Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:1332

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
16-12-2016
Datum publicatie
17-02-2017
Zaaknummer
16/00337
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:283, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. IPR, bevoegdheid Nederlandse rechter. Vordering weduwe werknemer tegen werkgever. Art. 18-21 EEX Verordening, art. 18-21 EVEX II, locatie hoofdvestiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2017/75
Verrijkte uitspraak

Conclusie

16/00337

Mr. P. Vlas

Zitting, 16 december 2016

Conclusie inzake:

[eiseres],

wonende te [woonplaats] (Republiek Kroatië),

tegen

de rechtspersoon naar buitenlands recht Atlanship S.A.,

gevestigd te La Tour-de-Peilz (Zwitserland).

Deze zaak betreft de vraag of een Zwitserse vennootschap haar hoofdvestiging in Nederland heeft, zodat zij in een procedure voor de Nederlandse rechter kan worden betrokken op grond van de bevoegdheidsbepalingen van het EVEX II.1

1 Feiten en procesverloop

1.1

De relevante feiten zijn in cassatie als volgt.2 Atlanship S.A. (hierna: Atlanship) is een Zwitserse rechtspersoon gevestigd te La Tour-de-Peilz, Zwitserland, en geregistreerd in het handelsregister van Vaud te Moudon, Zwitserland. Als ‘date of registration’ noemt dat handelsregister 6 december 1982 en als doelomschrijving: ‘commerce, gestion et services, notamment dans le domaine maritime’.

1.2

Atlanship staat eveneens ingeschreven in het Nederlandse handelsregister van de Kamer van Koophandel Rotterdam. Het uittreksel betreffende die inschrijving noemt onder het kopje ‘Rechtspersoon’, o.a. rechtsvorm, naam, statutaire zetel, bezoekadres en handelsregistergegevens van Atlanship in Zwitserland, en onder het kopje ‘Vestiging’, o.a. haar handelsnaam (Atlanship S.A.) en haar bezoekadres in Nederland: Speedwellstraat 11c te Rotterdam, alwaar Atlanship kantoorruimte huurt. Als activiteiten zijn vermeld: ‘SBI-code: 50201 – Zee- en kustvaart (vracht- en tankvaart; geen sleepvaart) Verzorgen maritieme dienstverlening (rederij)’ en als start-/vestigingsdatum is genoteerd 25 mei 2007.

1.3

Beide handelsregisters noemen als bestuurder van Atlanship de in Zwitserland woonachtige [betrokkene 1].

1.4

Op haar website vermeldt Atlanship onder meer: ‘Atlanship was founded in Lausanne (Switzerland) in 1982. The Head Office is located in La Tour-de-Peilz, Switzerland with a Representative Office located in Rotterdam, Netherlands’.

1.5

Atlanship is beheerder/manager van verschillende zeeschepen. Aan boord daarvan heeft [betrokkene 2], de echtgenoot van [eiseres] (hierna: [eiseres]), werkzaamheden verricht. Deze schepen (juice carriers) varen onder meer op lijndiensten tussen Rotterdam en diverse havens in Noord en Zuid Amerika van waar zij sinaasappelsap en andere soorten sap vervoeren.

1.6

De (eerste) indiensttreding van [betrokkene 2] bij Atlanship was in 2003. Na een handgeschreven brief van 29 januari 2003 van [betrokkene 2] aan Atlanship op haar Zwitserse adres, waarin hij zijn diensten aanbiedt, heeft Atlanship hem in februari 2003 vanaf haar Zwitserse adres een vragenformulier toegestuurd, dat hij ingevuld en ondertekend naar dat adres heeft geretourneerd. De tekst boven zijn handtekening luidt o.a.: ‘I apply to Atlanship S.A. for a special duty (…)’.

1.7

[betrokkene 2] heeft zijn werkzaamheden verricht op basis van contracten voor bepaalde tijd (vijf maanden) die elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van meer dan drie maanden. Zijn laatste arbeidsovereenkomst dateert van 13 december 2007 (‘agreement of employment’) en vermeldt bovenaan als wederpartij van [betrokkene 2]: ‘The Owners called hereinafter the Company’ en daarachter: Casa Overseas Ltd. gevestigd te Monrovia, Liberia. Het gaat om werkzaamheden als fitter aan boord van het onder Liberiaanse vlag varende m.s. ‘Bebedouro’. Als vertrekhaven en plaats van ondertekening is Rotterdam vermeld. De andere, eerdere arbeidsovereenkomsten noemen ook andere plaatsen van ondertekening (Bristol, Florø, Newark, Amsterdam, Singapore).

1.8

Bij de ondertekening door ‘the Company’ van het contract van 13 december 2007 is vermeld: ‘For and on behalf of the Company CASA OVERSEAS LTD. The Master authorised by Atlanship S.A. acting as Agents only’. Door deze tekst is een stempel geplaatst met de tekst ‘M.V. Bebedouro’, met daar doorheen een (onleesbare) handtekening. In de overeenkomst wordt verwezen naar ‘the conditions of employment’, met daarin, onder het kopje ‘Art. 30 Jurisdiction’ een arbitrageclausule (arbitrage in Londen).

1.9

Voorafgaand aan de ‘agreement of employment’ van 13 december 2007 heeft Atlan-ship een (door haar ‘for and on behalf of Casa Overseas Ltd’ getekende) brief gedateerd 23 november 2007 aan [betrokkene 2] doen toekomen met als onderwerp ‘your re-embarkation’. Deze brief, die is gesteld op briefpapier met (alleen) de Zwitserse adresgegevens van Atlanship, bevat enkele praktische gegevens met het oog op de voorgenomen dienst van [betrokkene 2] aan boord van de ‘Bebedouro’. [betrokkene 2] heeft de brief voor akkoord getekend.

1.10

Op 7 maart 2008 is [betrokkene 2] te Rotterdam van boord van de ‘Bebedouro’ gegaan. Voor zijn vertrek heeft hij een ‘notice of intended next re-employment’ getekend, waarmee hij kenbaar maakte in te stemmen met een ‘re-embarking’ begin mei 2008. De notice is opgesteld op briefpapier met daarop (alleen) de Zwitserse adresgegevens van Atlanship. Van een ‘re-embarking’ is het niet meer gekomen, omdat na 7 maart 2008 bij [betrokkene 2] een diagnose van een ernstige ziekte is gesteld, waaraan hij op 23 juli 2008 is overleden.

1.11

De loonbetalingen aan [betrokkene 2] vonden steeds plaats vanaf de Zwitserse bankrekening van Atlanship. De correspondentie die [betrokkene 2] van Atlanship ontving, kwam vanaf haar Zwitserse adres.

1.12

[eiseres] stelt zich op het standpunt dat haar overleden echtgenoot een arbeidsovereenkomst met Atlanship had en dat Atlanship uit hoofde van deze overeenkomst nog bedragen verschuldigd is. [eiseres] heeft bij de Nederlandse rechter een vordering tegen Atlanship aanhangig gemaakt tot betaling van USD 149.240,06, te vermeerderen met rente en kosten.3 Atlanship heeft daartegen verweer gevoerd en onder meer gesteld dat [betrokkene 2] niet bij haar in dienst is geweest maar bij Casa Overseas Ltd. Voor alle weren heeft Atlanship zich beroepen op de internationale onbevoegdheid van de Nederlandse rechter om kennis te nemen van de vordering, aangezien Atlanship kantoor houdt in Zwitserland en in Rotterdam geen kantoor heeft dat kan gelden als woonplaats.

1.13

Bij vonnis van 14 februari 2014 heeft de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam zich op grond van art. 19 EVEX II onbevoegd verklaard om van de vordering kennis te nemen. Daartoe heeft de kantonrechter overwogen, kort weergegeven, dat partijen het erover eens zijn dat Atlanship in Zwitserland is gevestigd alsmede dat [betrokkene 2] zijn werkzaamheden niet in één land heeft verricht, zodat de kantonrechter alleen internationaal bevoegd is wanneer vast komt te staan dat [betrokkene 2] in dienst is genomen door de vestiging van Atlanship in Rotterdam (art. 19 lid 2 sub b EVEX II). [eiseres] heeft echter onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld om te kunnen concluderen dat [betrokkene 2] in dienst is genomen door de vestiging van Atlanship in Rotterdam (rov. 6.4 t/m 6.6).

1.14

[eiseres] is van het vonnis van de kantonrechter in hoger beroep gekomen. Het hof Den Haag heeft het onbevoegdheidsoordeel van de kantonrechter bevestigd bij arrest van 25 augustus 2015. Daartoe heeft het hof, kort weergegeven, overwogen dat – anders dan [eiseres] (voor het eerst) in hoger beroep heeft betoogd – de hoofdvestiging van Atlanship zich niet in Rotterdam bevindt, zodat uit dien hoofde de Nederlandse rechter geen internationale bevoegdheid toekomt. Volgens het hof bevindt de hoofdvestiging van Atlanship zich in Zwitserland en haar nevenvestiging in Rotterdam (rov. 3.1 t/m 3.4). Het hof heeft de stelling van [eiseres] verworpen dat zij voldoende heeft bewezen dat de Rotterdamse vestiging van Atlanship verantwoordelijk is geweest voor het in dienst nemen van [betrokkene 2]. De indienstneming is door en via de Zwitserse hoofdvestiging geschied, zodat ook uit dien hoofde geen internationale bevoegdheid toekomt aan de Nederlandse rechter (rov. 3.6). Ten slotte is het bewijsaanbod dat [eiseres] heeft gedaan van haar stellingen, door het hof als niet terzake doende gepasseerd (rov. 3.8).

1.15

[eiseres] heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. Atlanship heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht, gevolgd door re- en dupliek.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel is gericht tegen rov. 3.2, 3.3, 3.4, 3.8 en 4 van het bestreden arrest en bestaat uit twee onderdelen, uiteenvallend in enige subonderdelen. Onderdeel 1 is gericht tegen het oordeel van het hof dat het centrum van de bedrijfsactiviteiten van Atlanship in Zwitserland is gelegen. Onderdeel 2 klaagt erover dat het hof ten onrechte het bewijsaanbod van [eiseres] heeft gepasseerd om aan te tonen dat de hoofdvestiging van Atlanship in Rotterdam is gelegen.

2.2

Alvorens de onderdelen van het middel te bespreken, stel ik het volgende voorop. In deze zaak gaat het om de vraag of de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is kennis te nemen van de arbeidsrechtelijke vordering van de in Kroatië wonende [eiseres] jegens de Zwitserse rechtspersoon Atlanship. De vraag rijst aan de hand van welke bevoegdheidsregels de rechtsmacht van de Nederlandse rechter in dit geval moet worden bepaald. Tussen partijen staat vast dat Atlanship een naar Zwitsers recht opgerichte vennootschap is, en in ieder geval vestigingen heeft in Nederland en in Zwitserland. Partijen verschillen echter van mening over de vraag of de Nederlandse vestiging heeft te gelden als de hoofdvestiging van Atlanship.

2.3

Bij de beoordeling van zijn internationale bevoegdheid komt de Nederlandse rechter in het onderhavige geval, waarin in Nederland een procedure aanhangig wordt gemaakt tegen een in Zwitserland gevestigde gedaagde, voor de keuze te staan aan de hand van welke regeling zijn internationale bevoegdheid moet worden bepaald. Twee bevoegdheidsregelingen komen in dit geval voor toepassing in aanmerking, te weten de bevoegdheidsregeling van de EEX-Verordening4, welke verordening wel voor Nederland maar niet voor Zwitserland geldt, en de bevoegdheidsregeling van het EVEX II, welk verdrag voor Nederland per 1 januari 20105 en voor Zwitserland per 1 januari 20116 is gaan gelden.7 Art. 64 EVEX II geeft een regeling voor de verhouding van het EVEX II tot de EEX-Verordening (nr. 44/2001). Art. 64 lid 1 EVEX II bepaalt dat het EVEX II de toepassing van de EEX-Verordening door de lidstaten van de Europese Unie onverlet laat. Het tweede lid van art. 64 EVEX II geeft aan in welke gevallen toepassing moet worden gegeven aan het EVEX II. Zo is het EVEX II van toepassing ten aanzien van de rechterlijke bevoegdheid, wanneer de verweerder woonplaats heeft op het grondgebied van een staat waar het EVEX II wel, maar de EEX-Verordening niet van toepassing is (art. 64 lid 2, sub a, EVEX II). Anders gezegd, in het geval dat de verweerder zijn woonplaats heeft in Zwitserland, past de Nederlandse rechter voor de vaststelling van zijn internationale bevoegdheid de bepalingen van het EVEX II toe en niet die van de EEX-Verordening. In beide instrumenten wordt de woonplaats van vennootschappen en rechtspersonen op dezelfde manier bepaald. Voor de toepassing van zowel het EVEX II als de EEX-Verordening hebben vennootschappen en rechtspersonen woonplaats op de plaats van (a) hun statutaire zetel, of (b) hun hoofdbestuur, of (c) hun hoofdvestiging (zie art. 60 lid 1 EEX-Verordening en art. 60 lid 1 EVEX II).

2.4

In de onderhavige zaak is Atlanship opgericht naar Zwitsers recht en is zij (statutair) in Zwitserland gevestigd. Atlanship heeft tevens een vestiging in Nederland. Indien vast zou komen te staan dat Atlanship haar hoofdvestiging in Nederland heeft, wordt de rechtsmacht van de Nederlandse rechter bepaald volgens de EEX-Verordening.8 In dat geval gelden de bevoegdheidsbepalingen inzake individuele verbintenissen uit arbeidsovereenkomst van de EEX-Verordening (art. 18 t/m 21 EEX-Vo). Is de hoofdvestiging van Atlanship daarentegen te lokaliseren in Zwitserland, dan wordt – bij gebreke van statutaire zetel, hoofdbestuur of hoofdvestiging in Nederland of in enige andere lidstaat van de EU – de rechtsmacht van de Nederlandse rechter bepaald volgens de voor arbeidsovereenkomsten geldende bepalingen uit het EVEX II-Verdrag (art. 18 t/m 21 EVEX II).

2.5

De bevoegdheidsbepalingen inzake individuele verbintenissen uit arbeidsovereenkomsten van de EEX-Verordening en het EVEX II komen met elkaar overeen. Voor zover in cassatie van belang, zou – wanneer Atlanship haar hoofdvestiging in Nederland heeft – de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter in dit geval gebaseerd kunnen worden op art. 19 lid 1 EEX-Verordening, waarin is bepaald dat een werkgever met woonplaats op het grondgebied van een lidstaat kan worden opgeroepen voor de gerechten van de lidstaat waar hij zijn woonplaats heeft. Zoals gezegd, is thans inzet van de cassatieprocedure of Atlanship haar hoofdvestiging in Rotterdam en daarmee woonplaats in Nederland heeft. Is dat het geval, dan vindt [eiseres] een internationaal bevoegde rechter in Nederland.

2.6

Ten slotte stel ik vast dat het hof zich in rov. 3.1 – onbestreden in cassatie – bewust is geweest van de mogelijkheid dat zowel de EEX-Verordening als het EVEX II voor toepassing in aanmerking zouden kunnen komen, zulks in tegenstelling tot partijen die het debat in cassatie uitsluitend betrekken op het EVEX II.

2.7

Ik keer terug naar het cassatiemiddel. Onderdeel 1 keert zich tegen het oordeel van het hof met betrekking tot de lokalisatie van de hoofdvestiging van Atlanship. De klachten van onderdeel 1 vallen uiteen in verschillende subonderdelen. Subonderdeel 1.1 voert aan dat het hof in rov. 3.4 blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het begrip hoofdvestiging van een rechtspersoon zoals bedoeld in art. 60 lid 1 sub c EVEX II.9 Als ik goed zie, verwijt het middel het hof bij de lokalisatie van de hoofdvestiging van Atlanship te hebben nagelaten om na te gaan of de plaats waar of van waaruit de meest belangrijke en het grootste aantal handelingen van de vennootschap met derden plaatsvindt of de plaats van het zwaartepunt van de economische, industriële en commerciële bedrijvigheid van de vennootschap in Rotterdam ligt en of daar het grootste deel van haar personeel en zakelijke middelen wordt ingezet. Anders gezegd, het hof zou een onjuiste maatstaf hebben aangelegd bij het bepalen van de hoofdvestiging van Atlanship. Voorts betoogt het middel dat de overweging van het hof dat de Rotterdamse vestiging van Atlanship vooral belast is met technische aangelegenheden op het operationele vlak, niet uitsluit dat de Rotterdamse vestiging heeft te gelden als de hoofdvestiging van Atlanship.

2.8

Bij de behandeling van deze klachten stel ik voorop dat het hof terecht tot uitgangspunt heeft genomen dat de hoofdvestiging van een rechtspersoon voor rechtsmachtdoeleinden zich bevindt op de plaats van het centrum van haar bedrijfsactiviteiten. Voorts heeft het hof, eveneens terecht, overwogen dat die plaats moet worden vastgesteld aan de hand van alle relevante feiten en omstandigheden van het geval; het gaat dus om een feitelijk criterium (rov. 3.2).10 De lokalisatie van het centrum van de bedrijfsactiviteiten van een vennootschap zal moeten geschieden aan de hand van alle relevante feiten en omstandigheden van het geval die door partijen in het geding zijn gebracht. De weging van die feiten en omstandigheden is voorbehouden aan de feitenrechter, terwijl zijn oordeel daarover in cassatie slechts beperkt – op begrijpelijkheid – kan worden getoetst. Gelet op dit beperkte toetsingskader meen ik dat de klachten van subonderdeel 1.1 tevergeefs zijn voorgesteld. Ik licht dit als volgt toe.

2.9

In rov. 3.3 en 3.4 is het hof ingegaan op de door partijen ingebrachte stellingen ter staving van hun standpunt dat de hoofdvestiging van Atlanship in Rotterdam (aldus [eiseres]) dan wel in Zwitserland (aldus Atlanship) is gelegen. Uitgaande van het juiste criterium dat de hoofdvestiging van een vennootschap zich bevindt op de plaats van het centrum van haar bedrijfsactiviteiten, heeft het hof in rov. 3.4 de door partijen ingebrachte stellingen gewogen. Het hof is op basis van de aan de feitenrechter voorbehouden beoordeling van deze stellingen tot de conclusie gekomen dat uit hetgeen [eiseres] heeft aangevoerd om te betogen dat de Rotterdamse vestiging van Atlanship als hoofdvestiging heeft te gelden niet volgt dat onjuist is de stelling van Atlanship dat (a) het centrum van haar bedrijfsactiviteiten zich in Zwitserland bevindt – te weten ter plaatse van haar hoofdkantoor aldaar – en dat van daaruit onder andere het financieel management en het juridische beheer over de schepen werden/worden gevoerd, de strategische beslissingen genomen, commerciële contracten afgesloten, arbeidsovereenkomsten aangegaan, de verdere bemanningsadministratie verzorgd, alsook de betalingen liepen, en (b) dat de Rotterdamse vestiging vooral belast was met de technische aangelegenheden op het operationele vlak. Dit oordeel is rechtens niet onjuist. Evenmin is het onbegrijpelijk in het licht van de uitvoerige opsomming van feiten en omstandigheden in rov. 3.2 die volgens het hof erop wijzen dat de Rotterdamse vestiging van Atlanship slechts als een nevenvestiging heeft te gelden. Voor een verdergaande toetsing van het feitelijke oordeel van het hof is in cassatie geen plaats. Subonderdeel 1.1 faalt derhalve.

2.10

De motiveringsklacht van subonderdeel 1.2 bouwt op het voorgaande subonderdeel voort en deelt het lot daarvan.

2.11

In subonderdeel 1.3 wordt betoogd dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting waar het hof aan het slot van rov. 3.4 overweegt dat de door [eiseres] aangevoerde omstandigheden afzonderlijk noch tezamen toereikend zijn voor het oordeel dat Rotterdam de hoofdvestigingsplaats van Atlanship is en het kantoor in Zwitserland als nevenvestiging heeft te gelden. Volgens het middel is niet relevant of sprake is van een nevenvestiging, maar had het hof moeten beoordelen of de vestiging in Rotterdam ingevolge art. 60 lid 1 sub c EVEX II kan worden aangemerkt als hoofdvestiging van Atlanship.

2.12

Ook deze klacht faalt. Partijen verschillen van mening over de vraag waar de hoofdvestiging van Atlanship is gevestigd. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat de Rotterdamse vestiging van Atlanship heeft te gelden als haar hoofdvestiging, terwijl Atlanship zich op het standpunt heeft gesteld dat de Rotterdamse vestiging slechts een nevenvestiging is en haar hoofdvestiging in Zwitserland is gelegen. Anders dan het middel betoogt, is het hof blijkens rov. 3.1 e.v. wel degelijk nagegaan waar Atlanship haar hoofdvestiging heeft. In dat verband is het hof op basis van de door partijen ingebrachte feiten en omstandigheden tot de conclusie gekomen dat Atlanship haar hoofdvestiging in Zwitserland heeft en de Rotterdamse vestiging, anders dan [eiseres] betoogt, slechts als een nevenvestiging heeft te gelden. Dat oordeel is, zoals reeds vastgesteld, onjuist noch onbegrijpelijk.

2.13

Subonderdeel 1.4 keert zich tegen de volgende overweging van het hof in het slot van rov. 3.3:

‘Toegevoegd wordt nog dat gesteld noch gebleken is dat [eiseres] op het verkeerde been is gezet door dan wel anderszins nadeel heeft ondervonden van de vermeldingen in het Nederlandse handelsregister’.

Het subonderdeel betoogt dat het hof met dit oordeel blijk zou hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het heeft miskend dat het doel van art. 60 lid 1 EVEX II het voorkomen van negatieve rechtsmachtconflicten is, terwijl [eiseres] reeds eerder tevergeefs heeft geprobeerd om Atlanship in Kroatië in rechte te betrekken.

2.14

In rov. 3.3 is het hof ingegaan op de stelling van [eiseres] dat uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel volgt dat de hoofdvestiging van Atlanship zich in Rotterdam bevindt. Het hof heeft deze stelling op begrijpelijke gronden in rov. 3.3 verworpen. In dat verband heeft het hof ten overvloede nog opgemerkt dat gesteld noch gebleken is dat [eiseres] op het verkeerde been is gezet door dan wel anderszins nadeel heeft ondervonden van de vermeldingen in het Nederlandse handelsregister. Nog daargelaten dat het middel niet duidelijk maakt waarom het hof met deze overweging blijk zou hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, geldt dat de aangevallen overweging ten overvloede is gegeven, zodat de klacht reeds om die reden moet stranden.

2.15

Onderdeel 2 heeft betrekking op de beslissing van het hof om het bewijsaanbod van [eiseres] te verwerpen. Het onderdeel valt uiteen in verschillende subonderdelen.

2.16

Subonderdeel 2.1 betoogt dat uit rov. 3.4 van het bestreden arrest volgt dat het hof de stellingen van Atlanship op voorhand aannemelijk heeft geoordeeld, zodat [eiseres] ten onrechte niet is toegelaten tot het leveren van tegenbewijs dat de Rotterdamse vestiging van Atlanship als hoofdvestiging heeft te gelden. Het subonderdeel berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Zoals reeds opgemerkt, is het hof op basis van de door partijen over en weer ingebrachte stellingen tot de conclusie gekomen dat Atlanship haar hoofdvestiging niet in Rotterdam maar in Zwitserland heeft. Voor een verdere bewijsvoering van de stellingen van [eiseres] heeft het hof geen aanleiding gezien, omdat haar stellingen – tegen de achtergrond van de gemotiveerde betwisting ervan door Atlanship – volgens het hof onvoldoende zijn onderbouwd (rov. 3.8). Dat oordeel is niet onjuist en evenmin onbegrijpelijk. Het subonderdeel faalt derhalve.

2.17

In subonderdeel 2.2 wordt aangevoerd dat het hof niet voorbij mocht gaan aan het bewijsaanbod van [eiseres], omdat zij getuigen (‘hoofdverantwoordelijken op de Rotterdamse hoofdvestiging van Atlanship’)11 wenste te horen die kennelijk zouden kunnen verklaren dat Atlanship haar hoofdvestiging in Rotterdam heeft. De klacht faalt. Kennelijk had het hof geen behoefte aan een verklaring van deze getuigen, omdat het reeds op grond van de over en weer door partijen ingebrachte stellingen tot de conclusie heeft kunnen komen dat Atlanship haar hoofdvestiging niet in Rotterdam heeft. Waar het middel nog wijst op de Linkedin-profielen van de in Rotterdam werkzame werknemers van Atlanship, wordt uit het oog verloren dat deze door [eiseres] in het geding gebrachte Linkedin-profielen slechts één van de vele door het hof in rov. 3.4 betrokken omstandigheden is geweest bij de lokalisatie van de hoofdvestiging van Atlanship.

2.18

Voor het aannemen van een lichtere stelplicht voor [eiseres], zoals bepleit in subonderdeel 2.3, bestaat geen aanleiding. Van een verboden prognose van het hof omtrent het resultaat van de bewijslevering, eveneens bepleit in subonderdeel 2.3, is geen sprake. Het hof heeft op grond van de over en weer door partijen ingebrachte stellingen tot de conclusie kunnen gekomen dat Atlanship haar hoofdvestiging niet in Rotterdam heeft. De daarop betrekking hebbende klachten falen dan ook.

2.19

Ik geef Uw Raad in overweging het cassatieberoep te verwerpen met toepassing van art. 81 lid 1 RO.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, gesloten te Lugano op 30 oktober 2007, PbEU 2007, L 339/3, Trb. 2009, 223. Het verdrag wordt ook wel afgekort als EVEX II.

2 Zie rov. 2.1 t/m 2.7 van het arrest van het hof Den Haag van 25 augustus 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:3910, S&S 2016/93, alsmede rov. 2.1 t/m 2.6 van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 14 februari 2014.

3 Eerder is [eiseres] hierover een procedure in Kroatië begonnen, echter zonder het door haar gewenste resultaat. Zie rov. 2.6 van het vonnis van de kantonrechter van 14 februari 2014.

4 Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, PbEG 2001, L 12/1. Deze verordening is op 10 januari 2015 vervangen door de Herschikking van de EEX-Verordening (nr. 1215/2012), PbEU 2012, L 351/1. In de onderhavige procedure is de vordering ingesteld vóór 10 januari 2015, zodat de ‘herschikte’ versie niet van toepassing is.

5 PbEU 2010, L 140/1.

6 PbEU 2011, L 138/1.

7 Het EVEX II komt in de plaats van het Verdrag van Lugano dat op 16 september 1988 werd gesloten, zie art. 69 lid 6 EVEX II. Wat rechtsvorderingen betreft is het EVEX II krachtens art. 63 slechts van toepassing op rechtsvorderingen die zijn ingesteld na de inwerkingtreding van het EVEX II in de staat van herkomst van de beslissing. Zie over het EVEX II: P. Vlas, Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, EVEX II, aant. 1-10; J.F. Vlek, Herziening EVEX: Een nieuw Verdrag van Lugano, WPNR 2009/6799.

8 Zie hierover P. Vlas, in: Magnus/Mankowski, Brussels I Regulation, 2016, Art. 63, nr. 10; P. Vlas, Rechtspersonen, Praktijkreeks IPR, deel 9, 2009, nr. 185.

9 Het opschrift van onderdeel 1 op p. 3 van de cassatiedagvaarding luidt: ‘De criteria van artikel 60 lid 1 sub b en c EVEX-Verdrag 2007’. Ik wijs erop dat het bepaalde in sub b van art. 60 lid 1 EVEX II-Verdrag – onder woonplaats wordt voor de toepassing van het EVEX II ook verstaan het hoofdbestuur van de rechtspersoon – in dit cassatiegeding geen rol speelt. Een daarop gerichte klacht valt in het middel niet te ontdekken.

10 Zie ook P. Vlas, Rechtspersonen, a.w., nr. 178-187; P. Vlas, Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, EEX-Verordening (nr. 44/2001), art. 60, aant. 2; F. Ibili, T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 63 EEX-Verordening II (nr. 1215/2012), aant. 1, onder d. Zie in dit verband ook het toelichtend rapport van Fausto Pocar bij het EVEX II (PbEG 2009, C 319/1), nr. 27: ‘(…) De Commissie heeft (…) voorgesteld een gezamenlijke definitie van woonplaats aan te nemen voor vennootschappen, namelijk de plaats van het hoofdbestuur of, bij ontstentenis daarvan, de statutaire zetel, zodat de vennootschap op basis van feitelijke elementen aan één rechtsstelsel kan worden gekoppeld. (…)’.

11 Memorie van Grieven, p. 16-17.