Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:1328

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
16-12-2016
Datum publicatie
10-03-2017
Zaaknummer
15/05147
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:405, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verbintenissenrecht. Gemengde overeenkomst (art. 6:215 BW): duurovereenkomst tot verzorgen van catering bij besloten bijeenkomsten in kasteel, gecombineerd met recht van gebruik van ruimten voor een publieksrestaurant. Heeft restauranthouder na beëindiging kasteelcatering recht op huurbescherming?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 15/05147

mr. M.H. Wissink

Zitting: 16 december 2016

Conclusie in de zaak van:

[eiseres]

tegen

De Staat der Nederlanden, Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie

(hierna: de Staat)

1 Feiten en procesverloop

1.1

Deze zaak ziet op de beëindiging van een cateringovereenkomst die zowel een opdracht- als een huurovereenkomst in de zin van art. 7:290 BW behelst. Naar het oordeel van het hof is de overeenkomst van opdracht overheersend ten opzichte van de huurovereenkomst en komt [eiseres] daarom geen beroep op huurbescherming toe.1

1.2

De feiten laten zich als volgt samenvatten:2

(i) De Staat heeft Kasteel [A] te [plaats] (hierna: het Kasteel), eigendom van Staatsbosbeheer, in beheer en gebruik.

(ii) (Onder andere) het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie gebruikt het Kasteel voor officiële ontvangsten, congressen, vergaderingen en presentaties (de beleidsfunctie). Daarnaast heeft het Kasteel een publieke functie en is in dat kader van dinsdag tot en met zondag geopend voor bezoekers (de publieksfunctie).

(iii) In 2002 is ten behoeve van de cateringdiensten voor de beleidsfunctie en de publieksfunctie (hierna: de cateringdiensten) een aanbesteding gehouden, waarna de opdracht is gegund aan een dochtervennootschap van P4 Holding B.V. (hierna: P4). P4 heeft vervolgens dochtervennootschap [eiseres] opgericht ten behoeve van de cateringdiensten.

(iv) Op 2 april 2003 is tussen de Staat en [eiseres] een overeenkomst gesloten inzake de cateringdiensten (hierna: de overeenkomst). De overeenkomst is aangegaan voor de duur van drie jaar, ingaande op 24 februari 2003, met de mogelijkheid van verlenging voor tweemaal een jaar.

(v) In de overeenkomst is onder meer bepaald:

De ondergetekenden

1. De Staat der Nederlanden (...) hierna te noemen LNV;

en

2. [eiseres] i.o. (...) hierna te noemen "Opdrachtnemer";

Overwegende:

dat LNV aan een drietal partijen heeft gevraagd offerte uit te brengen volgens het bestek aanbesteding catering Kasteel [A] (...).

dat partijen op 14 november 2002 een offerte hebben uitgebracht voor uitvoering van deze dienst;

dat LNV (...) heeft besloten [eiseres] (...) de opdracht te gunnen; dat partijen deze dienstverlening wensen vast te leggen in een overeenkomst;

(...)

Begrippen

Artikel 1

(...)

Onder begrippen wordt verstaan;

Bedrijfsruimten: die ruimten waarin medewerkers van Opdrachtnemer werkzaamheden verrichten ter uitvoering van de overeengekomen Diensten; (...)

Voorwerp van overeenkomst

Artikel 2

1. LNV draagt aan de Opdrachtnemer op, gelijk de Opdrachtnemer van LNV aanvaardt, de exploitatie van het restaurant van Kasteel [A] , verzorging van de banquetingactiviteiten van Kasteel [A] en de verzorging van de personeelsvoorzieningen voor de medewerkers en vrijwilligers van Kasteel [A] , zoals nader uitgewerkt is in deze overeenkomst en de bijlagen, omvattende het bestek, het programma van eisen en de offerte van Opdrachtnemer met als kenmerk (...), alsmede de bijlagen (...), welke onlosmakelijk deel uit maken van deze overeenkomst.

Duur van de overeenkomst

Artikel 3

1. Deze overeenkomst is aangegaan voor een periode van drie jaar en wordt gerekend te zijn ingegaan op 24 februari 2003 en zal mitsdien eindigen op 28 februari 2006.

2. LNV heeft de mogelijkheid deze overeenkomst tweemaal te verlengen voor de periode van één jaar (...).

Overleg

Artikel 5

1. LNV is ten allen tijde gerechtigd de aard en de omvang van de door de Opdrachtnemer te verrichten werkzaamheden te wijzigen. (...)

Kosten

Artikel 7

1. Kosten (vast)

De door Opdrachtnemer verschuldigde vaste kosten worden uitgedrukt in een periodiek bedrag (....). Dit bedrag betreft een gebruiksvergoeding van € 2.500,- per maand. Deze vergoeding betreft de publiekscatering en beslaat het gebruik van het Kasteelrestaurant, terras en keuken inclusief gas, water, electra en telefoon (…)

2. Kosten (variabel)

De door Opdrachtnemer verschuldigde variabele kosten zijnde 50% van de overwinst.(...)

Bedrijfsruimten en inventaris

Artikel 15

In overleg tussen partijen worden door LNV voldoende Bedrijfsruimten en Inventaris aan Opdrachtnemer ter beschikking gesteld. LNV draagt zorg dat de Bedrijfsruimten en het Inventaris op een zodanige wijze op peil worden gehouden, dat de Cateringdienst zijn werkzaamheden ongestoord kan uitoefenen.

(vi) In 2005 heeft de Staat schriftelijk aan [eiseres] bevestigd dat de overeenkomst werd verlengd met een periode van twee jaar, tot en met 29 februari 2008.

(vii) Bij brief van 25 februari 2008 heeft de Staat3 aan [eiseres] bericht dat, hoewel de overeenkomst op 29 februari 2008 zal aflopen, in verband met een herinrichting en het ontwikkelen van een nieuwe visie op de horecafunctie binnen het Kasteel, is besloten om de cateringdiensten vooralsnog niet opnieuw aan te besteden maar de overeenkomst te verlengen tot en met 31 december 2008. [eiseres] heeft deze brief voor akkoord getekend en geretourneerd.

(viii) Bij brief van 6 november 2008 heeft de Staat aan [eiseres] laten weten dat de aanbesteding is vertraagd en begin 2009 zal worden uitgeschreven. [eiseres] heeft haar activiteiten na 31 december 2008 voortgezet. In het kader van de renovatie van het Kasteel is het restaurant verplaatst van het hoofdgebouw naar het koetshuis.4

(ix) Eind 2011 heeft de Staat aan [eiseres] bericht dat de aanbesteding op korte termijn in gang zou worden gezet. P4 heeft in antwoord daarop bericht dat van een nieuwe aanbestedingsprocedure geen sprake kan zijn omdat sprake is van een huurovereenkomst. De Staat heeft dat laatste betwist.

(x) Eind december 2011 heeft de aanbestedingsprocedure plaatsgevonden. Onder meer P4 heeft zich hiervoor ingeschreven. In februari 2012 heeft de Staat aan P4 meegedeeld dat de opdracht wordt gegund aan een andere inschrijver. P4 heeft vervolgens in kort geding gevorderd de Staat te gebieden om de opdracht aan P4 te gunnen, welke vordering door de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag bij vonnis van 16 april 2012 is afgewezen.

(xi) Bij brief van 7 mei 2012 heeft de Staat de overeenkomst per 31 mei 2012 beëindigd. Bij brief van 30 mei 2012 heeft de Staat P4 en [eiseres] gesommeerd om het Kasteel te ontruimen, aan welke sommatie geen gehoor is gegeven. Bij vonnis van 10 juli 2012 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag P4 en [eiseres] op vordering van de Staat veroordeeld tot ontruiming van de door hen gebruikte ruimten in/bij het Kasteel. Tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld en [eiseres] heeft de door haar gebruikte ruimten op 13 juli 2012 ontruimd.

1.3

[eiseres] heeft bij dagvaarding van 27 december 2012 de onderhavige bodemprocedure aangespannen tegen de Staat. [eiseres] vordert – kort gezegd – verklaringen voor recht dat (i) met betrekking tot de exploitatie van het kasteelrestaurant tussen haar en de Staat sprake was van een huurovereenkomst ex artikel 7:290 BW, (ii) de Staat onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door tot ontruiming over te gaan en (iii) dat de Staat aansprakelijk is voor alle door haar als gevolg van deze onrechtmatige ontruiming geleden en nog te lijden schade. Daarnaast heeft [eiseres] gevorderd de Staat te veroordelen tot schadevergoeding, nader op te maken bij schadestaatprocedure. De Staat heeft zich tegen deze vorderingen verweerd.

1.4

Bij vonnis van 27 november 2013 heeft de kantonrechter de vorderingen van [eiseres] afgewezen. De kantonrechter heeft – kort gezegd – geoordeeld dat de overeenkomst niet aan alle essentialia van een huurovereenkomst voldoet en voorts overwogen dat ook al zou hier wel aan zijn voldaan, dit nog niet zonder meer meebrengt dat sprake is van een huurovereenkomst. Ten slotte heeft de kantonrechter de stelling van [eiseres] dat na 31 december 2008 een nieuwe huurovereenkomst tot stand is gekomen verworpen.

1.5

In het door [eiseres] tegen dit vonnis ingestelde hoger beroep heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij arrest van 14 juli 2015 het vonnis bekrachtigd. Anders dan de kantonrechter heeft overwogen, is het hof van oordeel dat de overeenkomst wel aan alle essentialia van een huurovereenkomst in de zin van artikel 7:201 jo. artikel 7:290 BW voldoet. Voorts is sprake van een overeenkomst van opdracht (rov. 4.7). Vervolgens overweegt het hof:

geen splitsing

4.8

Uit het bovenstaande is gebleken dat het hof uitgaat van een tussen partijen gesloten gemengde overeenkomst die mede een huurovereenkomst bevat. Nu [eiseres] zich op huurbescherming beroept, dient de vraag te worden beantwoord of de overeenkomst kan worden gesplitst zodat [eiseres] langs deze weg huurbescherming toekomt. Bij die beoordeling komt het aan op alle omstandigheden van het geval, waaronder de bedoeling van partijen bij het aangaan van de overeenkomst. Die bedoeling is naar het oordeel van het hof duidelijk; het ging om één opdracht van de Staat aan [eiseres] die uiteenviel in enerzijds het ter beschikking stellen van het kasteelrestaurant en de exploitatie ervan en anderzijds het verlenen van cateringdiensten. Dit blijkt onder meer uit de aanbestedingsstukken waarin in het bestek (productie 2 bij productie 2 bij inleidende dagvaarding) is opgenomen:

“ 1.2 Aan te besteden opdracht

Kasteel [A] is voornemens een cateringcontract aan te besteden voor de exploitatie van het museumrestaurant en de verzorging van de banquetingfaciliteiten voor de duur van drie jaar met een mogelijkheid tot verlenging met tweemaal een jaar".

Uit deze bewoordingen van de opdracht, waarbij de exploitatie van het restaurant en de verzorging van de banquetingfaciliteiten in één adem worden genoemd, blijkt dat de Staat één opdracht voor ogen stond en niet twee afzonderlijke overeenkomsten en dat [eiseres] dit ook in die zin heeft moeten begrijpen.

verlenen van cateringdiensten is overheersend

4.9

De vraag rijst vervolgens of één van de twee met elkaar samenhangende overeenkomsten prevaleert, nu de voor beide overeenkomsten gegeven bepalingen in het onderhavige geval niet wel verenigbaar zijn, dan wel de strekking daarvan in verband met de aard van de overeenkomst(en) zich tegen toepassing verzet (art. 6:215 BW). Het hof is van oordeel dat het verlenen van cateringdiensten zodanig centraal staat en overheerst dat het huurelement (in dit geval de huurbeschermingsbepalingen) daaraan ondergeschikt is. Dit blijkt in de eerste plaats hieruit dat de overeenkomst tot stand is gekomen na een aanbestedingsprocedure waaruit duidelijk kenbaar was dat de Staat een cateringcontract wilde sluiten. Zo staan de cateringactiviteiten in het bestek en met name in het programma van eisen (producties 2 en 3 bij productie 2 bij inleidende dagvaarding) centraal. In dit laatste aanbestedingsdocument wordt uitgebreid aandacht besteed aan het concept van de publiekscatering, de banqueting en de personeelslunches en het bijbehorende assortiment aan dranken en spijzen. Ook in de overeenkomst zelf ligt, gelet op de considerans en artikel 2 over het voorwerp van de overeenkomst (“LNV draagt aan de Opdrachtnemer op, gelijk de Opdrachtnemer van LNV aanvaardt, de exploitatie van het restaurant van Kasteel [A] , verzorging van de banquetingactiviteiten van Kasteel [A] en de verzorging van de personeelsvoorzieningen voor de medewerkers en vrijwilligers van Kasteel [A]") de nadruk op de catering: publiekscatering, de banquetingactiviteiten en de verzorging van de personeelsvoorzieningen. De in de overeenkomst vastgelegde afspraken hebben ook op deze drie onderdelen van de opdracht (welke onderdelen niet elkaar samenhangen en zich niet voor splitsing lenen) betrekking. De bepalingen die zien op de ter beschikking te stellen ruimten zijn in de overeenkomst van ondergeschikte betekenis; vrijwel alle bepalingen van de overeenkomst zijn gericht op het uitvoeren van cateringdiensten.

Het hof betrekt bij zijn oordeel nog dat de openingstijden van het restaurant gelijk zijn aan de openingstijden van het kasteel (memorie van grieven, randnummer 93), hetgeen betekent dat van een zelfstandig functionerend restaurant, met eigen bepaalbare ook in de avonduren geldende openingstijden waarop artikel 7:290 lid 2 aanhef en onder a BW kennelijk ziet, geen sprake is.

Ten slotte merkt het hof op dat artikel 7A:1624 lid 1, tweede zin, oud BW, dat bepaalde dat ingeval van strijd tussen bepalingen bij een gemengde overeenkomst, de bepalingen van huur en verhuur van bedrijfsruimte prevaleren, ook ruimte liet voor voorbijgaan aan de huurbeschermingsbepalingen als de elementen van de nadere benoemde overeenkomst overheersten in de rechtsverhouding.

4.10

Uit het voorgaande volgt dat de opzegging van de “Overeenkomst van cateringdiensten” de opzegging van het huurdeel van de overeenkomst impliceert nu deze overeenkomst als één samenhangend geheel moet worden beschouwd. De overeenkomst van opdracht is overheersend ten opzichte van de huurovereenkomst. De regels omtrent opzegging van een huurovereenkomst en een overeenkomst van opdracht kunnen niet naast elkaar bestaan zodat die van de overeenkomst van opdracht prevaleren en aan [eiseres] geen huurbescherming toekomt. Het betoog van [eiseres] dat na 31 december 2008 stilzwijgend een nieuwe huurovereenkomst tot stand is gekomen – als uitvloeisel van de renovatie zou aan haar opnieuw het gehuurde ter beschikking zijn gesteld – dient te worden verworpen reeds omdat [eiseres] niet (voldoende) onderbouwd heeft gesteld welke afspraken (en met welke inhoud) tussen partijen zijn gemaakt waaruit zou volgen dat een “nieuwe huurrelatie” is ontstaan.

4.11

Nu [eiseres] geen feiten of omstandigheden heeft gesteld, die indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden, zal het hof haar bewijsaanbod passeren.”

1.6

[eiseres] heeft bij dagvaarding van 14 oktober 2015 tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van 14 juli 2015. De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het principaal cassatieberoep en voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. [eiseres] heeft geconcludeerd tot verwerping van dat beroep waarna partijen hun standpunten schriftelijk hebben toegelicht.

2 Bespreking van het principale cassatiemiddel

2.1

Het middel bestaat uit twee onderdelen met verschillende subonderdelen. Beide onderdelen richten zich tegen de toepassing door het hof van artikel 6:215 BW. Onderdeel 2 ziet daarnaast op het oordeel dat de huurrelatie onder de overeenkomst niet is gewijzigd.

2.2

Ik stel voorop dat het hof de volgende stappen heeft gezet.

(1) Het hof heeft eerst onderzocht of de door partijen gesloten cateringovereenkomst ook voldoet aan de omschrijving van huur van bedrijfsruimte en heeft die vraag bevestigend beantwoord (rov. 4.7). Zou de overeenkomst niet (ook) voldoen aan de omschrijving van huur, dan is er reeds daarom geen huurbescherming.

(2) Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat sprake is van een gemengde overeenkomst in de zin van art. 6:215 BW, die zowel huur als opdracht omvat.

(3) Het hof sluit dan uit dat de gemengde overeenkomst, bij nadere beschouwing, uiteenvalt in twee afzonderlijke overeenkomsten, één van huur en één van opdracht. Dit brengt mee dat niet langs deze weg kan worden geconcludeerd dat [eiseres] huurbescherming geniet (rov. 4.8). Voorts betekent dit dat de opzegging van de overeenkomst door de Staat ook de opzegging van het huurdeel impliceert (rov. 4.10, eerste volzin).

(4) Nu er sprake is van een gemengde overeenkomst (rov. 4.7) zijn volgens art. 6:215 BW de voor huur en de voor opdracht gegeven bepalingen naast elkaar van toepassing, behoudens voor zover deze bepalingen niet wel verenigbaar zijn of de strekking daarvan in verband met de aard van de overeenkomst zich tegen toepassing verzet (rov. 4.9). Deze uitzondering doet zich hier voor nu de regels over opzegging van een huurovereenkomst en over opzegging van een overeenkomst van opdracht niet naast elkaar kunnen bestaan (rov. 4.9, eerste volzin, en 4.10, derde volzin).

(5) Nu het door art. 6:215 BW voorop gestelde cumulatiestelsel in dit geval niet kan worden toegepast, moet op andere wijze worden bepaald welke bepalingen de opzegging beheersen. Het hof is van oordeel dat de opdracht (de cateringdiensten) zodanig centraal staat en overheerst dat het huurelement daaraan ondergeschikt is, zodat de regels omtrent opzegging van een opdracht prevaleren en aan [eiseres] geen huurbescherming toekomt (rov. 4.9, tweede volzin e.v., en 4.10, tweede en derde volzin).

2.3.1

In de literatuur is de vraag gesteld of het hof in het onderhavige geval niet een onnodige omweg maakt door te oordelen dat er sprake is van een gemengde overeenkomst; het had bij stap 2 aan de hand van het Timeshare-arrest al kunnen oordelen dat er geen gemengde overeenkomst is en was dan tot dezelfde uitkomst gekomen.5 Volgens het Timeshare-arrest is denkbaar dat een overeenkomst weliswaar elementen bevat op grond waarvan op zichzelf aan de wettelijke omschrijving van huur is voldaan, maar − in de gegeven omstandigheden gelet op hetgeen partijen ten tijde van het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond, de inhoud en strekking van de overeenkomst − niet van dien aard is dat zij in haar geheel beschouwd als huurovereenkomst kan worden aangemerkt.6 Vgl. ook onderdeel 1.1 van het voorwaardelijk ingestelde incidentele cassatiemiddel, dat aanvoert dat het hof de rechtsregel van dit arrest heeft miskend.

2.3.2

Ik ga ervan uit dat het niet nodig is om de situatie waarop het Timeshare-arrest zag (samenval van een (mogelijk)7 onbenoemde overeenkomst met een huurovereenkomst) principieel te onderscheiden van de situatie waarvoor art. 6:215 BW is geschreven (samenval van twee benoemde overeenkomsten).8 Op zichzelf beschouwd is het juist dat men niet aan de kwalificatie ‘gemengde overeenkomst’ toekomt, wanneer sprake is van een overeenkomst als bedoeld in het Timeshare-arrest. Dat betekent naar mijn mening echter niet het hier zou gaan om (in een bepaalde volgorde te stellen) verschillende vragen.

In een geval als het onderhavige gaat het naar mijn mening uiteindelijk om een duiding van ‘de essentie’ van de voorliggende overeenkomst.9 Dit vergt een waardering van het voorliggende feitencomplex. Daartoe wordt – nadat is vastgesteld dat de overeenkomst ook voldoet aan de elementen van huur − de overeenkomst in haar geheel beoordeeld, waarbij uiteraard wordt gekeken naar de gegeven omstandigheden, hetgeen partijen ten tijde van het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond en de inhoud en strekking van de overeenkomst. Het oordeel kan dan zijn dat de overeenkomst in essentie niet als huur kan worden beschouwd (Timeshare-arrest), maar kan ook zijn dat de overeenkomst mede als huur (gemengde overeenkomst) moet worden beschouwd. Als zij niet het een is, dan is zij het ander.10

2.3.3

Er zijn andere rechtsgevolgen verbonden aan het oordeel dat de overeenkomst per saldo niet als huur (Timeshare-arrest) moet worden beschouwd dan aan het oordeel dat de overeenkomst mede huur omvat (gemengde overeenkomst). In het eerste geval zijn de wettelijke huurbepalingen in het geheel niet van toepassing.11 Is sprake van een gemengde overeenkomst, dan zijn (ook) de wettelijke huurbepalingen van toepassing. Dat sluit weliswaar niet de mogelijkheid uit dat ten aanzien van één of meer wetsbepaling(en) anders moet worden geoordeeld, zoals het hof in het onderhavige geval heeft gedaan in verband met de opzegging, maar dit laat onverlet dat andere wettelijke huurbepalingen dan nog wel (mede) de rechtsverhouding van partijen normeren. Het verschil is, kort gezegd, dat in het ene geval de toepasselijkheid van de wettelijke huurbepalingen in een keer wordt uitgesloten en in het andere geval de ruimte wordt behouden om per bepaling te beoordelen of deze kan worden toegepast.

2.3.4

De door het hof in dit geval gehanteerde ‘zodanig overheersend’-maatstaf om te beoordelen welke opzegbepalingen gelden nu de cumulatiehoofdregel van artikel 6:215 BW geen toepassing kan vinden, vertoont overigens gelijkenis met de maatstaf van het Timeshare-arrest.

Zo omschrijft De Vries enerzijds de situatie van het Timeshare-arrest als “een onbenoemde overeenkomst die elementen bevat van een benoemde overeenkomst, maar welke elementen zodanig ondergeschikt zijn dat de wettelijke bepalingen daarvan niet van toepassing zijn (…)”. Anderzijds merkt hij op dat wanneer bij een gemengde overeenkomst de hoofdregel van cumulatie niet kan worden toegepast, de rechter kan aannemen12 dat dwingende regels omtrent bijvoorbeeld huurbeëindiging niet van toepassing zijn als de elementen van het ander type benoemde contract duidelijk overheersen.13 Dit laatste heeft het hof in de voorliggende zaak in rov. 4.9 tot uitdrukking gebracht. In zekere zin zou men kunnen zeggen dat het hof daarmee weer is teruggekomen bij het punt waar het eerder oordeelde, dat sprake was van een gemengde overeenkomst.

Toch is denkbaar dat een rechter enerzijds oordeelt dat sprake is van een gemengde overeenkomst en anderzijds de door het hof gehanteerde maatstaf hanteert wanneer de hoofdregel van cumulatie niet kan worden toegepast. Het is een subtiel verschil: het element opdracht is niet zodanig overheersend dat de overeenkomst in het geheel niet als huur kwalificeert, maar wel zodanig overheersend dat bij een concreet conflict tussen bepaalde wettelijke regels over opdracht en over huur de regels over huur niet toegepast moeten worden. Het is een understatement om te zeggen dat het lastig is om in een concreet geval te bepalen wanneer een dergelijk oordeel gegeven moet worden. Maar het is goed voorstelbaar dat er behoefte bestaat aan de mogelijkheid van een dergelijk oordeel gezien het bij 2.3.3 opgemerkte over het verschil in rechtsgevolgen.

2.4

Tegen deze achtergrond bespreek ik verder het middel.

Onderdeel 1

2.5.1

Onderdeel 1 betoogt dat het hof in rov. 4.8 e.v. blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door – kort gezegd – eerst te onderzoeken of de overeenkomst kan worden gesplitst en vervolgens te onderzoeken of één van de twee met elkaar samenhangende overeenkomsten prevaleert. Volgens art. 6:215 BW geldt immers het cumulatiestelsel en is voor de toepassing daarvan niet van belang of de overeenkomst kan worden gesplitst, aldus samengevat subonderdeel 1.1.

2.5.2

Deze klacht moet falen, omdat zij berust op een onjuiste lezing van het arrest. Het hof heeft niet geoordeeld dat [eiseres] eerst huurbescherming toekomt indien de cateringovereenkomst kan worden gesplitst, maar heeft in rov. 4.8 onderzocht of sprake is van twee te onderscheiden overeenkomsten dan wel van één, gemengde overeenkomst waarop art. 6:215 BW ziet.

Dat het hof in rov. 4.8 onderzoekt of de cateringovereenkomst kan worden gesplitst in twee overeenkomsten, getuigt ook overigens niet van een onjuiste rechtsopvatting. Zo overwoog uw Raad in het arrest van 26 februari 1993 met betrekking tot een vergelijkbaar feitencomplex (enerzijds (ver)huur van enkele ruimten ten behoeve van een horecabedrijf, anderzijds verpachting van buffetrechten), dat geen rechtsregel de rechtbank behoefde te weerhouden “ervan uit te gaan dat het mogelijk is dat in de tussen partijen bestaande rechtsverhouding sprake is van twee afzonderlijke overeenkomsten waarvan de ene wel en de andere niet wordt beheerst door de art. 1624 e.v.” 14 Dit volgt ook uit de Toelichting Meijers bij artikel 6:215 BW, waarin is opgemerkt dat “geen gemengd contract aanwezig [is], voor zover een complex van bedingen in van elkaar onafhankelijke overeenkomsten uiteenvalt – hetgeen ook dan het geval kan zijn als de bedingen tegelijkertijd zijn gemaakt of op één stuk zijn in schrift gebracht.” 15

2.6

Anders dan subonderdeel 1.2 betoogt, heeft het hof niet miskend dat volgens artikel 6:215 BW als uitgangspunt geldt dat de in aanmerking komende wetsbepalingen in beginsel naast elkaar (kunnen en) moeten worden toegepast (het cumulatiestelsel). Het hof heeft in rov. 4.9 – in zoverre in cassatie onbestreden – immers geoordeeld dat de voor beide overeenkomsten gegeven bepalingen in het onderhavige geval niet wel verenigbaar zijn, dan wel de strekking daarvan in verband met de aard van de overeenkomst(en) zich tegen toepassing verzet. Dit oordeel brengt, ingevolge de tweede zin van artikel 6:215 BW, met zich dat het cumulatiestelsel niet dient te worden toegepast. Pas na deze vaststelling heeft het hof, teneinde de dan – zonder toepassing van het cumulatiestelsel – toepasselijke rechtsregel te bepalen, onderzocht of één van de twee met elkaar samenhangende overeenkomsten prevaleert. Voor zover het onderdeel zou betogen dat artikel 6:215 BW met zich brengt dat in geval van samenhangende overeenkomsten altijd het cumulatiestelsel dient te worden toegepast berust dit, gezien de tweede zin van artikel 6:215 BW, op een verkeerde rechtsopvatting.

2.7.1

Het onderdeel betoogt voorts dat het hof bij de toepassing van (de uitzondering van) artikel 6:215 BW een verkeerde maatstaf heeft aangelegd door te beoordelen of het ene type overeenkomst (cateringopdracht) zodanig centraal staat en overheerst dat het andere type overeenkomst (huur) daaraan ondergeschikt is (zie subonderdeel 1.2). De wetgever heeft met het schrappen van de – tot aan het nieuwe huurrecht geldende – strekkingsbepaling van artikel 7A:1624 lid 1 (oud) BW niet beoogd de daarin neergelegde beschermingsgedachte te laten vervallen onder de vigeur van artikel 6:215 BW. Aldus kunnen – volgens het onderdeel – bij een gemengde overeenkomst de dwingendrechtelijke bepalingen van huur van bedrijfsruimte niet worden ontdoken/buiten effect gesteld door in de gemengde overeenkomst vooral (overwegend) elementen van andere bijzondere overeenkomsten op te nemen (zie subonderdeel 1.3 en subonderdeel 1.4 voor zover dat de voorgaande klachten herhaalt).

2.7.2

Voor zover het onderdeel veronderstelt dat, al dan niet op grond van de doorwerking van de strekkingsbepaling uit artikel 7A:1624 (oud) BW, in geval van gemengde overeenkomsten als de onderhavige de dwingendrechtelijke bepalingen van huur van bedrijfsruimte steeds dienen te prevaleren, berust het op een onjuiste rechtsopvatting. In de parlementaire geschiedenis bij de invoering van artikel 6:215 BW is over de samenloop tussen dwingendrechtelijke en niet-dwingendrechtelijke bepalingen het volgende opgemerkt:16

“Voor zover de in het tweede lid omschreven omstandigheden zich voordoen, geldt de in het eerste lid geformuleerde regel niet; het is echter niet in abstracto aan te geven welke regels dan wèl moeten worden toegepast. Zelden zal het voorkomen dat op grond van het tweede lid een bepaling van dwingend recht niet moet worden toegepast. Anders dan in artikel 3 Inleidende Titel is voor dwingend recht evenwel geen principiële uitzondering gemaakt, daar immers enerzijds geen algemene regel kan worden gegeven voor het geval dat een dwingende bepaling met een andere wettelijke regel in strijd komt en men anderzijds evenmin de mogelijkheid kan uitsluiten dat ook een dwingende bepaling op een geval dat onder haar letter valt, niettemin krachtens haar strekking niet toepasselijk is.”

In de MvT bij invoering van titel 7.4 BW (huur) wordt de beoogde toepassing van artikel 6:215 BW op het huurrecht – onder meer van belang vanwege het niet laten terugkeren van de strekkingsbepaling uit artikel 7A:1624 BW – als volgt toegelicht:17

“Tenslotte kan worden gewezen op de belangrijke bepaling van artikel 6:215 betreffende de gemengde overeenkomst. (…) Uitgangspunt is dat een overeenkomst zeer wel onder de omschrijving van twee verschillende benoemde overeenkomsten kan vallen. De bepalingen van beide soorten van overeenkomsten zijn dan cumulatief van toepassing, behoudens een van bepaling tot bepaling te beoordelen onverenigbaarheid of zich tegen toepasselijkheid verzettende strekking. De regel is vooral van belang voor regels van dwingend recht, dat aldus zoveel mogelijk tot gelding komt. Zij is aldus een uitdrukking van wat in elk geval sinds 1992 voor samenloop van wetsbepalingen in het algemeen geldt. Maar dat moet natuurlijk niet zover gaan dat een dwingende regel ook daar toepasselijk is waar dit door de gemengde aard van de overeenkomst de ratio van die regel te buiten zou gaan.”

Ook in de MvT bij de invoering van afdeling 7.4.6 BW, inzake huur van bedrijfsruimte, komt de beoogde toepassing van artikel 6:215 BW in het huurrecht aan de orde:18

“Tenslotte verdient nog opmerking dat de rechtspraak die zich heeft gevormd onder de strekkingsbepaling van de huidige tweede zin van artikel 1624, eerste lid, door de nieuwe regeling niet haar betekenis zal verliezen. Artikel 215 van Boek 6 strekt mede ertoe te bewerken dat regels van dwingend recht betreffende benoemde overeenkomsten zoveel mogelijk tot gelding komen, ook indien de overeenkomst mede elementen van andere benoemde of onbenoemde overeenkomsten bevat. Voor de vraag waar met betrekking tot de dwingende regels betreffende huur van bedrijfsruimte de grens ligt, zal derhalve de voormelde rechtspraak, die in wezen dezelfde vraag betreft, een noodzakelijk richtsnoer zijn.”

Uit het voorgaande volgt dat de wetgever bij de invoering van titel 7.4 niet heeft beoogd dat in geval van gemengde overeenkomsten als de onderhavige de dwingendrechtelijke bepalingen van huur van bedrijfsruimte steeds dienen te prevaleren. De wetgever heeft aan de rechter de ruimte gelaten om in voorkomende gevallen te oordelen dat bepaalde regels van dwingend recht niet van toepassing zijn op de voorliggende gemengde overeenkomst. Dat dwingend huurrecht bij een gemengde overeenkomst bij uitzondering buiten toepassing kan blijven, wordt ook in de literatuur aangenomen.19 Het onderdeel faalt eveneens voor zover het betoogt dat het hof een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd door te onderzoeken of het verlenen van cateringdiensten in de overeenkomst zodanig centraal staat en overheerst dat het huurelement daaraan onderschikt is. Niet valt in te zien waarom deze maatstaf daartoe niet zou kunnen worden gehanteerd.20

2.7.3

Onderdeel 1.1 vraagt nog aandacht voor een passage in de TM bij art. 6:215 BW, waarin wordt geschreven:21

“De absorptietheorie is niet als uitgangspunt gekozen, in de eerste plaats omdat in vele gevallen niet is uit te maken van welke type de kenmerken in een bepaald gemengd contract overwegen, en in de tweede plaats omdat - zelfs waar dat wèl mogelijk zou zijn - niet is in te zien waarom de voor dit overheersende type geschreven bepalingen steeds ook bij uitsluiting zouden moeten worden toegepast ten aanzien van die aspecten van de overeenkomst die juist voor het andere type kenmerkend zijn. "

Het gaat hier enkel om een uiteenzetting van de keuze voor de cumulatietheorie die als hoofdregel in art. 6:215 BW is opgenomen. De passage ziet niet op de vraag welke oplossing moet worden gekozen indien zich een uitzonderingsgeval voordoet waarin deze hoofdregel geen uitkomst biedt. Het hof heeft zich ook niet beperkt tot de vraag of het element opdracht dan wel het element huur in de cateringovereenkomst ‘overheerst’, maar in rov. 4.9 en 4.10 geoordeeld dat het element opdracht “zodanig centraal staat en overheerst” dat de regels omtrent huurbescherming bij opzegging niet van toepassing zijn.

2.8

Subonderdeel 1.3 klaagt nog dat het hof van oordeel is geweest dat het tot augustus 2003 geldende artikel 7A:1624 BW (lid 1, tweede volzin) van toepassing was. Deze klacht berust op een verkeerde lezing van het bestreden arrest en faalt derhalve. Dat geldt ook voor de klacht in subonderdeel 1.4, dat het hof in rov. 4.8 t/m 4.10 van oordeel was dat voor het buiten toepassing laten van de dwingende huurbescherming voldoende is dat de Staat bij het aangaan van de overeenkomst beoogde één overeenkomst te sluiten en niet twee. Dit subonderdeel klaagt voorts vergeefs dat het hof geen der (limitatieve) uitzonderingen van artikel 6:215 BW heeft vastgesteld die zijn bestreden oordeel zou kunnen dragen.

Onderdeel 2

2.9.1

Volgens onderdeel 2 is onjuist dan wel onbegrijpelijk dat het hof enerzijds oordeelt dat sprake is van een gemengde overeenkomst (rov. 4.7) en anderzijds dat deze overeenkomst niet kan worden gesplitst (rov. 4.8), omdat – kort gezegd − de vraag of een gemengde overeenkomst mede kan worden aangemerkt als een huurovereenkomst niet alleen moet worden beoordeeld naar hetgeen partijen ten tijde van het sluiten van de overeenkomst in de gegeven omstandigheden voor ogen stond, de inhoud en strekking van de overeenkomst en de daaraan voorafgegane (aanbestedings)stukken, maar ook naar de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan de overeenkomst.22

2.9.2

Ik stel voorop dat de bestreden oordelen niet tegenstrijdig zijn, omdat zij betrekking hebben op verschillende vragen (zie bij 2.2). Daarmee faalt ook de klacht van subonderdeel 2.5, voor zover daarin eveneens wordt gewezen op deze veronderstelde tegenstrijdigheid (voor het overige herhaalt dit subonderdeel onderdeel 1).

2.9.3

Voorts faalt de bij 2.9.1 bedoelde klacht van onderdeel 2, omdat zij berust op een onjuiste lezing van het arrest. De door het middel aangevallen maatstaf is door het hof in rov. 4.8 gehanteerd met het oog op de vraag of de gemengde overeenkomst kan worden gesplitst in twee overeenkomsten, één van huur en één van opdracht, maar niet (zoals de klacht lijkt te veronderstellen) om te bepalen of de overeenkomst mede huur omvat. Om deze reden faalt ook subonderdeel 2.1 voor zover daarin wordt verondersteld dat het hof de in rov. 4.8 bedoelde maatstaf ook heeft gehanteerd in rov. 4.9 om de verhouding tussen de opdracht en de huur in de gemengde overeenkomst te bepalen.

De door het onderdeel aan HR 14 november 1997 (Groen/Schoevers) en HR 10 december 2004 (Diosynth) ontleende maatstaf is overigens door Uw Raad ontwikkeld ten behoeve van de kwalificatie van een overeenkomst.23 In het onderhavige geval speelt in het principale cassatieberoep echter geen kwalificatievraag. [eiseres] onderschrijft immers het oordeel van het hof dat de overeenkomst kwalificeert als gemengde overeenkomst die mede een huurovereenkomst omvat.

2.10.1

Subonderdeel 2.2 ziet op het oordeel in rov. 4.8, dat de (gemengde) overeenkomst niet kan worden gesplitst en klaagt, kort gezegd, dat het hof ten onrechte niet, of niet voldoende kenbaar, de stellingen van [eiseres] over de wijze van uitvoering van de overeenkomst in zijn oordeel over de splitsbaarheid heeft betrokken, nu [eiseres] heeft gesteld dat partijen na het aangaan van de gemengde overeenkomst daaraan feitelijk, op deelbare wijze (steeds) afzonderlijk uitvoering hebben gegeven. Deze klacht lees ik ook in subonderdeel 2.1 (slot). Subonderdeel 2.3 (eerste deel) acht het oordeel in rov. 4.8 onbegrijpelijk omdat [eiseres] heeft aangevoerd dat partijen twee nevengeschikte overeenkomsten hebben beoogd en feitelijk als zodanig hebben uitgevoerd.

2.10.2

Deze klachten lezen zich voor gezamenlijk bespreking. In rov. 4.8 overweegt het hof de splitsingsvraag te beantwoorden aan de hand van ‘alle omstandigheden van het geval, waaronder de bedoeling van partijen bij het aangaan van de overeenkomst’. Gezien deze overweging kan niet worden gezegd dat het hof de stellingen van [eiseres] over de uitvoering van de overeenkomst niet zijn beoordeling heeft betrokken. Opmerking verdient daarbij dat [eiseres] in appel aangeeft dat zij niet stelt dat er twee afzonderlijke overeenkomsten zijn gesloten (MvG nr. 85), maar dat sprake is van een gemengde overeenkomst waarop de voor elk van die soorten gegeven bepalingen van toepassing zijn en in dat verband betoogt zij dat sprake is van twee nevengeschikte overeenkomsten respectievelijk van deelbare prestaties. De klacht dat rov. 4.8 onbegrijpelijk is omdat [eiseres] zou hebben gesteld dat partijen twee, nevengeschikte, overeenkomsten hebben beoogd, mist derhalve feitelijke grondslag. Voor het overige ligt de afwijzing door het hof van de stellingen van [eiseres] in het oordeel van het hof besloten, welk oordeel geen nadere motivering behoefde. De klachten zijn derhalve vergeefs voorgesteld.

2.11.1

Subonderdeel 2.3 klaagt voorts over het oordeel in rov. 4.9, dat het verlenen van cateringdiensten zodanig centraal staat en overheerst dat het huurelement daaraan ondergeschikt is en over het passeren van haar bewijsaanbiedingen in rov. 4.11.

2.11.2

Het onderdeel verwijst naar de volgende bewijsaanbiedingen:

- ”96. Los daarvan geldt dat in casu de overeenkomst van opdracht ontegenzeggelijk volkomen ondergeschikt aan de overheersende exploitatie van het kasteelrestaurant, de huur [is]. Dat blijkt niet alleen uit de partijbedoeling maar expliciet uit de omvang van de werkzaamheden en de daaruit gerealiseerde omzetten.

97. [eiseres] biedt ter zake uitdrukkelijk bewijs aan en brengt in het geding omzetoverzichten waaruit blijkt dat de voornaamste omzet van [eiseres] wordt gerealiseerd in de restaurantexploitatie.” (dagvaarding in eerste aanleg).

- “103. [eiseres] biedt (…) bewijs aan voor al haar stellingen door alle middelen rechtens in het bijzonder door de reeds in het geding gebrachte stukken en het horen van getuigen, niet limitatief, specifiek [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , die kunnen verklaren omtrent de aanbestedingsprocedure en de bedoelingen van partijen daarbij, de exploitatie van het kasteelrestaurant, de betrokkenheid bij de renovatie van kasteel [A] en de dientengevolge herinrichting en verplaatsing van het kasteelrestaurant.” (MvG).

De dagvaarding in eerste aanleg nr. 102 bevat een algemeen bewijsaanbod. De pleitnota in appel nr. 34 vermeldt dat [eiseres] haar bewijsaanbod herhaalt. Het bewijsaanbod in de MvG is algemeen van karakter en heeft in ieder geval niet specifiek betrekking op feiten en omstandigheden die meer licht zouden kunnen werpen op de vraag welk element van de gemengde overeenkomst overheerst.

2.11.3

Het oordeel van het hof in rov. 4.9 berust op een waardering van de feiten en omstandigheden van het onderhavige geval. Het kan niet onbegrijpelijk worden genoemd omdat het hof de visie van [eiseres] niet heeft gevolgd. Het middel verwijst naar een groot aantal stellingen van [eiseres] zonder met bepaaldheid aan te geven in het licht van welke stellingen het oordeel van het hof onbegrijpelijk is. Dit is slechts anders, mede gezien de bewijsaanbiedingen waarnaar het middel verwijst, op het punt van de stellingen van [eiseres] met betrekking tot de omzet.

Daaromtrent heeft [eiseres] gesteld dat de exploitatie van het restaurant feitelijk overheerste en dat de cateringactiviteiten ongeveer 40% van haar omzet uitmaakten,24 waarbij zij verwees naar een op haar jaarrekeningen gebaseerd overzicht (producties 3 en 4 bij dagvaarding). De omzetverhouding is ook ter gelegenheid van de pleidooien bij het hof nog ter sprake gekomen (proces-verbaal van pleidooi d.d. 25 maart 2015, blz. 4 onderaan). Het hof baseert zijn oordeel in rov. 4.9 op, kort gezegd, (i) de aanbestedingsprocedure, (ii) de overeenkomst en (iii) de openingstijden van het restaurant. Het hof heeft kennelijk in de verhouding van de omzet van het restaurant (60%) en de catering (40%) geen aanleiding gezien om tot een ander oordeel te komen. Dat is niet onbegrijpelijk te noemen nu de omzetverhouding slechts één van de mogelijke relevante omstandigheden is.25 In het licht van de in rov. 4.9 gegeven motivering behoefde het hof ook niet nader aan te geven waarom de omzetverhouding hem niet tot een ander oordeel bracht.

De tegen rov. 4.9 gerichte klacht faalt daarom. Voorts kon het hof in rov. 4.11 oordelen dat [eiseres] geen feiten of omstandigheden heeft gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden, en op die grond de bewijsaanbiedingen passeren.

2.12

Subonderdeel 2.4 richt zich tegen tevergeefs het oordeel in rov. 4.10, laatste volzin. Het hof heeft niet miskend dat [eiseres] stellingen heeft aangevoerd waaraan zij de conclusie verbond dat partijen na 31 december 2008 stilzwijgend een nieuwe huurovereenkomst hebben gesloten. Het hof heeft geoordeeld dat die stellingen niet wijzen op een nieuwe huurovereenkomst die moet worden onderscheiden van de in rov. 4.7 bedoelde huurovereenkomst. Dat oordeel is als feitelijk van aard aan het hof voorbehouden en niet onbegrijpelijk. De klacht aan het slot van het subonderdeel mist feitelijke grondslag.

2.13

Subonderdeel 2.5 is hiervoor al besproken. Subonderdeel 2.6 bevat een op de voorgaande onderdelen voortbouwende klacht en volgt het lot daarvan.

3 Bespreking van het incidentele cassatiemiddel

3.1

Het incidentele cassatieberoep is ingesteld onder de voorwaarde dat het principale cassatiemiddel in één of meer onderdelen gegrond wordt bevonden. Uit de bespreking van het principale middel volgt dat niet aan deze voorwaarde wordt voldaan, zodat ik afzie van een bespreking van het incidentele middel.

4 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het principale cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14 juli 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:5289, WR 2016/10.

2 Zie nader het bestreden arrest, rov. 3 t/m 4.3, en het vonnis van de Rb. Midden-Nederland, kantonrechter, locatie Amersfoort 27 van november 2013, rov. 2.1 t/m 2.13.

3 De onder (vii) t/m (ix) bedoelde correspondentie is namens de Staat gevoerd door ‘Kasteel [A] ’ als onderdeel van het ministerie van LNV

4 [eiseres] heeft gegriefd tegen rov. 2.8 van het vonnis, waarin de kantonrechter overwoog dat de activiteiten van [eiseres] in verband met de verbouwing zijn verplaatst naar het koetshuis. De hierboven gebruikte formulering is ontleend aan rov. 4.7 (zevende volzin) van het arrest.

5 Zie, met enige voorbeelden uit de feitenrechtspraak, I.J.M.I. Souren, ‘Enkele recente uitspraken over (de voorrang van) dwingend huurrecht ingeval van samenloop bij gemengde overeenkomsten’, TvHB 2016/3, p. 137. Zie voorts, met voorbeelden, F.C. Borst, ‘Gemengde overeenkomsten met een huurelement en gemengde huurovereenkomsten’, WR 2004/20, par. 3.

6 Zie HR 11 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9673, NJ 2012/73 m.nt. A.L.M. Keirse ( [...] /Akgi; Timeshare), rov. 4.4. Zie voor een toepassing in geval van catering Hof Arnhem 22 maart 2011, ECLI:NL:GHARN:2011:BQ6193, WR 2012/34. Zie voor een enige andere voorbeelden uit de rechtspraak voorts I.J.M.I. Souren, ‘Enkele recente uitspraken over (de voorrang van) dwingend huurrecht ingeval van samenloop bij gemengde overeenkomsten’, TvHB 2016/3, p. 136-137; S. Verbeek-Meinhardt, GS Verbintenissenrecht, art. 6:215 BW, aant. 13.

7 De Vries, t.a.p., nr. 21, betitelt de overeenkomst die aan de orde was in het Timeshare-arrest als een onbenoemde overeenkomst tot belegging in een recreatie-object.

8 De situatie dat opdracht en huur samenkomen, ligt niet zo ver af van het geval dat een onbenoemde overeenkomst en huur samenkomen. Bovendien kan art. 6:215 BW ook analogisch worden toegepast op gevallen waarin niet twee benoemde overeenkomsten samenkomen. Zie S. Verbeek-Meinhardt, GS Verbintenissenrecht, art. 6:215 BW, aant. 13; E.H.H. Schelhaas, ‘Samenloop tussen een huurovereenkomst en een andere overeenkomst, waaronder een franchiseovereenkomst’, TvHB 2014/5, p. 282-283.

9 Vgl. HR 28 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2512, NJ 1998/706 m.nt. J. Hijma (General Vargas). Zie over de problematiek voorts F.J. de Vries, De overeenkomst in het algemeen (Mon. BW B54), 2016/21-24.

10 Gevallen waarin in wezen alleen sprake is van huur (vgl. bijvoorbeeld HR 10 november 1989, ECLI:NL:HR:1989:AC1687, NJ 1990/273 m.nt. PAS (Bakaryildiz/BP)) laat ik hier verder onbesproken.

11 Behoudens, wellicht, analogische toepassing indien daartoe aanleiding zou bestaan.

12 Met de kanttekening, in mijn woorden, voor zover wettelijke of jurisprudentiële voorrangsregels zich daartegen niet verzetten.

13 Vgl. F.J. de Vries, De overeenkomst in het algemeen (Mon. BW B54), 2016, nr. 22 (het daargenoemde tweede geval) en nr. 24.

14 HR 26 februari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0889, NJ 1993/581 m.nt. PAS (Kasteel Hoensbroek), rov. 3.5. Zie voorts bijvoorbeeld G.M. Kerpestein, Huurrecht bedrijfsruimte, 2014, p. 57-58; A.R. de Jonge, Huurrecht, 2013, p. 424; H.J. Rossel, Huurrecht algemeen, 2011, p. 25-26. Vergelijk voorts over het (van het onderhavige geval te onderscheiden) geval van splitsing van een gemengde huurovereenkomst HR 10 augustus 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW6737, NJ 2014/141 m.nt. A.L.M. Keirse (Rotterdam/Utopia).

15 T-M, Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p 871, voetnoot 2.

16 T-M, Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 871.

17 MvT, Kamerstukken II 1997-1998, 26 089, nr. 3, p. 8.

18 MvT, Kamerstukken II 1999-2000, 26 932, nr. 3, p. 4.

19 Vgl. I.J.M.I. Souren, TvHB 2016/3, p. 135-136; M.E. Hinskens-van Neck en L.A.R. Siemerink, ‘Gemengde overeenkomsten’, MvV 2012/2, p. 3 en 6; M.F.A. Evers, Huurrecht bedrijfsruimten, 2011, p. 32; H.J. Rossel, Huurrecht algemeen, 2011, p. 31-32; F.C. Borst, WR 2004/20, par. 3; H.E.M. Vrolijk, GS Huurrecht, art. 7:290 BW, aant. 2.4.

20 Vgl. HR 28 juni 1985, ECLI:NL:PHR:1985:AC8975, NJ 1986/38 m.nt. PAS (’t Velthuys/Koopmans); HR 15 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0417, NJ 1992/119 (Stichting Huisvesting voor Ouderen Naarden); HR 19 februari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0879, NJ 1993/247 (Wereldhave/Groffie). Vgl. voorts E.H.H. Schelhaas, TvHB 2014/5, p. 285.

21 T-M, Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p 871.

22 Het onderdeel verwijst naar HR 14 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2495, NJ 1998/149 (Groen/Schoevers); HR 10 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP2651, NJ 2005/239 (Diosynth).

23 In het bijzonder: de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst.

24 Dagvaarding in eerste aanleg nrs. 46-47, 92 en 96; CvR nr. 54; MvG nrs. 16 en 63; pleitnota in appel nr. 27. [A] heeft ook gesteld dat de omzetcijfers van het restaurant voor haar de enige reden waren om in te schrijven (MvG nrs. 19 en 83), maar de Staat heeft aangevoerd dat dit niet relevant is (MvA 3.4.15).

25 Zie bijvoorbeeld de conclusie sub 2.14 e.v. van A-G Keus voor HR 25 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4616, WR 2003/52 (art. 81 RO).