.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 . Productie 1 bij het verzoekschrift in cassatie.

2 . Productie 7 bij het verzoekschrift in eerste aanleg.

3 . Verweerschrift sub 2.2 en 2.3.

4 . De beschikking van het hof d.d. 2 februari 2016 vermeldt abusievelijk 10 april 2014 als datum.

5 . Verweerschrift tevens incidenteel appel d.d. 10 april 2015, nrs. 22 en 28.

6 . Artikel 1:397 staat wel in titel 17 van boek 1 BW, welke titel is gewijd aan de uit bloed- of aanverwantschap voortvloeiende onderhoudsplicht, maar mist daardoor niet toepassing bij de bepaling van het verschuldigde levensonderhoud in de verhouding tussen voormalige echtgenoten. Het niet vermelden van die verhouding bij artikel 1:397 BW vindt zijn verklaring hierin dat bij de bepaling van het levensonderhoud in die verhouding ook andere factoren kunnen meespelen dan draagkracht en behoefte. Zie Asser/De Boer I, 2010, nr. 1034 jo. 196 en Asser/De Boer, Kolkman&Salomons, 1-II, 2016, nr. 635.

7 . Dit uitgangspunt heeft de Hoge Raad recent nog verwoord in HR 4 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:365, RvdW 2016, 368 en RFR 2016, 79.